Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Par. 51. Rechtvaardigmaking.

Oehler, Altt. Theol. par. 294. Davidson, Theol. of the Old Test. blz. 315v. Kirchner, Subjekt, Objekt und Zustandekommen der Sündenvergebung auf der frühesten Religionsstufe Altisraels, Theol. Stud. u. Krit. 1905 bl. 163-188, en, auf der proph. u. levit. Religionsstufe, ib. 1907 bl. 1-44. Köberle, Die Bedeutung der Sündenvergebung in der alt. Frömmigkeit, Neue kirchl. Zeits. 1905 bl. 20-50. Id., Sünde und Gnade im relig. Leben des Volkes Israël bis auf Christum. München Beck 1905. Weber, Syst. der alt syn. pal. Theol. par. 67v. Theologie van het N. Test. van Weiss, Holtzmann, Stevens, Feine, Schlatter enz., en voorts werken van Paulus en zijn theologie, zoals Lipsius, Die paulin. Rechtfertigungslehre. Leipzig 1853. O. Pfleiderer, Der Paulinismus2. Leipzig 1890. Riggenbach, Die. Rechtfertigungslehre des Ap. Paulus. Stuttgart 1897. H. Cremer, Die paulin. Rechtfertigungslehre im Zusammenhange ihrer gesch. Voraussetzungen, Gütersloh 1899. 2 1900. Fricke, van de paulin, Grundbegriff der dikaiosunh erörtert auf Grond von Röm. 3:21-26. Leipzig Böhme 1888. Häring, dikaiosunh bei Paulus. Tübingen 1896. Karl Müller, Beobachtungen zur Paul. Rechtfertigungslehre, Theol. Studiën, Martin Kuhler zum 6 Jan. 1905 dargebracht. Leipzig 1905 bl. 87-110. J. H. Gerretsen, Rechtvaardigmaking bij Paulus. Nijmegen 1905.

Loof’s Dogmengesch.4 92. 151. 337v. 386v. enz., en andere dogmenhist. werken van Harnack, Seeberg enz. Lombardus ea. op Sent. III 19 en IV 17. Thomas, S. Theol. I 2 qu. 113. Conc. Trid. sess. VI. Jos. Hefner, Die Entstehung des Trienter Rechtfertigungsdekretes. Paderborn 1907. Denifle, Luther und Lutherdum in der ersten Entwicklung I 1. Mainz 1904. I 2 Quellenbelege. Die abendl. Schriftausleger bis Luther über justitia dei und justificatio. Mainz.1905. Bellarminus, de justificatione, Controv. IV 297-418. Möhletr, Symbolik par. 10v. Scheeben-Atzberger, Kath. Dogm. IV 26v. Pesch, Prael. Theol., V 172v. Pohle, Dogm. II4 484v. Jansen, Theol. Theol. dogm. III

178v. Mannens, Theol. dogm. III 103v.

Bij de Luth. en Geref. literatuur, deel III 551v. 587v. 593v. 607v. genoemd, komt speciaal over de rechtv. nog in aanmerking: H. Mandel, Die scholast. Rechsfertigungslehre, ihre Bedeutung für Luthers Entwicklung, ihr Grundproblem und dessen Lösung durch Luther. Leipzig 1906. Karl Holl, Die Rechtfertigungslehre im Lichte der Gesch. d. Protest., Sammlung gemeinverst. Vörtrage usw. n. 45. Tübingen. Id., Noch einmal: Zur Rechtfertigungslehre, Zeits. f. Th. tl. k. 1908. blz. 67-70. Id., Die Rechtfertigungslehre in Luthers Vorlesung über den Römerbrief, ib 1910 bl. 245-291. Loofs, Eichhorn, Stange, Warko, Fischer, Thieme, Kunze, wier studies over de leer van de rechtv. in de Luth. symbolen worden genoemd door O. Ritschl, Der doppelte Rechtfertigungsbegriff in der Apologie der Augsb. Konfession, ib. 1910 bl. 292-338. Walther, Das Erbe der Reformation im Kampfe der Gegenwart. Zweites Heft. Rechtfertigung oder religiöses Erlebnis. Leipzig 1904. Lüttge, Die Rechtfertigungslehre Calvins und ihre Bedeutung für die Frömmigkeit. Berlin 1909. Lelièvre, La doctrine de la justification par la foi dans la theologie de Calvin, Revue Chrét. Oct. 1909. M. Vitringa, Doctr. III 253v. James Buchanan, The doctrine of justification. Edinburgh 1867. W. Cunnigham, Historical Theology. Edinburgh 1864 II 1-120. Schneckenburger, Vergl. Darst. d. Luth. u. ref. Lehrbegriffs 1855. Ritschl. Rechtf. u. Vers2. 1883. Ihmels, art. in P. R. E.3 XVI 482-515.

