Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

422. Daarnaast trad het neonomisme ook in een piëtistische vorm op en maakte dan, wel niet geloof en gehoorzaamheid, maar toch geloof en bevinding tot conditie der rechtvaardigmaking. Van begin af aan was er in de Gereformeerde kerk en theologie een praktische richting, die wars was van alle scholastiek en allen nadruk legde op het leven. Zij werd vooral gesteund en bevorderd door de wijsgeer Petrus Ramus, die een sterk bestrijder van Aristoteles was, in de filosofie meer eenvoud verlangde en de theologie omschreef als doctrina bene vivendi, waarvan het doel niet is notitia rerum sed usus et exercitatio:1. Deze opvatting vond bij vele Gereformeerde theologen ingang, te Strassburg bij Sturm, te Heidelberg bij Tremellius, te Herborn bij Piscator, in Nederland bij Snellius, Scaliger, Jac. Alting, te Cambridge bij Perkins, wiens leerling Amesius, later in Franeker hoogleraar naast Maccovius, de theologie ook omschreef als doctrina Deo vivendi, studium pietatis, zetelend in de wil2. Zo kwam er een practicale, piëtistische richting, in Engeland bijv. vertegenwoordigd door de reeds bovengenoemde R. Baxter, Daniël Williams, B. Woodbridge, en vele practicale schrijvers, en hier te lande voorgestaan door vele theologen en predikers, zoals Witsius, Vitringa, Lampe, Mel, d’Outrein, Brakel, Hellenbroek, Smytegelt, Franken, Groenewegen, Borstius, van der Groe, Eswijler, Schortinghuis enz.3. Naarmate de toestanden in de kerk droeviger werden en een dode orthodoxie de overhand nam, legden al deze schrijvers nadruk op de noodzakelijkheid van een waarachtige bekering. Geboorte uit gelovige ouders, lidmaatschap van de kerk, doop, avondmaal, rechtzinnig geloof zijn niet genoeg. Men moet het waarachtig, zaligmakend geloof deelachtig zijn, hetwelk een geheel ander karakter draagt dan het tijd-, het wonder-, en het historisch geloof. Het waarachtig geloof ontstaat niet, dan nadat schrik voor de wet, vrees voor het oordeel, angst over de zonde zijn voorafgegaan. Het wezen van het geloof is ook geen toestemming of overtuiging van het verstand, maar bestaat veelmeer in vertrouwen dan in kennis; het zetelt meer in het hart en de wil dan in het hoofd. En het is niet terstond certitudo, zekerheid; neen, er moet gelijk Gomarus al gezegd had4, onderscheid gemaakt tussen een toevluchtnemend en een verzekerd vertrouwen; het eerste maakt alleen het wezen van het geloof uit, het tweede behoort tot het welwezen en kan er veel later aan toegevoegd worden. Dat geloof als toevluchtnemend vertrouwen, bestaande in hongeren en dorsten naar Christus en zijn gerechtigheid, is een conditie, welke aan de rechtvaardiging voorafgaat; het vertrouwt zich aan Christus toe, ten einde gerechtvaardigd te worden; als het de gerechtigheid van Christus heeft aangenomen, dan gaat het daarmee tot God de Vader, wijst Hem op zijn beloften en wordt door Hem gerechtvaardigd. Het gaat dus zo eenvoudig en zo gemakkelijk niet toe, als velen menen; het Evangelie is niet voor alle mensen, het aanbod van het heil is niet algemeen; de wet is voor allen, maar het Evangelie is alleen voor zekere “behoedanigde” zondaars, voor aanvankelijk begenadigden. Niemand mag geloven, dan wie daartoe eerst van de Heilige Geest de vrijmoedigheid ontvangen heeft; men hoede zich voor een ingebeeld en voor een gestolen geloof! Daarom blijft voordurende zelfbeproeving nodig; men kan zich zo licht bedriegen; het onderscheid is zo fijn tussen de wedergeborene op zijn slechtst en de onwedergeborene op zijn best; er is zoveel gelijkheid tussen valse en ware genade5. Altijd heeft de gelovige dus weer zichzelf te beproeven en te toetsen aan de kentekenen van het geestelijk leven; de weg van het heil is een smalle, nauwe weg, waarlangs de rechtvaardigen nauwelijks zalig worden. Ook is het een lange weg. Van het toevluchtnemend tot het verzekerd vertrouwen is een grote afstand; daartussen bewegen zich vele klassen en groepen van mensen, ontdekten, overtuigden, bekommerden, heilbegerigen, klein- en zwakgelovigen enz. De verzegeling en verzekering volgt in de regel eerst na lange tijd van twijfel en strijd, en komt dan menigmaal op buitengewone wijze, door een stem, een gezicht, een plotseling invallend troostwoord van de Schrift enz. tot stand6.

