Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

406. In dit belangrijke geschil over de waarde van Christus’ offerande bestaat er een zeer grote overeenstemming. Want aan de ene kant zijn allen het hierover eens, dat niet alle, doch alleen sommige mensen, hetzij deze nu weinige of vele zijn, de weldaden van Christus feitelijk deelachtig worden. En aan de andere kant erkennen allen, dat de offerande van Christus op zichzelf volkomen voldoende was, om niet alleen sommige, maar om alle mensen te doen delen in de vergeving van de zonden en het eeuwige leven. De universalisten zijn in de praktijk dus allen de particulariteit van de genade toegedaan; en de particularisten belijden allen zonder uitzondering de universaliteit van de offerande van Christus, wat haar innerlijke waarde betreft. Zelfs zij, die bezwaar hebben tegen de uitdrukking, dat Christus sufficienter voor allen, en efficaciter voor de uitverkorenen gestorven is, erkennen toch volmondig, dat de materia meriti van Christus volkomen voldoende is voor de verzoening van de zonden van alle mensen; en wat zij willen, is alleen dit, dat de forma meriti, d.i. de verdienste van Christus, niet op zichzelf maar in ordine ad reprobos beschouwd, niet alleen niet efficax, maar ook niet sufficiens kan heten1. Het verschil loopt dus alleen over de vraag, of het de wil en de bedoeling van God was, dat Christus zijn offerande bracht voor de zonden van alle mensen zonder uitzondering, dan wel alleen voor de zonden dergenen, die Hem van de Vader gegeven zijn2.

Zo gesteld, kan het antwoord haast niet twijfelachtig zijn. Want ten eerste, brengt de Schrift doorlopend de offerande van Christus alleen met de gemeente in verband, hetzij deze door velen, Jes. 53:11, 12, Matt. 20:28, 26:28, Rom. 5:15, 19, Hebr. 2:10; 9:28, door zijn volk, Matt. 1:21, Tit. 2:14, Hebr. 2:17,7:27,13:12, door zijn schapen, Joh. 10:11, 15, 26v., Hebr. 13:20, door zijn broederen, Hebr. 2:11, door kinderen Gods, Joh. 11:52, Hebr. 2:13-15; door de Hem van de Vader gegevenen, Joh. 6:37, 39, 44; 17:2, 9, 24, door zijn gemeente, Hand. 20:28, Ef. 5:25, door zijn lichaam, Ef. 5:23, of ook door ons als gelovigen, Rom. 5:9; 8:32; 1 Cor. 5:7, Ef. 1:7; 2:18; 3:12, Col. 1:14, Tit. 2:14, Hebr. 4:14-16; 7:26; 8:1; 9:14; 10:15; 1 Joh. 4:10; 1 Petr. 3:18; 2 Petr. 1:3; Op. 1:5-6; 5:9-10 enz., aangeduid wordt. Ritschl heeft hier terecht weer de aandacht op gevestigd; want al is het ook, dat hij hiertoe kwam door heel andere overwegingen, het feit zelf staat vast: in de Schrift zijn niet alle mensen hoofd voor hoofd, maar is de gemeente das Correlat aller an den Opfertod Christi geknüpften Wirkungen3. De overwegingen bij Ritschl zijn echter andere dan bij de Gereformeerden; deze laatsten zeiden: niet allen, maar de gemeente van de uitverkorenen. Ritschl zegt: niet de enkele, maar de gemeente, en tracht zo de unio mystica, de gemeenschap van de gelovigen individueel met Christus, uit de Schrift te verwijderen. Maar in de zaak zelf is er toch overeenstemming.

