Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

509. Deze apostolische leer van de kerkelijke macht bleef geruime tijd in de Christelijke kerk erkend. Het kwam eerst in de gedachte niet op, dat de arme, kleine gemeente nog eens een wereldkerk zou worden, die aan vorsten en volken de wetten voorschreef. Alwat men begeerde, was, om onder de heidense overheid een gerust en stil leven te mogen leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid. Maar toen de kerk tot aanzien en heerschappij kwam, werd ook haar macht heel anders opgevat. De ontwikkeling van episcopaat en traditie, van priester- en offeridee bracht mee, dat de ordinatie als een sacramentele handeling werd beschouwd, die, door de bisschop verricht, de ambtsgeest meedeelde en tot het voltrekken van de kerkelijke ceremoniën recht en bevoegdheid schonk. En hoewel de sleutelmacht, in Mt. 16:18, aan Petrus geschonken, door combinatie met Mt. 18:18 en Joh. 20:23 in de eerste tijd van de vergeving van de zonden verstaan werd1, kreeg zij vooral door het sacrament van de boete allengs een juridisch karakter. De macht van de kerk is daarom volgens Rome tweeërlei: potestas ordinis en potestas jurisdictionis, van welke de laatste dan weer in jurisdictio fori interni (sacramentalis) en fori externi (legifera, judiciaria en coactiva) onderscheiden wordt2. Tot recht verstand van deze door Rome aan de kerk toegekende macht dient het volgende in acht genomen te worden.

1. De potestas docendi wordt soms door latere theologen wel afzonderlijk behandeld en komt natuurlijk volgens Rome ook wel aan de kerk toe. Maar eigenlijk is zij onderdeel van de potestas jurisdictionis. De Catech. Rom.3 zou kunnen doen vermoeden, dat de potest as docendi onder de potestas ordinis thuis behoort, omdat hij zegt, dat deze niet alleen inhoudt de macht, om de eucharistie te bedienen, sed ad eam accipiendam hominum animos praeparat et idoneos reddit; maar het Conc. Vatic.4 brengt het magisterium uitdrukkelijk onder de potestas jurisdictionis. De bediening van het woord is bij Rome rechtspraak, culminerende in de onfeilbare beslissingen van de paus; zij is geen prediking, maar een afkondiging van dogmata, die als zodanig het geweten binden, tot geloof, d.i. tot assensus verplichten, en desnoods met dwang kunnen opgelegd worden5.

2. De potestas ordinis, de macht, om de sacramenten te bedienen, is alleen verkrijgbaar door het door de bisschop verleende sacramentum ordinis, dat de ambtsgeest meedeelt en een character indelebilis indrukt, en is daarom onverliesbaar6; zelfs ketters en scheurmakers, die eens in Rome door de bisschop geordend werden, behouden deze macht; zij staat daarom ook los op zichzelf, en is geheel onafhankelijk van de bediening van het woord. Het sacerdotium kan bij Rome ook zonder prediking van het Evangelie bestaan. Si quis dixerit,..., sacerdotium.. non esse potestatem aliquam consecrandi et offeren di verum corpus et sanguinem Domini et peccata remittendi et retinendi, sed officium tantum et nudum ministerium praedicandi evangelium, vel eos, qui non praedicant, prorsus non esse sacerdotes, anathema sit7.

3. In overeenstemming hiermee wordt bij Rome de vergeving van de zonden niet geschonken in de prediking van het woord, welke slechts preparatoire betekenis heeft, maar in het sacrament, hetwelk de genade in zich bevat en ex opere operato in de ontvanger instort. Bepaaldelijk wordt zij meegedeeld in de doop en voor de na de doop bedreven zonden in het sacrament van de boete, welke allengs een actus judicialis werd, een rechtbank, waarin de priesters zitten als praesides en judices, de belijdenis van de mortalia crimina aanhoren, naar de maatstaf van de libri poenitentiarii op casuïstische wijze de straf bepalen, en in de naam van Christus niet conditioneel en declaratorisch maar absoluut, categorisch en peremptoir de vergeving van de zonden (absolutie) schenken8. Dit juridisch karakter van de boete komt ook nog daarin uit, dat dit sacrament alleen mag bediend worden aan hen, die gedoopt zijn, omdat de kerk over niemand jurisdictie bezit dan wie door de doop onder haar macht staan; dat de gelovigen dit sacrament slechts mogen ontvangen uit de hand van die priester, wiens subditi zij naar kerkelijke, d.i. pauselijke beschikking zijn; en dat hogere geestelijken, bisschoppen enz. en vooral de paus, zich bepaalde, ergerlijke gevallen voorbehouden, waarin zij alleen oordelen en beslissen kunnen, zoals bijv. bij de toepassing van ban en interdict over vorsten en landen in de Middeleeuwen door de pausen9.

