Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

494. Voor het Protestantisme had de leer van de kentekenen van de ware kerk een geheel andere betekenis. Door de Hervorming werd de eenheid van de Westerse Christenheid voorgoed verbroken en kwamen verschillende kerken naast en tegenover elkaar te staan. De Hervormers hadden te betogen, dat de kerk van Rome de ware niet was, en dat de kerken van de Reformatie aan het wezen van de kerk, gelijk de Schrift het omschreef, beantwoordden. Hun reformatorische daad onderstelde, dat de kerk niet was autopistov, dat zij dwalen en afwijken kon, en dat er een hoger gezag was, waaraan ook zij zich te onderwerpen had. En dat kon niet anders zijn dan de Heilige Schrift, het Woord van God. Eenparig gingen daarom alle Hervormers tot de Schrift terug, zagen in haar ook de maatstaf van de kerk, en bepaalden dienovereenkomstig de kenmerken, waaraan de ware kerk van de valse te onderscheiden was. In de opgave van die notae was er wel enig verschil. In zijn geschrift Von den Concilien und Kirchen telde Luther er zeven op: zuivere bediening van het woord, van de doop, van het avondmaal, van de sleutelen, wettige keuze van de dienaren, het openbare gebed en onderwijs, en het kruis; maar elders noemde hij er maar twee, zuivere bediening van woord en sacrament. En zo deden ook Melanchton1 en latere Lutherse theologen2; alleen voegde Melanchton in het Examen ordinandorum aan deze twee nog een derde vrij hiërarchisch kenmerk toe: obedientia ministerio debita juxta evangelium. Van de Gereformeerden gaven sommigen, zoals Beza, Sohnius, Alsted, Amesius, Heidanus, Maresius één kenteken op, de zuivere bediening van het woord; anderen, zoals Calvijn, Bullinger, Zanchius, Junius, Gomarus, Mastricht, Marck e.a. twee, nl. zuivere bediening van woord en sacrament; velen, zoals Conf. Gall., Belg, Scot. I, Hyperius, Martyr, Ursinus, Trelcatius, Walaeus, Amyraldus, Heidegger, Wendelinus, voegden er als derde nog de rechte bediening van de tucht of de heiligbeid van het leven aan toe. Maar terecht merkten Alsted, Alting, Maresius, Hottinger, Heidanus, Turretinus, Mastricht e.a. op, dat dit meer een verschil in naam dan in de zaak was, en dat er eigenlijk maar één kenteken is, nl. het een en zelfde woord, dat dan op verschillende wijze, in prediking, onderricht, belijdenis, sacrament, leven enz. bediend en beleden wordt3.

