Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

504. Het koningschap van Christus over zijn kerk bestaat daarin, dat Hij de zijnen door Woord en Geest vergadert en regeert en bij de verworven verlossing beschut en behoudt. De kerk heeft haar grondslag en eenheid in de raad van God, in het verbond van de genade, in de persoon van Christus, maar zij moet, als bestaande uit mensen, vergaderd en toegebracht worden door Woord en door Geest. Deze vergadering geschiedt door Christus en gaat van Hem uit. Ook al bedient Hij zich daarbij van ambten en genademiddelen, Hij is het toch, die de weldaden van het verbond uitdeelt en daardoor zijn gemeente sticht. Hij bouwt zelf de gemeente op de rots van de belijdende apostelen, Mt. 16:19, en dezen zijn het, die als instrumenten in zijn hand de gemeente bouwen op Hem als het fundament,1 Cor. 3:11. Christus is de wijnstok, en de gelovigen zijn de ranken, die uit Hem voortkomen, sappen trekken en vruchten dragen, Joh. 15. Christus is het hoofd, en de gemeente is het lichaam, dat uit Hem wordt samengevoegd en zijn wasdom bekomt, Ef. 4:16; Col. 2:19. Christus is de Herder, en de gelovigen zijn de schapen, die door Hem worden toegebracht en tot één kudde samengevoegd, Joh. 10:16. Christus is de Heer, die degenen, die gered worden, tot de gemeente toevoegt, Hd. 2:47. Omdat de gemeente een organisme is, gaat het hoofd aan de leden en de ecclesia universalis aan de ecclesia particularis vooraf. De kerk in haar geheel komt niet tot stand door de atomistische samenvoeging van verschillende delen. Maar de ecclesia catholica is er eerst, zij heeft haar bestand in Christus, kwam in de dagen van het Nieuwe Testament het eerst tot openbaring in de kerk te Jeruzalem en breidde zich dan vandaar in andere plaatsen uit. Elke ecclesia particularis (localis) is daar ter plaatse, waar zij optreedt, een openbaring van de ecclesia catholica, van het volk van God. Reeds krachtens haar oorsprong staat zij met deze in onlosmakelijk verband. Want geen enkele plaatselijke kerk komt autochtoon uit het onbewuste op, maar werd geplant door het zaad van het woord, dat een andere kerk daar ter plaatse strooien deed. Wel is naar de leer van de Heilige Schrift iedere plaatselijke kerk zelfstandig, een ecclesia completa, hoe klein en gering zij ook wezen mag. Er zijn geen moederkerken in die zin, dat de ene kerk over de andere zou mogen heersen; noch Jeruzalem noch Rome heeft op zulk een regering enige aanspraak. Alle kerken staan gelijk, omdat zij alle, al is de een middelijkerwijze ook door de andere gesticht, op dezelfde wijze, d.i. rechtstreeks en volstrekt van Christus afhankelijk en aan zijn woord gebonden zijn.

