Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

452. De opvatting van het geloof, welke de Reformatie voordroeg, deed echter bij het nadenken allerlei vragen oprijzen. Daar was terstond al de verhouding, welke tussen het kennen en vertrouwen, de fides generalis en de fides specialis bestond. De Heidelbergse Catechismus plaatste deze eenvoudig naast elkaar en verbond ze slechts door een: niet alleen, maar ook. Maar psychologisch leverde deze juxtapositie al bezwaar op, want hoe kon een en dezelfde deugd tegelijk zetelen in twee vermogens? Men gaf daarop gewoonlijk ten antwoord, dat verstand en wil niet realiter, sed ratione tantum verschilden, en dat, al zouden zij ook realiter verschillen, er kwaliteiten zijn, zoals bijv. de filosofie, de erfzonde, het beeld van God, die in meer dan één vermogen zetelen1. Bevredigend kan men dit antwoord niet noemen, want in zijn eerste lid bewijst het te veel en zou het alle onderscheid tussen de intellectuele en de ethische deugden uitwissen, en in zijn tweede lid trekt het vergelijkingen, die niet opgaan, want de erfzonde bijv. is niet een enkele qualitas of habitus, maar is de samenvatting voor het zondig bederf in heel de menselijke natuur. Velen bleven daarom de moeilijkheid gevoelen, en trachtten een andere oplossing te geven. Sommigen sloten zich bij Calvijn aan, en omschreven het geloof alleen door notitia of cognitio; zij verstonden daaronder dan geen scientia, en zelfs geen zuiver theoretische kennis, maar een kennis van het praktische verstand van de mens, die door de Heilige Geest gewerkt was, en in de overtuiging (het overreed worden) bestond, dat Christus zijn zaligmaker was2.

Maar deze omschrijving kwam anderen veel te verstandelijk voor en tegenover de Roomse voorstelling te weinig belijnd; zij gingen daarom een heel andere kant uit, en namen wel aan, dat de notitia of cognitio een praerequisitum was van het geloof, maar dat de fides salvifica (specialis) in het vertrouwen gelegen was en zetelde in de wil3. Verreweg de meesten echter bewandelden de middenweg en zagen in het geloof niet een habitus unus et simplex sed compositus et per aggregationem, die niet door één werkzaamheid kan weergegeven worden, maar vele, en tot verschillende vermogens behorende, werkzaamheden in zich besloot4. Maar ook zo bereikte men geen rustpunt; want als het geloof verschillende werkzaamheden bevatte, rees dadelijk de vraag, welke en hoevele dat waren. In de eerste tijd sprak men er gewoonlijk van twee: —kennen en vertrouwen. Maar Melanchton had er al drie genoemd: notitia, assensus en fiducia5, en, ofschoon velen hierbij bleven staan, anderen gingen verder en noemden nog vele anderen op; Turretinus bijv. spreekt van zeven actus fidei, nl. notitia, assensus theoreticus, assensus fiducialis et practicus, refugium ad Christumt receptio sive adhaesio Christi, actus reflexus, consolatio et confidentia6, en Witsins zelfs van negen: notitia, assensus, amor, fames sitisque Christi, receptio Christi, inniti Christo, deditio Christo, actus reflexus, fiducia7. Deze verschillende geloofswerkzaamheden worden dan weer tot enige klassen gebracht, en wel hoofdzakelijk tot drie: actus praecedentes (notitia, assensus theoreticus, humiliatio et abnegatio sui ipsius enz.), actus comitantes (assensus practicus, desiderium Christi, refugium ad Christum, apprehensio Christi enz.) en actus consequentes (gratia vivificans, tranquillans, corroborans, fructificans enz.)8.

