Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

368. Door deze ontvangenis van de Heilige Geest en geboorte uit Maria werd de Zoon van God een waarachtig en volkomen mens. Maar niet minder sterk dan zijn Godheid, is zijn mensheid bestreden. De Gnostieken konden haar krachtens hun dualisme niet erkennen, en zeiden daarom, dat de eon Christus slechts een schijnlichaam had aangenomen (Saturninus, Mareion), of dat Hij een heerlijk, geestelijk lichaam uit de hemel had medegebracht, en door Maria slechts doorgegaan was als water door een buis (Valentinus, Bardesanes), of dat Hij bij zijn nederdaling zich wel uit de elementen van de aarde een lichaam gevormd en daarin geleden had, maar dit bij zijn terugkeer ten hemel ontbonden en prijsgegeven had (Apelles), of dat Hij slechts tijdelijk bij de doop op de mens Jezus neergedaald was en deze vóór het lijden verlaten had (Cerinthus), of zich vóór het lijden met Simon van Cyrene verwisseld en deze aan de kruisdood had overgegeven (Basilides), of dat Christus, de Jezus impatibilis, die uit de lichtwereld reeds tot Adam neerdaalde en slechts in een schijnlichaam op aarde verscheen, wel te onderscheiden is van de Jezus patibilis, die de zoon van een arme weduwe en een afgezant van de duivel was, en, omdat hij zich tegen Christus stelde, door deze aan het kruis werd geslagen (Mani). Al deze gedachten plantten zich in de Middeleeuwse secten voort en kwamen onder invloed van de pantheïstische mystiek, de kabbalistische theosofie en de nieuwere natuurfilosofie in de eeuw van de Hervorming bij de Anabaptisten tot een nieuwe, uitgebreide heerschappij. Ook zij leerden, dat Christus zijn menselijke natuur niet kon aannemen uit Maria, uit de Adamitische mensheid, omdat Hij dan noodzakelijk een zondaar had moeten zijn; maar Hij nam ze van eeuwigheid aan uit zich zelf, bracht zijn lichaam dus mee uit de hemel en ging door Maria heen als door een kanaal (Hofmann, Menno Simons; cf. de verwante voorstelling van een eeuwige lichamelijkheid van God bij de kabbala met haar Adam Kadmon, bij Swedenborg, Dippel, Oetinger, Petersen); of Hij vormde zich deze hemelse, onzichtbare lichamelijkheid van eeuwigheid uit de eeuwige jonkvrouw, de Goddelijke Eva, de wijsheid Gods, woonde daarmee reeds terstond na de val in Adam, Abel enz., en maakte ze dan zichtbaar en sterfelijk door de ontvangenis en geboorte uit Maria (Weigel); of Hij nam die heerlijke menselijke natuur reeds dadelijk bij de schepping aan uit Adam vóór de val, die toen nog een fijne, hemelse lichamelijkheid had, om ze later uit Maria te omkleden met een zwakke, sterfelijke mensheid (Ant. Bourignon, Poiret, Barclay); of ook vormde Hij zich zijn menselijke natuur uit Maria, maar niet uit de vleselijke, doch uit de wedergeboren Maria, die door haar vereniging met de Goddelijke wijsheid, een heilig, Goddelijk element in zich ontvangen had en het jonkvrouwelijk wezen van Adam vóór de val terug bekomen had (Schwencfeld e.a.)1. Ons schijnen deze gedachten zeer vreemd toe. Toch drukken zij in andere vormen niets anders uit dan wat de nieuwere filosofie sedert Kant en Hegel met haar scheiding van de ideale en historische Christus voorgesteld heeft. De ideale Christus is de eeuwige Logos, de absolute rede, de éne substantie, welke in de wereld zich eeuwig realiseert en niet in een enkel mens haar volheid uitstorten kan, maar in de mensheid als de zoon van God de menselijke natuur aanneemt. Doch de historische Jezus is niet de ware, wezenlijke Christus; Hij vormt in het proces van de menswording wel een belangrijk, maar toch slechts een voorbijgaand moment; Hij is een zwak, sterfelijk, zondig mens geweest, die de idee van de ware Christus wel geopenbaard heeft, maar zo, dat deze volstrekt niet met hem samenvalt en één met hem is2.

