Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

424. Langs een andere lijn ontwikkelde zich de filosofie na Kant tot de idealistische systemen van Fichte, Schelling en Hegel. Met de wijsgeer van Koningsbergen verlegde Fichte het zwaartepunt uit de theoretische in de praktische rede, uit het verstand in de wil, uit het weten in het zedelijk handelen. Maar hij was hierin zo consequent, dat hij het Ding an sich geheel en al opruimde, en het weten volkomen ondergeschikt maakte aan het doen. In de aanvang was niet het woord, maar de daad. Het ik (of zelfbewustzijn) is zelfs zijn eigen product, en het niet-ik (de wereld als voorstelling) wordt door het Ik geponeerd. Er is niets dan het Ik; das Ich ist Alles. Zelfbepaling is het wezen en vrijheid de bestemming van de mens. Wie door de wereld zich laat bepalen, is een slaaf, maar wie zichzelf bepaalt, is een heer, een koning, een souverein. Zo is dus ook de verlossing van de mens eigen daad, hij wordt haar deelachtig in de weg van het strebend sich bemühen. En de enige les, die hij in praktijk te brengen heeft, luidt: poneer uzelf, word uzelf bewust, wil zelfstandig zijn, maak u vrij!1. Maar dit was niet het laatste woord, dat Fichte sprak. De beschuldiging van atheïsme, welke in 1799 tegen hem ingebracht werd, had ten gevolge dat hij Jena verlaten moest, te Berlijn in een andere kring van mannen en vrouwen kwam, en in de religie een diepere blik sloeg, dan ooit te voren. Zijn filosofie ontwikkelde zich daardoor in een andere richting en nam een andere gedaante aan; tot dusver had hij voortdurend het zogenaamde obscurantisme bestreden, van nu voortaan keerde hij zich tegen het platte rationalisme van de “Aufklärung”; hij verwijdert zich van Nicolai en nadert de romantiek en Schleiermacher en Spinoza. Zijn filosofie schreed tot dusver voort van het praktische tot het theoretische, en vandaar tot het zedelijke en het religieuze Ik; maar als ze daar is aangekomen, neemt zij in de religie positie en tracht van daaruit te ontwerpen een hele, religieuze wereld- en levensbeschouwing. Hij klom eerst tot God op, om nu van God uit te gaan. Uit het willen drong hij door tot het zijn, om nu van dat zijn uit de hele wereld te bezien; de wetenschapsleer werd godsdienstleer.

Zo verandert nu ook de roeping en bestemming van de mens. Deze werd tot dusver in het zedelijk handelen, in de vrijheid gesteld, maar thans verklaart Fichte, dat de zekerheid, dat het zedelijke taak en doel van de mens en tevens doel van de wereld is, wortelt en alleen wortelen kan in het religieus geloof. Alle overtuiging van de realiteit van de zedelijke en ook van de zinnelijke wereld is een zaak van het geloof, en komt niet uit het verstand, maar uit het hart voort; alle waarheid ontspringt uit het geloof, uit het geweten, uit de gezindheid; wir werden alle im Glauben geboren. Als de mens tot dit inzicht gekomen is, dan erkent hij, dat God, die hij het laatste vond, het eerste van alles is; het doel van de wereld is de grond van de wereld; God en mens zijn eeuwiglijk één. Maar die eenheid, die het fundament is, wordt door het zelfbewustzijn (het weten), dat altijd tussen subject en object scheiding maakt, tijdelijk verbroken, opdat de mens weer door de tweespalt heen de vereniging zoekt. Wat eeuwig in wezen één was, moet aan het einde weer, door de scheiding heen, tot vereniging komen. Niet doen en handelen, niet zelfstandigheid en vrijheid, maar leven in God, rusten en genieten in zijn gemeenschap, de amor intellectualis, zoals Spinoza het noemde, is de bestemming van de mens. Dat is het hoogste, het zalige en eeuwige leven.