Tegenover deze klare, doorlopende leer van de Schrift hebben de enkele teksten, waarop de universalisten zich beroepen, weinig gewicht. De uitdrukking allen in Jes. 53:6, Rom. 5:18, 1 Cor. 15:22, 2 Cor. 5:15, Hebr. 2:9, cf. Heb. 2:10 bewijst niets, of zij bewijst veel meer dan de universalisten beweren, en zou ten goede komen aan de leer van Origenes over de wederherstelling van alle dingen. De universalisten zijn daarom zelf gedwongen, om het woord allen in deze plaatsen te beperken. Van meer gewicht zijn teksten als Ezech. 18:23, 33:11, Joh. 1:29; 3:16; 4:42; 13:22; 1 Tim. 2:4, 6, Tit. 2:11, Heb. 2:9, 2 Petr. 3:9, 1 Joh. 2:2, 4:14, waar de wil van God of de offerande van Christus in verband wordt gebracht met het behoud van allen of van de wereld. Maar deze teksten zijn geen van alle in strijd met de bovengenoemde uitspraken, die Christus’ weldaden tot de gemeente beperken. Immers, het Nieuwe Testament is een heel andere bedeling dan het Oude Verbond; het Evangelie is niet tot één volk bepaald, maar moet gepredikt worden aan alle creaturen, Matt. 28:19; er is geen aanneming van de persoon bij God, er is geen onderscheid meer van Heiden en Jood, Hand. 10:34-35, Rom. 3:29, 10:11-13. Ja zelfs, als in Jes. 53:11-12, Matt.20:28, 26:28, Rom. 5:15, 19, Hebr. 2:10, 9:28 van velen sprake is, voor wie Christus gestorven is, dan ligt daaraan niet de tegenstelling ten grondslag, die er later dikwijls ondergeschoven is, dat niet allen, maar slechts velen zullen zalig worden. Doch de gedachte, waaruit dit spreken van velen opkomt, is een heel andere, nl. niet voor enkelen is Christus gestorven, maar voor velen, voor zeer velen. Hij geeft zijn leven voor velen, Hij vergiet zijn bloed voor velen, Hij zal velen rechtvaardig maken: niet weinigen zijn het, maar velen, die door de gehoorzaamheid van één tot rechtvaardigen gesteld worden. De Schrift is niet bevreesd, dat er te velen zullen zalig worden. En daarom, uit diezelfde overweging, zegt zij, dat God geen lust heeft in de dood van de goddelozen, dat Hij wil, dat allen tot bekering komen en zalig worden, dat Christus een verzoening is en zijn leven gegeven heeft voor de wereld, en dat aan alle creaturen het Evangelie moet gepredikt worden. Als de universalisten hieruit afleiden, dat de voldoening heel algemeen is, dan komen zij en met de Schrift en met de werkelijkheid in strijd; want deze leren beide als om strijd, dat niet allen maar slechts velen met het Evangelie bekend worden en tot waarachtige bekering komen. In al die plaatsen is er daarom sprake, niet van de voluntas beneplaciti, die ons onbekend is en geen regel van ons gedrag kan of mag zijn; ook niet van een voluntas antecedens, die aan onze wilsbeslissing voorafgaat en daarnaar zich richt; maar van de voluntas signi, die ons zegt, waarnaar wij in het Nieuwe Verbond ons hebben te gedragen. Zij geeft ons het recht en legt ons de plicht op, om het Evangelie te brengen tot alle mensen zonder uitzondering. Een andere grond dan deze duidelijk geopenbaarde wil van God hebben wij voor het algemene aanbod van de genade niet nodig. Voor wie Christus bepaald gestorven is, hebben wij van tevoren evenmin nodig te weten, als wie door God ten eeuwige leven verkoren zijn. De roeping rust wel op particuliere basis, want zij behoort tot en gaat uit van het verbond, doch zij richt zich, in overeenstemming met Gods geopenbaarden wil en met de in zichzelf algenoegzame waarde van Christus’ offerande, ook tot hen, die buiten het verbond zijn, opdat ook zij in dat verbond opgenomen worden en in hun geloof zelf het bewijs van hun verkiezing ontvangen4.