4. Om deze jurisdictie in foro interno te kunnen uitoefenen, beweert de Roomse kerk voorts te bezitten de potestas jurisdictionis in foro externo (potestas regiminis), onderscheiden in potestas legislativa, judiciaria en coactiva. Christus gaf toch aan de kerk, opdat zij aan haar roeping getrouw kon zijn, vooreerst een wetgevende macht; zij mag binden en ontbinden, verbieden of veroorloven, zedelijke verplichtingen opleggen of teniet doen; en alwat zij bepaalt, is in de hemel van kracht; het is evengoed alsof God zelf het beveelt; het bindt daarom de gewetens en verplicht tot onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, Mt. 16:19; 18:18; Joh. 20:21,23. Hd.15:27-29, 41,1 Cor.11:4-7; 14:26; 2 Cor. 8; 10:6,8; 1 Tim. 3; Tit. 1:5; Hebr. 13:7,17. Deze wetgevende macht sluit vanzelf de rechterlijke in, omdat gene zonder deze niet zou kunnen bestaan; Christus gaf deze macht aan de gemeente in Mt. 18:15-17, en de apostelen oefenden haar uit, Hd. 5:1-10; 1 Cor. 5:3, 11-13; 1 Tim. 5:19-20. En eindelijk heeft de kerk ook een uitvoerende en dwingende macht, en kan niet alleen geestelijke straffen opleggen, gelijk Donatisten, Waldenzen, Albigenzen enz. beweerden, maar ook tijdelijke en lichamelijke, en dat niet alleen op gezag of door middel van de staat, maar ook zelf uit eigen autoriteit en rechtstreeks. Rome grondt deze macht op Mt. 16:19; 18:18; 28:19; 1 Cor. 4:18-21; 5:4-5; 2 Cor. 10:6, 8; 13:2-3; 1 Tim. 1:20, heeft ze menigmaal uitdrukkelijk geleerd10, en ook veelvuldig toegepast11.

5. Eindelijk leert Rome, dat deze kerkelijke macht, van alle aardse macht wezenlijk onderscheiden, ten volle onafhankelijk is en souverein. Wel zegt zij, dat deze macht ten opzichte van Christus een bedienende, een ministerium is; maar tegenover alle aardse gezag en macht is zij volkomen zelfstandig. Met deze leer van de onafhankelijkheid van de kerkelijke macht sloeg zij een heel andere weg in dan de kerk van het Oosten. Daar werd door Constantijn, Theodosius en Justinianus I de kerk hoe langer hoe meer een orgaan in de staat; de keizer kon daarom met de kerk nog wel niet doen wat hij wilde, want hij was aan het dogma gebonden, en geen arciereuv maar alleen eusebhv, beschemer van de orthodoxie, doch hij was toch evengoed als van de staat het regerend hoofd van de kerk. In de Russische kerk heerst deze beschouwing nog thans. In 1721 legde Peter de Grote het opperbestuur over de kerk in handen van een permanente Heilige Synode, welke door het intermediair van de procurator aan de Tsaar gebonden is. Hoezeer de macht van de Tsaar in vergelijking met die van de Byzantijnse keizers veelszins beperkt en verzwakt is, is hij het toch, die door de Synode de kerk regeert, de godsdienstige aangelegenheden van zijn volk regelt, de mate van vrijheid voor zijn Roomse en Protestantse onderdanen bepaalt; het orthodoxe dogma is in Rusland nog altijd in formele zin staatsrecht en ketterij staatsmisdaad12. Terwijl zo in het Oosten het Cesareopapisme tot ontwikkeling kwam, wist de kerk in het Westen, georganiseerd in de paus, niet alleen haar zelfstandigheid te handhaven tegen, maar menigmaal ook haar suprematie uit te breiden over de staat. Het keizerschap werd in Karel de Grote een Christelijk, een Rooms instituut, en was van die tijd af menigmaal aan de paus ondergeschikt. En dit was niet alleen praktijk, maar werd ook hoe langer hoe meer theorie. Staat, (gezin, maatschappij, kunst, wetenschap, al het aardse) en kerk verhouden zich volgens Rome als natuur en genade, vlees en geest, bonum naturale en bonum supernaturale, het tijdelijke en het eeuwige, het aardse en het hemelse. Gelijk de maan haar licht ontvangt van de zon, zo hebben de vorsten hun wereldlijke macht aan de paus te danken, die immers als stadhouder van Christus alle macht heeft in hemel en op aarde, (Alvarus, Pelagius e.a.); of in elk geval heeft de paus als hoofd van de Christenheid ook summa potestas disponendi de rebus omnium Christianorum13. Zelfs is een wereldlijk gebied tot uitoefening van zijn souvereine macht voor hem beslist noodzakelijk. Al is de staat dan ook binnen zijn eigen terrein vrij en zelfstandig, hij is toch minder dan de kerk, aan haar uitspraak gebonden en overal waar het geestelijke in het natuurlijke ingrijpt, aan de kerk onderworpen. De staat moet Christelijk, d.i. Rooms zijn, mag geen andere als de ware erkennen dan de Roomse, en is verplicht, indien de kerk het verlangt en het zelf niet doet, om ketters te vervolgen en te straffen14.