Deze gedachte meende Fichte terug te vinden in het Christendom, meer bepaald in het Evangelie van Johannes. Naar zijn mening was de eeuwige eenheid van het goddelijke en menselijke het innerlijkste wezen van alle religie en als zodanig ook aanschouwelijk in de persoon van Christus ons voor ogen gesteld. Nooit heeft iemand vóór Hem deze waarheid zo erkend en uitgesproken, en na Hem worden allen deze waarheid, deze vereniging met God, deze zaligheid alleen door Hem deelachtig. Weliswaar ligt het zaligmakende niet in het historisch geloof, want “nur das Metaphysische, keineswegs aber das Historische macht selig”; maar wanneer de Christelijke leer goed wordt verstaan, is ze toch absoluut waar en absoluut nieuw. Zij doet ons het rijk van God kennen als de waarachtige wereld, welke God eeuwig wil en in de historie realiseert. Als de mens deze wil tot de zijne maakt: vindt hij het eeuwige leven. En hij neemt die wil van God in de zijne op, als hij door innerlijke wedergeboorte zijn eigen wil sterven doet. Er is maar één heilsorde: de zelfvernietiging en zelfverloochening; maar één weg tot de zaligheid: de dood van de “Selbstheit,” de dood met Jezus, de wedergeboorte. Hij was van nature, wat wij naar zijn voorbeeld in vrijheid worden moeten: de geboren zoon van God. Zijn historische verschijning is dus een eeuwig geldige historische waarheid. Het dogma heeft haar in een reeks metafysische stellingen gehuld, maar de Heilige Geest, die Christus ons beloofd heeft, leidt in alle waarheid, en arbeidt aan de voltooiing van dat rijk, hetwelk het rijk van God en het Vernunftreich tevens is2.

Een soortgelijke ontwikkeling maakte Schelling door. In de eerste tijd was hij tegenover de godsdienst vrij onverschillig, maar hij kwam door een diepere studie van de natuur tot de zogenaamde identiteits-filosofie, waarin niet het doen maar het zijn het hoofdbegrip vormde en de eenheid uitgesproken werd van subject en object, van geest en natuur, van God en het Al. Dit Absolute kan echter niet door het denken gevonden noch door bewijzen gedemonstreerd worden, maar wordt alleen gekend door intellectuele aanschouwing, evenals religie, zedelijkheid en kunst ook slechts in deze mystiek van het hart haar wortel hebben. Reeds daarin blijken godsdienst en wijsbegeerte verwant te zijn, maar voorts hebben zij ook dezelfde inhoud, nl. de eenheid van het oneindige en het eindige. Terwijl het Heidendom echter het oneindige tot het eindige neerhaalt, heft het Christendom het eindige tot het oneindige op; daarom heeft de mythologie natuur, de Christelijke theologie daarentegen geschiedenis tot inhoud, bepaaldelijk zoals deze zich concentreert in de persoon, en nog nader in de dood en de opstanding van Christus, die het keerpunt van de tijden is. Al deze gedachten, die bij Schelling reeds in de tijd van zijn identiteits-filosofie voorkomen, werden later breder uitgewerkt in zijn positieve filosofie, vooral in zijn wijsbegeerte van de openbaring.

Deze positieve filosofie vult de negatieve aan, begint waar deze eindigde, en stelt in het licht, dat de hele geschiedenis van de mensheid in een terugvoering van het eindige tot het oneindige bestaat. Eigenlijk begint de val reeds met de schepping, met het zelfstandig worden van het eindige, maar hij zet zich daarin voort, dat de mens dit eindige misbruikt tot een middel voor zijn zelfzucht. Deze verwijdering van zijn schepsel werkte God op historische wijze tegen door de persoon van Christus. Deze had reeds een eigen, zelfstandig bestaan, maar legde zijn heerlijkheid af en werd de mensenzoon. Niet eerst in het ogenblik van zijn menswording, maar reeds lang te voren, van de dag van de val van de mens af. Ofschoon niet onder de naam van Christus, was Hij toch reeds in het Heidendom, in de mythologie werkzaam; en de hele tijd van zijn werkzaamheid in het Heidendom tot zijn dood toe was de periode van zijn vernedering en van zijn lijden. Maar met zijn opstanding volgt de omkeer. Daarin is afrekening gehouden met al het oude; aan het Heidendom, aan de mythologie, aan de demonen hun macht en heerschappij ontnomen; de mensheid principieel gerechtvaardigd. Deze rechtvaardiging in de opstanding van Christus, Rom. 4:25, gaat aan het nieuwe leven, aan de goede werken vooraf. Aan de waarlijk goede werken moet de rechtvaardiging voorafgaan, want anders is er hoogstens angst voor het boze, doch geen moed om het goede te doen. Nur erst, wenn der ganze gegenwärtige Zustand gerechfertigt ist, kann es einzelve gute Werke geben. Weil nicht unser einzelnes Thun, weil unsere ganze Existenz in Gottes Augen verwerflich ist, darum können uns auch nicht unsere Werke, sondern es kann uns nur Derjenige Gott (Deo) gerecht machen, der ihm unsere ganze Existenz gerecht, genehm gemacht had, d. h. Christus. Dadurch, dass Christus auferstanden, d. h. dass er nicht einmal Mensch geworden, und dann aufgehört hat Mensch zu sein, dass er fortwährend und ewig Mensch is, —dadurch ist uns die Gabe der Rechtfertigung, die dwrea thv dikaiosunhv, Rom. 5:17, geworden, und also auch unser gegenwärtiger von Gott getrennter Zustand ein von Gott anerkannter, in dem wir ruhig, ja freudig uns bewegen kannen, fern von jenem trübsinnigen, selbstquälerischen Christenthum, das nur ein ganzliches Misskennen dessen, was Christus für uns gethan, uns auferlegen kann3.

