Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

420. Naast deze voorstellingen van de heilsorde in de kerkelijke theologie kwamen nog verscheideen andere op, die tot twee hoofdgroepen, de mystische en de rationalistische, terug te brengen zijn. De mystiek is een verschijnsel, dat in alle hogere godsdiensten optreedt, en, meestal uit reactie tegen het uitwendig autoriteitsgeloof, het religieuze leven zoekt te verdiepen. Ze heeft daarom overal waar zij voorkomt, in Indië of Arabië, onder Joden of Grieken, bij Roomsen of Protestanten verschillende karaktertrekken gemeen, en kenmerkt zich in het algemeen daardoor, dat zij langs ongewone weg en met behulp van buitengewone krachten een hogere kennis van en een inniger gemeenschap met het goddelijke nastreeft, dan die door middel van de orthodoxie bereikbaar is. Niet zelden bedient zij zich daarbij van de geheimzinnige natuurkrachten, welke magie, mantiek en theurgie, hypnotisme, spiritisme en theosofie (in het algemeen het occultisme) aan de hand doen. Maar ook, waar zij alleen gebruik maakt van die krachten, welke in openbaring en religie liggen opgesloten, gaat ze dikwijls gepaard met extasen, visioenen, en allerlei vreemde verschijnselen (stigmatisatie, bilocatie enz.) en vervalt niet zelden tot een pantheïstische vermenging van het goddelijke en menselijke (niet alleen in het Brahmanisme, Neoplatonisme, Sufisme enz., maar ook binnen het Christendom bij Scotus Erigena, de broeders van de vrijen geest, Böhme, Weigel enz.)1. Als wij dit alles onder de naam van mysticisme van de eigenlijke mystiek afzonderen, blijft voor deze toch nog het streven over, om met behulp van een buitengewone werking van de goddelijke genade tot een hogere kennis van en een inniger gemeenschap met God door te dringen, dan die voor de gewone gelovige is weggelegd. De praktische, empirische mystiek zoekt deze door middel van allerlei oefeningen te verkrijgen; de theoretische, speculatieve mystiek, die dikwijls met gene gepaard gaat, maar er toch van onderscheiden is, maakt van die oefeningen studie en tracht de ervaringen en inzichten, die daardoor verkregen worden, in systeem te brengen. In aansluiting bij Plato, Philo en Plotinus worden dan sedert Pseudo-Dionysius vooral drie trappen in het mystieke leven onderscheiden: kayarsiv (via purgativa, ascese), fwtismov (via illuminativa, meditatio) en epopteia (via unitiva, contemplativa, extase). De purgatio bestaat daarin, dat de ziel zich door gebed, boete, gebruik van de sacramenten, onthouding, zelfkastijding enz. van de zonde reinigt en van al het aardse zich terugtrekt. Op de tweede trap concentreert de ziel zich met al haar denken en willen op één bepaald punt, bijv. op het lijden van Christus, op zijn wonden, op de hemelse zaligheid, op de liefde of de heiligheid van God. Op de derde trap wordt de ziel dan ten innigste verenigd en als het ware vereenzelvigd met het voorwerp, waaraan zij door meditatie ten volle zich overgaf; zij geraakt dan in een toestand, die volgens alle mystici eigenlijk voor geen beschrijving vatbaar is en daarom met verschillende namen aangeduid wordt (contemplatio seraphica, unio mystica, sponsalitium, osculum mysticum, transformatio passiva, somnus, mors, annihilatio mystica, sepulcrum animae enz.)2.

Lijnrecht tegenover deze mystische richting staat het rationalisme, dat in de nieuwere tijd door het Socinianisme en het Remonstrantisme voorbereid werd, en dan in de achttiende eeuw de heerschappij over de geesten verkreeg. Het ziet in Christus niet meer dan een profeet en leraar, die de waarheid Gods verkondigd en met zijn leven en dood bezegeld heeft; door Hem na te volgen, wordt de wel door de zonde verzwakte, maar niet machteloze mens de zaligheid deelachtig. De roeping, welke in het Evangelie tot hem komt, oefent daarom op zijn verstand en wil slechts een zedelijke invloed uit. Als de mens uit eigen, vrije keuze aan die roeping gehoor geeft, de waarheid toestemt, op Gods genade vertrouwt en Christus’ bgeboden volbrengt—want in assensus, fiducia en obedientia bestaat het wezen van het geloof—dan wordt hij om dit geloof, dat in beginsel de hele gehoorzaamheid insluit en door God reeds uit genade, om Christus’ wil voor volkomen gehoorzaamheid gerekend wordt, gerechtvaardigd en bij volharding de eeuwige zaligheid deelachtig3

