Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Hoofdstuk VIII. Over de weldaden van het Verbond

Par. 48. De Heilsorde.

Oehler, Theol. d. Alten Test. par. 201-204. Marti, Gesch. d. Israël. Relig. 3 bl. 160-169. Davidson, The Theol of the Old Test. 1904 bl. 235-289. Köberle, Sünde und Gnade im relig. Leben des Volkes Israël bis auf Christum. München 1905. Weber, Syst. der altsyn. pal. Theol. par. 59 v. Bousset, Die Religion des Judentums2. 1906. Lechler, Das apost. und nachapost. Zeitalter3. 1885. Holtzmann, Neut. Theol. 1897. Weiss, Bibl. Theol. d. N.T. Berlin 1903. Vömel, Der Begriff der Gnade im N. Test. Gütersloh 1903. Stevens, The Theol. of the New Test.2. Edinburgh 1906.

Knopf, Das nachapost. Zeitalter. Tübingen 1905, vooral bl. 396-444. G. Wustmann, Die Heilsbedeutung Christi bei den apost. Vätern. Gütersloh 1905. Wiggers, Versuch einer pragm. Darstellung des August. und Pelag. I 1821 II 1833. Landerer, Das Verhältnis von Gnade und Freiheit in der Aneignung des Heils, Jahrb. f. d. Theol. 1857 bl. 500-603. Wörter, Die Christl. Lehre über das Verhältnis von Gnade und Freiheit von den apost. Zeiten bis auf Aug. Freiburg 1856, en voorts de werken over dogmenhistorie van Münscher-von Coelln, Harnack, Seeberg, Loofs, Schwane. Damascenus, de fide orthod. II 25 v. IV 9 v. Lombardus, Sent. II dist. 25. 26. Thomas, S. Theol. II 1 qu. 109 v. Bonaventura, Brevil. V. Bellarminus, de gratia et libero arbitrio. Theol. Wirceb., Paris. 1880 VII 141 v. Perrone, Prael. Theol. Lovan. 1840 V I v. Kleutgen, Theol. der Vorzeit II 152 v. Heinrich, Dogm. VIII 3 v. Scheeben, III 631 v. C. Pesch, Prael. dogm. V 1 v. Simar, Dogm.3 bl. 482 v. Pohle, Dogm.4 II 330 v. Jansen, Prael. theol. dogm. III 3 v. Mannens, Theol. dogm. III 1 v.

Luther bij Loofs, Dogmengesch.4 bl. 684 v. en de daar aangehaalde lit. Melanchton, Loci Comm., 1. de lib. arb. Gerhard, Loci Theol. I. XI de lib. arb. XII-XIII de lege. XIV de evangelio. XV de poenit. XVI de justif. XVII de bonis oper. Quenstedt, Theol. did. pol. III, handelt achtereenvolgens over vocatio bl. 461, regeneratio 476, conversio 488, justif. 514, poenitentia et confessio 578, unio mystica 614, renovatio 632. Hollaz, Ex. theol. bl. 791 v.: gratia vocans, illuminans, convertens, regenerans, justificans, inhabitans, renovans, conservans en glorificans. Calvijn, Inst. I. III. Polanus, Syst. Theol. VI c. 32 v.: de vocatione, de foedere, de donatione Sp. S., de comm. sanct., de justif., de regen., de adoptione et spirit. libertate, de consolatione enz. Petrus Martyr, Loci Comm. bl. 229 v. de praedest., de vocat., de gratia, de fide, de justif., de pace, de votis, de poenit., de jejunio, de vita Christ. enz. Canon. Dordr. III IV 8 v. roeping, verlichting, wedergeboorte, geloof. Synopsis pur. theol., c. 30 v. de vocat., fide et persev., resip., justif., bonis operibus, libertate enz. Maccovius, Loci Comm. c. 69 v. de justif. act., regen., fide, just. pass., bonis operibus (poenit., oratione). Mastricht, Theol VI de natura applicationis, vocat., regen., convers., unione c. Christo, justif. adopt., sanctif., glorif. De Moor, Comm. IV 285 v. de fide et resip., de voc. efficaci, justif., sanctif., oratione, conservatione, regeneratione. M. Vitringa, Doctr, III de test. gratiae, de fide et resip., voc. et regen., justif., sanctif. enz

