Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

391. Zo verstaan, is de leer van de satisfactio vicaria alleen nog te verdedigen tegen de bedenking, dat op zedelijk gebied zulk een plaatsvervanging niet mogelijk is. Ten eerste is echter daartegen op te merken, dat de idee van de plaatsvervanging ook op zedelijk gebied diep in de menselijke natuur is gegrond, onder alle volken in priesterschap en offerande zich belichaamd heeft, en ook op allerlei wijze in poëzie en mythologie is uitgesproken. Origenes vergeleek Christus in zijn dood reeds met hen, die volgens klassieke overleveringen voor hun vaderland gestorven zijn, om het van pest of andere rampen te bevrijden, want het schijnt volgens verborgen wetten in de natuur van de dingen te liggen, dat de vrijwillige dood van een rechtvaardig mens ten algemene nutte de macht van de boze geesten breekt1. De Christelijke theologie haalde dan ook menigmaal de voorbeelden van Codrus, Curtius, Kratinus, Zaleucus, Damon en Phintias en de gijzelaars aan, om daarmee het plaatsvervangend lijden van Christus op te helderen. Natuurlijk hebben deze voorbeelden geen andere waarde, dan om te doen zien, dat de idee van de plaatsvervanging in de gedachtenwereld van Grieken en Romeinen een grote plaats innam2. Hetzelfde is het geval met de tragedie, waarvan de grondgedachte zeker niet altijd door “Schuld und Sühne,” maar meermalen alleen door “Leidenschaft und Leid” is weer te geven. De dood van de held is in vele treurspelen niet een eigenlijke verzoening voor begane zonde, maar toch altijd een verlossing, door een of andere vergissing, dwaling enz., noodzakelijk gemaakt en daarom ons tenslotte verzoenend en bevrediging schenkend. Maar ook zo opgevat, verkondigt de tragedie een grote waarheid: al het menselijk grote wandelt langs afgronden van schuld, en bevrediging is er pas dan, als het edele en grote, dat door een of andere oorzaak op een dwaalweg is geraakt, in de dood te gronde gaat. De ondergang van Orestes, Oedipus, Antigone, Romeo en Julia, Max en Thekla, Iphigenie enz., verzoent ons met hen en met hun geslacht; alle menschlichen Gebrechen sühnet reine Menschlichheit (Goethe)3. En zo is het ook dikwijls in de historie: de laatste, edele Constantijn is, strijdende en stervende voor zijn volk en land, een verzoening voor de gruwelen van de Byzantijnse keizers, en de in vergelijking met zijn voorgangers onschuldige Lodewijk XVI boet in zijn dood voor de zonden van zijn huis. Indien de historie van de families en geslachten ons bekend was, zou zij ons tal van dergelijke voorbeelden leveren. In het de mortuis nil nisi bene (niet bonum, maar bene) eren wij allen de verzoenende kracht van lijden en dood. Ja, alle leven en vreugde hier op aarde is vrucht van smart en dood. Alles leeft van elkaars dood. De graankorrel moet sterven, om vrucht te dragen. Wat de een heeft gezaaid, wordt door de ander gemaaid. De moeder geeft in barenssmart, en soms stervende, het leven aan haar kind. Alle geboorte, ook op het gebied van de gedachte en van de kunst, is uit duister tot licht. Enkelen werken, strijden, lijden, en anderen genieten van hun arbeid. Wij leven allen van de met inspanning verworven schatten van de voorgeslachten. De edelste goederen van de mensheid zijn onder strijd en lijden door enkelen voor allen veroverd. Vooral draagt de liefde een plaatsvervangend karakter; hier op aarde is ze haast niet anders denkbaar dan als medelijden, sumpayeia; wie het meest liefheeft, lijdt het meest. De moeder lijdt om, in, met haar kind; de vader draagt rouw in het hart om de afdwaling van zijn zoon. Natuur en mensheid leren, dat er “stellvertretende Kräfte” zijn4.