Meestal werd nu onder al deze werkzaamheden bepaaldelijk de receptio of apprehensio Christi als de actus formalis van het geloof beschouwd, maar het was toch opmerkelijk, dat onder al die actus ook de liefde werd genoemd; Wittichius: noemde deze zelfs tussen toestemming en vertrouwen in als de tweede daad van het geloof, en anderen brachten op soortgelijke wijze de liefde met het geloof in verband9, zodat het moeilijk werd, om tegenover Roomsen en Socinianen, en in het algemeen tegenover de nomisten, het geloof als een ornanon lhptikon in de rechtvaardigmaking vast te houden. Dit gevaar bewoog Comrie en de zijnen, om in het geloof van de actus tot de habitus terug te gaan. De oudere Gereformeerden onderscheidden in het geloof gewoonlijk een passieve en een actieve zijde, en zij stelden zich tevreden met te zeggen, dat het geloof in de rechtvaardiging slechts als een ontvangend orgaan, als een instrument, dienst doet, doch in de heiligmaking als werk en als beginsel van goede werken voorkomt. De Remonstranten beweerden daartegenover, dat het geloof juist als instrument een daad is, waartoe wij verplicht worden en waardoor wij Christus aannemen10. In deze redenering gaf Comrie eigenlijk aan de Remonstranten gelijk; indien het geloof als een daad rechtvaardigt, dan is de rechtvaardiging uit de werken; vandaar dat in de rechtvaardiging het geloof hoegenaamd niet als actus, maar enkel als habitus in aanmerking komt11. Geen daad geeft aan het geloof zijn vorm of wezen, maar het geloof, als habitus door God in het hart gewerkt, bezit zijn stof en vorm terstond volkomen in zichzelf; kennis, toestemming en vertrouwen zitten daar van huis uit in, en behoren daar alle even wezenlijk toe12. Maar niet als daden rechtvaardigen deze; integendeel, daar moet iets zijn in de innerlijke natuur van het geloof, waardoor het van alle werken, hoe ook genaamd, wezenlijk onderscheiden is13. Vandaar dat Comrie de inlijving in Christus in het geloof als habitus onderscheidt van en laat voorafgaan aan de actus fidei, waardoor wij onzerzijds Christus aannemen enz., en dus bij de verklaring van antwoord 21 in de Heidelbergse Catechismus uitgaat van het antwoord op de 20ø vraag14. Hoe scherpzinnig dit alles door Comrie ook ontwikkeld werd, de vraag liet zich niet onderdrukken, of met deze verklaring aan de woorden van antwoord 21 en aan het standpunt van de Hervormers geen geweld werd aangedaan. Is de habitus fidei, (semen, radix, facultas, principium fidei) in formele zin wel fides te noemen, en had Voetius niet gelijk, als hij aangaande de fides als radix, facultas enz. zei: non nisi analogice et improprie per metonymiam causae seu principii hanc vocari posse fidem; formaliter enim non magie est fides, quam semen est arbor, aut ovum est pullus, aut bulbus est flos15.

1 Maccovius, Loci Comm. bl. 762. Turretinus, Theol. El. XV 8, 13.

2 Zanchius, Op. VIII 712 v. Piscator, Aphorismi doctrinae Christianae, maximam partem ex Institutione Calvini excerpti. Herborn ed. 5a bl. 57: est igitur haec fides certa firmaque cognitio gratiae Dei, merito mortis Christi nobis reconciliatae, ac verbo promissionis testatae, qua quisque fidelium promissionem illam sibi privatim applicat, certo statuens, illam ad se non minus quam ad reliquos credentes pertinere. Verg. ook Gomarus, Disp. Theol. XXIII 12, 22, 23. Voetius, Disp. Sel. II 499 v. V. 288-300. Camero bij Schweizer, Die Centraldogmen II 239 v.

3 Aldus vooral de practici in Engeland, verg. Mastricht, Theol. 1 1, 22. Keckermann, Syst. Theol. Hanov. 1603 bl. 427 v. fides justificans seu salvifica praesupponit quidem notitiam, sed formaliter est affectus erga promissionem gratiae, en ze bestaat dan in affectus applicans promissionem gratiae ad individuum, et non ad speciem tantum. Witticmus en anderen bij M. Vitringa, Doctri. III 51.

4 Turretinus, Theol. El. XV 8, 13.

5 Melanchton, in de derde uitgave van zijn Loci, verg. Kirn, art. Glaube in PRE3 VI 678.

6 Turretinus, Theol. El. XV qu. 8.

7 Witsius, Oec. foed. III c. 7. Verg. M. Vitringa. Doctr. III 49.

8 Voetius, Disp. II 499 v. Heidegger, Corpus Theol. XXI 97 v. Verg. Mastricht, Theol. 1 1, 21: het geloof zetelt in intellectu quidem radicaliter, in voluntate formaliter, in reliquis animae facultatibus operative.

9 Verg. de Moor, Comm. IV 358 v. M. Vitringa, Doctr. III 70. Ook Theod. van van de Groe, Het ware zaligmakende geloove. Nieuwe uitgave. ‘s Gravenhage C. de Bruin z j. bl. 56 rekent tot het wezen des geloofs een oprechte liefde en hoogachting voor Christus.

10 Apol. Conf. c 10, bij Episcovius, Op. II 165. en daartegen Trigland, Antapologia bl. 318 v.

11 Comrie, Stellige en praktikale verklaring van de Heidelb. Catech. Nieuwe uitgave. Nijkerk 1856 bl. 386.

12 Comrie, t.a.p. bl. 412.

13 Comrie, t.a.p. voorrede bl. XXVI,

14 Comrie, t.a.p. bl. 373 v. Verg. ook N. Holtius, Gods. Verh. over het oprecht geloof 1747, in de uitgave, Bolsward 1851 gedrukt achter zijn Verhandeling over de Rechtvaerdigmaking door het geloof bl. 215-262.

15 Voetius, Disp. II 499 v288.

x
This website is using cookies. Accept