Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

482. De heiligmaking openbaart zich in goede werken, welke naar de Heidelbergse Catechismus het waar geloof tot beginsel, de wet van God tot norma en zijn eer tot doel hebben. Daardoor zijn ze onderscheiden van de deugden van de Heidenen en van de deugden van allen, die zulk een zaligmakend geloof niet deelachtig zijn. De Gereformeerden hebben het bestaan en de zedelijke waarde van zulke deugden steeds ten volle erkend1; omdat de mens na de val mens is gebleven en in de zegeningen van Gods algemene genade is blijven delen, kan hij innerlijk vele deugden bezitten en naar buiten vele daden doen, die, met menselijk oog bezien en naar menselijke maatstaf beoordeeld, hoog te schatten en voor het aardse leven van grote waarde zijn. Maar daarmee is nog niet gezegd, dat zij goed zijn in Gods oog en beantwoorden aan de volle, geestelijke zin van zijn heilige wet; naarmate de mens zijn eigen gedachten, gezindheden, en handelingen nauwkeuriger onderzoekt, wordt hij te dieper van haar zondigheid overtuigd; de Heilige Schrift leert dit niet alleen, maar de ervaring van alle eeuwen en de verklaring van alle mensenkenners bevestigen haar getuigenis2. Het waarachtig geestelijk goede, het goede in de hoogste zin, zoals het in Gods oog alleen kan bestaan, kan uit de aard van de zaak slechts volbracht worden door hem, die God kent en liefheeft en uit die liefde zijn wet onderhoudt, dat is, door hem, die waarlijk gelooft. Het geloof toch is, zolang wij hier op aarde zijn en God niet zien van aangezicht tot aangezicht, het enige middel, om zijn openbaring aan te nemen en Hem te kennen, gelijk Hij waarlijk is. Maar dit geloof is volgens Protestantse belijdenis geen verstandelijke toestemming van een historische waarheid, maar een praktische kennis van de genade, welke Hij in Christus heeft geopenbaard, een vertrouwen van het hart, dat Hij al onze zonden vergeven en ons tot zijn kinderen aangenomen heeft. Dit geloof is daarom niet alleen bij de aanvang, in de rechtvaardiging, nodig; maar het moet de Christen vergezellen zijn hele leven door, en bekleedt ook in de heiligmaking een blijvende en door niets anders te vervullen plaats; ook bij deze weldaad is het uitsluitend het geloof, dat zalig maakt.

Indien toch de gerechtigheid en de heiligheid uit de wet waren, zouden wij ze beide door het doen van goede werken tot stand moeten brengen. Maar in het Evangelie zijn ze een gave van God, in de persoon van Christus ons geschonken, Joh. 1:17; 1 Cor.1:30; Ef. 1:3; Col. 2:3, 9. Gelijk Christus met al zijn weldaden ons van Gods zijde alleen door en in de Geest wordt meegedeeld, zo kan Hij van onze zijde alleen door het geloof ontvangen en genoten worden. Het is door het geloof, dat Christus in onze harten woont, Ef. 3:17, en dat wij leven in Christus, Gal 2:20, dat wij kinderen van God worden, Gal. 3:27, en de belofte van de Geest verkrijgen, Gal. 3:14, dat wij de vergeving van de zonden en het eeuwige leven ontvangen, Rom. 4:6; Joh. 3:16. Door het geloof te leven is de keerzijde daarvan, dat Christus in ons is, 2 Cor. 13:5; Gal. 2:20. Het geloof is dus het éne, grote werk, dat de Christen in de heiligmaking naar de beginselen van het Evangelie te volbrengen heeft, Joh. 6:29; het is het middel van de heiligmaking bij uitnemendheid. Daartoe is het ook krachtens zijn natuur in staat. Want het ontvangt eerst, en kan daarna ook geven; het ontsluit het hart voor de genade van God, voor de gemeenschap met Christus, voor de kracht van de Heilige Geest, en maakt daardoor tot grote dingen bekwaam; het breekt alle zelfvertrouwen, en klemt zich aan Gods belofte vast; het laat de wet in al haar hoogbeid staan en denkt er niet aan, om het zedelijk ideaal te verlagen, het ziet ook af van alle poging, om door haar onderhouding het leven en de vrede te vinden, maar het grijpt Gods barmhartigheid aan en steunt op de gerechtigheid en heiligheid, welke voor de mens in Christus aangebracht zijn; het kweekt ootmoed, afhankelijkheid, vertrouwen, schenkt troost, vrede, vreugde door de Heilige Geest, werkt dankbaarheid in het hart voor de ontvangen weldaden en drijft tot goede werken aan; het doet de gelovige met Paulus zeggen: ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft, Phil. 4:13. In één woord, het geloof, dat de liefde van God ontvangt, welke de Heilige Geest in de harten uitstort, Rom. 5:5, is werkzaam in de liefde, Gal. 5:6; 1 Joh. 4:19. Onbekend maakt onbemind, maar die de Naam van de Heere kenden, vertrouwen op Hem, Ps. 4:9 [Ps. 4:8].