Nu behoeft het geen lang betoog, dat de Heilige Schrift hier lijnrecht tegenover staat. Onder het Oude Testament beloofd als de Messias, die uit een vrouw, uit Abraham, Juda, David voortkomen zal, wordt Hij in de volheid van de tijd in Maria, ev aith, Matt. 1:20, ontvangen van de Heilige Geest, en uit haar, ek gunaikov, geboren, Gal. 4:4. Hij is haar zoon, Luk. 2:7, vrucht van haar buiks, Luk. 1:42, naar het vlees uit David en Israël, Hand. 2:30, Rom. 1:3, 9:5, ons vlees en bloed deelachtig en ons in alles gelijk, uitgenomen de zonde, Hebr. 2:14, 17-18; 4:15; 5:1, een waarachtig mens, de Zoon van de mens, Rom. 5:15, 1 Cor. 15:21, 1 Tim. 2:15, opgroeiend als een kindeke, Luk. 2: 40, 52, hongerend, Matt. 4: 2, dorstend, Joh. 19:28, wenend, Luk. 19:41, Joh. 11:35, ontroerd, Joh. 12:27, bedroefd, Matt. 26:38, toornend, Joh. 2:17, lijdend, stervend enz. Het staat voor de Schrift zo vast, dat Christus in het vlees gekomen is, dat zij de loochening daarvan antichristelijk noemt, 1 Joh. 2:22. En niet alleen leert zij, dat Christus een waarachtige, maar ook dat Hij een volkomene menselijke natuur heeft aangenomen. Arius loochende dit en zei, dat de Logos, die immers een schepsel was, geen mens kon worden, maar slechts in menselijke gedaante verschenen was, en daartoe alleen een lichaam, maar geen ziel had aangenomen3. Daarentegen wilde Apollinaris juist vasthouden, dat Christus niet slechts een door de Logos verlicht mens, een anyrwpov enyeov was, zoals Paulus van Samosata zei, maar dat Hij zelf God was en zijn werk Goddelijk; en zo kwam hij tot de leer, dat de Logos een bezield menselijk lichaam, zonder pneuma, had aangenomen en zelf de plaats van dat pneuma vervulde4. Maar de Schrift zegt duidelijk, dat Jezus een volkomen mens was, en schrijft Hem alle bestanddelen van de menselijke natuur toe, niet alleen een lichaam, Matt. 26:26, Joh. 20:12, Phil. 3:21, 1 Petr. 2:24, vlees en bloed, Hebr. 2:14, beenderen en zijde, Joh. 19:33-34, hoofd en handen en voeten, Matt. 8:20, Luk. 24:39, maar ook een ziel, Matt. 26:38, geest, Matt. 27:50, Luk. 23:46, Joh. 13:21, bewustzijn, Mark. 13:32, en wil, Matt. 26:39, Joh. 5:30, 6:38 enz. Het Apollinarisme werd daarom door de Christelijke kerk en theologie te allen tijde veroordeeld; zij begrepen het belang, dat hiermee gemoeid was: totus enim Christus totum assumpsit me, ut toti mihi salutem gratificaret; quod enim inassumptibile est, incurabile est5.

