Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

373. De belijdenis aangaande Christus vindt haar praktische toepassing in de verering, welke Hem toegebracht wordt, in de honor adorationis. Bij hen, die met Arius de Godheid van Christus ontkennen, of met Nestorlus haar van de menselijke natuur scheiden, of met Socinus in Jezus alleen een mens zien, valt alle grond voor de aanbidding van de Middelaar weg. Toch tracht men deze dan nog op allerlei wijze te handhaven. Nestorius zei, dat ook de mens Jezus als belijder en verdediger van de Goddelijke eer mocht aangebeden worden: separo naturas, conjungo reverentiam1. Socinus verdedigde haar daarmee, dat Christus verhoogd was tot Heer en alle macht had ontvangen en dus in nood en ellende ons helpen kon; velen van zijn partij echter, zoals Davidis, Francken ea. bestreden ze, omdat God alleen mocht aangebeden worden en de macht van Christus in elk geval een beperkte was; Socinus zag zich dan ook genoodzaakt, om tussen de verering van God als prima causa en die van Christus als causa secunda van ons heil onderscheid te maken2. Ook de Remonstranten ontleenden de grond voor de aanbidding van Christus vooral daaraan, dat Hij Middelaar, Koning, Heer was, en als zodanig van de Vader een honor adorationis had ontvangen, die wel verus en divinus, maar toch niet supremus was3. De verdediging van de aanbidding van Christus door Ritschl en zijn school komt zakelijk met die van Socinus overeen: Christus, als mens ten opzichte van God, mag wel vereerd maar niet aangebeden, doch Christus, religieus beschouwd, als openbaring van God, als die persoon, in wie de gemeente God heeft, is wel te aanbidden, want dan bidden wij Hem niet aan naast God, maar God in Hem. Deze aanbidding van Christus behoort dan verder wel in de openbare godsdienst van de gemeente thuis, maar niet in het gebed van de bijzondere personen; dit laatste is ongezond, maakt Christus tot een van God onderscheiden subject, kweekt een sentimentele richting en leidt tot creatuurvergoding4. Evenals onder de Socinianen, zijn er dan onder de volgelingen van Ritschl, die de aanbidding van Christus geheel verwerpen, en Hem wel een voorwerp van het geloof en een voorbeeld ter navolging noemen, maar niet een object van religieuze verering5. Het Socinianisme en het Ritschlianisme komt zo bij het Unitarisme uit, dat Christus van alle religieuze verering berooft. Voorzover zij echter toch nog een aanbidding van de mens Christus trachten te handhaven, zijn zij verwant en bieden steun aan hen, die, schoon Christus’ Godheid erkennende, toch ook aan zijn menselijke natuur een grond van de aanbidding ontlenen.