In de tweede plaats houdt de Schrift in, dat de offerande en de voorbede van Christus, en zo ook de verwerving en de toepassing van de zaligheid onverbrekelijk samenhangen. De offerande is de grond van Christus’ voorbidding; de laatste strekt zich daarom even ver als de eerste uit. Limborch erkent dan ook, intercessionem non esse actum reipsa ab oblatione, quatenus in coelo peragitur, distinctum5. Indien de intercessie dus particulier is, gelijk ze is, Joh. 17:9,24, Rom. 8:34, Hebr. 7:25, 1 Joh. 2:1-2, dan is het ook de offerande. Wel beroept zich Limborch daartegen op Luk. 23:346, maar hier bidt Jezus niet om de zaligheid van zijn vijanden, doch alleen om de niet-toerekening van dat verschrikkelijk misdrijf, waaraan zij in hun onwetendheid zich schuldig maakten, als zij de Messias kruisigden. En ook is er een onlosmakelijk verband tussen de verwerving en de toepassing van de zaligheid. Alle weldaden van het genadeverbond hangen samen, Rom. 8:28-34, en vinden haar grond in de dood van Christus, Rom. 5:8-11. De verzoening in Christus brengt de behoudenis en zaligheid mee. Christus is immers het hoofd en de gelovigen zijn zijn lichaam, dat uit Hem zijn wasdom bekomt, Ef. 4:16, Col. 2:19; Hij is de hoeksteen en zij zijn het gebouw, Ef. 2:20-21; Hij is de eerstgeborene en zij zijn zijn broederen, Rom. 8:29. De gelovigen zijn dan ook objectief met en in Hem gestorven, gekruist, begraven, opgewekt, in de hemel gezet. Dat is: de gemeente is geen toevallig willekeurig aggregaat van individuen, dat even goed kleiner als groter kan zijn, maar zij vormt met Christus een organisch geheel, dat in Hem als tweede Adam besloten ligt, zoals de hele mensheid voortkomt uit de eerste Adam7. De toepassing moet daarom even ver zich uitstrekken als de verwerving van de zaligheid; zij is in deze begrepen en daarvan de noodzakelijke uitwerking.

Trouwens ligt dit ook in de aard van de zaak. Als Jezus waarlijk Zaligmaker is, dan moet Hij zijn volk ook werkelijk zalig maken, niet mogelijk maar werkelijk en metterdaad, volkomen en eeuwig. En dit is ook eigenlijk het hart van het verschil tussen de voor- en tegenstanders van de bijzondere voldoening. Men geeft dit verschil onjuist of althans hoogst onvolledig weer, als men het uitsluitend formuleert in de vraag, of Christus voor alle mensen dan wel alleen voor de uitverkorenen stierf en voldeed. Zo wordt het verschil ook niet behandeld en beslist in het tweede hoofdstuk van de Dordsche canones. Maar de eigenlijke, wezenlijke strijd liep over de waarde en de kracht van Christus’ offerande, over de aard van het werk van de zaligheid. Zaligmaken, zeiden de Gereformeerden, is zaligmaken, waarachtig, geheel, voor eeuwig. Uit de liefde van de Vader en de genade van de Zoon vloeit dat vanzelf voort; diegenen, die God liefheeft, en voor wie Christus voldeed, worden ook onfeilbaar zeker zalig. En nu één van beide; of God heeft alle mensen liefgehad en Christus heeft voor allen voldaan—dan worden zij ook allen onfeilbaar zeker zalig; of het laatste is blijkens Schrift en ervaring niet het geval—dan kan en mag men ook niet zeggen, dat God allen heeft liefgehad, althans niet met die bijzondere liefde, waarmee Hij de uitverkorenen tot de zaligheid leidt, noch ook, dat Christus voor allen gestorven is en voldaan heeft, ook al werpt zijn dood voor alle mensen indirect enige nuttigheid af. En zo kwamen zij tot de belijdenis: dit is geweest de heel vrije raad, de genadige wil en voornemen van God de Vader, dat de levendmakende en zaligmakende kracht van de dierbare dood van zijn Zoon zich uitstrekken zou tot alle uitverkorenen, om die alleen met het rechtvaardigmakend geloof te begiftigen, en door ditzelve onfeilbaar tot de zaligheid te brengen; dat is, God heeft gewild, dat Christus door het bloed van zijn kruis, waarmee Hij het nieuwe verbond bevestigd heeft, uit alle volkeren, stammen, geslachten en tongen, al diegenen, en die alleen, krachtiglijk zou verlossen, die van eeuwigheid tot de zaligheid verkoren en van de Vader Hem gegeven zijn8.