De loochening van de waarachtige en de volkomene menselijke natuur komt altijd uit zeker dualisme voort. De sarx, de materie, is dan van nature zondig en kan geen bestanddeel zijn van de ware Christus; deze heeft daarom zijn substantie niet aan de zinnelijke, stoffelijke wereld ontleend, maar aan de onzienlijke, hemelse wezenheid in God, in zichzelf, in de Goddelijke wijsheid, in de ongevallen Adam of de wedergeboren Maria. De verbinding tussen dezen ideale Christus en de historische Jezus kan dus ook slechts toevallig en mechanisch zijn; het komt tot geen ware eenheid, dat is dus ook tot geen waarachtige gemeenschap van God en mens. God en wereld, schepping en herschepping, natuur en genade, het eeuwige en het tijdelijke, het hemelse en het aardse blijven eeuwig naast en tegenover elkaar staan. Bij de Gnostieken en de Anabaptisten is dit alles duidelijk. Maar hoe vreemd het klinkt, ditzelfde dualisme is ook eigen aan de nieuwere pantheïstische filosofie, welke zo graag met de naam van monisme zich siert. Want immers, het is een axioma van deze wijsbegeerte, dat de idee zich niet ten volle in één individu uitstorten kan; dat is, er is geen eenheid, geen gemeenschap van God en mens mogelijk. Om tot gemeenschap met God te komen, moet het individu zichzelf verliezen, zijn persoonlijkheid uitwissen, wegzinken als een golf in de oceaan van het al. God en mens, eeuwigheid en tijd, en met name heiligheid en eindigheid staan tegen elkaar over; het eindige is in zijn aard gebrekkig, onvolmaakt; de zonde is noodzakelijk. Vandaar, dat Hegel, Strausz, Baur e.a. de zondeloosheid van Jezus niet kunnen vasthouden6; een eindig individu kan niet volmaakt zijn en de volle gemeenschap met God genieten. Echter meent dit pantheïsme op een andere wijze te kunnen vergoeden, wat het eerst heeft weggenomen. Het schrijft aan het geheel toe, wat het ontneemt aan de delen; niet één enkel mens, maar de mensheid is de ware Christus, de zoon van God, zij geniet de hoogste eenheid en gemeenschap met God, in haar neemt God de menselijke natuur aan. Doch deze vergoeding is schijnbaar en geeft niets. Niet alleen bestaat de mensheid alleen in de individuen en is het al niet anders dan de som van de delen; maar het is ook niet waar, dat het al, dat de mensheid nader bij God staat dan de enkele mensen. Goethe heeft wel gezegd, willst du ins Unendliche schreiten, so geh’ ins Endliche nach allen Seiten; maar het eindeloze is heel iets anders dan het oneindige, de eeuwigheid iets heel anders dan de niet uit te spreken som van alle tijdsmomenten, en de volmaaktheid iets heel anders dan het totaal van alle onvolkomenheden. Ook al ruilt het pantheïsme het individu uit voor de mensheid en het deel voor het geheel, het vordert daarmee geen stap; het laat de overgang van het oneindige tot het eindige, van de eeuwigheid tot de tijd, van God tot de wereld volkomen onverklaard en geeft ter verklaring niets dan woorden en beelden7. Indien God niet mens kan worden in één, dan kan Hij het ook niet worden in allen. Tegenover deze dualistische en atomistische beschouwing plaatst nu de Schrift de organische. In één komt God tot allen, niet in schijn, maar in waarheid. Daar is één Middelaar van God en van de mensen, de mens Christus Jezus. Doch daarom komt het evengoed als op zijn Godheid, zo op zijn waarachtige en volkomene menselijke natuur aan. Indien er één wezenlijk bestanddeel in de menselijke natuur van Christus van de ware eenheid en gemeenschap met God is uitgesloten, dan is er een element in de schepping, dat dualistisch naast en tegenover God blijft staan. Dan is er een eeuwige ulh. Dan is God niet de Almachtige, Schepper van de hemel en van de aarde. Dan is de Christelijke religie niet waarachtig katholiek. Quod enim inassumptibile est, incurabile est.

1 Verg. voor al deze gevoelens over de menselijke natuur van Christus Sorners Entwicklungsgesch. der Lehre von der Person Christi, en de dogmenhist. werken van Harnack, Seeberg, Loofs, Schwane enz.

2 Runze, Dogm. par. 78.

3 Volgens zijn bestrijders beschouwde Arius het lichaam van Christus als een swma afukon, Loofs, Dogm. bl. 236.

4 Loofs, Dogmengesch. 266 v. Krüger, art. Apollinaris in PRE3 I 671-676.

5 Damascenus, de fide orthod. III 6. Lombardus, Sent. III 2. Petavius, de incarn. V. c. 11.

6 Hegel bij Dorner, Entw. II 1115 v. Strausz, Chr. Gl. II 164. Leben Jesu 1835 II 716-718 Baur, Dreieinigkeit u. Menschw. III 963 v.

7 Deel II; Hoofdstuk 5; Par. 34 De Schepping; 252

x
This website is using cookies. Accept