1 Cyprianus, de unit. eccl. 4. Ep. 75, 16.

2 Thomas, S. Theol. II 2 qu. 39 art. 3. Catech. Rom. II 7, 6. Conc. Vat. ed. Lacensis col. 570. Klee, Kath. Dogm. I2 162. Dieringer, Kath. Dogm.4 619. 715. Liebermann, Inst. Theol. I8 290. Simar, Dogm. 593. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 1 bl. 317 v. Schell, Kath. Dogm. III 1 bl. 396. Jansen, Prael. theol. I 380 v. enz.

3 Cat. Rom. II 7, 7.

4 Conc. Vatic. IV c. 3, 4.

5 Richter-Dove-Kahl, Kirchenrecht bl. 305. Achelis, Prakt. Theol. I2 79.

6 Thomas, S. Theol. II 2 qu. 39 art. 3.

7 Conc. Trid. sess. 23 de sacr. ordinis can. 1

8 Deel IV; Hoofdstuk 8 (vervolg); Par. 51 Geloof en Bekering; 462.

9 Conc. Trid. XIV. Cat. Rom. II 5, 32 v.

10 Denzinger, Enchir. symb. et defin. Nieuwe 1367. 1546. 1572. Conc. Vatic. coll. Lac. VII 570. 577.

11 Verg. Perrone, Prael. Theol. Lov. 1843 VII 275. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 1 S. 322. Jansen, Prael. theol. I 390 enz.

12 Pobedonoszew, Streitfragen der Gegenwart. Autor. Uebersetzung. Berlin 1897. Kattenbusch, Vergl. Confessionskunde I 374-393.

13 Bellarminius, de Rom. Pontif. V 6, 7.

14 Verg. Augustinus’ brief aan Vincentius contra Conat. et Rogat. de vi corrigendis haereticis, Id., aan Bonifacius de moderate coercendis haereticis, voorts c. Epist, Parmeniani I 16. Contra literas Petiliani, vooral lib. II. Contra Gaudentii Donatistarum episcopi epistalam I 20 II 17. Thomas, de regimine principum. Bellarminlts, de Rom. pontif. V. de membris eccl. III. Hergenröther, Kath. Kirche und Christl. Staat in ihrer geschichtl. Entw. 1872. Hammerstein, Kirche und Staat, Freiburg 1883. Stöckl, Lehrb. d. Philos. III6 451-480. Cathrein, Moralphilosophie II3 529 v. Hansjakob, Die Toleranz und die Intoleranz der Kath. Kirche. 2e Aufl. Freiburg 1899 enz.

x
This website is using cookies. Accept