Schleiermacher, Chr. Gl. par. 106-112. Dorner, Chr. Gl. par. 129-133. Ebrard, Dogm. II 305 v. Philippi, Kirchl. Gl. V 1 Die Lehre v.d. Heilsordnung. Frank, Syst. d. Christ. wahrh. II2 310 v. Von Oettingen, Luth. Dogm. II 2 bl. 296 v. 539 v. Käkler, Die Wiss. d. Chr. Lehre3 bl. 381 v. 414 v. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 2 26 v. F. A. B. Nitzsch, Ev. Dogm. bl. 569 v. Kaftan, Dogm. par. 68. 69. H. Schultz, Der ordo salutis in der Dogm., Th. Stud. u. Krit. 1899 bl. 330-445. Max Koch, Der ordo salutis in der altluth. Dogm. Berlin 1899. Emil Wacker, Die Heilsordnung. Gütersloh 18982 1905. E. Weber, Der Einfluss der protest. Schulphilos. auf die luth. Dogm. Leipzig 1908, vooral bl. 102 v. A. Dieckmann, Die Christl. Lehre von der Gnade. Berlin 1901. Seeberg, art. Heilsordnung in PRE 3 VII 593-599.

410. Als Christus in de hemel zijn profetische, priesterlijke en koninklijke werkzaamheid voortzet, dan volgt daaruit, dat ook de heilsorde, met al de weldaden, die daarin ter sprake komen, theologisch beschouwd moet worden. Gelijk God de Schepper en Regeerder van alle dingen is, in Christus tegenover de zonde zichzelf handhaaft en al zijn deugden van gerechtigheid en genade, van almacht en wijsheid aan het licht brengt, zo is Hij het ook, die door de Heilige Geest de weldaden van Christus toepast, daarin zijn eigen werk tot stand brengt en zijn eigen eer verhoogt. De via salutis draagt daarom in de Schrift een eigen karakter; zij is, evenals de verlossing, principieel verschillend van die, welke in de godsdiensten van de volken en in de stelsels van de wijsbegeerte wordt aanbevolen. Daar is geen enkele godsdienst, waarin de gedachte van de verlossing en van een weg, om haar deelachtig te worden, ten enenmale ontbreekt. Kunsten en wetenschappen mogen machtige wapenen zijn in de strijd om het bestaan, en de cultuur mag bijdragen tot veraangenaming en verrijking van het leven van de mens; ze zijn toch alle onmachtig, om hem een duurzaam geluk, een eeuwig goed te verschaffen. En dat is het toch, wat de mens steeds en overal in de godsdienst zoekt; deze komt bij hem op uit veel diepere behoeften, dan die door de wereld rondom hem heen bevredigd kunnen worden. Zijn hart is tot God geschapen en rust niet, voordat het rust vindt in Hem. In zoverre ieder mens meer of minder bewust streeft naar een duurzaam geluk en een onveranderlijk goed, kan men met Augustinus zeggen, dat ieder mens ook zoekt naar God, die alleen het hoogste goed en de eeuwige zaligheid is, Hand. 17:27. Maar er moet dan dadelijk worden bijgevoegd, dat de mensen in de duisternis van hun verstand en in de boze overleggingen van hun hart Hem niet zoeken op de rechte wijze en niet daar, waar Hij te vinden is. De Heidense godsdiensten hebben geen besef van de heiligheid van God; zij missen het rechte inzicht in de zonde en weten van geen genade; omdat zij de persoon van Christus niet kennen, houden zij allen de weg van de werken voor de via salutis1.