Daarom hebben de Gereformeerden niet alleen het verband van hun kerken met die te Rome verbroken, maar ook aan de diocese en de parochie een einde gemaakt. Een diocese toch is het kerkelijk gebied van een bisschop, die, aan de hoofdkerk verbonden, van daaruit heel de kring van de gelovigen beheerst. En een parochie duidt de groep van gelovigen op een bepaalde plaats slechts aan als object van de werkzaamheid van de parochus, die al zijn macht van de bisschop ontvangt. Het woord parochie mag oorspronkelijk geen afhankelijkheid van een hoofd- of moederkerk hebben ingesloten, langzamerhand heeft het toch bij Rome die betekenis verkregen1. In de Schrift is echter elke kerk zelfstandig, met alle andere kerken in rechten volkomen gelijk. Het kerkverband is daarom nog geen zaak van willekeur. Soms mag het, bijv. bij de kerken van de Hugenoten in Frankrijk, de schijn hebben, alsof het verband geheel vrij door confederatie is ontstaan. Maar dat is toch de Gereformeerde beschouwing niet, welke op dit punt beslist tegen die van de Independenten overstaat. Bij de beschrijving van het wezen van de kerk gingen alle Gereformeerde theologen van de ecclesia universalis uit en daalden zo tot de ecclesiae particulares af2. Deze laatste zijn plaatselijke openbaringen van het éne mystieke lichaam van Christus, zijn daarom geestelijk één, staan krachtens haar historische oorsprong met elkaar in verband en zijn tot het onderhouden van de gemeenschap met allen, die hetzelfde geloof deelachtig zijn, van ‘s Heeren wege verplicht. Elke plaatselijke kerk is daarom tegelijkertijd een zelfstandige openbaring van het lichaam van Christus en een deel van een groter geheel; een ecclesia particularis, die opkomt uit en geestelijk en historisch met de ecclesia in verband staat3. En wat van elke plaatselijke kerk geldt, is ook op ieder van haar leden in het bijzonder toepasselijk. Geen enkele kerk en geen enkel levend lidmaat dankt zijn ontstaan aan eigen wil of aan het werk van mensen. Christus heeft hem, zij het ook door middel van de bediening van het woord, geroepen en vergaderd, en hem niet alleen, maar allen, die leden van de gemeente zijn. Zo zijn het dan niet wij, maar is het Christus alleen, die bepaalt, wie leden van de gemeente zijn en met wie wij in gemeenschap hebben te leven. Het staat niet aan ons believen al dan niet, om bij deze of bij gene kerk ons te voegen; maar het is schuldige plicht van alle gelovigen, om zich te voegen tot die kerk, die het zuiverst als de kerk van Christus tot openbaring komt, Ned. Gel. 28. Ook hier staan de Gereformeerden tegen de Independenten over. De gelovigen delen zichzelf niet willekeurig in conventikels en congregaties in en lezen zelf niet uit, met wie zij willen samenvergaderen. Doch op een bepaalde plaats behoren alle gelovigen bijeen en zijn daar te zamen het volk van God en de gemeente van Christus. Gelijk God het is, die de tijden verordent en de bepalingen van ieders woning, Hd. 17:26, zo is het ook Christus, die, bij deze ordinantie van de Vader zich aansluitend, de gelovigen plaatselijk vergadert en als een zelfstandige ecclesia optreden doet. Natuur en genade werden ook op dit punt door de Gereformeerden niet uit elkaar gerukt, noch vijandig tegenover elkaar gesteld, want de genade herstelt de natuur en het Evangelie is de vervulling van de wet. Toch is met deze eenheid van de plaatselijke kerk de zogenaamde kerspelvorming niet in strijd. Verschillende gemeenten in het Nieuwe Testament, Jeruzalem, Rome, Corinthe enz., waren elk op zichzelf een eenheid; die te Jeruzalem stond onder hetzelfde college van apostelen en benoemde in haar geheel een zevental diakenen, en die te Rome, Corinthe, Colosse ontvingen van Paulus brieven, waarin alle gelovigen in diezelfde plaats door hem als een eenheid worden samengevat. Maar dat nam toch niet weg, dat die gemeenten bij haar vergaderingen in verschillende gebouwen samenkwamen en zo weer onderscheiden huisgemeenten vormden. En daartoe moet alle kerk komen, die tot een ledental van duizenden zielen zich uitbreidt. Gelijk het dan geoorloofd en plichtmatig is, om in verschillende gebouwen samen te komen, zo is het ook in het belang van de geestelijke welstand, de regering en de verzorging van de gelovigen geboden, om aan elke groep van gelovigen, die in een bepaald gebouw vergadert, een bepaald getal predikantent ouderlingen en diakenen te verbinden. Aan de eenheid van de kerk behoeft dit geen afbreuk te doen, omdat die zich in de kerkenraad en in allerlei gemeenschappelijke arbeid uitspreken kan. Er is echter ook geen bezwaar tegen, om kerken, die ver uiteenliggende stadsgedeelten tot haar terrein hebben, op dezelfde wijze zelfstandig te maken als die op dorpen, welke soms maar een half uur gaans van elkaar verwijderd zijn. Bij de grote uitbreiding van vele steden in de tegenwoordige tijd zijn de stadsgedeelten dikwijls meer in karakter van elkaar verschillend, dan dorpen of vlekken, die alle burgerlijk een eigen bestuur hebben. In elk geval is de theorie onhoudbaar en voor het kerkelijk leven hoogst schadelijk, dat de plaatselijke kerk in grote steden naar de burgerlijke grenzen te bepalen zou zijn4.