467. Wedergeboorte, geloof en bekering staan tot de volgende weldaden van het genadeverbond in een conditionele verhouding; ze zijn de enige weg, waarin vergeving van de zonde en kindschap van God, vrede en vreugde, heiligmaking en heerlijkmaking door de mens ontvangen en genoten kunnen worden. Van al deze weldaden komt weer aan de rechtvaardigmaking de eerste plaats toe, want daaronder wordt die genadige en tevens rechterlijke daad van God verstaan, waardoor Hij de mens van alle schuld en straf van de zonde vrijspreekt en hem het recht geeft op het eeuwige leven. Er kan toch van geen rust van de consciëntie, van geen vrede van het gemoed, van geen vreugde en blijdschap van de ziel, van geen blijmoedige zedelijke arbeid, van geen zalig leven en sterven sprake zijn, voordat de schuld van de zonde is weggenomen, alle angst voor straf ten enenmale is uitgeroeid, en de zekerheid van een eeuwig leven in Gods gemeenschap het bewustzijn met haar troost en sterkte vervult. Maar deze weldaad van de volkomene vergeving van de zonde is zo groot, dat het natuurlijk verstand van de mens haar niet vatten en geloven kan. De Heidenen stelden zich de goden menselijk voor, rustten ze toe met allerlei hartstochten van jaloersheid, nijd en wraak, en konden zich daarom niet opheffen tot de gedachte van een vrije en genadige vergeving; als de goden beledigd en vertoornd waren, moesten ze door menselijke gaven en gebeden weer verzoend worden; Celsus spotte er mee en achtte ze een dwaasheid1. En toch getuigt deze gedachte van meer ernst en waarheid dan de oppervlakkige mening, dat, zoals het zondigen voor de mens, zo het vergeven voor God vanzelf spreekt2; wie zichzelf kent, weet hoe ontzaglijk moeilijk waarachtige en volkomen vergeving is, en hoe ze niet anders dan na een erstige strijd tegen zichzelf geschonken kan worden3. Zeker spelen hierbij allerlei zondige eigenschappen van afgunst, haat en wraak, die in God niet vallen kunnen, een grote rol; maar er zijn toch tal van gevallen, waarin vergeving zonder meer onmogelijk en ongeoorloofd is; als onze eer en goede naam, ons ambt en onze waardigheid publiek worden aangerand, is er niemand, die zonder openbaar rechtsherstel op een private verontschuldiging of schuldbelijdenis tot vergeven bereid is4. En als er misdaden gepleegd zijn, welke voor de rechter in behandeling komen, is de overheid niet tot vergeven maar tot straffen geroepen, omdat zij als Gods dienares de gerechtigheid te handhaven heeft en het zwaard niet tevergeefs draagt.

