Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

39. De aanvangen der theologie bij de Apologeten waren echter niet alleen zwak, maar in velerlei opzicht ook van eenzijdigheid en dwaling niet vrij. De problemen die zich voordeden waren vele en machtige; de verhouding van theologie en filosofie, de leer van de Logos in zijn verhouding tot God, de betekenis van Christus en zijn dood enz. waren veel te diep, dan dat ineens het rechte inzicht verkregen kon worden. Verschil van opvatting deed zich menigmaal voor. Zodra er theologie kwam, kwam er ook onderscheid van richting en school. Tweeërlei dogmatische richting laat zich weldra onderscheiden. Enerzijds die, welke vertegenwoordigd wordt door Tertullianus, Cyprianus, Lactantius, en ook door Irenaeus, van wie alleen het hoofdwerk Eλεγξος και ανατροπη της ψευδωνυμου γνωσεως, gewoonlijk geciteerd Adversus haereses libr. V is bewaard gebleven, en zijn leerling Hippolytus van Rome, waarschijnlijk schrijver van de eerst aan Origenes toegeschreven φιλοσοφουμενα η κατα πασων αιρεσεων ελεγξος1 Deze staan allen antithetisch tegenover de filosofie. Irenaeus waarschuwt er zeer ernstig tegen, en Tertullianus bant ze geheel en zo scherp mogelijk, in de bekende plaats: wat heeft Athene en Jeruzalem, de akademie en de kerk, de Christenen en de ketters gemeen2. Toch maken zij er allen weer het naïefste gebruik van; Tertullianus is voor de theologie daarom zo belangrijk, omdat hij een aantal termini voor het trinitarisch en christologisch dogma heeft ingevoerd, zoals trias, trinitas, satisfacere, meritum, sacramentum, una silbstantia en tres personae, duae substantiae in una persona enz., die geen van alle in de Schrift voorkomen. Maar ze staan daarbij op de grondslag van het geloof van de kerk; ze zijn historisch, positief, realistisch en maken tussen geloof en theologie, πιστις en γνωσις, geen kwalitatief maar hoogstens een kwantitatief onderscheid3. En wel is nog van een dogmatisch systeem bij deze mannen geen sprake; de dogmata staan los naast elkaar, een bepaald principe is niet te vinden, zelfs is in de christologie door Tertullianus en Hippolytus het gnosticisme niet geheel overwonnen; maar toch is de theologie van deze mannen, in het bijzonder van Irenaeus, die van de volgende eeuwen geweest. Al de latere dogmata zijn bij hem te vinden. De eenheid Gods, de wezenseenheid van Vader en Zoon, van de God van de schepping en van de herschepping, de eenheid van de God van het Oude en die van het Nieuwe Verbond, de schepping van de wereld uit niets, de eenheid van het menselijk geslacht, de oorsprong van de zonde uit de wilsvrijheid, de beide naturen van Christus, de absolute openbaring Gods in Christus, de opstanding van alle mensen enz. zijn door hem tegenover het gnosticisme duidelijk uitgesproken en gehandhaafd. Het Christendom heeft bij Irenaeus het eerst een eigen, zelfstandige theologische wetenschap ontvouwd4.