Reeds hieruit blijkt, dat de persoon van Christus de eigenlijke inhoud van het Christendom en dat dit een door en door historische religie is4. Maar er is meer, nadat Christus opgewekt en ten hemel gevaren is, zet Hij zijn werk voort, totdat Hij aan het einde al zijn vijanden zal onderworpen hebben. De naaste werking van Christus is dus wel, dat Hij in zijn opstanding de menselijke natuur Gode weer “genehm und gerecht” gemaakt heeft, aan mensen de vrijheid, de macht en de mogelijkheid heeft wedergegeven, om kinderen van God te zijn. Maar Hij heeft daarna ook de Heilige Geest gezonden, die “die ganze Gottheit in uns verwirklicht5. Daarmee nam de religie van de Geest en van de vrijheid haar aanvang, waarin de mens in de gemeenschap met Christus het leven en de zaligheid deelachtig wordt, en die zich door de Petrinische kerk van Rome en de Paulinische kerk van de Reformatie heen ontwikkelt tot de Johanneïsche kerk van de toekomst6. Daarmee heeft dan het grote wereldproces, dat gegrond is in de drie Potenzen (natuur, geest, persoonlijkheid of liefde) van het Goddelijk wezen, zijn einde bereikt, want alle dingen zijn weer door Christus tot hun eenheid met God teruggeleid. Verzoening van God en zijn schepsel is de inhoud van de geschiedenis.

Evenals zijn voorgangers, werd Regel in tegenstelling met de Aufklärung door de wens bezield, om aan het Christendom en aan de verlossing, die daarvan het centrum uitmaakt, een plaats in zijn wijsgerig stelsel te verzekeren. Hij legde daarom de grondslag voor de verzoening in de beweging van het Absolute zelf. Dit Absolute toch is geen onveranderlijk zijn, maar een eeuwig worden, zichzelf ontwikkelende geest en gedachte; het is aan het begin slechts potentialiteit, om door de geschiedenis van de wereld heen zichzelf te brengen tot actualiteit. Zo “entäussert” het zich eerst in de natuur en zet daarin een tegendeel tegenover zich, om daaruit dan weer in de geest langzamerhand tot zichzelf terug te keren. Door Selbstentäusserung gaat het tot Selbstversöhnung. Deze Selbstentäusserung begint met het bestaan van de eindige wereld en voltooit zich in de mens, die, eerst in een staat van naïeve onschuld levende, daarna tot zelfbewustzijn ontwaakt, zich in zijn bijzonderheid handhaaft, de eindige dingen aan zijn zelfzucht dienstbaar maakt, en daardoor de zonde in de wereld brengt. Door deze zonde verkeert hij in een tegenstelling met God, evenals hij door de velerlei rampen en onheilen in tegenstelling met de wereld staat. Maar het is zijn voorrecht, dat hij dit ook beseft, en dus ook behoefte gaat gevoelen aan verlossing. Deze verlossing moet in het algemeen daarin bestaan, dat de bestaande tegenstelling verzoend, en de wezenseenheid van God en mens ingezien en erkend wordt. Het is echter een valse mening, dat die verzoening door enig mens of door alle mensen samen tot stand gebracht zou kunnen worden. Ze kan door hem alleen aanvaard worden, wanneer ze vooraf als waarheid bestaat. En zo bestaat zij inderdaad, allereerst in de idee van God, maar dan voorts ook historisch in de persoon van Christus. In de idee van God zijn het oneindige en het eindige, God en mens eeuwig een. Doch dit was niet genoeg. Als de verzoening werkelijk in de mensheid tot stand zou komen; als de mensen, niet alleen de geleerden maar ook de onontwikkelden en geringen, daarvan volstrekte zekerheid zouden verkrijgen, dan moest dat idee ook aanschouwelijk, historisch, in een persoon voor hun oog worden geplaatst. En dat is door God in Christus geschied, die niet een leraar of martelaar, maar als het ware de incorporatie van dit idee is, de Zoon van God, die aan zijn eenheid met God trouw bleef tot in de dood toe en de menselijke natuur tot het zitten aan Gods rechterhand verhoogd heeft. Christus is daarom de Godmens, zijn dood het middelpunt van de verzoening, want zijn dood was de dood des doods, de negatie van de negatie, en leidde dus tot opstanding en hemelvaart. God nam in Christus die Endlichkeit met haar uiterste spits, het boze, aan, om het te doden door zijn dood. Es ist die unendliche Liebe, dass Gott sich mit dem ihm Fremden identisch gesetzt had, um es zu todten. Met die dood vangt dan ook de omkeer van het bewustzijn aan; daarmee begint eine neue Welt, eine neue Religion, eine neue Wirklichkeit, ein anderer Weltzustand.