Het principe van het Heidendom is toch, negatief de verloochening van de enige waarachtige God en de versmading van de gaven van zijn genade, en positief de gedachte en het streven van de mens, om door eigen wijsheid en kracht zich de zaligheid te verwerven. Komaan, laat ons een stad bouwen en een toren, welks opperste in de hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, Gen. 11:4. Natuurlijk verschilt de voorstelling van de verlossing en van de weg, die daarheen leidt, naar gelang van het kwaad, waarvan verlossing gezocht wordt2. Ook is het aan alle religie, in onderscheiding bijv. ook van de magie, eigen, om die verlossing te zoeken bij een bovennatuurlijke goddelijke macht; die helpen kan en wil, maar die zich daartoe niet dwingen laat, doch door offers, gebeden, rituele plechtigheden en zedelijke handelingen gunstig gestemd en tot het bieden van hulp bewogen moet worden3. Maar toch valt in al deze godsdiensten bijna immer de nadruk op het doen van de mens; hij is het, die de Godheid bevredigen en haar wet volbrengen moet. Hetzij de werken, die hij doen moet, een meer ceremonieel of een meer ethisch karakter dragen, hetzij ze meer positief of meer negatief van aard zijn, altijd is de mens toch zijn eigen zaligmaker; alle godsdiensten; buiten de Christelijke, zijn autosoterisch. In de laagste godsdiensten is het besef van zonde bijna geheel verloren en wordt verzoening, vrede en geluk voornamelijk verkregen door magische handelingen en rituele ceremoniën, hoewel in elke godsdienst toch ook het zedelijk handelen een plaats bekleedt; in de hogere godsdiensten komen de zedelijke plichten dikwijls meer op de voorgrond te staan en wordt inzonderheid van hun vervulling de zaligheid afhankelijk gemaakt.

Naarmate bij deze vervulling van de zedewet de aardse roeping van de mens hoger of lager wordt gewaardeerd, ontwikkelt zich weer een praktische of een ascetische richting in deze zedelijke godsdiensten. In het Parzisme bijv. maakt de cultus slechts een betrekkelijk klein bestanddeel uit van de grote strijd, die door ieder mens tegen onreinheid en dood en duivel gestreden moet worden; want deze behoort zich uit te strekken over heel het leven, en bestaat niet alleen in menigvuldige wassingen; reinigingen, bezweringen, maar ook in oefening van allerlei deugden (eerlijkheid, waarheid, gerechtigheid, barmhartigheid enz.) en trouwe waarneming van het aardse beroep: wie koren zaait, zaait heiligheid4. In het Boeddhisme daarentegen is de verlossing, omdat de ellende in het leven zelf bestaat, alleen gelegen in de doding van de begeerte naar het zijn. En deze begeerte wordt allengs verdoofd en uitgeblust, wanneer men het achtdelige pad bewandelt en bepaaldelijk uit de buitenwereld zich in zichzelf terugtrekt5. Maar hoe de opvatting van de zedewet en van haar volbrenging ook verschilt, het is toch altijd de mens zelf, die zich verlossen moet. Weest uw eigen licht, zo onderwees daarom Boeddha zijn leerlingen, weest uw eigen toevlucht. Neemt niet tot iets anders uw toevlucht. Houdt vast aan de waarheid als een licht. Zoekt niet naar een toevlucht bij iemand anders dan bij uzelf6. Ook het Mohammedamisme, dat toch na het Christendom is ontstaan, draagt geen diepere opvatting van zonde en genade voor; het stelt de verlossing vooral in bevrijding van de helse straf, welke de ongelovigen treft, en laat de verlossing van de zonde als zonde daarachter ver terug treden. Wel bidt de Moslem om vergeving van de zonden, maar deze wordt men vanzelf deelachtig, wanneer men zich bekeert, dat is, wanneer men gelooft aan de eenheid van God en aan Mohammed als zijn profeet, en voorts de godsdienstplichten (gebed, aalmoes, vasten, bedevaart) volbrengt; de verlossing is geen gave van God, maar een eigen daad van de mens7. En met deze godsdiensten komen in grondgedachte de wijsgerige stelsels overeen; de enige weg ter zaligheid is het pad van de deugd, de zedelijke zelfvolmaking. Men kan deze meer zoeken in practische arbeid, in ascetische zelfverloochening of in mystieke contemplatie; het blijft altijd de mens, die zich met inspanning van al zijn krachten naar boven zoekt te worstelen en zijn eigen zaligheid tracht uit te werken. In die geest zei Seneca: deorum esse munus quod vivimus, nostrum vero quod been vivimus. Voor het bezit van de deugd behoeft de mens, naar Cicero’s mening, God niet dankbaar te zijn, want om onze deugd worden wij met recht geprezen en op haar dragen wij rechtmatige roem, wat het geval niet zou wezen, indien de deugd een gave van God was en wij haar niet bezaten door onszelf. Heeft ooit iemand daarvoor de goden dank gezegd, dat hij een goed man was; num quis, quod bonus vir esset, gratias Diis egit unquam8?

