Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

376. Volgens het Nieuwe Testament lopen al deze verschillende getuigenissen van wet en profetie op Christus uit; het hele Oude Testament wordt principiëel in Hem vervuld; in Hem zijn alle beloften Gods ja en amen, Rom. 15:8, 2 Cor. 1:20. Hij is de ware Messias, de koning uit Davids huis, Matt. 2:2; 21:5; 27:11, 37; Luk. 1:32 enz.; de profeet, die de armen het Evangelie verkondigt, Luk. 4:17v.; de priester, die volgens de brief aan de Hebreeën in zijn persoon, zijn ambt, zijn aanstelling, zijn offerande, zijn heiligdom het Oudtestamenstische priesterschap zeer verre overtreft, de knecht des Heeren, die als een doulov, Phil. 2:7-8, kwam om te dienen, Mark. 10:45, zich onderwierp aan de wet, Gal. 4:4, alle gerechtigheid vervulde, Matt. 3:15, en gehoorzaam was tot de dood van het kruis toe, Rom. 5:19, Phil. 2:8, Hebr. 5:8. Als zodanig maakte Jezus onderscheid tussen het Godsrijk, zoals het thans door Hem in geestelijke zin werd gesticht en zoals het eens in heerlijkheid zou geopenbaard worden; tussen zijn eerste en tweede komst, die voor de Oudtestamentische profetie nog samenviel; tussen zijn werk in de staat van de vernedering en dat in de staat van de verhoging. De Christus moest door lijden in zijn heerlijkheid ingaan, Luk. 24:26. Het werk, dat Hij thans in de staat van de vernedering volbrengt, wordt in het Nieuwe Testament veelzijdig beschreven. Het is een ergon, door de Vader Hem opgedragen, Joh. 4:34; 5:36; 17:4; het bestond in het algemeen in het volbrengen van Gods wil, Matt. 26:42, Joh. 4:34; 5:30; 6:38, en omvatte dan nader de verklaring Gods, Joh. 1:18, de openbaring en verheerlijking van zijn naam, Joh. 17:4, 6, 26, de mededeling van Gods woorden, Joh. 17:8, 14 enz. Christus is een profeet, machtig in woorden en werken, Luk. 24:19; Hij is geen novus legislator, maar Hij verklaart de wet, Matt. 5-7; 22:40, Luk. 9: 23; 10:28; Joh. 13:34; 1 Joh. 2:7-8, verkondigt het Evangelie, Matt. 12:16-21, Luk. 4:17-21, en predikt in beide zichzelf als vervuller van de wet en inhoud van het Evangelie. Hij is de wet en het Evangelie in eigen persoon. Hij is geen profeet slechts door hetgeen Hij spreekt, maar allereerst door hetgeen Hij is. Hij is de Logos, Joh. 1:1, vol van genade en waarheid, Joh. 1:18, gezalfd met de Geest zonder mate, Joh. 3:34, de openbaring van de Vader, Joh. 14:9, Col. 2:9. Bron van zijn prediking is Hijzelf, is niet de inspiratie, maar de incarnatie. Gods Geest kwam maar niet over Hem; God sprak zelfs niet met Hem, zoals met Mozes, van aangezicht tot aangezicht, doch God was in Hem en sprak door Hem, Hebr. 1:3. Hij is niet een profeet naast anderen, maar de hoogste, de enige profeet; bron en middelpunt van alle profetie; en alle kennis Gods, in het Oude Testament vóór zijn vleeswording, en ook thans in het Nieuwe Testament na zijn opstanding en hemelvaart, is uit Hem, 1 Petr. 1:11; 3:19; Matt. 11:27. Vervolgens omvatte de wil van God, die Jezus kwam volbrengen, ook de wonderen, die Hij deed; het éne werk valt in vele erga uiteen, Joh. 5:36, die werken van zijn Vader zijn, Joh. 5:20; 9:3; 10:32,37; 14:10, bewijzen, dat de Vader Hem liefheeft en in Hem is, Joh. 5:20; 10:38; 14:10, getuigen, dat de Vader Hem gezonden heeft, Joh. 5:36; 10:25, en zijn Goddelijke heerlijkheid openbaren, Joh. 2:11; 11:4, 40. Ja, Hij doet niet alleen wonderen, maar Hij is zelf in zijn persoon het absolute wonder; als de mensgeworden, van de Heilige Geest ontvangen, opgestane en verheerlijkte Zoon van God is Hij zelf het grootste wonder, middelpunt van alle wonderen, auteur van de herschepping van alle dingen, eerstgeborene uit de doden, in allen de Eerste, Col. 1:18.

