Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

364. Een derde en laatste voorbereiding van de vleeswording is de geschiedenis van de openbaring van het paradijs af aan. De incarnatie heeft niet terstond plaats gehad na de val; maar vele eeuwen zijn er van de eerste zonde tot op de komst van Christus in het vlees verlopen. De Schrift wijst er op, als zij van de volheid van de tijd spreekt, Ef. 1:10, Gal. 4:4, dat dit geen toeval of willekeur was, maar zo door God in zijn wijsheid was bepaald. De vleeswording moest eerst in de voorafgaande historie door allerlei middelen en langs allerlei wegen worden voorbereid. Zoals de incarnatie de generatie en de creatie veronderstelt, zo komt er thans nog een veronderstelling en voorbereiding bij, nl. de revelatie. Het is inzonderheid Johannes in zijn proloog, die deze voorbereiding van de vleeswording in de voorafgaande historie ons in het licht stelt. Niet alleen was de Logos in de beginne bij God en zelf God; en niet alleen zijn alle dingen door Hem gemaakt. Maar deze Logos heeft ook van het moment van de schepping af aan aan de schepselen zijn leven en licht meegedeeld. Want in Hem was leven en het leven was het licht van de mensen. Zelfs na de val heeft deze openbaring niet opgehouden. Integendeel, het licht van die Logos scheen in de duisternis en verlichtte een iegelijk mens, komende in de wereld. Bijzonderlijk openbaarde Hij zich in Israël, dat Hij zich tot een erf had uitverkoren, en als Engel van het Verbond leidde en zegende. Hij kwam voortdurend tot het zijne, in theofanie, profetie en wonder. Zo heeft de Zoon de hele wereld, van Joden en Heidenen samen, voor zijn komst in het vlees voor- en toebereid. Wereld en mensheid, land en volk, kribbe en stal, Bethlehem en Nazareth, ouders en bloedverwanten, natuur en omgeving, maatschappij en beschaving, het is alles een moment in de volheid van de tijden, in welke God zijn Zoon gezonden heeft in het vlees. Het was de Zoon zelf, die zo terstond na de val als Logos en als Engel van het Verbond de wereld van de Heidenen en van de Joden gereed maakte voor zijn komst. Hij was komende van het begin van de tijden af aan en kwam eindelijk voor goed in de mensheid en maakte door zijn vleeswording woning in haar1. De incarnatie sluit bij de voorafgaande, zowel algemene als bijzondere revelatie, zich aan. Zij staat en valt met deze. Want indien God zich zó heeft kunnen openbaren, als de Schrift beide ten aanzien van de Heidenwereld en van Israël getuigt, dan ligt de mogelijkheid van de vleeswording daarin vanzelf opgesloten; en indien de laatste niet mogelijk was, zou ook de eerste niet te handhaven zijn. Revelatie berust toch op dezelfde gedachte als de incarnatie, di. op de mededeelbaarheid van God, zowel in het wezen van God aan de Zoon (generatie) als buiten het wezen van God aan de schepselen (creatie).