Heel anders is de mening van de Schrift. Reeds in het Oude Testament is het God, die terstond na de val tussen mens en slang uit genade vijandschap zet en de mens aan zijn zijde overbrengt, Gen. 3:15, die Abraham en het uit hem geboren volk van Israël ten eigendom verkiest, Gen. 12:1; Ex. 15:13, 16; 19:4; 20:2; Deut. 7:6 v., die er het verbond mee opricht en er zijn wetten aan schenkt, Gen. 15:1; 17:2; Ex. 2:24-25; Deut. 4:5-13, die het bloed op het altaar ter verzoening geeft, Lev. 17:11, en alles aan zijn wijngaard ten koste legt, Jes. 5; Jer. 2:21. Maar krachtens die verkiezing en op de grondslag van dat verbond is het volk nu ook verplicht, om, op straffe van de vloek van de wet, Deut. 27:6; voor Gods aangezicht in oprechtheid te wandelen en zijn geboden te onderhouden, Gen. 17:1; Ex. 20; Deut. 10:15-16 enz. De bondsbetrekking hing niet van die wetsonderhouding, als een voorafgaande voorwaarde, af; zij was geen werkverbond, maar rustte alleen op Gods verkiezende liefde. Doch zij moest toch in de wandel naar de wet des Heeren haar bewijs en zegelontvangen. Immers kon zij van Israëls zijde niet met een volkomen hart aanvaard en dus in Israël niet tot waarachtige werkelijkheid worden, dan door zulk een geloof, dat tevens liefde en lust had, om in de weg van het verbond te wandelen. Het verbond sluit, indien het geen idee, maar realiteit is, de verplichting en de neiging in, om naar de eis van het verbond te leven. Maar daarom spreekt het ook vanzelf, dat het volk tegenover het verbond en zijn wet een zeer verschillende houding aannemen kon. Er waren antinomistische goddelozen, voorlopers van de Sadduceën, die zich om God noch zijn gebod bekommerden, en met de vromen de spot dreven, Ps. 14:2; 36:2 [Ps. 36:1]; 42:4, 11 [Ps. 42:3,10]; 94:2; Mal.2:17; 3:14; er waren farizees gezinden, die op uitwendige onderhouding van de wet de nadruk legden en daaraan de gerechtigheid en de zaligheid verbonden, Am. 6:1; Jer. 7:4. Tussen deze beiden in stonden de weinige getrouwen, de oprechte vromen, die geenszins onverschillig waren voor de wet des Heeren, integendeel haar bepeinsden de hele dag en liefhadden met heel hun ziel, maar die toch van haar onderhouding hun gerechtigheid en zaligheid niet afhankelijk lieten zijn. Want al is het, dat zij zich menigmaal zeer sterk op hun gerechtigheid beroepen, en God oproepen, om hun recht te doen, Ps. 7:9 [Ps. 7:8]; 17:1v., Ps. 18:21 [Ps. 18:20]; 26:1v., Ps. 35:24; 41:13 [Ps. 41:12]; 44:18, 21 [Ps. 44:17, 20]; 71:2; 119:121; 2 Kon. 20:3; Job. 16:17; Neh. 5:19; 13:14 enz., toch doen diezelfde personen tegelijk ootmoedig belijdenis van hun zonden, roepen Gods vergeving in en pleiten op zijn genade, Ps. 31:10-11; 32:1v., Ps. 38:2v., Ps. 40:13 [Ps. 40:12]; 41:5 [Ps. 41:4]; 130:3,5; Jes.6:5; 53:4; 64:6; Jer. 3:25; Mich. 7:9; Neh. 1:6; 9:33, Dan. 9:5,7,18 enz. De gerechtigheid van deze vromen is geen persoonlijke kwaliteit, maar een eigenschap van de zaak, die zij voorstaan; zij hebben het recht aan hun zijde, omdat zij zich verlaten op God9. Dit vertrouwen op God is het wezenlijk, wat in het Oude Testament de rechtvaardigen tot rechtvaardigen maakt; zij geloven aan God, Nymah, Gen. 15:6; Ex. 14:31; 2 Kron. 20:20; Jes. 28:16; Hab. 2:4, vertrouwen op Hem, xjb, Ps. 4:6 [Ps. 4:5]; 9:11 [Ps. 9:10], nemen tot Hem de toevlucht, hox, Ps. 7:2 [Ps. 7:1]; 18:3 [Ps. 18:2], vrezen Hem, ary, Ps. 22:24 [Ps. 22:23]; 25:12, hopen op Hem, lxy, lyxwh, Ps. 31:25 [Ps. 31:24]; 33:18, verwachten het van Hem, hwq, Ps. 25:21, verbeiden Hem, hkx, Ps. 33:20, steunen op Hem, Kwmo, Ps. 112:8, Nwkn, Ps. 57:8 [Ps. 57:7], hangen Hem aan, qbd, qvx, Ps. 91:14; 2 Kon. 18:6 enz. Dit geloof wordt tot gerechtigheid gerekend, Gen. 15:6, gelijk elders het houden van Gods geboden gerechtigheid heet, Deut. 6:20; 24:13.