Voorts omvat de wil van God vooral, dat de eniggeboren Zoon van de Vader het leven aflegt voor de zijnen, Joh. 10: 18. Het Nieuwe Testament ziet in Christus’ dood een offerande, en de vervulling van de Oudtestamentische offercultus1. Hij is het ware bondsoffer; evenals het oude verbond werd bevestigd door het bondsoffer, Ex. 24: 3-11, zo is het bloed van Christus het bloed van het nieuwe testament, Matt. 26:28, Mark. 14: 24, Hebr. 9: 13v. Christus is een yusia, xbz, het slachtoffer voor onze zonden, Ef. 5: 2, Hebr. 9: 26; 10:12; een prosfora, dwron, Nbrq, hxnm, Ef. 5:2, Hebr. 10:10, 14, 18; een lutron, antilutron, Matt. 20: 28, Mark. 10:45, 1 Tim. 2:6, vertaling van de Hebreeuwse woorden xlag, ywdp, rpl, en dus aanduidende een losprijs, losgeld, om iemand los te kopen uit de gevangenis, en vandaar zoenmiddel, om door een offerande de zonde van anderen te bedekken en zo hen te redden van de dood; een timh, 1 Cor. 6:20; 7:23, 1 Petr. 1:18, 19, een prijs, die voor de loskoping betaald is; een zondoffer, dat voor ons tot zonde is gemaakt, 2 Cor 5:21, 1 Joh. 2:2; 4:10; het paasoffer, dat voor ons is geslacht, Joh. 19:36, 1 Cor. 5:7, het lam Gods2, dat de zonde van de wereld draagt en daarvoor geslacht is, Joh. 1:29, 36, Hand. 8:32; 1 Petr. 1:19, Op. 5: 6 enz; het ilasthrion, Rom. 3:25, d.i. niet het verzoendeksel, trkp, al is dit woord ook zo in LXX overgezet, omdat er geen beter equivalent in het Grieks te vinden was, maar datgene, wat tot verzoening dient, zoenmiddel3, of scil. yuma, zoenoffer; een katara, Gal. 3:13, die de vloek van de wet van ons overnam; als de slang in de woestijn, aan het kruis verhoogd, Joh. 3:14; 8:28; 12:33, en als een tarwegraan, in de aarde stervende, om zo veel vrucht te dragen, Joh. 12: 24. De betrekking, waarin deze offerande van Christus tot ons en onze zonde staat, wordt ook op zeer verschillende wijze uitgedrukt. Hij geeft of stelt zijn leven, Mark. 10: 45, Joh 10:15, heiligt zich, Joh. 17: 19, wordt zonde en vloek gemaakt, 5 Cor. 5:21 [??? 2 Cor. 5:21], Gal. 3:13, is overgeleverd, Rom. 4:25, heeft zich overgegeven, Gal. 2:20, heeft geleden, 1 Petr. 3:18, is gekruisigd en gestorven, Joh. 11:50-51; Rom. 5:6; 1 Cor. 5:15 [??? 2 Cor. 5:15]; 1 Thess. 5:10, en dat wel als een lutron anti pollwn, Matt. 20:28, Mark. 10:45, in de plaats van velen, of uper c. gen. pers., Joh. 10:15; 11:50-51; Rom. 5:6, 8; 2 Cor. 5:15,21, Gal. 3:13, Ef. 5:2, Hebr. 2:9, ten behoeve van ons, van zijn volk, cf. Philem. 13, uper sou, in gratiam tuam, zodat gij het niet behoeft te doen; of uper c. gen. rei, Joh. 6:51, 1 Cor. 15:3, Hebr. 10:12, ten behoeve van de zonden, om ze weg te doen, of ten behoeve van het leven van de wereld, opdat deze door Christus’ dood het leven verkrijgt; of peri c. gen. pers., Matt. 26:28, 1 Joh. 2:2, om, ter wille van velen of van de gehele wereld; of peri c. gen. rei, Rom. 8:3, Hebr. 10:6, 18; 1 Petr. 3: 18; 1 Joh. 2:2; 4:10, om, ter wille van de zonde; of dia c. acc. rei, Rom. 4:25, ter oorzake van, vanwege de zonde4.