Deze hele voorbereiding van de vleeswording in de voorafgaande eeuwen concentreert zich nu als het ware en voltooit zich in de verkiezing en begenadiging van Maria als moeder van Jezus. Maria is de gezegende onder de vrouwen. Zij heeft een eer ontvangen, welke aan geen ander schepsel te beurt is gevallen. Hoog gaat zij in onverdiende gratie, haar geschonken, alle mensen en engelen te boven. Rome heeft dit terecht gehandhaafd; wie het ontkent, maakt geen ernst met de vleeswording van God. Alleen maar, de Roomse kerk is van deze erkentenis zonder enige grond voortgeschreden tot de leer van de immaculata conceptio B. Virginis. Wat haar daarbij geleid en daartoe gebracht heeft, is niet het gezag van de Schrift of van de traditie; is ook niet de poging, om daardoor de zondeloosheid van Jezus te verklaren en te waarborgen, want deze rust oorzakelijk in zijn Goddelijke natuur en instrumenteel in de ontvangenis van de Heilige Geest. Maar de drijfkracht voor dit dogma ligt weer voor Rome in de hierarchische idee. Naarmate een schepsel nader bij God staat, moet het ook te meer deel hebben aan zijn natuur en aan al zijn eigenschappen; moet het des te meer in de yewsiv, in de deificatio delen. Boven Maria nu staat geen schepsel; zij is op de nauwste wijze met God verenigd, zij is yeotokov, Deipara, zij heeft Gods eigen Zoon onder het hart gedragen, God zelf heeft in haar gewoond. Of er bewijzen uit Schrift en traditie zijn, is de hoofdzaak niet; maar de Roomse Christen kan zich de moeder van de Zaligmaker niet anders denken dan boven alle kinderen van de mensen en boven alle engelen van de hemel verheven, aan God welgevallig, rein en vlekkeloos. Was zij niet met de Godmens, en dus ook met de Goddelijke Persoon van het Woord, met de heiligheid zelf, door de nauwste en tederste betrekkingen verbonden? Heeft God door het feit zelf van haar uitverkiezing tot zo hoge waardigheid en zo innige vertrouwelijkheid, niet allerduidelijkst getoond, dat Hij die reine maagd boven alle schepselen beminde! En is het daarom ook, afgezien van de bewijzen uit Schrift en overlevering, niet zeer aannemelijk, dat God de heilige maagd boven alle schepselen met zijn genadegaven heeft bedeeld? De eer van de Zaligmaker vorderde, dat zijn uitverkoren moeder van alle zweem en schaduw zelfs van de zonde vrijbleef. Het is passend, dat een schepsel, hetwelk zo vertrouwelijk met God moest omgaan, in zo innige en tedere betrekking tot Hem stond, voor de minste zondesmet bleef gevrijwaard. Het is passend, dat het huis van de Heere heilig was2. In het hierarchisch systeem van de Roomse kerk en theologie past de leer van de onbevlekte ontvangenis, de zondeloosheid van Maria, en daarom is deze er allengs in opgenomen; zelfs de leer van haar hemelvaart is een kwestie van tijd. Daarom nemen de predicaten, aan Maria toegekend, hoe langer hoe meer in aantal en in kwaliteit toe; zij is dochter van de Vader, bruid van de Zoon, tempel en orgaan van de Heilige Geest, complementum, Ergänzung der Dreieinigkeit; die instrumentale und theilweise die meritorische Ursache unserer ewigen Auserwählung, de voornaamste reden van de natuurlijke en bovennatuurlijke schepping, Miterlöserin, Corédemptrice; de wijze, alle wonderen werkende, met onbeperkte heerschappij toegeruste, almachtige regeerster van de kerk, zoals God de wereld regeert enz3. De Mariolatrie verdringt bij Rome de ware, Christelijke Godsverering hoe langer zo meer. Prof. Schoeler ziet dit bijgeloof typisch uitgedrukt in een muurschilderij op het vaticaan, welke de Madonna voorstelt, hoog in het midden geplaatst, terwijl Vader en Zoon als werktuigen van haar almachtige wil ter rechter en linker zijde gezeten zijn4. Het is tegen deze mensvergoding, dat de Reformatie in verzet kwam. Het was niet te verwonderen, als zij uit vrees voor zulk een afgoderij niet altijd aan Maria de haar verschuldigde ere had bewezen. Maar ook dat is niet het geval, al was zij natuurlijk voorzichtig in haar lofverheffing. Maria staat ook bij alle Protestanten, die de vleeswording van het Woord belijden, in hoge ere. Zij is door God verkoren en toebereid, om de moeder van zijn Zoon te wezen. Zij is de begenadigde onder de vrouwen. Zij is door Christus zelf tot zijn moeder begeerd, die Hem ontving van de Heilige Geest, die Hem droeg onder haar hart, die Hem zoogde aan haar borst, die Hem onderwees in de Schriften, in wie in één woord de voorbereiding van de vleeswording voleind werd.

1 Baldensperger, van de Prolog des vierten Evangeliums. Freiburg Mohr 1898.

2 Aldus Bensdorp, in de Katholiek, CXII 1897 bl. 429. 445. 447.

3 Verg. boven reeds bij de leer van de erfzonde Deel III; Hoofdstuk 6; Par. 42 De Verbreiding van de Zonde; 326 v. en voorts nog Wörnhart, Maria die wunderbare Mutter Gottes und der Mensen. Insbrück 1890 bl. 13. 19. 244. 289. Petavius, de incarnatione XIV. Scheeben, Dogm. III 69 v. Heinrick, Dogm. Theol. VII 363-495. Bartmann, Christus ein Gegner des Marienkultus? Freiburg Herder 1909.

4 Schoeler, Das Vatik. Bild. Gütersloh 1898.

x
This website is using cookies. Accept