Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Hoofdstuk IX. Over de Kerk

Par. 53. Het wezen van de Kerk.

Ed. König, Gesch, des Reiches Gottes bis auf Jezus Christus. Leipzig 1908 en de daar bl. 33 v. aangehaalde werken. Schürer, Gesch. d. jüd. Volkes II3 427 v., Holtzmann, Neut. Theol. 1210 v. 416 v. II 175 v. J. Köstlin, Das Wesen der Kirche nach Lehre u. Gesch. des Nt. 1872. Stevens, The Theol. of the New Test2. bl. 135 v. 458 v. Gayford, art, Church in Hastings, D. B. I 425-439 en Maude art Church in Hastings, Dict. of Christ and the Gospels I 324-330.

Seeberg, Der Begriff der Chr. Kirche. Erlangen 1885. Karl Adam, Der Kirchenbegriff Tertullians. Paderbom 1907. H. Schmidt, Die Augustinische Lehre v.d. Kirche, Jahrb. f. d. Theol. 1861 bl. 197-255. H. Reuter, Aug. Studiën 1885, en voorts de dogmenhist. werken van Schwane, Seeberg, Harnack, Loofs, enz. M. Canus, Loci Theol. IV-VI. Bellarminus, Controv. t. I-II. Becanus, de ecclesia Christi itemque de ecclesia Romana 1615. Bossuet, Exposition de la doctrine de l’église cath. sur les matières de controv. 1671. Möhler, Symbolik par. 36 v. Perrone, Prael. theol. I 1838 bl. 207 v. Heinrich, Dogm. II 163 v. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 279-377. J. V. de Groot, Summa apol. de eccl. cath3. 1906. Conc. Vaticanum, ed. Lacensis. Friburgi 1890 bl. 269 v. 567 v.

Köstlin, Luthers Lehre v.d. Kirche. Stuttgart 1854. Id., Luthers Theol. I 317 v. II 534 v. Gottschick, Hus, Luthers und Zwingli’s Lehre v.d. Kirche, Zeits. f. Kirchengesch. 1886. Gerhard, Loci theol. XXII 69 v. Quenstedt, Theol. IV 493 v. Hollaz, Ex. theol. 1278 v, Schmid, Dogm. der ev. Luth. Kirche bl. 434 v. Calvijn, Inst. IV 1-12 ev. Martyr, Loci Comm. bl. 741 v. Zanchius, Op. II 997 v. Junius, Theses Theol., Op. I 2094 v. Gomarus, Op. II 202 v. Voetius, Pol. Eccl. I. Synopsis pur. theol. disp. 40-42, 48. 49. De Moor, Comm. VI 1-179. M. Vitringa, Doctr. IX enz.

Kant, Religion usw., verg. Katzer, Kants Lehre v.d. Kirche, Jahrb. f. prot. Theol. 1886. Schleiermacher, Chr. Gl. par. 115 v. Rothe. Theol. Ethik. par. 575 v. Martensen, Dogm. bl. 313 v. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III, 265 v. Kaftan, Dogm. par. 61 v. Kähler, Wiss. d. Chr. Lehre3 392 v. Thomasius, Christi Person u. Werk II3 493 v. Philippi, Kirchl. Gl. V 3. Von Oettingen, Luth. Dogm. III 477 v. Köstlin, art. Kirche in PRE3 X 815-Z44. Van Oosterzee, Dogm. par. 127 v.