Hetgeen Christus door deze zijn offerande verworven heeft, is te veel om te noemen. Voor zichzelf verwierf Hij daardoor zijn hele verhoging, de opstanding, Ef. 1:20, de hemelvaart, 1 Petr. 3:22, de zitting ter rechterhand Gods, Ef. 1:20, Hebr. 12:2, de verheffing tot Hoofd van de gemeente, Ef. 1:22, de naam boven allen naam, Phil. 2:9-11, de Middelaarsheerlijkheid, Joh. 17:5, Hebr. 2:9, de heerschappij over alle dingen in hemel en aarde, Matt. 28:18, Ef. 1:22, 1 Cor. 15:24v., het laatste oordeel, Joh. 5:22, 27. En verder verwierf Hij voor de zijnen, voor de mensheid, voor de wereld een onafzienbare reeks van zegeningen. Hij is zelf in zijn persoon het inbegrip van al die zegeningen, het licht der wereld, Joh. 8:12, het ware brood, Joh. 6:35, de ware wijnstok, Joh. 15:1, de weg, de waarheid, de opstanding en het leven, Joh. 11:25; 14:6, onze sofia, dikaiosunh, agiasmov, apolutrwsiv5, 1 Cor. 1:30, onze eirhnh, Ef. 2:14, de eerstgeborene en de eersteling, die door velen gevolgd wordt, Rom. 8:29, 1 Cor. 15:23, de tweede en laatste Adam, 1 Cor. 15:45, het hoofd van de gemeente, Ef. 1:22, de hoeksteen van het Godsgebouw, Ef. 2:20; en daarom is er geen gemeenschap aan zijn weldaden dan door gemeenschap aan zijn persoon. Maar uit Hem vloeien toch alle weldaden voort: de hele swthria6, Matt. 1:21, Luk. 2:11, Joh. 3:17, 12:47, en dan nader de vergeving van de zonden, Matt. 26:28, Ef. 1:7, de wegneming, airein van onze zonden, Joh. 1:29, 1 Joh. 3:5, de reiniging of bevrijding van een kwaad geweten, Hebr. 10:22, de rechtvaardigmaking, Rom. 4:25, de gerechtigheid, 1 Cor. 1:30, de uioyesia, Gal. 3:26; 4:5-6; Ef. 1:5, de vrijmoedige toegang tot God, Ef. 2:18, 3:12, de aflegging door God van zijn toorn op grond van Christus’ offerande, d.i. de ilasmov, Rom. 3:25, 1 Joh. 2:2, 4:10, Hebr. 2:17, de daarvoor bij God in de plaats getreden, nieuwe, verzoende, niet meer vijandige doch gunstige vredeverhouding tot de wereld, katallagh, Rom. 5:10v., 2 Cor. 5:18-20, en de vredeverhouding van de mens in betrekking tot God, Rom. 5:1; verder de gave van de Heilige Geest, Joh. 15:26, Hand. 2, Gal. 4:6, de wedergeboorte en het kindschap uit God, Joh. 1:12-13, de heiligmaking, 1 Cor. 1:30, de gemeenschap aan Christus’ dood, Rom. 6:3v., de afsterving van de zonde, Rom. 6:6v. Gal. 2:20, de kruisiging aan de wereld, Gal. 6:14, de reiniging, Ef. 5:26, 1 Joh. 1:7,9, en de afwassing, 1 Cor. 6:11, Op. 1:5,7:14, van de zonden door de besprenging met het bloed van Christus, Hebr. 9:22; 12:24; 1 Petr. 1:2, de wandel in de Geest en in de nieuwigheid van het leven, Rom. 6:4, de gemeenschap aan de opstanding en de hemelvaart van Christus, Rom. 6:5, Ef. 2:6, Phil. 3:20, de navolging van Christus, Matt. 10:38, 1 Petr. 2:21 v.; al verder de bevrijding van de vloek van de wet, Rom. 6:14, 7:1-6, Gal. 3:13, Col. 2:14, de vervulling van het oude en de inwijding van een nieuw verbond, Mark. 14:24, Hebr. 7:22, 9:15, 12:24, de verlossing uit de macht van Satan, Luk. 11:22, Joh. 14:30, Col. 2:15, 1 Joh. 3:8, Col. 1:13, de overwinning van de wereld, Joh. 16:33, 1 Joh. 4:4, 5:4, de bevrijding van de dood en van de vreze van de dood, Rom. 5:12v., 1 Cor. 15:55v., Hebr. 2:15, de ontkoming aan het oordeel, Hebr. 10:27, 28; en eindelijk de opstanding ten jongste dage, Joh. 11:25,1 Cor. 15:21, de hemelvaart, Ef. 2:6, de verheerlijking, Joh. 17:24, de hemelse erfenis, Joh. 14:1, 1 Petr. 1:4, het eeuwige leven, hier reeds aanvangende met het geloof, Joh. 3:15, 36, en eens zich ten volle openbarend in heerlijkheid, Mark. 10:30, Rom. 6:22, de nieuwe hemel en aarde, 2 Petr. 3:13, Op. 21:1, 5, en de wederoprichting aller dingen, Hand. 3:21, 1 Cor. 15:24-28.