Op deze grondslag is de gemeente gebouwd; door het geloof is zij zeker, dat God en mens een zijn, dat de eindigheid, de zwakheid, de gebrekkigheid van de menselijke natuur niet onverenigbaar is met deze eenheid. Die Grundbestimmung in diesem Reich Gottes ist die Gegenwart Gottes, so, dass de Mitgliedern dieses Reiches nicht nur empfohlen wird die Liebe zu Menschen, sondern das Bewustsein, das Gott die Liebe ist. Tot deze zekerheid komt de enkele mens niet door redenering of bewijzen van wonderen enz., ook niet door moraliteit of zedelijkheid, maar door het geloof, door das Zeugnis des Geistes, der innewohnende Idee des Geistes an sich selbst. Dit getuigenis heeft echter niet betrekking op de uitwendige geschiedenis, die voorbijgaat en verdwijnen moet, maar op de idee, dat God en mens één zijn, en dat deze waarheid op historische wijze in Christus zich gerealiseerd heeft en geopenbaard is. Het geloof mag dus bij de zinnelijke zijde zijn aanvang nemen, maar het dringt toch door tot de idee en moet geheel en al geestelijk worden. Der wahrhaft christliche Glaubensinhalt ist zu rechtfertigen durch die Filosofie, nicht durch die Geschichte. Nu is aan de kerk, in onderscheiding van de gemeentet de taak toebetrouwd, om haar leden op te voeden en tot de waarheid in te leiden. Zij is zich daarvan ook bewust blijkens de kinderdoop. Daarin spreekt zij uit, dat de kinderen niet in ellende, maar in de gemeenschap van de kerk geboren worden, en dat zij, de waarheid eerst ontvangende op autoriteit, haar langzamerhand zich toeëigenen moeten. Ze zijn in de vrijheid en tot de vrijheid geboren; ze hebben geen wedergeboorte en bekering te doorleven als anderen, die van buiten tot de gemeente komen, maar mogen uitgaan van de gedachte, dat God verzoend is, dat het boze overwonnen is en dat de Geest van God, die door het geloof ook hun Geest is, in en door hen tegen de zonde strijdt. In het avondmaal, dat het middelpunt van de Christelijke leer is en daarom zo verschillend opgevat wordt, zien de gelovigen op zinnelijke, aanschouwelijke wijze de verzoening met God en de inwoning van de Geest in hun harten zich voor de ogen gesteld7.

1 Kuno Fischer, J. G. Fichte und seine Anhänger2. München 1884 bl. 432.

2 Zie voor de boven gegeven schets vooral: Fichte’s Bestimmung des Menschen. Berlin 1800 en zijn Anweisung zum seligen Leben oder die Religionslehre. In Vorlesungen gehalten zu Berlin 1806.

3 Schelling, Werke II 4 bl. 218.

4 Hierover schreef Schelling een bijzondere verhandeling: Ueber die historische Construction des Christ., Werke I 5 bl. 286 v.

5 Schelling, Werke II 4 bl. 217. 236 v. Verg. II 1 bl. 566 v.

6 t.a.p. bl. 298 v.

7 Zie vooral Hegel, Philos. der Religion, Werke XII bl. 204-228.3

x
This website is using cookies. Accept