In deze plaatselijke kerken stort Christus allerlei gaven uit, niet alleen zaligmakende gaven van wedergeboorte, bekering, geloof enz., maar ook geestelijke gaven, die onder de naam van charismata bekend staan. In de apostolische tijd was er een rijke bedeling van; maar al zijn zij ten dele van aard en werkzaamheid veranderd, zij worden ook thans nog door de Heilige Geest aan de gelovigen geschonken, opdat zij daarmee elkaar dienen en als één lichaam zich openbaren zouden. De gemeente is niet onmondig, zij is geen ecclesia audiens of ordo oeconomicus, die slechts te luisteren en te zwijgen heeft. Maar zij is de zalving van de Heilige deelachtig, bestaat uit vele leden, die alle elkaar nodig hebben, en mag de gaven, haar geschonken, niet verzuimen. Elke gemeente is en moet zijn een leger des heils, dat onder Christus strijdt voert tegen duivel, wereld en vlees, en geen soldaten kent in rust of op non-activiteit; een gemeenschap van heiligen, waarin allen lijden en zich verblijden met elkaar en hun bijzondere gaven tot nut en zaligheid van de andere lidmaten gewillig en met vreugde aanwenden. En zoals alle gelovigen een gave hebben, zo staan zij ook allen in het ambt. Zij hebben niet alleen in de kerk als organisme, maar ook in de kerk als instituut een roeping en taak, die hun door de Heere opgelegd is. De apostelen gaan wel aan de kerk vooraf, zijn haar grondleggers en binden haar aan hun, d.i. aan Gods woord. Maar zij stellen niet van te voren en niet eigenmachtig ambtsdragers aan, doch stichten eerst gemeenten en laten dan door die gemeenten zelf ouderlingen en diakenen verkiezen. Aan het speciale ambt van opziener en armverzorger gaat daarom het algemene ambt van de gelovigen vooraf. Christus toch is in het midden, waar twee of drie in zijn naam vergaderd zijn, Mt.18:19-20. Hij heeft voor allen de Heilige Geest verworven, die in alle gelovigen als zijn tempel woont, Hd. 2:17; 1 Cor. 6:19; Ef. 2:22 enz., zodat zij, met die Geest gezalfd, een heilig, koninklijk priesterdom zijn,1 Petr. 2:5, 9; profeten, die de deugden van God verkondigen, zijn naam belijden, en alle dingen weten, Mt. 10:32; 1 Joh. 2:20, 27; priesters, die hun lichamen stellen tot een levende, heilige, Gode welbehagelijke offerande, Rom.12:1,1 Petr. 2:5, 9; Hebr. 13:16; Op. 1:6; 5:10; koningen, die de goede strijd strijden, zonde en wereld en dood overwinnen en eens met Christus heersen zullen, Rom. 6:12,13; 1 Tim.1: 18,19; 2 Tim. 2:12; 4:7; 1 Joh. 2:13-14; Op. 1:6; 2:26; 3:21; 20:6, en daarom de naam van Christenen, gezalfden, dragen, Hd. 11:26; 26:28; 1 Petr. 4:16. Deze profetische, priesterlijke en koninklijke werkzaamheid van de gelovigen mag de uitoefening van een ambt heten. Immers reeds in het algemeen is de mens er niet om zichzelf, maar om Gods wil. God schiep hem naar zijn beeld, opdat hij Hem kennen, liefhebben en verheerlijken zou, en dus als profeet, priester en koning Hem dienen zou. Maar bepaaldelijk is Christus door de Vader tot middelaar, tot knecht des Heeren, tot profeet, priester en koning aangesteld, om dit werkt dat de mens nagelaten en verstoord had, weer tot stand te brengen en te voltooien. En daartoe worden nu ook de gelovigen geroepen. Als gezalfden, die de gemeenschap met Christus deelachtig zijn, zijn zij geroepen tot eenzelfde werk, dienst en strijdt Joh. 12:26; 14:12. Van het ogenblik van hun roeping af zijn de gelovigen niet meer van henzelf, maar behoren zij Christus toe; zij zijn zijn dienstknechten, hebben zijn wil te doen en zijn werk te volbrengen. Zij zijn het zout van de aarde, het licht van de wereld en hebben in en ten opzichte van de kerk bepaaldelijk een drieërlei taak.