485. De gemeenschap van degenen, die Christus en zijn weldaden deelachtig zijn, draagt de naam van de kerk. In strikte zin is er daarom van deze alleen binnen de grenzen van het Christendom sprake. Maar dat neemt toch niet weg, dat er, gelijk van priesterschap en offerande en altaar en allerlei andere elementen in dogma en cultus, zo ook van de kerk analogieën zijn in de godsdiensten van de volken. Van nature is de mens reeds een gezellig wezen, een zwon politikon; hij wordt uit en in en tot de gemeenschap geboren en kan geen ogenblik zonder haar bestaan. Huisgezin, maatschappij, staat, verenigingen van allerlei aard en voor allerlei doel binden de mensen samen en doen hen leven en handelen in gemeenschap met elkaar. Sterker nog dan al deze instellingen en corporaties is de band, die in de religie de mensen vereent. Er ligt in de godsdienst een machtig sociaal element1. De reden daarvan is niet ver te zoeken; dieper dan iets anders wortelt de religie in het hart van de mens. Zij is met zijn schepping naar Gods beeld onmiddellijk gegeven en daarom onuitroeibaar eigen aan zijn natuur. In die religie regelt de mens zijn verhouding tot God, en deze is centraal en principiëel. Zoals onze verhouding tot God is, zo is die tot onze medemensen en tot alle schepselen. Op de bodem van alle vragen ligt die van de religie. Wie in de godsdienst met ons samenstemt, is het met ons eens in de diepste, heiligste en alles beheersende overtuigingen en komt vroeger of later ook op afgeleide punten tot hetzelfde inzicht; maar verschil van geloofsovertuiging doet bij ernstig nadenken in alle ondergeschikte vraagstukken steeds verder uiteengaan. Wat in de godsdienst de mensen verbindt, is sterker dan stoffelijk belang, natuurlijke liefde, of geestdrift voor wetenschap en voor kunst; voor de godsdienst heeft de mens alles, heeft hij ook zijn leven over. Want indien hij deze verliest, dan verliest hij zichzelf; in de godsdienst staat volgens ieders overtuiging de ziel van de mens en de zaligheid op het spel. Daarom zoekt elke godsdienst zich ook te propageren en missionair op te treden. De religie is nooit een private aangelegenheid, een subjectieve opinie, een kwestie van smaak; zij sluit steeds de pretentie in, de ware en de zaligmakende te zijn, en zoekt daarom ingang bij anderen, uitbreiding zo mogelijk over heel de mensheid heen. Zij is nooit een zaak van de individu alleen, maar steeds ook van het gezin, de familie, het volk en de staat. Zij brengt daarom altijd een gemeenschappelijk dogma en een gemeenschappelijken cultus voort, als het ware gedragen door het besef, dat niet de enkele mens, maar de mensheid het voltooide beeld van God, zijn tempel en lichaam is.

Buiten het terrein van de bijzondere openbaring is echter algemeen het bewustzijn verloren van de eenheid van God zowel als van de eenheid van de mensheid. De eenheid van godsdienst beperkt zich tot de stam- of volksgenoten; burgerlijke en godsdienstige gemeenschap vallen samen; de staat is zelf ook een Cultusgemeinschaft. Wel openbaart de religie zich ten dele ook in zelfstandige organisatie van priesterschap, offeranden, ceremoniën, godsdienstige verenigingen en geheime genootschappen; de Boeddhistische religie in Tibet vertoont zoveel overeenkomst met die van Rome, dat de Jezuïtenpaters, toen zij haar eerst leerden kennen, er een spel van de duivel in zagen. Maar toch bracht geen van de heidense godsdiensten het tot zulk een zelfstandige organisatie, als die, welke wij onder het Christendom in de kerk aantreffen. Het Mohammedanisme stichtte niet anders dan een soort van theocratische staat, waarin de Arabieren de heren van de onderworpen volken zijn en de koran het wetboek is ook voor het burgerlijk recht. En het Boeddhisme vormde slechts verenigingen van wereldontvluchtende monniken, die op de burgerlijke maatschappij een verlammende druk oefenden en tegenover de staat nimmer zelfstandig werden2.