Aan dit piëtisme in de Gereformeerde kerk is het Lutherse verwant, dat door Musaeus, Arnd enz., en ook door Gereformeerde schrijvers, als Baxter, Dyke, Bayle ea. voorbereid was, en dan door Spener 1635-1705 een machtige beweging werd en een grote uitbreiding verkreeg. Door prediking, tucht, collegia pietatis en vele geschriften trad Spener op tegen de dode orthodoxie7. Hij wilde terugkeer tot de in de doop ontvangen, maar later verloren, genade van de wedergeboorte. Historisch geloof is ongenoegzaam; er is een levend, werkzaam geloof nodig voor de zaligheid. En dit geloof krijgt men eerst, als men zijn zonden leert kennen door de prediking van de wet, en een lange, bange worsteling heeft gehad met duivel, wereld en vlees, soms zelfs tot vertwijfeling toe (Busskampf); daaruit komt dan het waarachtig geloof tot Durchbruch. Dit geloof bestaat derhalve niet alleen in toestemming, maar vooral in vertrouwen; het is een ervaring, een bevinding van het hart, een leven van de ziel. En als zodanig is het ook eerst een middel ter rechtvaardiging, om dan daarna zich te openbaren in een heilig, van de wereld onderscheiden, zelfs van de adiaphora zich onthoudend leven8. In dit piëtisme werd Zinzendorf 1700-1760 opgevoed, en hij bleef er eenstemmig mee in afkeer van de dode orthodoxie; maar het piëtisme was hem toch te wettisch. Schrik voor de wet en angst over de zonde, schoon niet verkeerd en soms een voorbereidende kracht hebbende, zijn toch het wezenlijke niet. Ware boete, ofschoon het woord boete minder juist is, omdat het aan straf doet denken, komt voort uit het Evangelie, uit de prediking van de lijdende Christus. Zij bestaat niet zozeer in angst en strijd, in klagen en wenen, als wel in vertrouwen op Gods genade. Zij is een zaak van het hart, en nog nader van het gevoel. Daarom moet het hart gevoelig gemaakt worden, hetwelk het best geschiedt door de levendige schilderingen van Christus’ lijdensgestalte, van zijn bloed en wonden. Daardoor als door onmiddellijke aanschouwing, door een diepe, levendige indruk, door een Wundenblick, wordt in het hart het geloof geboren, zonder dat men een Busskampf doorgemaakt heeft of nauwkeurig het uur van zijn wedergeboorte weet. Dat geloof brengt een unie, een verloving, een huwelijk tussen Christus en de ziel tot stand, doet het hart in de genade, d.i. in Jezus’ bloed zwemmen als in zijn element, en doet de gelovige steeds leven in de liebe Nähe van de Heiland. Het rechtvaardigt en wederbaart tegelijk; geloof en liefde vallen samen; meer dan de objectieve rechtvaardiging is de dynamische Geestmededeling, de geboorte uit Jezus’ zijde van waarde. Uit Hem geboren, leven de gelovigen zonder piëtistische angstvalligheid in zijn nabijheid, doen alles in zijn naam, stellen alles, ook het huiselijk en maatschappelijk leven, onder zijn regiment, en leiden een opgeruimd, Christelijk leven9.