Heel anders was de houding, die door de Alexandrijnse theologen tegenover de filosofie en het gnosticisme werd aangenomen. Op verschillende plaatsen, vooral in Alexandrië, ontwaakte tegen het einde van de 2e en in het begin van de 3e eeuw het streven, om de Christelijke waarheid wetenschappelijk te bewerken en zo mit dem Zeitbewusstsein zu vermitteln. De oorsprong en het ontstaan van de katechetenschool in Alexandrië is ons onbekend, maar ze bestond reeds ongeveer 190 en nam spoedig in aanzien en invloed toe5. De eerste leraar, die ons door zijn overgebleven geschriften bekend is, is Clemens Alexandrinus. Maar hij wordt in de schaduw gesteld door Origenes, de invloedrijkste theoloog uit de eerste eeuwen. Hun streven was, om de kerkelijke geloofsleer om te zetten in een speculatieve wetenschap. Wel handhaafden zij het geloof, en namen zij in onderscheiding van de Gnostieken in de positieve leer van de kerk hun uitgangspunt. Clemens noemde het geloof zelfs een γνωσις συντομος, en schatte het hoger dan de heidense wijsheid; het Christendom is een weg ter zaligheid voor alle mensen en kan slechts door het geloof toegeëigend worden; de inhoud van dat geloof is door de kerk in haar belijdenis samengevat, en de kenbron van de waarheid is enkel en alleen de openbaring, de H. Schrift. Dit alles wordt door Clemens en Origenes even sterk vastgehouden als door Irenaeus en Tertullianus. Maar het onderscheid begint hiermede, dat de Alexandrijnen een kwalitatief verschil aannamen tussen geloof en wetenschap. Geloof moge goed zijn en nodig voor de eenvoudigen; de ontwikkelden hebben daaraan niet genoeg. De theologie moet er naar staan, om de inhoud van het geloof te ontwikkelen tot een wetenschap, die niet rust op autoriteit maar in zichzelf haar waarborg en bevestiging vindt. De pistis moet tot gnosis verheven worden. De gnosis is hier geen middel meer, om de ketterij te weren en te bestrijden maar wordt doel. De pistis voert slechts tot een χριστιανισμος σωματικος, maar de theologie moet uit de H. Schrift de χριστιανισμος πνευματικος ontwikkelen. Wat Philo beproefd had voor de Joden, ondernamen Clemens en Origenes voor de Christenen; zij zetten het werk van Justinus Martyr voort. Om dit doel te bereiken, moesten zij natuurlijk kennis hebben en gebruik maken van de filosofie; zij sluiten zich wel niet aan bij een bepaald systeem, maar ze bedienen zich van de hele Griekse filosofie sedert Socrates, vooral van die van Plato en de Stoa. En met behulp daarvan levert Origenes een systeem, dat zonder twijfel van geniale blik en diepe denkkracht getuigt, maar dat ook telkens gevaar loopt, om de theologie in te doen ondergaan. Subordinatie van de Zoon, eeuwigheid van de schepping, preëxistentie van de zielen, dualisme van geest en stof, aardse loutering, herstelling aller dingen zijn zovele elementen in het stelsel van Origenes, die het met het geloof van de kerk in strijd brachten en later zijn veroordeling bewerkten. Met de Schrift werd dit alles overeengebracht door een pneumatische, allegorische exegese. Maar feitelijk wordt in deze theologie van Origenes de Christelijke religie in ideeën opgelost. Zij zoekt een transactie tussen kerk en wereld, geloof en wetenschap, theologie en filosofie, een compromis tussen de dwaasheid van het kruis en de wijsheid van de wereld en is zo het schoonste en rijkste type van de telkens in de kerk opkomende Vermittelungstheologie6. In de aanvang van de derde eeuw zijn de grondslagen van de Christelijke theologie gelegd. De kerk heeft tegenover het Heidendom en Jodendom, tegenover het Gnosticisme en Ebionitisme welbewust een vaste positie ingenomen, en de zelfstandigheid van het Christendom gered. Maar nu komen in de derde eeuw allerlei inwendige twisten op. De grote strijd van de 3e eeuw liep over de verhouding van de Logos (en de Geest) tot de Vader, en de ketterij, die bestreden moest worden, was het Monarchianisme in zijn beide vormen van dynamistisch en modalistisch Monarchianisme. De eersten zoals de Alogi, Theodotus en zijn partij, Artemas c.s. en vooral ook in het Oosten Paulus van Samosata, bisschop van Antiochië sedert 260, trachtten de eenheid Gods zo te handhaven, dat zij Zoon en Geest niet voor personen maar voor eigenschappen hielden en aan Jezus de Godheid ontzegden; Jezus was een mens, in bijzondere mate door de Goddelijken Logos toegerust en met Gods Geest gezalfd. De modalistische Monarchianen echter leerden, dat de Godheid zelf in Christus vlees geworden was; zij erkenden dus de Godheid van Christus maar identifieerden Vader en Zoon en kwamen zo tot het patripassianisme. Dit gevoelen was in de 3e eeuw zeer verbreid en vond veel aanhang; het werd verdedigd en voorgestaan door Noëtus, Epigonus, Kleomenes, Aeschines, Praxeas, Victorinus, Zephyrinus, Kallistus en vooral Sabellius, maar het werd ook krachtig bestreden door Hippolytus, Tertullianus, Dionysius Alex., Eusebius enz. Aan het eind van de 3e eeuw stond het dogma van Christus’ Godheid en van zijn onderscheid van de Vader vast. Er waren drie hypostasen in het Goddelijk wezen, Vader, Zoon en Geest. Dit was het geloof zowel in het Oosten als in het Westen. De begrippen waarmee het denken in de volgende eeuw zich zal bezighouden, zoals μονας, τριας, ουσια, υποστασις, προσωπον, enz. bestaan al, maar zullen pas later hun bepaald karakter en vaste waarde verkrijgen. De grondslag is gelegd, en de grenzen zijn afgebakend, binnen welke de Christelijke speculatie haar kracht beproeven zal.