Tot dezen behoorden in de eerste plaats de Monofysieten, tegen wie het vijfde oec. Concilie c. 9 bepaalde6, dat de aanbidding van Christus niet rust op een sugcusiv thv yeothtov kai thv anyrwpothtov, maar zich richten moet op God, de vleesgeworden Logos met zijn vlees. Maar ook de scholastieke en Roomse theologen zijn er allengs toe gekomen, om de menselijke natuur van Christus op zich zelf religieus te vereren. Uitgangspunt was daarbij de algemene leer van de kerkvaders, dat de persoon van Christus in de ongedeelde eenheid van haar beide naturen, als vleesgeworden Woord, als God en mens tezamen, met één aanbidding vereerd moest worden. Daaruit werd afgeleid, dat de menselijke natuur van Christus zelf, op zichzelf, in se, ook voorwerp van Goddelijke verering (latreia) mocht en moest wezen; echter niet om zichzelf, per se en propter se, maar om haar hypostatische vereniging met de Zoon van God. Daaraan werd dan verder toegevoegd, dat, al is de menselijke natuur op zichzelf te aanbidden en dus objectum materiale van de adoratio, zij dan toch altijd een objectum partiale en niet totale is; dwz. wie haar aanbidt, bidt met haar altijd Hem aan, die met die menselijke natuur zich verenigd heeft; en zo werd het daardoor geoorloofd en mogelijk, om niet alleen de menselijke natuur van Christus op zichzelf, maar zelfs een deel van haar, zoals bv. het heilige hart van Jezus, tot voorwerp van aanbidding te maken; de aanbidding geldt toch dat hart niet alleen, maar geldt de hele Christus, die in dat hart zijn Goddelijke liefde wonen deed. En eindelijk zeiden vele theologen nog, dat de menselijke natuur van Christus niet alleen op grond van haar hypostatische vereniging met de Logos voorwerp van latreia, maar ook op grond van de vele haar zonder mate geschonken gaven voorwerp van douleia mocht zijn, en dan nader weer voorwerp van uperdouleia, naar de hierarchische regel: adoratio est diversa pro diversitate excellentiae, quae est ejus objectum formale7. Krachtens hun leer van de mededeling van de Goddelijke eigenschappen aan de menselijke natuur leerden ook de Luthersen, dat de menselijke natuur van Christus te aanbidden is8. En eindelijk heeft bij de Hernhutters de mens Christus bijna geheel de plaats van God ingenomen; Hij is niet de middelaar, maar de plaatsvervanger van God en bijna het enige voorwerp van de Godsdienstige verering9.

Geheel in overeenstemming met hun leer van Christus, zeiden daarentegen de Gereformeerden, dat de Middelaar wel voorwerp van aanbidding was, maar dat de grond voor die aanbidding gelegen was in zijn Goddelijke natuur. Toch was er onder hen nog enig verschil van gevoelen. Allen waren het hierin eens, dat Christus ook als Middelaar aangebeden en vereerd moest worden, maar sommigen meenden, dat de grond voor die aanbidding alleen lag in de Godheid van Christus10; anderen oordeelden, dat het objectum formale niet alleen de Godheid, maar ook het Middelaarsschap van Christus was11. Nu laat de Schrift er geen twijfel over, of Christus, evenals het voorwerp van ons geloof en vertrouwen, Joh. 14:1, 17:3, Rom. 14:9, 2 Cor. 5:15, Ef.3:12; 5:23; Col. 1:27, 1 Tim. 1:1 enz., zo ook het object van onze godsdienstige verering en aanbidding mag zijn, Joh. 5:23, 14:13, Hand. 7:59, 9:13, 22:16, Rom. 10:12-13, 1 Cor. 1:2, 2 Cor. 12:8, Phil. 2:9, Hebr. 1:6, Op. 5:12; 12; 22:17, 2012. Maar toch kan de grond van de aanbidding van Christus naar de Schrift aan niets anders dan aan zijn Godheid worden ontleend. Immers, het woord van de Schrift staat vast: de Heere uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. Dat is het gebod, hetwelk alle Heidense en Roomse creatuurvergoding in beginsel veroordeelt. Indien daarbij de koninklijke macht van Christus of ook zijn middelaarschap nog als grond voor religieuze aanbidding wordt aangevoerd, dan wordt dit gebod van God verzwakt en geschonden. Als middelaar, koning, priester, profeet, is Christus niet absolute summus, maar Gode gesubordineerd; in die hoedanigheid heeft Hij een andere heerlijkheid en een andere macht, dan welke Hij als Zoon met de Vader en de Geest deelachtig is; in die kwaliteit is Hij niet de causa efficiens, welke God alleen is, maar de causa instrumentalis van onze zaligheid. Ligt daarom de grond voor de aanbidding van de Middelaar, behalve in zijn Godheid, ook nog in zijn Middelaarschap, dan ligt de grond ook feitelijk in zijn menselijke natuur, want als Middelaar is Christus zonder deze niet te denken; dan hebben Vader en Geest, die geen Middelaar zijn, één grond voor hun aanbidding minder dan de Zoon en komt deze dus boven de Vader en de Heilige Geest te staan; dan zijn er twee gronden voor adoratie, een, die aan de Godheid, een andere, die aan iets anders, dat is aan iets creatuurlijks, is ontleend, en dan is in beginsel de Roomse onderscheiding van latreia en douleia binnengehaald en de creatuurvergoding gewettigd. Christus is dus zeer zeker als onze Middelaar te aanbidden, evenals God ook als Schepper enz. vereerd en aangeroepen wordt, maar de grond ligt alleen in zijn Godheid. Hij is niet God, omdat Hij Middelaar, maar Hij is Middelaar, omdat Hij God is, met de Vader en de Geest één enig God, boven alles te prijzen in der eeuwigheid. De middelaarswaardigheid en de middelaarswerken kunnen en mogen motieven van de aanbidding zijn, zoals allerlei weldaden ons nopen tot aanbidding van God. Zij kunnen ook in zover gronden van de aanbidding heten, als daarin het Goddelijk wezen werkt en zich openbaart; maar fundament van de aanbidding is het God-zijn alleen.