Al deze voorbeelden en redeneringen zijn zonder twijfel geschikt, om het plaatsvervangend lijden van Christus enigermate toe te lichten. Tegenover het individualisme en atomisme, dat de mensheid uiteenrukt en van de mystiek van de liefde niet weet, zijn ze van uitnemende waarde. Maar toch zijn ze niet in staat, om het lijden van Christus te verklaren. Velen blijven wel bij deze voorbeelden staan en trachten het lijden van Christus te begrijpen als een natuurlijk gevolg van zijn ingaan in onze zondige gemeenschap5. Maar zo komt de offerande van Christus niet tot haar recht. Menselijke sympathie is ongetwijfeld voor Christus, en bovenal voor Hem als de heilige en barmhartige Hogepriester, oorzaak van diep, smartelijk lijden geweest, Matt. 8:17, 9:36, 14:14 enz., maar zij is niet de enige en de voornaamste oorzaak, evenmin als honger en dorst, vervolging van zijn vijanden, verzoeking van Satan, verlating door zijn discipelen. Dan toch was het lijden voor Christus slechts lijden en geen straf, en Hij zelf niet meer dan een getuige, een martelaar, een lijder geweest, alleen gradueel verschillend van anderen. Maar Christus heeft zelf zijn lijden beschouwd als een straf, door God om onze zonden op Hem gelegd, Matt. 20:28, 26:28, 27:46, en de Schrift getuigt, dat Hij voor ons tot zonde is gemaakt en een vloek is geworden, 2 Cor. 5:21, Gal. 3:13. Een stap verder gaan zij, die het lijden van Christus op realistische wijze verklaren uit de plaats, die Hij in het menselijk geslacht inneemt. Hij is nl. niet een individu naast anderen, maar Centralindividuum; Hij heeft niet een menselijk persoon, maar de menselijke natuur aangenomen; die natuur droeg de zonde en lag onder de vloek; en zo nam Christus met die natuur ook haar schuld en straf op zich. Zoals Adam daarom onze vertegenwoordiger kon zijn, omdat hij de stamvader was van heel het menselijk geslacht, zo is Christus plaatsvervanger van de gemeente, die als zijn lichaam uit Hem als het hoofd wordt geboren en één met Hem is. En evenals wij bv. op onze rug worden gestraft om hetgeen wij met onze hand hebben misdaan, zo is Christus om onze zonden gestraft, omdat Hij één met ons is6. Deze realistisch-mystieke opvatting van Christus’ plaatsvervanging is op zichzelf volkomen juist en wordt ook door de Schrift duidelijk geleerd; de gelovigen toch zijn zelf met Christus gekruist, gestorven, begraven, opgewekt en in de hemel gezet, Rom. 6-8, Gal. 2:20, Ef. 2:6, Col. 2:11, 3:3 enz7. Omdat Christus niet alleen verzoener, maar ook verlosser is, niet alleen objectief de schuld van de zonde moest wegnemen, maar ook subjectief de macht van de zonde moest breken, vormt deze mystieke unie van Christus en de gelovigen in het werk van de zaligheid een wezenlijk en onmisbaar bestanddeel. Maar toch is zij niet de enige en de eerste relatie, welke tussen Christus en de zijnen bestaat. In de Schrift is zij op de foederale gebouwd; Rom. 6-8 volgt op Rom. 3-5. Wanneer zij daarvan wordt losgemaakt, verliest zij de grondslag, waarop zij rusten moet; gaat zij haar steun zoeken in het pantheïsme, dat de herschepping verandert in een proces; en verlegt de objectieve verzoening meer en meer in de subjectieve verlossing; Shedd laat bv. de toerekening van Christus’ gerechtigheid reeds afhangen van wedergeboorte en geloof8. Dan alleen is deze mystieke unie in haar Schriftuurlijke betekenis tegelijk met de objectieve verzoening van Christus’ offerande te handhaven, wanneer Christus allereerst als hoofd van het verbond wordt beschouwd en in foederalistische, legale zin voor de zijnen in de plaats is getreden.

Het verbond van de genade gaat nl. aan de persoon en de offerande van Christus vooraf. Dat verbond begint toch niet, nadat Christus zijn werk heeft volbracht, met de Heilige Geest, met de weldaden van wedergeboorte en geloof; maar ook Christus zelf staat in dat verbond. Hij is er de borg en de middelaar van, Hebr. 7:22; 8:6; 12:24; zijn bloed is bondsbloed en daarom verzoenend, Matt. 26:28. Ja meer nog, het verbond van de genade is niet eerst opgericht in de tijd, doch het heeft zijn grondslag in de eeuwigheid, rust in het pactum salutis, en is in de eerste plaats een verbond van de drie personen in het Goddelijk wezen zelf. Vader en Zoon en Geest zijn alle drie in dat verbond werkzaam; en zo weinig begint het eerst in de tijd met de werkzaamheid van de Heilige Geest, dat het veeleer van eeuwigheid in de raad van God drieëenig zijn bestand en vastigheid heeft. En daaruit wordt ook de satisfactio vicaria van Christus verklaard. Zij berust op een ordinantie, op een vrije, almachtige, genadige beschikking van God. Dat wil volstrekt niet zeggen, dat zij willekeurig en onredelijk is. Allerlei verhoudingen in natuur en mensheid bieden analogie van de plaatsvervanging bij Christus. Maar analogie is hier en kan hier, evenmin als bij Adam9, identiteit zijn. Beiden nemen in de mensheid een eigenaardige plaats in; zij alleen zijn hoofden van heel het menselijk geslacht; hun invloed en werking breidt tot alle plaatsen en tijden zich uit. En boven Adam staat Christus nog weer. Want Adam was vertegenwoordiger, Christus is plaatsvervanger van de mensheid. Adam handelde in onze naam, maar nam niets van ons over; Christus kwam tot ons, stelde zich in onze plaats, droeg onze schuld en straf en verwierf onze gerechtigheid. Adam was hoofd van een verbond van de werken, dat wankel was; Christus is hoofd van een beter verbond, dat van geen wankelen weet. Adam was een mens, schoon zonder zonde, aards uit de aarde; Christus was het vleesgeworden Woord, de Enigggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid, de Heer uit de hemel. Adam bedierf wat goed was, Christus herstelde en volmaakte wat bedorven was. Zover als het genadeverbond het verbond van de werken, en het Evangelie de wet te boven gaat, zo hoog staat Christus boven Adam. Zijn satisfactio vicaria is zelfs niet naar het verbond van de werken met zijn wet te begrijpen; zij is wel niet contra legem, want zij bevestigt de wet, maar zij is toch supra legem en gaat alle onze gedachten zeer ver te boven. Zij is tot geen algemene regel terug te brengen, noch door een algemene wet te verklaren, want zij is geen verschijnsel naast andere, maar een concreet feit, geheel enig in de geschiedenis van de mensheid, door niets verklaard en zelf alles verklarend, rustend in een bijzondere ordinantie van God. En deze ordinantie van God is geen geïsoleerd wilsbesluit, maar draagt een verbondmatig karakter. De satisfactio vicaria heeft haar grondslag in de raad van God drieëenig, in het leven van de hoogste, van de volmaakte en eeuwige liefde, in het onwankelbaar verbond van de verlossing. Naar de ordinantiën van dat verbond neemt Christus de plaats van de zijnen in en wisselt Hj hun zonde tegen zijn gerechtigheid, hun dood tegen zijn leven in. w thv glukeiav antallaghv, w thv anexicniastou dhmiourgiav, w twn aprosdokhtwn eiergesiwn, ina anomia men pollwn en dikaiw eni krubh, dikaiosunh de enov pollouv anomouv dikaiwsh10.