De dogmatische geschriften, welke in deze eerste periode het licht zagen, stonden alle in dienst van de apologetiek en polemiek, en bepaalden zich doorgaans tot uiteenzetting van die leerpunten, welke in geschil waren. Over bijzondere dogmatische en ethische onderwerpen verschenen er dan ook een groot aantal tractaten, over de eenheid Gods, de realiteit van Christus’ menswording, de opstanding, de doop enz. Maar als proeven van een dogmatisch systeem komen uit die tijdperk alleen de vroeger reeds besproken werken van Origenes, de principiis en van Lactantius, divinarum institutionum libri VII in aanmerking.

1 Kortheidshalve worden hier enige werken genoemd voor de conciliën, kerkvaders, kerkelijke schrijvers, enz. en de literatuur daarover. De acten van de conciliën zijn verzameld in: Joa. Harduinus, Conciliorum collectio regia maxima. Par. 1714. 11 Tomi in 12 vol., loopt tot 1714. J. Domin. Mansi, Sacrorum conciliorum nova et amplissima collectio. Flor. 1759-1788. 31 vol.; een nieuwe, verbeterde editie verschijnt sedert 1885 te Parijs. Acta et decreta sacrorum conciliorum recentiorum, Collectio Lacensis (Maria Laach), 7 vol. Frib. Brisg. 1870-1890, bevat de acta van de concilia van 1682-1870. De voornaamste besluiten vau conciliën en pausen zijn verzameld door H. Dentinger, Enchiridion symbolorum et definitionum, ed. 6 aucta ab Ign. Stahl. Wirceb.1888, De geschiedenis van de conciliën is het volledigst behandeld door Karl. Joseph von Hefele, Conciliëngeschichte, nach den Quellen bearbeitet, 7 Bde. Freiburg. 2e Aufl. Bd. 1-4 door Hefele zelf, Bd. 5-6 door Knöpfler ‘t werk is voortgezet door Hergenröther, die Bd. 8-9 eraan toevoegde. De kerkvaders en andere kerkelijke schrijvers zijn uitgegeven o.a. door: Andr. Gallandius, Bibliotheca veterum patrum antiquorumque scriptorum ecclesiasticorum, Venet. 1763-1781, 14 tomi fo l. J P. Migne, Patrologiae cursus completus, sive Bibliotheca universalis….omnium S. S. Patrum doctorum scriptorumque ecclesiasticorum, sive latinorum, sive graecorum. Paris 1844 sq. 473 tomi; series latina 221 tomi, series graeca 166 tomi, patrologia graeca latine tantum edita 86 tomi. Voorts zijn verschillende kerkvaders afzonderlijk uitgegeven zoals Tertullianus door Oehler, Leipzig 1853, Tertullianus, Oyprianus, Lactantius e.a. door Gersdorf, Bibl. patr. eccl. lat. sec. Lips. 1838. Irenaeus door Stieren, Leipzig 1853, Origenes door Delarue, Paris 1733, Chrysostomus door Montfaucon 1718 Augustinus door Delfau e. a. 1679-1702 enz. En eindelijk verschijnt er een uitnemende editie van de Lat. kerkvaders te Wenen onder leiding van de Keizerlijke Akademie van de wetenschappen: Corpus scriptorum ecclesiasticorum Latinorum, Vindob. 