Met kracht kwamen zij daarom tegen de universalisten op, niet in de eerste plaats, omdat zij de verzoening voor allen lieten aanbrengen, maar vóór alle dingen, omdat zij, zo sprekende, het werk der zaligheid heel anders gingen opvatten en aan de naam van Jezus te kort deden. In de logica geldt de regel: quo major extensio, minor comprehensio; en deze regel is op velerlei gebied, hij is ook hier van toepassing. Onder de schijn van het werk van Christus te eren, gingen de voorstanders van de algemene voldoening dit verzwakken, verkleinen, beperken. Want als Christus voor allen voldaan heeft, dan sluit de verwerving van de zaligheid niet noodzakelijk haar toepassing in, tenzij men het gevoelen van Origenes omhelst, dat werkelijk alle mensen eens zalig zullen worden9. Maar dit zeiden de voorstanders van de algemene voldoening niet; zij namen evenals de Gereformeerden aan, dat velen binnen en buiten de grenzen van de Evangelieverkondiging verloren gingen. De toepassing van de zaligheid werd dus van haar verwerving losgemaakt, zij kwam er toevallig bij, maar was er niet vanzelf mee gegeven en vloeide er niet van nature uit voort. God had dus zijn Zoon tot de dood van het kruis verordineerd, zonder de bepaalde raad van iemand zeker zalig te maken; Christus verwierf door zijn dood voor niemand zeker de zaligheid; de toepassing van de zaligheid hing tenslotte geheel af van de vrije wil van de mens. Deze wil moet het werk van Christus aanvullen, vruchtbaar maken, in werkelijkheid doen overgaan. Dat is, voor Christus blijft alleen over de verwerving, niet van de werkelijkheid, maar slechts van de mogelijkheid van de zaligheid, niet van de feitelijke reconciliatio, maar van de potentiële reconciliabilitas, van “the salvabIe state”. Christus verwierf voor God alleen de mogelijkheid, om een verbond van de genade met ons aan te gaan, de vergeving van de zonden en het eeuwige leven ons te schenken, indien wij nl. geloven. Het voornaamste van het werk van de zaligheid, datgene wat ons werkelijk zalig doet worden, dat blijft voor ons nog te doen over. Christus maakte het verbond van de genade zelf niet vast in zijn bloed, Hij maakte niet, dat de zonden van zijn volk vergeven zijn, maar Hij sprak alleen uit, dat er van Gods kant geen bezwaar is, om een verbond met ons aan te gaan en de zonden ons te vergeven, indien wij en nadat wij onzerzijds geloven. Voor ons heeft Christus dus eigenlijk niets verworven, maar alleen voor God de mogelijkheid, om ons te vergeven, als wij de geboden van het Evangelie vervullen10.

