Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

5. Nu heeft reeds Thomas in zijn tijd tegen hen, die een andere omschrijving van de theologie gaven, opgemerkt, dat zij daartoe kwamen wijl attendentes ad ea, quae in ista scientia tractantur et non ad rationem, secundum quam considerantur1. In de theologie en zo ook in de dogmatiek, wordt over veel meer dan alleen over God gehandeld; ook engel en mens, hemel en aarde, ja alle schepselen komen daarin ter sprake. Maar de vraag is, onder welk gezichtspunt en met welk doel ze in de theologie behandeld worden. Immers, behandeld worden al deze dingen ook in andere wetenschappen; het eigenaardige hunner behandeling in de theologie bestaat daarin, dat zij beschouwd worden in hun relatie tot God, ut ad principium et finem. Voorts ware de definitie van de dogmatiek als wetenschap van de religio christiana op zichzelf nog niet zo verkeerd, wanneer, gelijk in vroeger tijd, daaronder die religio werd verstaan, welke objectief in de Schrift was neergelegd. Maar na Kant en Schleiermacher heeft deze definitie een andere zin gekregen en is de dogmatiek de beschrijving geworden van dat historisch verschijnsel, dat Christelijke religie heet en zich ook in een eigenaardig geloof en leer openbaart. Wordt nu de dogmatiek in deze zin verstaan, dan houdt ze op dogmatiek te zijn en wordt eenvoudig beschrijving van wat in zekere kring voor waarheid op godsdienstig gebied gehouden wordt. Maar wetenschap is het om waarheid te doen; indien de dogmatiek werkelijk wetenschap wil zijn, dan is ze niet tevreden met de beschrijving van wat is, maar behoort ze aan te wijzen, wat als waarheid gelden moet. Niet het οτι, maar het διοτι, niet de werkelijkheid, maar de waarheid, niet het reële, maar het ideële, het logische, het noodzakelijke behoort ze aan te tonen. In de jongste tijd wordt dit door steeds meerderen erkend. Enerzijds gaat een linkergroep steeds verder op de weg van het positivisme voort; zij keert aan alle metafysica, dogma en dogmatiek de rug toe, laat de overal identieke religie in subjectieve stemmingen des gemoeds, in extase en ascese opgaan, en zoekt, met verloochening van het specitiek karakter des Christendoms, verbroedering met alle godsdiensten, inzonderheid met die van het Boeddhisme en de Islam. Maar juist daartegen is er bij anderen, wie dit toch te ver ging, een reactie openbaar geworden. Zij komen tot de erkentenis, dat gevoel en stemming in de godsdienst toch niet alles is, dat alle religie noodzakelijk voorstellingen insluit, en dat deze als zodanig aan de maatstaf der waarheid onderworpen zijn. Van deze zijde wordt daarom in zwakker of sterker mate weer geijverd voor het behoud of herstel der theologische faculteit, voor de metafysica in de godsdienst, voor de wederopname van de dogmatiek onder de theologische wetenschappen. Maar dit behoort dan een dogmatiek te zijn, die, evenals heel de theologie volkomen vrij is, van te voren aan geen enkel dogma is gebonden en niets anders is dan een beschrijving en rechtvaardiging van de inhoud der religie, gelijk die door het historisch en psychologisch onderzoek der godsdiensten aan het licht wordt gebracht, een dogmatiek dus, die geen dogma bevat maar alleen een systeem van theologoumena van een vroom wijsgeer2.

Hoewel deze reactie tegen een op de spits gedreven radicalisme met vreugde te begroeten is, is zij van te voren toch met onvruchtbaarheid geslagen, indien zij niet tot een principiële herziening van het hedendaags begrip der wetenschap voortschrijdt. Eén van beide toch: er is in de wetenschap voor metafysica plaats, dan is het positivisme in beginsel geoordeeld, of het positivisme is de ware opvatting van de wetenschap, dan is metafysica radicaal van heel haar erfgoed te verbannen. Wie met name voor het herstel der metafysica in de godsdienstwetenschap ijvert, heeft in beginsel gebroken met de grondgedachte, waaruit de godsdienstwetenschap is voortgekomen, en keert, wederom principieel genomen, tot de oude opvatting van de theologie terug. Immers, alwie een godsdienst of in het bijzonder het Christendom maakt tot voorwerp van een eigen wetenschap, gaat niet meer uit van het feit van het bestaan van die godsdienst of van het Christendom, maar van een bijzondere waardering van dat feit3. De theologie als een bijzondere wetenschap veronderstelt, dat God in de godsdienst of meer bepaald in het Christendom op een kennelijke wijze zich heeft geopenbaard, zij onderstelt m.a.w. het bestaan, de openbaring en de kenbaarheid Gods en gaat dus van een veelzeggend dogma uit. Een dogmatisch vrije theologie of dogmatiek weerspreekt zichzelf. Als de godsdienst niet alleen een psychologisch en historisch feit is, zoals bi.jv. ook het spoken- en heksengeloof, maar op waarheid berust en een absolute waarde bezit, dan komt, wie de godsdienst in deze zin opvat en bestudeert, altijd weer bij God uit. De waarheid en waarde van de godsdienst hangt af van het bestaan, de openharing en de kenbaarheid Gods. Ook de godsdienstwetenschap, die de metafysica opneemt, is in beginsel theologie, gaat van Gods bestaan en kenbaarheid uit. Indien God niet kenbaar is, zich niet geopenbaard heeft of ook zelfs niet bestaat, valt daarmee niet alleen de dogmatiek en de theologie maar ook de religie, want deze is op de kennis Gods gebouwd. Dogmatiek is alzo en kan niet anders bestaan dan als wetenschappelijk systeem der kennis Gods, dat is dan nader op Christelijk standpunt, van die kennis, welke Hij aangaande zichzelf en aangaande alle schepselen als staande in relatie tot Hem in Zijn Woord aan de kerk heeft geopenbaard.

1 Summa theol. I qu. 1 art. 7.

2 Groenewegen, De metafysica in de wijsbeg. v. d. godsd. Amsterdam 1903. De Theologie aan de Universiteit, Theol. Tijdschr. Mei 1905 bl.193-224. Dr. Bruining, Over de methode van onze dogmatiek, Teylers Th. T. 1903 bl. 153-185.

3 Gunning en de la Saussaye Jr. Het ethisch beginsel der Theologie bl. 67.

x
This website is using cookies. Accept