De bestrijding van de zoenofferande van Christus, meestal gesteund door een beroep op de gelijkenis van de verloren zoon5, vloeit dan ook uit een totale miskenning van de waarde van de gerechtigheid en ook van de eigenlijke idee van de vergeving voort; want vergeving in de ware zin van het woord onderstelt juist de gerechtigheid en staat en valt met deze6. Maar het kruis van Christus leert tevens, dat de vergeving, hoe moeilijk ook en hoe schijnbaar ongerijmd, toch in de weg van het recht geoorloofd en mogelijk is. In dit opzicht onderscheidt zich het Christendom weer van andere godsdiensten, met name van het Boeddhisme. De oude Indiërs bezaten zulk een sterk gevoel voor gerechtigheid, dat zij alle ongelijkheid onder de mensen trachtten te verklaren uit gedachten, woorden en daden, die door hen in een vorig leven bedreven waren en bepaalde eigenschappen en hebbelijkheden in hun ziel hadden ingedrukt. En zo besliste het tegenwoordig leven ook over het lot in de toekomst; wie goede werken doet; wordt herboren in oorden van zaligheid, wie een slecht leven leidt, vervalt tot een lage staat en ontvangt de gedaante van een dier of van een of ander ellendig wezen. Zoals in de natuur de wet van de zwaartekracht heerst, zo heerst in de zedelijke wereld de onverbreekbare wet van het karma; er is geen vergeving, maar alleen vergelding7. Onder de invloed van deze Indische wereldbeschouwing, gepaard met die van de door de natuurwetenschap allerwege geconstateerde causaliteitswet redeneren vele Westerlingen tegenwoordig op dezelfde wijze: overal heerst de wet van oorzaak en gevolg, in de fysieke en niet minder in de psychische en ethische wereld; men mag over een of andere zondige daad later berouw hebben, daarmee verandert er niets in haar uitwerkselen en gevolgen; men moet deze toch dragen en tot in de eeuwigheid toe; de gedachte van een eeuwige straf is niets vreemds, maar volkomen natuurlijk; wat geschied is, kan nooit ongedaan worden gemaakt; de natuur kent geen vergeving en houdt met verootmoediging en schuldbelijdenis niet de minste rekening; vergeving is physically impossible8.

In de Schriften van Oud en Nieuw Testament treffen wij echter een andere kring van gedachten. Reeds dit is van betekenis, dat het verbond van God met Israël niet op de natuur, noch op verdienste van het volk, maar op een genadige beschikking van God, en daarom op een historische daad berust. Voorts opende de wet, die het verbond van de genade onderstelde, in de zond- en schuldoffers wel een weg tot verzoening van zulke zonden, die “door afdwaling” geschied waren, Lev. 4:2v., maar zij sprak de straf van de uitroeiïng uit over alle zonden, die “met opgeheven hand” bedreven werden, Num. 15:30. Aan deze regel van het verbond hield Israël zich echter niet; het maakte zich in het vervolg van tijd ook meermalen aan zulke zonden als afgoderij, beeldendienst, sabbatsontheiliging enz. schuldig, welke het verbond zelf verbraken en dus ook in de offers van het verbond geen verzoening konden vinden. De profetie kondigde toen in ‘s Heeren naam aan het ontrouwe en afvallige volk de dag van het oordeel en de straf van de ballingschap aan. Die straf is nodig, juist omdat Israël het volk van de Heere is, Am. 3:2, maar bereidt dan ook de verlossing voor. God kan toch zijn volk niet loslaten, Hij kan zijn Israël niet vergeten, Hos. 11:8; Hij zal verhoogd worden door het recht, en geheiligd worden door gerechtigheid, Jes. 5:16. Een deel blijft behouden; een rest bekeert zich, Jes. 4:3; 6:13; 7:3 enz., de rechtvaardige zal gewis leven, Ezech. 18:9, hij zal door zijn geloof leven, Hab. 2:4, cf. Jes. 7:9,28:16,30:15. Zelfs als Israël zich niet bekeren kan en zich niet te schamen weet, Jer. 6:15; 13:23, God blijft aan zijn verbond getrouw, en zal uit genade aan zijn volk al die weldaden schenken, welke het ten enenmale verbeurd heeft en zelf door generlei verdiensten verwerven kan. Hij zal een nieuw verbond met hen maken, alle zonden hun vergeven, hun een nieuw hart en een nieuwe geest schenken, en hen in zijn inzettingen doen wandelen, Jer. 24:7; 31:31v., Jer. 32:37v., Ezech. 11:19v., Ezech. 36:24v. Daarin bestaat volgens de profeten, inzonderheid Jesaja, juist de gerechtigheid van God, dat Hij zijn volk, hetwelk Hij uit genade verkoor, ook in de toekomst niet om zijner zonden wil verwerpt, maar door de straf en de ellende heen tot volkomene verlossing leidt. Hij kan zijn volk niet loslaten, omdat Hij er zijn eigen naam en ere aan verpand heeft. Door de Messias, die het recht de Heidenen zal voortbrengen, Jes. 42:1, zal Hij heil bereiden aan Zijn volk. Zijn gerechtigheid is nabij, zijn heil zal niet vertoeven, Hij zal heil geven aan Sion en heerlijkheid aan Israël, Jes. 46:13; 51:5; 54:17; 56:1; 60:1-2; 61:11. Uit Hem is dus hun gerechtigheid, Jes. 54:17, in Hem zijn gerechtigheden en sterkte, Jes. 45:24, Hij is de Heere hun gerechtigheid, Jer. 23:6; 33:169.