De universalisten komen er daarom toe, om de waarde en kracht van Christus’ werk te verminderen. Wat zij, en dan nog slechts schijnbaar, winnen aan kwantiteit, verliezen zij aan kwaliteit. Rome leert, dat de zonden, vóór de doop begaan, d.i. in de regel de erfzonde, in de doop vergeven worden. Na de doop blijft echter de concupiscentia over, die zelf geen zonde is, maar toch aanleiding tot zondigen wordt. De dan begane zonden worden in het sacrament van de boete vergeven, wat de schuld en de eeuwige straf betreft; maar de tijdelijke straf moet door de mens zelf hier of in het vagevuur worden gedragen11. De Remonstranten zeiden, dat God in de dood van Christus alle zondaren zo met zich verzoend heeft, ut per et propter hoc ipsum lutron ac sacrificium in gratiam cum iis redire et ostium salutis aeternae viamque immortalitatis pandere ipsis voluerit12. De Kwakers laten Christus’ werk daarin bestaan, dat Hij de verzoening ons aangeboden en God tot vergeving genegen heeft gemaakt13. En tot gelijke slotsom moeten allen komen, die een algemene voldoening leren14. Het zwaartepunt wordt uit Christus in de Christen gelegd; het geloof is de ware verzoening met God15. De Gereformeerden waren echter van een andere gedachte. De satisfactio vicaria is geen “fertige Grösse,” maar is een werkend beginsel en sluit principiëel de hele herschepping in zich. Het werk van Christus is dan eerst af, wanneer Hij het koninkrijk de Vader overgeeft. Hij opende niet de mogelijkheid van zalig te worden, maar maakt zalig altijd door, op grond van zijn offerande, aan het kruis volbracht. Zaligmaker is Hij, omdat Hij niet alleen voor onze zonden gestorven, maar daarna ook opgewekt en ten hemel gevaren is en nu als de verhoogde Heiland voor zijn gemeente bidt. Hij heiligde zichzelf, opdat ook de zijnen geheiligd worden in waarheid, Joh. 17:19. Hij gaf zich voor de gemeente over, opdat Hij ze heiligen en zichzelf heerlijk voorstellen zou, Ef. 5:25-27. Beide, Christus en zijn gemeente zijn uit één, nl. God, Hebr. 2:11, en zijn als het ware één Christus, 1 Cor. 12:12. In en met Christus schenkt God aan de gelovigen alles, wat zij behoeven, Rom. 8:32v, Ef. 1:3-4; 2 Petr. 1:3; de verkiezing in Christus brengt alle zegeningen mee, de aanneming tot kinderen, de verlossing door zijn bloed, Ef. 1:3v., de gave van de Heilige Geest, 1 Cor. 12:3, het geloof, Phil. 1:29, de bekering, Hand. 5:31; 11:18; 2 Tim. 3:15, een nieuw hart en een nieuwe geest, Jer. 31:33-34, Ezech. 36:25-27, Hebr. 8:8-12, 10:1616.

In de derde plaats is hieraan nog toe te voegen, dat het universalisme tot allerlei valse stellingen leidt. Het brengt scheiding tussen de drie personen van het Goddelijk wezen, want de Vader wil aller zaligheid, de Zoon voldoet voor allen, maar de Heilige Geest beperkt de gave van het geloof en van de zaligheid tot weinigen. Het brengt tweestrijd tussen de bedoeling van God, die het behoud van allen wenst, en de wil of de macht van God, die de zaligheid feitelijk niet aan allen wil of kan deelachtig maken. Het laat de persoon en het werk van Christus aan de verkiezing en het verbond voorafgaan, zodat Christus er geheel buiten komt te staan en niet plaatsvervangend kan voldoen, omdat er geen gemeenschap is tussen Hem en ons. Het doet te kort aan de gerechtigheid van God, die de vergeving en het leven voor allen verwerven laat en ze toch niet uitdeelt. Het richt de vrije wil op, die de macht heeft om te geloven, het werk van Christus al of niet ongedaan kan maken en de beslissing, ja heel het resultaat van de wereldgeschiedenis in handen heeft. Het leidt tot de leer, gelijk de Kwakers terecht opmerkten17, dat indien Christus voor allen gestorven is, ook allen hier of hiernamaals in de gelegenheid moeten worden gesteld, om Hem aan te nemen of te verwerpen; want het zou heel onrechtvaardig zijn, om hen, van wie alle zonden verzoend zijn, te veroordelen en te straffen, alleen omdat zij buiten de gelegenheid waren, Christus door het geloof aanteenmen. En het komt tot de stelling, in duidelijke tegenspraak met heel de Heilige Schrift, dat de enige zonde, waarom iemand verloren gaan en gestraft kan worden, het ongeloof is; alle andere zonden zijn immers verzoend; tot zelfs die van de mens van de zonde, de antichrist toe.