Dat nu deze subjectieve gerechtigheid, die wezenlijk in vertrouwen op God bestaat, ook een vrucht van Gods genade en een werking van zijn Geest is, treedt uit de aard van de zaak in het Oude Testament nog niet zo duidelijk aan het licht. Maar toch ontbreken ook hiervoor de gegevens niet. Van een eigen gerechtigheid is er bij Israël nooit sprake; het is verkoren niettegenstaande zijn hardnekkigheid, Deut. 9:4-6. God is de bron van alle leven en licht, van wijsheid, kracht, zaligheid, Deut. 8:17-18; Ps. 36:10 [Ps. 36:9]; 68:20-21, 36 [Ps. 68:19-20, 35]; 73:25-26; Jer. 2:13, 31. Niet ons, maar Uwe naam geef ere, is het gebed van Israels vromen, Ps. 115:1; ootmoed is de stemming van hun ziel, Gen. 32:10; Ps. 116:12, een gebroken en verslagen hart zijn God aangenaam, Ps. 51:19 [Ps. 51:17]; Jes. 57:15. Niet de mens, maar God wordt altijd alle gave toegeschreven en voor alles de dank gebracht; alles wordt opgeroepen, om Hem te loven; alles wordt in de gebeden van Hem begeerd, niet alleen redding uit gevaren, maar ook kennis van Gods wet, verlichting van de ogen enz. God is het toch, die zich ontfermt over wie Hij wil, Ex. 33:19, en in zijn boek schrijft, wie leven zal, Ex. 32:33. Hij belooft, zonder enige voorwaarde, dat Hij hun God en zij zijn volk zullen zijn, Ex. 19:6; Lev. 26:12, en dat Hij altijd weer na ontrouw en afval van Israëls zijde, zich over hen ontfermenzal en bekering en leven geven zal, Ex. 32:30-35; Num. 14; 16:45-50; Lev. 26:40-44; Deut. 4:31; 8:5; 30:1-7; 32:36-43, Neh. 9:31. Hij vergeeft de zonden om zijns naams wil, Ex. 34:7 enz., en zendt zijn Heilige Geest, die de bewerker is van alle geestelijke leven, Num. 11:25, 29; Neh. 9:20; Ps. 51:13 [Ps. 51:11]; 143:10; Jes. 63:10. En als de geschiedenis dan leert, dat Israël telkens het verbond ontheiligt, verlaat, vernietigt, Deut. 31:20; 1 Kon. 11:11; 19:10, 14; Jer. 22:9; 32:32 enz., dan verkondigt de profetie, dat God zijnerzijds het verbond nimmer verbreken en zijn volk nooit verlaten zal. Hij kan het niet doen om zijns naams en zijns roems wil voor de Heidenen, Num. 14:16; Deut. 32:26-27; 1 Sam. 12:22; Joël 2:17-19; Jes. 43:21,25; 48:8-11; Jer.14:7, 20,21; Ezech. 20:43-44; 36:32. Het is een eeuwig verbond, dat niet wankelen kan, omdat het vastligt in Gods goedertierenheid, 2 Kon. 13:23, 1 Chron. 16:17; Ps. 89:1-6 [Ps. 89:1-5]; 106:20; 106:46; 111:5; Jes. 54:10. Hij staat als het ware voor beide partijen in, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor zijn volk, en Hij zal zo een nieuw verbond oprichten, zijn Woord en Geest niet van hen doen wijken, hun zonden om zijns naams wil vergeven, over allen zijn Geest uitstorten, een vlesen hart hun schenken, de wet in hun binnenste schrijven en hen in zijn inzettingen doen wandelen, Deut. 30:6; Jes. 44:3, 59:21; Jer. 24:7; 31:31v., Ezech.11:19; 16:60; 18:31; 36:26; 39:29; Joël 2:28; Mich. 7:19 enz.