Door middel van dit geloof worden daarom uit de liefde die goede werken geboren, welke hun maatstaf hebben in de wil van God, gelijk die kort en zakelijk in de tien geboden is vervat. Maar deze tien geboden moeten dan goed worden verstaan. Het is een andere vraag, wat Israël bij het ontvangen van die wet ervan verstond, en een andere, wat God ermee bedoelde; en weer is het verschillend, of men die tien geboden neemt in de letterlijke betekenis van hun woorden, dan wel verklaart in de rijke zin, welke God ervan gegeven heeft in de loop van zijn openbaring, door profeten en psalmisten, door Christus en zijn apostelen. In de laatste betekenis is zij in de Christelijke kerk opgevat en tot grondslag van haar catechetisch onderwijs en van haar ethiek gelegd3. Doch lang niet allen zijn haar op die weg gevolgd. Reeds van de dagen van Paulus af bestond er een antinomistische richting, welke de wet wel van waarde achtte voor de gelovigen van het Oude Verbond, maar haar alle geldigheid voor het leven van de Christen ontzegde. De wet was eigenlijk van een lagere god afkomstig en behoorde op een lager standpunt thuis. De Christenen waren erboven verbeven en hadden niets meer met haar uit te staan; zij waren niet meer onder de wet, maar onder de genade, stonden in de vrijheid, en werden alleen geleid door de drijving van de Geest. Dit antinomisme komt niet alleen in de Christelijke kerk of op godsdienstig gebied voor, maar het treedt ook menigmaal op in wetenschap en wijsbegeerte, en vierde in onze tijd zijn triomf in Nietzsche, die alle ethische waarden omstempelde, het goede kwaad en het kwade goed noemde, en het zedelijk anarchisme ten troon verhief. Doch dit anarchisme op zedelijk gebied, voorafgegaan door de anarchie van het denken en gevolgd door de anarchie van het handelen, droeg zulke verderfelijke vruchten in de praktijk, dat het als algemene levensregel niet aanbevolen worden kon. Vandaar dat de antinomistische richting zich gewoonlijk inbindt en matigt; de wet was niet alleen in het verleden van waarde, doch ze blijft dat ook nog in het heden en de toekomst voor alle mensen, die zich niet tot het hoogste standpunt kunnen opheffen. Ze blijft dus gelden voor de fucikoi, voor de alledaagse mensen, die nog aan de leiband van de tucht moeten lopen en door wet en gezag geregeerd moeten worden. Maar de pneumatikoi, de gnwstikoi, de kenners en weters, de intellectuelen en artiesten, de genieën en helden zijn boven haar verheven en leven vrij en blij naar het goeddunken van hun hart. Zelfs Nietzsche achtte zijn moraal toch eigenlijk alleen voor de Uebermenschen geschikt. Er is dus tweeërlei moraal: een voor de mindere man en een voor de aristocraten van de geest.

Ofschoon het nomisme tegen dit antinomisme lijnrecht overstaat, toont het, naar de regel dat de uitersten elkaar raken, er zich toch verwant mee, en heeft dan ook blijkens zijn ontwikkeling in het Judaïsme, het Romanisme enz. tot een dergelijk, hoewel anders uitgewerkt, dualisme in de moraal geleid. De wet, welke God in het Oude Testament gaf, is volgens Rome wel wijs en heilig en goed en blijft voor alle Christenen een regel van het leven, maar ze is toch voor aanvulling vatbaar. Christus en zijn apostelen hebben ze dan ook inderdaad aangevuld; ze zijn niet alleen predikers van het Evangelie, maar ook novi legatores; het Evangelie is een nova lex, niet alleen daarin, dat het het geloof, in tegenstelling met de werken van de wet, tot gerechtigheid rekende, maar ook in die zin, dat het aan de praecepta van de wet consilia evangelica heeft toegevoegd, die niet alle Christenen binden, maar door sommigen van hun, die er de gave en de kracht voor ontvingen, mogen opgevolgd worden en hun zedelijke verdiensten in bijzondere mate vermeerderen. Een dergelijke onderscheiding treffen wij ook bij het Piëtisme, Methodisme en verwante godsdienstige bewegingen aan; al wordt ze niet theoretisch ontwikkeld, ze komt toch in de werkelijkheid voor. Want ofschoon al deze richtingen steeds aanvangen met de bedoeling, om niet buiten of tegenover, maar alleen in de kerk de nodig geachte reformatie tot stand te brengen, ze komen er weldra toe, om een ecclesiola in ecclesia te stichten, uit de hoogte op de officiële kerken en de gewone Christenen neer te zien, en het kenmerk voor het Christelijk leven in zogenaamde “werken voor het koninkrijk van God” en in willekeurige mijding of onthouding te zoeken.