1 Schwane, D. G. II 349.

2 Fock, van de Socin. bl. 538 v. M. Vitringa, Doctr. V 252.

3 Apol. Conf. c. 2 pag. 39. c. 3 pag. 50. c. 16 p. 153. Arminius, Op 436. Limborch, Theol. Christ. V 18. Episcopius, Inst. Theol. IV 35. VII 27, 6. Verg. daartegen Censura in Conf. Rem. c. 2. 3. 12. Trigland, Antapol. c. 44. Heydanus, Causa Dei V 12. M. Vitringa, Doctr. 268.

4 Schultz, Die Gottheit Christi 1881 bl. 706 v.

5 Chapuis, Revue de théol. et de philos. Nov. 1895 bl. 560-586. Id., Die Anbetung Christi in Zeits. f. Th. u. K. 1897 bl. 28-79.

6 Bij Denzinger, Enchir. no.180.

7 Damascenus, de fide orthod. III c. 8. Lombardus en andere comm. op Sent. III dist. 9. Thomas, S. Theol. III qu. 25. Bellarminus, de imag. salict. II c. 12 v. Petavius, de incarn. XV c. 1-4. Theol. Wirceb. IV 330. Perrone, Prael. theol. IV 274. Heinrich, Dogm. Theol. VII 656 v. Scheeben, Dogm. III 51 v. Pesch, Prael. theol. IV 97 v. Simar, Dogm. 411.

8 Gerhard, Loci Theol. IV par. 23. Quenstedt, Theol. III 190-208. V 353. Buddeus, Inst. Theol. bl. 771 v.

9 Plitt, Zinzendorfs Theol. III 20 v. Römheld, Theol. Sacrosancta 1888.

10 Voetius, Disp I 520v. II 304 v. Maccovius, Coll. theol. I 369 v. Macc. Redivivus c. 91. Hoornbeek, Socin. confutatus I 36 v. Mastricht, Theol. V 2, 26 enz.

11 Amesius, de adoratione Christi. Walaeus, Loci Comm. Op. I 389. Trigland, Antapol. c. 46. Alting, Theol. problem. XII 20. Cloppenburg, Op. I 461. Bucanus, Inst. XXXV qu. 9. Turretinus, Theol. El. XIV qu. 18. Hottinger, Heidanus, Burman, Heidegger, De Moor, Comm. III 829. M. Vitringa, Doctr. V 247.

12 Loofs, in PRE3 IV 21. Th. Zahn, Die Anbetung Jesu im Zeitalter van de Apostel. Stuttgart 1885 (ook opgenomen in Skizzen aus dem Leben der alten Kirche 1898 bl. 271-308). W. Lütgert, Die Anbetung Jesu (Beitr. z. Förderung Christ. Theol. VIII 4) 1904. F. Barth, Die Anrufung Jesu in der Christl. Gemeinde. Gütersloh 1904

x
This website is using cookies. Accept