1 Origenes, c. Cels. 131.

2 De plaatsvervanging in het Romeinse recht is meermalen behandeld, en dan meest zo opgevat, alsof zij directe, onmiddellijke plaatsvervanging uitsloot. Het schijnt, dat deze stelling in zulk een absolute zin niet meer te handhaven is. In elk geval is de idee van de plaatsvervanging in de laatste tijd uit de in Egypte gevonden Griekse papyri nog beter bekend geworden. Uit deze papyri blijkt, dat de plaatsvervanging, zowel de directe als de indirecte, in het Egyptische recht een grote rol vervulde; ze kwam in het publieke en private recht, bij processen en het innen of betalen van belastingen menigvuldig voor. De plaatsvervanger heette kuriov, frontisthv, epitropov (procurator); hij handelde voor, uper of anti (pro) degene, die hem aanstelde (sunistanai, instituere, mandare), hem een volmacht gaf (sustasiv, mandatum; de oorkonde daarvan heette sustatikon); en degene, die deze opdracht of volmacht gegeven heeft, werd dan vertegenwoordigd en handelde door, dia (per), zijn gevolmachtigde (sunistamenov of sustayeiv). L. Wenger, Die Stellvertretung im Rechte der Papyri. Leipzig Teubner 1906 bl. 1 v. 7 v. Deissmann, Licht vom Osten. Tübingen 1908 bl. 241.

3 W. Wundt, Völkerpsychologie II Mythus und Religion I Leipzig 1905 bl. 517 v.

4 Verg. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 47 Het werk van Christus in Zijn vernedering; 378, Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 47 Het werk van Christus in Zijn vernedering; 387, en voorts nog. Maresius, Syst. Theol. X 24. Turretinus, de satisf. bl. 51. Petrus de Witte, Wederl. der Socin. dwalingen II 221 v. Bushnell, Vicarious sacrifice 1866. J. Cooper, Vicarious suffering the order of nature, Princeton Theol. Rev. Okt. 1903 bl. 554-578. Dorner, Chr. Gl. II 622. Biggenbach, Jezus trug die Sünde der Welt, Neue kirchl. Zeits. 1907 bl. 295-307. de Maistre, Soirées de St. Petersbourg, Eclairc. sur les sacrifices.

5 Bijv. Schleiermacher, Chr. Gl par. 104, 4. Weisse, Philos. Dogm. par. 876. Lange,. Dogm. II 840 v. H. Schultz, Der Begriff des stellvertr. Leidens. Basel 1854 enz.

6 Thomas, S. Theol. III qu. 48 art. 1. 2. Suppl. qu. 13 art. 2.Shedd, Dogm. Theol. II 57 v. 533 v. Dale, The atonement, lect. X. Scott Lidgett, The spiritual principle of the atonement, ch. VII. Sartorius, Lehre v. d. Heilige Liebe II 67 v. Bilderdijk, Opst. v. godg. en zedek. inhoud I 1-15 enz.

7 Holtzmann, Neut. Theol. II 114-121.

8 Shedd, Dogm. Theol. II 534. Verg. Dale, The atonement bl. 422.

9 Verg. Deel III; Hoofdstuk 6; Par. 42 De Verbreiding van de Zonde; 323 en voorts ook A. A. Hodge, The atonement bl.198 v. Hugh Martin, The atonement bl. 9 v.

10 Epist. ad Diognetum 9.

x
This website is using cookies. Accept