1 Jede Opferart hat ihre besondere Grundidee. Die Grundidee der hlwe ist die oblatio oder die Dargabe der Anbetung; die der Mymlv die conciliatio oder Gemeinschaftsknüpfung; die der hxnm die donatio oder heiligende Widmung; die des tajx die expiatio oder Sühne; die des Mxa die mulcta (satiefactio) oder gutmachende Zahlung. Unter alle diese Gesichtspunkte fällt die Selbstdahingabe des Knechtes Jahveh’s. Delitzsch, Comm. über Jesaja 2 bl. 551.

2 Naar aanleiding van F. Spitta, die in zijn Streitfragen der Geschichte Jesu. Göttingen 1907 o amnov tou yeou in Joh. 1: 29 niet door lam, maar door ram wil vertalen, zodat deze tekst Jezus niet als offerdier, maar als aanvoerder (belhamel) zou aanduiden, schreef Dr. H. Oort een artikel in het Theol. Tijdschr. 1908 bl. 1-10: Iets over het Lam Gods, waarin hij terecht de mening van Spitta bestrijdt. Op voetspoor van anderen ziet Drews, Die Christusmythe bl. 67 v. in het apocalyptische lam een symbool van Agni (Mitbra).

3 A. Deismann, ilasthriov und ilasthrion, eine lexikalische Studie, Zeits. f. die neut. Wiss. IV 1903 bl. 193-212. Ritschl en anderen vertalen het woord nog altijd door verzoendeksel, maar zie daartegen Zahn en Sanday-Headlam in hun commentaren op Rom. 3:25.

4 Ook de idee van de plaatsvervanging werd door de studie van de Griekse papyri op merkwaardige wijze opgehelderd, Leopold Wenger, Die Stellvertretung im Lichte der Papyri. Leipzig 1906. Deissmnann, Licht vom Osten bl. 241.

5 Op de gedachte, welke in apoutrwsiv ligt opgesloten, werpt de wijze, waarop slaven voor een in de tempel neergelegde som gelds door een sacrale handeling werden vrijgelaten, een verrassend licht, Deissmann, Licht, vom Osten 1908 bl. 232 v.

6 Verg. over swthr reeds Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 46 De Persoon van Christus; 351, en voorts nog W. Wagner, Ueber swzein und seine Derivata im Nt., Zeits. f. die neut. Wiss. VI 1905 bl. 201-235.

x
This website is using cookies. Accept