Wat het piëtisme was voor de Lutherse, werd later het methodisme van Wesley 1703-1791 en Whitefield 1714-1771 voor de Gereformeerde kerken. Het wilde oorspronkelijk niets anders dan de slapende kerk wakker schudden en de rechtzinnige Christenheid bezielen met een nieuw leven. Daartoe moesten allereerst door een aangrijpende prediking van gerechtigheid, zonde, oordeel en verdoemenis de mensen plotseling tot een diep besef van hun verloren toestand gebracht; dan in hetzelfde ogenblik, zonder uitstel, door het geloof tot Christus geleid en van hun zaligheid verzekerd; en daarna tot een nieuw, in de dienst van het koninkrijk Gods werkzaam, aan zending en filanthropie zich toewijdend, van allerlei middelmatige dingen zich onthoudend, zondeloos leven aangespoord worden. Het methodisme verraadt, in onderscheiding van het piëtisme, duidelijk zijn Engelse oorsprong en Gereformeerde herkomst. Het is wel evenzeer een reactie tegen de dode orthodoxie; maar het wil van geen voorbereiding, van geen geleidelijke voortgang van de bekering weten; het kent geen langdurige Busskampf, geen eindelijk intredende Durchburch, geen nog later volgende Versiegelung; het trekt alles op één punt samen, plaatst de bekering in het volle licht van het bewustzijn, en houdt boek van de geredde zielen. En als het de mensen bekeerd heeft, verzamelt het hen niet in stille, teruggetrokken kringen, in gezelschappen en conventikels, om daar de vroomheid aan te kweken; maar het stelt hen terstond in actieve dienst, dringt op plotselinge, algehele heiliging aan10, en organiseert hen tot een leger, dat aanvallenderwijs te werk gaat, onder het motto: bloed en vuur (verlossing en heiliging) de wereld intrekt en ze stormenderhand voor Christus verovert. De invloed, welken dit Methodisme op de Protestantse Christenheid geoefend heeft, is bijna voor geen overschatting vatbaar. Het heeft niet alleen een aantal uitgebreide en bloeiende kerken of genootschappen gesticht, maar het is tot alle kerken doorgedrongen en heeft op heel het godsdienstig leven van de nieuwere tijd zijn stempel gedrukt. Engeland en Amerika hebben er als het ware een tweede reformatie door ondergaan en danken er die praktische, actieve en agressieve opvatting van het Christendom aan, waardoor het Methodisme van de Reformatie van de zestiende eeuw zich zo kenmerkend onderscheidt. Want terwijl deze voornamelijk op zuivering van belijdenis en kerk naar het woord van de Schrift was bedacht, hecht het Methodisme aan de leer weinig waarde, keert het veelszins aan de oude georganiseerde kerken de rug toe, en heeft het oog naar buiten op de wereld gericht. De zending onder Joden, Heidenen en Mohammedanen heeft er een stoot door gekregen, die nog nawerkt, en nam in de laatste tijd de “Evangelisation of the whole world in this generation” op in haar program. De arbeid van de zogenaamde “Innere Mission” is eigenlijk eerst door het Methodisme met ernst ter hand genomen; onder zijn inspiratie zijn opgekomen al die verschillende werkzaamheden, waardoor de Christelijke religie in de tegenwoordige tijd als godsdienst van de liefde en van de barmhartigheid zich handhaaft; evangelisatie onder het naam-Christendom, zondagsschoolonderwijs, Bijbel- en tractaat-verspreiding, straat-prediking, arbeid onder gevallenen, verwaarloosden, gevangenen, verzorging van doofstommen, blinden, krankzinnigen enz. Ook het godsdienstig leven is er door gewijzigd; terwijl het vroeger in de vrome kringen zich bijna uitsluitend met zichzelf bezig hield, eigen toestanden en zielservaringen naging, en eerst na vele jaren door allerlei bange worsteling heen tot zekerheid en beslistheid kwam, gaat het thans van deze zekerheid uit en openbaart zijn echtheid daarin, dat het zich wijdt aan arbeid voor het koninkrijk Gods. John Wesley legde er telkens de sterkste nadruk op, dat bekering en heiligmaking geen beloften zijn voor de toekomst, maar door God nu, in dit ogenblik, geschonken worden aan ieder die gelooft. Christus staat gereed, Hij wacht op u, geloof in Hem, en het wordt u alles in deze zelfde ure geschonken. Thou therefore look for it every moment; you can be no worse, if you are no better, for that expectation; for were you to be disappointed of your hope, still you lose nothing. But you shall not be disappointed of your hope; it will come, it wil not tarry. Look for it then every day, every hour, every moment. Why not this hour? This moment? Certainly you may look for it now, if you believe it is by faith. And by this token you may surely know whether you seek it by faith or works. If by works, you want something to be done first, before you are sanctified. You think I must first be or do thus or thus. Then you are seeking it by works unto this day. If you seek it by faith, you may expect it as you are; then expect it now. It is of importance to observe, that there is an inseparable connection between these three points—expect it by faith, expect it as you are, and expect it now. To deny one of them, is to deny them all; to allow one, is to allow them all11. En dit is de toon, waarin het Methodisme voortdurend het Evangelie verkondigt, en op bekering en heiligmaking aandringt. Dat het heil tegenwoordig is, dat het niet eerst in de toekomst, maar in het heden wordt geschonken, dat het niet geleidelijk, organisch, langs historische weg in iemands bezit komt, maar dat het ten volle, geheel, onmiddellijk en terstond verkrijgbaar is voor ieder die gelooft; dat maakt de sterke eenzijdigheid, doch tegelijk de kracht van het Methodisme uit. Op deze onderstelling zijn de revivals gebouwd, die sedert het optreden van Wesley in de Engelsch-sprekende wereld periodiek terugkeren, en die, ondanks alle excessen, waartoe zij aanleiding geven, in brede kringen het religieuze leven weer hebben gewekt en bevestigd en ook in zedelijk opzicht niet zelden rijke vrucht hebben gedragen12.