1866 v. waarin reeds verschillende kerkvaders Minucius Felix, Cyprianus, Arnob., Lact., enz. of gedeelten van kerkvaders Tert., August. enz. verschenen zijn; en een nog zorgvuldiger uitgave van de Griekse kerkvaders door de Kirchenväter-Commission der Kon. Preus. Akademie der Wissenschaften, waarin al verschenen is: Clemens Alexandrinus, I Protrepticus und Paedagogicus, von Dr. Otto Stählin, Leipzig 1905. Een Duitse vertaling van de voornaamste werken van de kerkvaders verscheen in de Bibliothek der Kirchenväter, 80 deeltjes, Kempten 1869-1888. Zie verder Bellarminus, De Scriptoribus ecclesiasticis, Romae 1613. El. du Pin, Nouvelle Bibliothèqne des auteurs ecclésiastiques, 47 vol. Par 1686-1714. Cave, Historia literaria script. eccles. 2 vol. Lond. 1689. Basil. 1741. Walch, Bibl. theol. sel. Jenae 4 vol. 1757 v. Ritter, Geschichte der christl. filosofie, 4 Theile, Hamburg 1841-1845. Ueberweg, Grundriss der Gesch. d. Phil. der patr. u. schol. Zeit, ge Aufl. 1905 en de boven aangehaalde werken. Als hulpmiddelen kunnen dienst doen: voor het kerkelijk Grieks, het woordenboek van J. C. Suicerus, Thesaurus ecclesiasticus, ed. 2a longe auctior, Amst. 1728, 2 tomi; voor het middeleeuws Grieks C. Dufresne, dominus du Cange, Glossarium ad scriptores mediae et iufimae graecitatis, Par. 1678, 3 vol.; voor het middeleeuws Latijn. Id. Glossarium ad scriptores. mediaete infimae latinitatis, Par. 1678. 3 Vol.; nieuwe uitgaven door de Benedictijnen in 6 delen 1733-36; door G. A. L. Henschel, Par. 1840-50 in 7 delen; en door Leopold Favre in 10 delen 1883-87. Ook Forcellini, Totius latinitatis lexicon, in 4 delen, Padua 1771; nieuwe uitgave door Furlanetto in 4 delen. Padua 1828-31; engelse uitgave te Londen 1826; duitse door Voigtlander en Hertel te Zwickau en Schneeberg 1829-33, nieuwe uitgave in Italië door Corradini te Padua 1859 en door D. Vinc. De Vit in 6 delen te Prato 1858-79. Voor de plaatsnamen: J.V. Muller, Lexicon manuale, geographiarn antiquarn et mediarn cum Latine tum Germanice illustrans, Lips. 1831. J. G. Th. Graesse, Orbis latinus oder Verzeichniss der lateinischen Benennungen der bekanntesten Städte usw. Dresden 1861.

2 Irenaeus adv. haer. II 25-28. Tertullianus, de praescr. 7.

3 Irenaeus t. a. p. I 10, 3.

4 Harnack D. G. I 464-547.

5 Verg. Lehman, Die Katechetenschule zu Alexandria, Leipzig Lorentz 1896. Harnack, art. in PRE3 I 356-359.

6 Bigg, The Chistian Platonists of Alexandria, Oxford 1886.

x
This website is using cookies. Accept