Er ligt in deze dubbele moraal een waarheid, die in het Protestantisme niet genoeg tot haar recht is gekomen. Dit wordt reeds daardoor bewezen, dat wij allen, al hebben we theoretisch nog zoveel bezwaar, praktisch en onwillekeurig vol bewondering opzien tot die mannen en vrouwen, die met volkomen zelfverloochening en buitengewone toewijding zich voor de zaak van Christus hebben overgegeven. Het is zeer gemakkelijk te zeggen, dat het prijsgeven van alle aardse goederen, de onthouding van het huwelijk, het ontvlieden van de wereld, het dragen van allerlei ellende en pijn uit de zucht naar verdienste en loon voortkomt, maar het is moeilijk, om dit te bewijzen, en nog moeilijker, om het zo niet in de vorm, dan toch in het wezen van de zaak na te volgen. Doch er is nog iets anders: de zedewet, die in de decaloog, in de bergrede en voorts in heel het Oude en Nieuwe Testament ons tegemoet treedt, is geen gebod op gebod, regel op regel, hier een weinig daar een weinig, maar zij bevat algemene normen, grote beginselen, die een grote ruimte laten voor individuële toepassing en ieder gelovige oproepen om te onderzoeken, welke voor hem in een bepaald geval de goede en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij, Rom 12:24. Omdat de zedewet geen codex van artikelen is, die wij slechts hebben op te slaan, om van ogenblik tot ogenblik te weten wat ons te doen staat, is er op haar gebied een vrijheid, welke door geen menselijke inzettingen aan banden gelegd mag worden, maar juist ter wille van het karakter van het zedelijk leven erkend en gehandhaafd moet worden. Aan de een zijde breidt die vrijheid zich uit tot het “Erlaubte,” de adiaphora, en aan de andere zijde tot wat Rome de consilia noemt. De dwaling begint in beide richtingen, als adiaphora en consilia buiten en naast, beneden of boven de zedewet geplaatst, en dus van het zedelijk leven worden losgemaakt. Daartoe bestaat recht noch reden, in het ene evenmin als in het andere geval. Er zijn gevallen, waarin het op zichzelf geoorloofde ongeoorloofd wordt, Rom.14:21,23; 2 Cor. 8:13; 1 Cor. 10:23; en er zijn ook omstandigheden, waarin onthouding van het huwelijk, Mt. 19:11; 1 Cor. 7:7, afstand doen van bezoldiging, 1 Cor. 9:14-19, verzaking van alle aardse goederen, Mt. 19:21 enz.. plicht is. Maar met deze goede werken volbrengt iemand niet iets, dat buiten de zedewet om en boven haar uitgaat. Want er is verschil tussen de wet, die de algemene, voor allen geldende regels geeft, en de plicht, welke uit die wet in een bepaald geval voor ieder persoonlijk wordt afgeleid. Wie dit uit het oog verliest en een reeks van goede werken aanneemt, die eigenlijk liggen buiten en boven de zedewet, doet aan haar eenheid en algemeenheid te kort en trekt haar tot een lager standpunt neer.

1 De Pelagianen wisten het onderscheid tussen deugden en goede werken, tussen de heidense religio en de Christelijke godsdienst geheel uit en geloofden, dat de lex naturae, de lex mosaica en de lex Christi in wezen gelijk waren. De Roomsen onderscheiden natuurlijk-goede en bovennatuurlijk-goede werken, en achten tot de eerste ook de gevallen mens in staat. Maar Tertullianus, Apol, c. 45,46 en Augustinus, c. Jul. IV c. 3 par. 17, 25. 33 oordeelden anders. En de Gereformeerden erkenden graag de deugden van de Heidenen en noemden ze menigmaal een beschamend voorbeeld voor de Christenen, maar verloren het principiëel verschil tussen haar en de goede werken van de gelovigen toch nimmer uit het oog. Calvijn, Inst. II 2, 12 v. 3, 3 v. (cf. Witsius. Twist des Heeren met zijn wijngaard bl. 234. Schneckenburger, Vergl. Darst. I 231. Lobstein, Die Ethik Calvins bl. 6 v.), Alting. Theol. probl. nova VIII 9, 10. Vossius, Hist. Pelag. III 3. Trigland, Antapol. c. 17. Witsius, Twist des Heeren bl. 214-250. Wttewrongel, Christ. Huishoudinge I 288-299. Turretinus, Theol. El. X 5. De Moor, Comm. IV 826-829. M. Vitringa. Doctr. III 353.

2 Verg. Deel III; Hoofdstuk 6; Par. 42 De Verbreiding van de Zonde; 327.

3 Paul Rentschka, Die Dekalogkatechese des h. Augustinus. Ein Beitrag z. Gesch. des Dekalogs. Kempten 1905. E. Chr. Achelis, Der Dekalog als katech. Lehrstück. Giessen 1905.

4 Hierin ligt het recht van de casuïstiek, die echter veelszins misbruikt is, als men door haar toch weer wilde uitmaken, wat een bepaald persoon in een bepaald geval had te doen; dan leidt ze natuurlijk tot het probabilisme, aequiprobabilisme, probabiliorisme en tutiorisme en ontaardt zij in de kunst, om van het geweten een waarschijnlijkheidsrekening te maken, PRE3 XVI 67.

x
This website is using cookies. Accept