1 Verg. over Ramus: Tideman, in Stud. en Bijdr. op het gebied der hist. theologie door Moll en De Hoop Scheffer III 1876 bl.389-429. Lobstein, Petrus Ramus als Theologe. Ein Beitrag zur Gesch. der prot, Theol. Strassburg. Cuno, art. in PRE 3 XVI 426-428.

2 H. Visscker, Guil. Amesius. Haarlem 1894.

3 Verg. Heppe, Gesch. des Pietismus und der Mystik im der ref. Kirche. Leiden 1879. Goebel, Gesch. des christl. Lebens in der rheiln-westph. ev. Kirche. 4 Bde 1849-1860. Ritschl, Gesch. des Pietismus, I in der ref. Kirche 1880.

4 Gomarus, Op. I 654 v. Verg. de Westminster belijdenis XVIII 3, bij Müller, Die Bekenntnisschriften der ref. Kirche bl. 580

5 Witsius schreef een tractaat over de wedergehorene op zijn slechtst en de onwedergeborene op zijn best, en Theodorus van der Groe een Toetssteen der waare en valse genade 1753, nieuwe uitgave Gorinchem Van der Mast z. j.

6 Verg. hierbij mijn: De zekerheid des geloofs, 2e druk. Kampen 1903.

7 Vooral komt hiervoor in aanmerking zijn geschrift Pia desideria oder herzliches Verlangen nach gottgefalliger Besserung der wahren christlichen Kirche 1675.

8 Walch, Hist. und theol. Einl. in die Religionsstreitigkeiten der ev. Luth. Kirche II 239-436. Ritschl, Gesch. des Pietismus II 1884. Grünberg, Ph. J. Spener. 3 Bde Gattingen 1893. 1905. 1906 en art. in PRE” XVIII 609- 622.

9 Plitt, Zinzendorfs Theologie 3 Bde. Gotha 1869-1874. Spangenberg, Idea fidei fratrum 1778. Becker, Zinzendorf und sein Christentum im Verhältnis zum kirchl. und relig. Leben seiner Zeit2. Leipzig 1900, en art. in PRE 3. Ritschl, Gesch. des Pietismus III 1886 bl. 2890. H. M. van Nes, De Graaf van Zinzendorf. Nijkerk 1902.

10 Bekering en heiliging zijn geen geleidelijk in elkaar overgaande fasen van geestelijke ontwikkeling, maar de beide “sprongvariaties” in de geestelijke mutatieleer, S. L. Veenstra, Het Leger des heils. Baarn 1910 bl. 14.

11 Robert Soutkey, The life of John Wesley, abridged and newly edited. London Hutchinson and Co. 1903 bl. 236 v.

12 Schaff, Creeds of Christendom i882 III 807. Lecky, Entstehungsgesch. u. Charakter des Method. Aus d. Engl. von Ferd. Löwe. Leipzig 1880. Loofs, art. Method. in PRE 3 XII 747-801. Nuelsen, art. Method. in Amerika, is. XIII 1-25. Schneckenburger, Vorles. über die Lehrbegriffe der kleineren prot. Kirchenparteien 1863 bl. 103-151. Kolde, Der Methodismus und seine Bekämpfung. Erlangen 1886. Id., Die Heilsarmee. Erlangen 1885. Kalb, Kirchen und Sekten der gegenwart. Stuttgart 1905 bl. 310 v. A new history of Methodism werd uitgegeven door W. J. Townsend, H. B. Workmnan, George Eayrs in 2 delen te Londen bij Hodder and Stoughton 1909.

x
This website is using cookies. Accept