Voorbereid werd echter de Christelijke kerk in de dagen van het Oude Testament. In de patriarchale tijd waren de huisgezinnen van de gelovigen de godsdienstige gemeenten en de huisvaders de priesters; een geregelde, gemeenschappelijke cultus bestond er nog niet, al ligt in Gen. 4:26, toch reeds opgesloten, dat de Sethieten tegenover de Kaïnieten de naam van God begonnen uit te roepen en te prediken, en al kwam er na de zondvloed tussen Semieten, Japhetieten en Chamieten een scheiding tot stand. Bij Abraham kreeg deze scheiding zelfs voor eeuwen haar beslag. God liet van nu voortaan de Heidenen wandelen op hun eigen wegen en richtte met Abraham en zijn zaad een verbond op, dat ook uitwendig door het teken van de besnijdenis de kerk van de wereld afscheidde en aan de voet van Sinaï bevestigd en tot een nationaal verbond verheven werd. Onder Israël was kerk en staat niet één en hetzelfde; er was onderscheid tussen priester en koning, tempel en paleis, godsdienstige en burgerlijke wetten. Maar beide waren toch zo nauw verenigd, dat burger en gelovige, natie en volk van God samenvielen, en het één Goddelijke wet was, die heel het leven van Israël beheerste. Israël als volk was een hwhy hde of een hwhy lhq. Deze beide woorden worden in het Oude Testament van de vergadering of de gemeente Israëls, zonder onderscheid van betekenis, gebruikt. Maar na de ballingschap onderging Israëls volksbestaan een merkwaardige verandering; de Joden hielden op een volk te zijn als de andere volken van de aarde en werden een godsdienstige gemeente. Op alle plaatsen in en buiten Palestina ontstonden er samenkomsten van de gelovigen op de sabbat, Ps. 74:8; Hd. 15:21, om de wet te lezen en in haar onderwezen te worden; het leren was het voornaamste bestanddeel van de daarin geoefenden eredienst, Mk. 1:21; 6:2 enz. Deze vergaderingen, tonk, sunagwgh, werden voor de Joden meer en meer het middelpunt van hun religieuze leven en kregen in plaatsen met gemengde of overwegend Griekse bevolking een zelfstandige organisatie. De tempel te Jeruzalem bleef wel bestaan en werd nog altijd geëerd als de plaats van de bijzondere tegenwoordigheid van God. Maar de Joden buiten Jeruzalem kregen toch allengs een godsdienstoefening, die buiten tempel en altaar, buiten priesterschap en offerande omging, en geheel en al in prediking en in gebed bestond. Daardoor werd reeds in de dagen van het Oude Testament de Christelijke gemeente voorbereid. Evanals de beide Hebreeuwse, werden de Griekse woorden, sunagwgh en ekklhsia, oorspronkelijk voor deze godsdienstige samenkomsten van de Joden dooreen gebruikt; de LXX zet hde in de regel door sunagwgh over, en lhq door ekklhsia, behalve in Ex. Lev. Num. Jos., waar ook lhq gewoonlijk door sunagwgh wordt vertaald. Maar langzamerhand kwam er bij de Joden toch reeds dit onderscheid, dat sunagwgh meer de empirische, feitelijke samenkomst aanduidde (congregatio, vergadering), en ekklhsia het woord werd voor de ideale gemeente, gelijk zij de door God tot zijn heil geroepenen omvat (convocatio, gemeente)3.

1 Schleiermacher, Chr. Gl. par. 6. A. Dorner, Kirche und Reich Gottes. Gotha 1883 bl. 11-17. Traub, Die gemeinschaftbildende Kraft der Religion, in: Beiträge zur Weiterentw. der Chr. Religion. München 1905 bl. 305 v. Sabatier, Esquisse d’une philos. de la religion. Paris 1903 bl. 103 v. Tiele, Inl. tot de godsdienstwet. II2 136-169. H. Visser, Religie en gemeenschap bij de natuurvolken. Utrecht 1907.

2 De la Saussaye, Religiongesch, I 132. Pfleiderer, Religionsphilos.3 727 v. Rauwenhoff, Wijsb, v.d. godsd. 835 v. Tiele, Inl. tot de godsdienstwet, Tweede reeks 1899 bl. 132-154. Falke, Buddha, Mohammed, Christus II 155 v.

3 Schürer, t.a.p. II 428 v. Strack, art. Synagogen in PRES XIX 223.

x
This website is using cookies. Accept