Dat de Hervorming in het Woord van God terecht het kenteken van de kerk zocht, is met de Schrift in de hand aan geen twijfel onderhevig. Immers, zonder woord van God is er geen kerk, Spr. 29:18; Jes. 8:20; Jer. 8:9 Hos. 4:6; door woord en sacrament vergadert Christus zijn kerk, Mt. 28:19, die op de leer van apostelen en profeten gebouwd is, Mt. 16:18; Ef. 2:20; door het woord wederbaart Hij, 1 Petr. 1:23; Jak. 1:18, werkt Hij het geloof, Rom. 10:14; 1 Cor. 4:15, reinigt en heiligt Hij, Job.15:3; Ef. 5:26. En zij, die zo door het woord van God zijn wedergeboren en vernieuwd, hebben de roeping om Christus te belijden, Mt. 10:32 Rom.10:9, horen zijn stem, Joh 10:27 bewaren zijn woord, Joh. 8:31-32; 14:23, beproeven de geesten, 1 Joh. 4:1, vermijden wie deze leer niet brengt, Gal. 1:8; Tit. 3:10; 2 Joh. 9. Het woord is inderdaad de ziel van de kerk4. Alle dienst in de kerk is een dienst van het woord. God geeft zijn woord aan de kerk, en deze neemt het aan, bewaart, bedient, onderwijst het, belijdt het voor God, voor elkaar, voor de wereld in woord en in daad. In het éne kenteken van het woord zijn de andere als nadere toepassingen begrepen. Waar Gods woord recht gepredikt wordt, daar wordt ook het sacrament zuiver bediend, de waarheid van God naar de mening van de Geest beleden, de handel en wandel naar Gods getuigenis ingericht. Zelfs Rome kan niet ontkennen, dat Gods woord het kenteken van de kerk is. Gerhard haalt vele kerkvaders aan, die klaar en duidelijk dit uitspreken5. Zo zegt Tertullianus: illae sunt verae ecclesiae, quae tenent quod ab apostolis receperunt. Vroeger, zegt Chrysostomus, kon op velerlei wijze aangetoond worden, welke de kerk van Christus was, maar sedert de ketterijen zijn ingeslopen, is dit niet anders aan te wijzen dan door de Schriften; die Schriften toch, verklaart hij, zijn eenvoudig en waar, zodat het gemakkelijk valt daarnaar te oordeelen, welke leer de ware is. Herhaaldelijk spreekt Augustinus in dezen geest: inter nos et Donatistas quaestio est, ubinam sit ecclesia. Quid ergo facturi sumus? in verbis Donati eam quaesituri an in verbis capitis sui Domini Jesu Christi? Puto, quod in illius verbis eam quaerere debeamus, qui veritas est et optime novit corpus suum, novit enim qui sunt ejus. Bellarminus zelf omschrijft de kerk als coetus hominum ejusdem Christianae fidei professione et eorundem sacramentorum communione colligatus enz., neemt de sanctitas doctrinae onder de kentekenen van de kerk op6, en geeft toe, dat in sommige gevallen, indien de Schrift als Gods woord aangenomen wordt, de Schrift bekender is dan de kerk en haar waarheid bewijst7. Bij beantwoording van de vraag, welke de onderscheidende kenmerken van de kerk zijn, moet ook Rome de Schrift gebruiken als bewijsgrond, indien zij niet bij een sic volo, sic jubeo, stat pro ratione voluntas wil blijven staan8.

Toch verwerpt Rome de kentekenen, welke de Reformatie voor de ware kerk aangaf. Bellarminus brengt er ten eerste tegen in, dat zuivere bediening van het woord hoogstens alleen aanwijst, waar, maar niet, welke de ware kerk is, d.i. wie de ware gelovigen zijn, die toch alleen naar de Protestantse definitie het wezen van de kerk uitmaken9. Deze bedenking is tot op zekere hoogte juist, maar feitelijk ook zonder bezwaar. Want het is ons volstrekt niet nodig, om met onfeilbare zekerheid te weten, wie ware gelovigen zijn; daarvoor bijv. met J. Müller10 onfeilbare kentekenen op te zoeken, leidt op het dwaalspoor van de Donatisten. De zuivere bediening van het woord is geen kenmerk van het oprechte geloof van de individuele leden, maar van de kerk als vergadering van de gelovigen. De belofte van God nl., Jes. 55:11; 2 Cor. 2:15-16 enz. staat er ons borg voor, dat het woord Gods overal, waar het gepredikt wordt, zijn werking zal doen en niet ledig zal wederkeren, Gottes Wort kann nicht ohne Gottes Volk sein, wiederum Gottes Volk kann nicht ohne Gottes Wort sein (Luther). Daarom noemden de Reformatoren als eerste en voornaamste kenteken van de kerk niet de belijdenis en het leven van de gelovigen, maar de bediening van woord en sacrament. De gelovigen toch, die het wezen van de kerk uitmaken, worden op tweeërlei wijze openbaar, in de bediening van woord en sacrament, die onder hen plaats heeft, en in belijdenis en wandel, waardoor zij zich van de wereld en ook van andere kerken onderscheiden, d.i. in de kerk als instituut en in de kerk als organisme. De aard van de zaak brengt mee, dat het kenteken, dat aan de bediening van woord en sacrament, aan de kerk als instituut ontleend wordt, een onbedriegelijker, vaster, bestendiger, duurzamer karakter draagt, dan dat, hetwelk in belijdenis en leven van de gelovigen gevonden wordt. Aan het laatste kan veel ontbreken, zonder dat daarom het eerste ophoudt te bestaan. De Roomse kerk bewijst dit in zeer sterke mate, maar het geldt toch ook van de Protestantse kerken. Van hoeveel belang een zuivere belijdenis en een heilige wandel van de gelovigen ook is, hoofdzaak voor een ieder blijft de zuivere bediening van woord en sacrament. Daarom behoort dit als eerste en voornaamste kenteken van de kerk te gelden. Doch de Gereformeerden legden er terecht nadruk op, dat de kerk als vergadering van de gelovigen niet alleen in het instituut, maar ook in het geloof, in het vlieden van de zonden, in het najagen van de gerechtigheid, in de liefde tot God en de naaste, in de kruisiging van het vlees openbaar wordt11. De zuivere bediening van het woord sluit ook in de toepassing van de kerkelijke tucht.