Onder al de geestelijke en stoffelijke weldaden, welke God nu krachtens deze gerechtigheid in de toekomst aan zijn volk zal schenken, neemt nu de vergeving van de zonden een voorname plaats in. Zij werd door God ook reeds in de dagen van het Oude Verbond uitgedeeld en door de vromen genoten, Ex. 34:7, 9; Num. 14:18-20; 1 Sam.15:28; 1 Kon. 8:30v., Ps. 25:11; 32:1, 2, 5; 51:3v. [Ps. 51:1], Ps. 103:3; 130:4; 143:2; Jes. 6:7; Mich. 7:18; Dan. 9:1910, maar komt toch vooral, evenals bekering, vernieuwing van het hart, Geestesmededeling, de belofte, dat zij zijn volk zullen zijn, als een goed van het toekomstige nieuwe verbond voor. Het Oude Testament duidt deze weldaad met verschillende namen en beelden aan, zoals asn, opheffen, aannemen, vergeven, 1 Sam. 15:25; Job 7: 21; Ps. 32:1; 85:3 [Ps. 85:2]; Jes. 33:24; xlo, vergeven, Ex. 34:9; Lev. 4:20; Ps. 25:11; 103:3; rbe, overschrijden, doortrekken, hi. laten voorbijgaan, wegnemen, 2 Sam. 12:13; 24:10; Job 7:21; vbk, vertreden, onderwerpen, ternederwerpen, Mich. 7:19; hok, verbergen, pi. bedekken, Ps. 32:1; 85:3 [ps. 85:2]; Spr. 10:12; rpk pi. bedekken, verzoenen, Lev.16:17 enz. en vandaar ook vergeven, Ps. 65:4 [Ps. 65:3]; 78:38 [???]; 79:9; Jes. 6:7; Jer. 18:23; Dan. 9:24; hxm, af-, uitwissen, uitdelgen, Ps. 51:3 [Ps. 51:1]; Jes. 43:25; 44:22; Jer.18:23; rhj, rein zijn, pi. reinigen, van zonde vrijspreken, en obk, wassen, reinigen, Ps. 51:4 [Ps. 51:2]; rwo, wijken, ophouden, Jes. 6:7; en voorts nog uitdrukkingen als: niet zien, Num. 23:21; niet toerekenen, Ps. 32:2, niet in het gericht gaan, Ps.143:2, niet gedenken, Jes. 43:25, het aangezicht verbergen, Ps. 51:11 [Ps. 51:9], achter de rug werpen, Jes. 38:17, in de diepten van de zee werpen, Mich. 7:19. Daarbij is het altijd God, die de vergeving schenkt, Jes. 43:25; 45:21-25; 48:9-12; in de vergeving van de ongerechtigheid van zijn volks komt zijn Goddelijke natuur aan het licht, Mich. 7:18. Want Hij vergeeft alleen om zijns naams wil, Ps. 25:11; 79:9; Jes. 43:25; Ezech. 36:11; Hij doet het uit loutere barmhartigheid, Ps. 78:38, om de wille van zijn verbond met Abraham en David, om wille van de eed, die Hij aan hen gezworen heeft, Ps. 89:4v. [Ps. 89:3];105:8-9; 111:5; Jer. 11:5; Ezech.16:60; Mich. 7:20, om zijn roem en eer onder de Heidenen, Ex. 32:12; Num. 14:13, 16; Deut. 9:28; 32:27; Ezech. 36:23.