1 In Der Beweis des Glaubens April 1901 bl. 159 worden uit een rede, welke Max Mliller voor het Brits en Buitenlands Genootschap over de verhevenheid van de Bijbel uitsprak, de volgende merkwaardige woorden aangehaald: Ich darf sagen, dass ich seit vierzig Jahren in der Erfülling meiner Pflichten als Professor des Sanscrit in der Universität Oxford so viel Zeit dem Studium der heiligen Bücher des Ostens gewidmet habe wie irgend ein anderer Mensch in der Welt. Und ich wage es dieser Versammlung zu sagen, was ich als den einen Grundton (-) sozusagen den einen Accord (-) aller dieser sogenannten heiligen Bücher, seien es die Veda der Brahmanen, die Purana von Siwa und Wishnu, der Koran der Mohammedaner, der Zendavesta der Parsis usw. gefunden habe: dass der eine grundton, der eine Accord, der sich durch alle hindurch zieht, die Seligkeit durch Werke ist. Sie alle lehren, die Seligkeit müsse erkauft werden und dass den Kaufpreis ihre eigenen Werke und Verdienste bilden müssen. Unsere eigen Bibel, Unser heiliges Buch aus dem Osten, ist von Anfang bis Ende ein Prolest gegen diese Lehre. Gute Werke werden allerdings auch in diesem heiligen Buche aus dem Osten gefordert, und zwar noch stärker als in irgend einem andern heiligen Buch des Ostens; aber sie sind nur der Ausfluss eines dankbaren Herzens. Sie sind nur ein Dankopfer, nur die Früchte unseres Glaubens. Sie sind nie das Losegeld der wahren Jünger Christi. Lasst uns nicht unsere Augen verschlieszen gegen das, was edel und wahr ist und was wohl lautet in jenen heiligen Buchern. Aber lasst uns die Hindus, Buddhisten und Mohammedaner belehren, dass es nur ein heiliges Buch des Ostens giebt, das ihr Trost sein kann in jener ernsten Stunde, in welcher sie ganz allein hinüber müssen in die unsichtbare Welt. Es ist jenes heilige Buch, das die gewisslich wahre und aller Annahme werte Bolschaft enthalt, die allen Mensen, Mannern, Frauen und Kindern gilt und nicht bloss uns Christen, dass Christus Jesus gekommen ist in die Welt, die Sünder selig zu machen.

2 Verg. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 47 Het werk van Christus in Zijn vernedering; 374.

3 Verg. het belangrijk artikel van E. W. Mayer, Zum Stand der Frage nach dem Wesen der Religion, Theol. Rundschau 1910 bl. 1-15. 45-63.

4 Ch. de la Saussaye, Lehrbuch der Religionsgesch.3 II 208 v.

5 Ib. II 89v.

6 Oldenberg, aangehaald bij R. Bouwman, Boeddhisme en Christendom. Kampen 1906 bl. 62.

7 W. Knieschke, Die Erlösungslehre des Qorân 1910 bl. 34 v.

8 Cicero, de nat. deorum III 36, verg. Scholten, L. H. K. II 54.

9 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 31 De mededeelbare Eigenschappen; C 206 v.

x
This website is using cookies. Accept