Een andere bedenking van Bellarminus luidt, dat de zuivere bediening van het woord een veel te algemeen en te onduidelijk kenteken is, dan dat de ware kerk daarnaar beoordeeld worden kan. Immers laat de bediening van het woord enerzijds in ware kerken, zoals bijv. te Corinthe en in Galatië, dikwijls aan zuiverheid nog veel te wensen over, en is zij anderzijds in ketterse en sectarische kerken niet ten enenmale teloor gegaan. Socinianen en Remonstranten redeneerden op dezelfde wijze en bestreden de noodzakelijkheid en de profijtelijkheid van kenmerken, waaraan de ware kerk te onderkennen was12. En hoewel Luthersen en Gereformeerden in de eerste tijd zeer kras staande hielden, dat zij de ware kerk waren, maakte de toenemende onzuiverheid van eigen kerken en het optreden van andere kerken naast de hunne het hoe langer hoe moeilijker, om deze bewering in al haar strengheid te handhaven. Ja, van begin af aan was de houding, welke de Protestantse kerken tegenover de Roomse kerk aannamen, een heel andere dan omgekeerd. Rome kan sekten, maar geen kerken naast zich erkennen13. Doch de Protestanten, hoewel de kerkelijke hiërarchie van Rome beslist verwerpende, bleven het Christelijke in Rome’s kerk ten volle erkennen. Hoe bedorven Rome ook zij, er zijn toch nog vestigia ecclesiae, ruinae dissipatae ecclesiae in, er is nog aliqua ecclesia, licet semirupta, in het pausdom overgebleven14. De Hervorming was een afscheiding ab ecclesia Romana et Papali, maar niet a vera ecclesia15. Voorts waren of werden althans de Hervormers zich spoedig ervan bewijst, dat de zuivere bediening van woord en sacrament niet als een absoluut kenmerk gelden kon. Calvijn waarschuwt ten sterkste tegen alle willekeurige afscheiding. Al ontbreekt er iets aan de zuiverheid van de leer of van de sacramenten, al laat de heiligheid van het leven en de trouw van de dienaren veel te wensen over, men mag daarom niet dadelijk de kerk verlaten. Eerst als de summa necessariae doctrinae, de praecipua religionis doctrina voor de leugen ingeruild wordt, is scheiding plicht16. Toen later het bederf in de staatskerken toenam en velen tot scheiding zich gedrongen voelden, kwamen de meeste leraars op dezelfde gronden tegen het separatisme in verzet17. Allen zagen zich gedrongen, om met Calvijn te erkennen, dat er in de ware kerk veel onzuivers in leer en leven voorkomen kan, zonder dat dit recht tot afscheiding geeft, en dat er in de gescheiden kerken dikwijls veel goeds wordt gevonden. Zo onderging het begrip ware en valse kerk een belangrijke wijziging. Aan de ene zijde moest men toegeven, dat een ware kerk in absolute zin hier op aarde onmogelijk is; er is geen enkele kerk, die volstrekt en in alle delen, in leer en leven, in bediening van woord en sacrament aan de eis van God beantwoordt. En aan de anderen kant werd het duidelijk, dat er ook een valse kerk in absolute zin niet bestaan kan, omdat zij dan geen kerk meer was; al was Rome een valse kerk, in zoverre ze pauselijk was, er waren toch nog vele overblijfselen van de ware kerk in. Er was dus onderscheid tussen vera en pura ecclesia18. Ware kerk werd de naam, niet voor één kerk met uitsluiting van alle andere, maar voor velerlei kerken, die de hoofdwaarheden van het Christendom, de fundamentele artikelen19 nog vasthielden, doch overigens in graden van zuiverheid zeer ver van elkaar afweken; en valse kerk werd de naam van de hierarchische macht van bijgeloof of ongeloof, welke in de plaatselijke kerken zich opwierp en zichzelf en haar ordinantiën meer macht en autoriteit toeschreef dan het Woord van God20.