1 Voetius, Disp. II 254.

2 Cunningham, Histor. Theol. II 334.

3 Ritschl, Rechtf. u. Vers. II2 216.

4 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 31 De mededeelbare Eigenschappen; D 209. Terwijl men er vroeger op uit was, om Jezus tot een universalist te stempelen, die boven alle Joodse beperkingen verheven was, trachten velen Hem thans tot het particularistische stalidpunt van zijn volksgenoten terug te dringen. Harnack zegt bijv., dat, al vloeide de Heidenmissie later vanzelf uit het Evangelie voort, zij toch geheel buiten Jezus’ horizon lag. Een Anweisung zur Heidenmission kan dus ook door Hem niet gegeven zijn. De Evangeliën bevatten deze wel, maar ze is onecht en behoort niet tot de oudste overlevering, Mission und Ausbreitung des Christ. in den ersten drei Jahrb. 1906 131 v.

5 Limborck, Theol. Christ. III 19, 11.

6 Limborck, Theol. Christ. IV 4, 7.

7 Rotke, Theol. Ethik I bl. 501.

8 Dordsche Canones II 8. Verg. ook de synode van Westminster pro quibus Christus redemtionem acquisivit, iis omnibus certo quidem ac efficaciter eam applicat impertitque, VIII 8, cf. ook III 6, bij Müller bl. 552. 563.

9 Zo Schleiermacher, Scholten en vele anderen, ook William Hastie, The Theology of the Reformed Church in its fundamental principles. Edinburgh 1904 bl. 277 v.

10 Dordsche Canones II. Verw. d. dwal.

11 Conc. Trid. VI 30. XIV c. 8. 9 can. 12-14.

12 Conf. Rem. VIII 9.

13 Barclay, Verantwoording van de ware Christ. Gods. 1757 bl. 153.

14 Duidelijk komt dit uit in een artikel van R. Liebe, Ueber die Liebe Gottes, Zeits. f. Th. u. K. 1909 bl. 347-405. De universele opvatting van de liefde Gods, alsof zij in gelijke mate allen gold, heeft van God een allzugemütliches Wesen gemaakt, en zijn liefde van haar kracht beroofd, zodat Nietzsche tegen zulk een kleinburgerlijke liefde niet ten onrechte toornde. Ze wordt door de volkskerk bevorderd, maar is met de Christelijke ervaring en heel de werkelijkheid in strijd. Liebe wil daarom weer onderscheid maken tussen een universele en een particuliere (individuele) liefde van God, die hij dan vervolgens niet dualistisch naast elkaar plaatst, maar evolutionistisch met elkaar in verband brengt. Verg. ook de besprekingen van dit artikel door Herrmann en Pauli in de beide volgende afleveringen.

15 Kübel, Ueber de Unterschied usw. bl. 135 v.

16 Verg. behalve de Canones Dordr., ook de Prof. Leidenses in Censura Conf. Rem. VIII 9. Trigland, Antapologia c. 16. Mastricht, Theol. V 18, 42. Voetius, Disp. II 9. 269. V 270. Witsius, Oec. foed. II 7. Misc. Sacra II 781. M. Vitringa, Doctr. VI 126 v. De Moor, Comm. III 1086 v. Cunningham, Histor. Theol. II 301 v. Schneckenburger, Vergl. Darstellung II 26.

17 Barclay, Verantwoording bl. 92.

x
This website is using cookies. Accept