Aan mysticisme en rationalisme zijn ook die eenzijdige voorstellingen van de heilsorde verwant, welke onder de namen van antinomianisme (antinomisme) en neonomianisme (nomisme) bekend staan. Het antinomisme is in het algemeen die richting, welke de toepassing van het heil tot de verwerving van het heil terugbrengt en daarmee bijna geheel vereenzelvigt. Christus heeft nl. volgens deze opvatting alles volbracht, Hij heeft niet alleen onze schuld, maar zelfs de smet van de zonde van ons overgenomen; Hij heeft niet slechts de gerechtigheid, maar ook wedergeboorte en heiligmaking voor ons verworven; voor de mens blijft dus niets te doen over; berouw, bekering, boete, gebed om vergeving, het doen van goede werken, het is alles onnodig, draagt een wettisch karakter, en doet te kort aan de volmaaktheid van de offerande van Christus. De mens behoeft alleen te geloven, d.i. tot het inzicht te komen, dat hij gerechtvaardigd, wedergeboren, geheiligd is, dat hij volmaakt is in Christus; de zonden, die hij dan nog doet, zijn geen zonden meer, zij zijn werken van de oude mens, die de gelovige als zodanig niet meer aangaan, want deze is volmaakt in Christus, is van de wet bevrijd en roemt in de genade. Gewoonlijk blijft het antinomisme hierbij echter niet staan, doch doet nog een stap verder terug; het herleidt eerst de toepassing van het heil tot de verwerving, en dan deze weer tot het besluit van God. Ook Christus heeft de zaligheid niet in eigenlijke zin verworven, want deze lag eeuwig in Gods besluit gereed, maar Hij heeft alleen Gods liefde geopenbaard; geloven is daarom niets anders dan de waan afleggen, dat God op ons toornt; zonde bestaat alleen in die waan. Dergelijke gevoelens werden oudtijds door de Gnostici en Manicheën, en in de Middeleeuwen door vele libertinistische secten verkondigd. Tijdens en na de Hervorming herleefden zij bij de Anabaptisten, bij de secte van de Libertijnen, tegen welke Calvijn de strijd aanbond4, in de independentistische woelingen in Engeland omstreeks het midden van de zeventiende eeuw5, hier te lande bij de Hattemisten en Hebreën6. Het antinomisme is een verschijnsel, dat niet alleen in de religie, maar ook in de moraal en in de politiek voorkomt; in de nieuwere tijd vond het een tolk in Fr. Nietzsche en in de woordvoeders van het anarchisme.

Alle Hervormers verwierpen dit antinomisme zo beslist mogelijk. Ofschoon Luther door zijn eenzijdige opvatting van de wet dikwijls zo sprak, alsof zij voor de Christen, behalve in zoverre hij nog zondaar was, geen betekenis meer had, zo kwam hij toch ten sterkste tegen Agricola op, die de wetsprediking ten enenmale verwierp en de poenitentia geheel wilde afleiden uit het geloof aan het Evangelie7. Inderdaad is er tussen de Hervorming en het antinomisme een principiëel onderscheid. Want niet alleen handhaafde zij de wet van God in dit opzicht, dat door haar de kennis van zonde en ellende in de mens gewerkt werd; maar van veel meer betekenis was het nog, dat volgens het eenparig gevoelen van alle Hervormers de hele verlossing alleen in de weg van het recht tot stand gekomen was en alleen tot stand komen kon. Het werk van Christus bestond toch in zijn volmaakte gehoorzaamheid aan de wet van God, en de rechtvaardigmaking had alleen plaats op grond van de volkomen gerechtigheid, welke door Christus was aangebracht8.

1 Verg. Heidense en Christ. Mystiek. Naar het Deensch van Dr. E. Lehmann door J. E. van der Waals. Utrecht Honig 1908.

2 Zeller, Philos. d. Griechen V 599 v. Pseudo-Dionysius Areopagita, de mystica theologia (cf. H. Koch, Pseudo-Dion. Areop. in seinen Beziehungen z. Neuplatonismus u. Mysterienwesen 1900). Thomas, S. Theol. II 2 qu. 179 v. Görres, Die Christ. Mystik. Regensburg 1836 v. Weiss, Apol. d. Christ. V3. Freiburg 1898. Hollaz, Ex. theol. bl. 208-796. 821. Voetius, Exerc. pietatis bl. 56 v. Erbkam, Gesch. d. protest. Sekten bl. 52 v. Art. Theologie. Art. Mystik in Buchberqer’s Kirchl. Handlex. II 1068. Verg. Deel I; Inleiding; Par. 5 Geschiedenis en Literatuur van de Dogmatiek; C 46.

3 Fock, der Socin. 651-689. Conf. Rem. en Apol. Conf. VII. Limborch, Theol. Chr. IV 11 v. V 8 v. VI 4 v. Wegscheider, Inst. theol. par. 146 v. Bretschneider, Dogm. par. 177 v. Knapp, Glaub. II 323 v. 382 v. Reinhard, Dogm. par. 130.

4 Over de samenhang van de oppositie in Genève en de secte der Libertijnen zie men oa. Kampschulte, Johann Calvin. Seine Kirche und sein Staat in Geref. II 1899 bl. 13 v. A. Lang, Joh. Calvin, Ein Lebensbild zu s, 400 Geburtstag. Leipzig 1909 bl. 128 v.

5 H. Weingarten, Die Revolutionskirchen Englands. Leipzig 1868 bl. 72 v.

6 Hulsius, De hedendaagse Antinomianerye 2e dr. 1738. Fruytier, Klaer en kort vertoog van de valsheit en gedeformeertheit van het gevoelen der sogen. Hebreen 1697. M. Leydecker, Hist. en godg. oefeningen over de oorsprong, voortgang en gevoelens van de oude en nieuwe Antin. 1700. De Moor, Comm. II 665-667. Ypey, Gesch. vd. Chr. Kerk in de 18e eeuw VII 290 v. J van Leeuwen, Ned. Archief v. Kerk. Gesch. VIII 1848 bl. 57-169. Van Manen, Pontiaan van Rattem. Gids Sept. Oct. 1885.

7 Over Agricola: Loofs, Dogmengesch.4 bl. 858 v. Kawerau, art. Antin. Streitig. keiten PRE3 I 585-592. Joh. Werner, Der erste antinom. Streit, Neue Kirchl. Zeits. 1904 bl. 801-824. 860-873.

8 James Buchanan, The doctrine of justification. Edinburgh 1867 bl. 158-161.

x
This website is using cookies. Accept