Ten eerste zijn zij verplicht, zich bij de kerk te voegen. Zij staan niet op zichzelf, maar zijn leden van het lichaam van Christus en hebben dus de gemeenschap daarmee te zoeken en te onderhouden. Ten andere zijn zij in die gemeente geroepen tot allerlei werkzaamheid, tot het aanleggen van de gaven ten nutte van anderen, tot het meelijden en zich verblijden met de broeders, tot het bezoeken van de samenkomsten van de gelovigen, tot het verkondigen van de dood van de Heere, tot het opzicht hebben op elkaar, tot het dienen en uitdelen in barmhartigheid enz. En eindelijk zijn zij elk op zijn wijze en in zijn mate ook tot formatie en reformatie van de kerk verplicht. Als er ergens ter wereld gelovigen zijn, en er bestaat geen gelegenheid, dat dienaren van elders de verkiezing tot de door Christus ingestelde ambten leiden en de verkozenen de handen opleggen, dan hebben zij zelf het recht, om samen in de naam van de Heere ambtsdragers te verkiezen en te ordenen. Zo geschiedde feitelijk te Mainz en te Parijs in 15555, zo oordeelden de Gereformeerden6, en dit was ook het gevoelen van Luther7. Het ambt hangt toch van geen successie af, het ontstaat niet door overdracht; het berust op de gave en de roeping van Christus en op de aanwijzing van zijn gemeente. En die gemeente is zelf mondig en de gaven van de Heilige Geest deelachtig; de gaven, tot het ambt nodig, zijn niet essentieel verschillend van die, welke aan alle gelovigen geschonken worden; daarom kan zij uit haar midden diegenen aanwijzen, die in bijzondere mate met ambtelijke gaven versierd zijn en hen in Christus’ naam roepen en verkiezen tot het ambt. Maar daaruit vloeit ook voort, dat de gelovigen zelf indien zonodig tot reformatie van de kerk mogen voortschrijden. Als een kerk in haar ambten en bedieningen toont, zichzelf en haar o rdinanties meer autoriteit toe te kennen dan het woord van God en zich duidelijk als een valse kerk openbaart, dan hebben de gelovigen het heilige officie en de schuldige plicht, om zich af te scheiden en weer kerkelijk te gaan leven naar woord van de Heere8.

1 Verg. Stutz, art. Pfarre in PRE2 XV 239 v.

2 M. Vitringa, Doctr. IX 60.

3 Rieker, Grundsätze rel. Kirchenverfassung bl. 80 v.

4 J. R. Slotemaker de Bruine, St. v. W. en Vrede 1901 bl. 487-498. Id., Christ Soc. Studiën. H. H. Kuyper, Stadskerken, Heraut, Mei, Juni 1909. Sillevis Smitt, t.a.p. bl. 113 v.

5 Lechler, Gesch. d. Syn. u. Presb. Verfassung 1854 bl. 65, 67. Doumergue, Jean Calvin I 1899 bl. 232.

6 Voetius, Desp. Causa Papatus bl.268 v.

7 Köstlin, Luthers Theol. 1 327.

8 Nederl. Geloofdbel. art. 28, 29.

x
This website is using cookies. Accept