1 Verg. Witsius, de theol. gentilium circa justificationem, Misc. Sacra II 668- 721.

2 Wenn die Sünde zum Mensen gehört, dann gehört das Verzeihen zu Gott, zegt Wernle, aangehaald bij Walther, Rechtfertigung oder relig. Erlebnis bl.33.

3 Verg. Frommel, La psychologie du pardon dans ses rapporte avec la croix de Jésus-Christ. bl. 27 v.

4 Verg. het voorbeeld van Paulus, Hd. 16:37; 22:25

5 Harnack, Das Wesen des Christ. Akad. Ausgabe 1902 bl. 90. Scholten, L H K. II 47. Verg. echter Hoekstra, Het Evangelie van de Genade door J. Chr. zelf verkondigd in de gelijkenis van de verloren zoon. Sneek 1855 bl. 129 v., die terecht opmerkt, dat men letten moet op de eigenlijke bedoeling van deze gelijkenis. Jezus wil hier niet leren, langs welke weg onze verzoening met God tot stand komt, maar hoe verkeerd de farizeën handelden, wanneer zij zeiden: deze ontvangt de zondaars en eet met hen. Zo ook Knoke, Zum Verständnis des Gleichnisses vom verlornen Sohn, Neue kirchl. Zeits. 1906 bl. 407-418.

6 De Heer Chavannes keurde dan ook indertijd de term van vergevende liefde als een contradictio in adjecto en als een zinloze uitdrukking af. Verg. van Mod. Theol. 23-24 April 1895, waarvan het verslag opgenomen is in het Bijblad van de Herv. 28 Juni 1895 bl. 69 v.

7 J. S. Speyer, De Indische Theosophie en hare betekenis voor ons. Leiden, Doesburgh 1910 bl. 83 v.

8 Bij Rev. C. T. Ovenden, The forgiveness of sin, Hibbert Journal, April 1907 bl. 589.

9 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 31 De mededeelbare Eigenschappen; C 206 v., Deel III; Hoofdstuk 8; Par. 49 De Heilsorde; 410 v.

10 Uit het woord paresiv in Rom. 3:25 leidde Coccejus, More Nebochim par. 18 v. (Op. IX 123), de foedere par. 339 af, dat de vergeving van de zonden een weldaad was van het Nieuwe Testament, en zijn gevoelen werd door vele anderen, Burmannus, Allinga, Braun, Wittichius enz. overgenomen. Maar ofschoon de zonden van de O. T. vromen in zover “voorbijgegaan” kunnen heten, als Christus nog niet verschenen en tot een verzoening gesteld was, kon toch de vergeving van de zonden zeer goed, met het oog op die toekomstige zoenofferande, door God ook reeds tevoren aan de gelovigen van het O. T. geschonken worden. En dat dit inderdaad het geval was, blijkt behalve uit bovengenoemde getuigenissen van het O. T., even duidelijk uit hetgeen Paulus zelf in Rom. 4 over Abraham en David leert en voorts uit Hd. 10:43; 15:11; Rom. 3:21 enz. Verg. reeds Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 45 Het Verbond der Genade; 345 v., Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 45 Het Verbond der Genade; 348 v. en voorts over de strijd tegen Coccejus, M. Vitringa, Doctr. VI 218- 231 De Moor, Comm. IV 590 v.

x
This website is using cookies. Accept