1 Melanchton in de Conf. Aug. art. 8 en in zijn Loci.

2 Gerhard, Loc. Theol. XXII par. 31. Quenstedt, Theol. IV 503.

3 M. Vitringa, Doctr. IX bl. 101-109.

4 Calvijn, Inst. IV 12, 1.

5 Gerhard, Loci Theol. XXII par. 138.

6 Bellarminus, de eccl. mil. IV 11.

7 t.a.p IV 2.

8 Verg. meer dergelijke uitspraken bij Gerhard t.a.p. par. 139. Turretinus, Theol. EI. XVIII 12, 16. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 375.

9 Bellarminus, de eccl. mil. IV 2.

10 J. Müller, Dogm. abh. 346 v.

11 Nederl. Geloofsbel. 29.

12 Cat. Rac. qu. 489. Episcopius, Disp. III 28, Op. II 2 bl. 459.

13 Hettinger, Apol. d. Christ. V7 118,

14 Calvijn, Inst. IV 2, 11. cf. Op. ed. Schippers VIII 111, 309. IX Epist. 51, 57. Beza, Tract. theol. III 145, 192. Bullinger. Huijsboeck 1612 bl. 206,207. Zanchius, Op. II in de praef. vóór de natura Dei. Polanus, Synt. 535. cf. 496. Polanus a Polansdorf, Part. Theol. bl. 196. Junius, Op. II 1018-1023. Alsted, Theol. schol. 696. Voetius, Desp. causa papatus 699-703. Mastricht, Theol. VII 1, 25. Turretinus XVIII 14, 24, 27.

15 Turretinus, XVIII 15, 8. Id., de necessaria secessione nostra ab ecclesia Romana, et impossibili cum ea syncretismo, achter zijn Disp. de satisf. Christi 1691 en andere anti-Roomse geschriften bij Vitringa, IX 1 bl. 116. De Moor V158.

16 Calvijn, Inst. IV 1, 12-20. Comm. op Mt. 13:40-41; 2 Thess. 3:6.

17 Voetius, Pol. Eccl. IV 488. Brakel, Red. Godsd. c. 25. V.d. Waeyen en Witsius, Ernstige betuiginge dre Geref. kercke aan hare afdwalende kinderen 1670. Koelman, Hist. Verhaal nopende der Labadisten scheuring en velerleye dwalingen met de weerlegging derzelver, 2 delen, Amst. 1683-84, verg. ook uit onze tijd: Hoe oordeelt de H. S. en hoe oordelen de Geref. vaderen over Scheiding en Doleantie bij J. Campen te Sneek.

18 Polanus, Synt. bl. 532. Alsted, Theol. Schol. bl. 601 v. Walaeus, Synopsis 40, 37. Maresius, Syst XVI 20. Vitringa, Doctr. IX 79.

19 Verg. Deel I; Hoofdstuk 3; Par. 23 Geloof en Theologie; 158 v.

20 Nederl. Geloofsbel.

x
This website is using cookies. Accept