Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

529. Het getal van de sacramenten wordt zeer verschillend bepaald, alnaarmate het begrip sacrament enger of ruimer genomen wordt. Als met Augustinus gezegd wordt: omne signum sacrum est sacramentum, wordt het getal zeer uitgebreid. En ook als met Calvijn onder sacramenten al die tekenen worden verstaan, welke God ooit aan mensen gaf, om hen te vergewissen van de waarheid van zijn beloften, geeft de Heilige Schrift ons een hele reeks van sacramenten1. De Gereformeerden telden er dan ook vele op, vooral toen later de leer van de verbonden uitgewerkt werd en ieder verbond en elke verbondsbedeling het nodig getal sacramenten hebben moest. Zo telde men soms in het werkverbond vóór de val, ofschoon er toen toch eigenlijk van geen middelen van de genade sprake kon zijn, de sabbat en het paradijs, de boom van de kennis en de boom des levens als sacramenten op. En in de Oudtestamentische bedeling van het genadeverbond werden niet alleen besnijdenis en pascha, maar dikwijls ook de uitdrijving uit het paradijs, het maken van rokken, de offerande van Abel, de boog van Noach, de doorgang door de Rode Zee, het manna, het water uit de rots, de koperen slang, Aärons staf, Gideons vlies, Hiskia’s zonnewijzer enz. als sacramenten beschouwd2. Aan de Nieuwtestamentische sacramenten toegekomen, vatte men echter het begrip terstond in engere zin op en beperkte hun getal tot twee, al is het, dat Calvijn de handoplegging3, en Luther en Melanchton4 de absolutie, soms nog een sacrament noemden. Rome echter breidde het getal sacramenten tot zeven uit en voerde daarnaast nog een groot getal van zogenaamde sacramentalia in. Het onderscheid tussen beide bestaat daarin, dat de sacramenten door God, de sacramentaliën door de kerk zijn ingesteld; gene werken door de van God hun verleende kracht, deze door de voorbede en zegening van de kerk; de eerste bewerken onmiddellijk de innerlijke heiliging van de mens, de laatste dragen daartoe slechts bij door het verlenen van ondergeschikte genaden en het bewaren voor tijdelijke onheilen; de sacramenten zijn noodzakelijk krachtens Gods gebod, de sacramentaliën zijn door de kerk als nuttig en heilzaam aanbevolen. Tot de sacramentaliën behoren voorwerpen als kerken, altaren, priesterlijke klederen, kelken, klokken, water, olie, zout, brood, wijn, palmen enz., die door de kerk gewijd en voor het godsdienstig gebruik worden afgezonderd, en voorts de handelingen van bezweren en zegenen, welke de kerk aanwendt, om zaken en personen aan de boosaardige invloed van de duivel te onttrekken en op het heilig erf van de kerk over te brengen. Voor Rome toch is de schepping van veel lagere orde dan de herschepping; de schepping is natuur, de herschepping is genade, d.w.z. elevatio naturae; de wereld draagt een profaan karakter en staat bovendien onder invloed van Satan; alwat daarom uit de wereld in de dienst van de kerk overgaat, moet aan de macht van de duivel onttrokken en tot de dienst van God gewijd en gezegend worden5.

Terwijl zo de sacramentaliën de grote omheining vormen, die de kerk scheiden van de wereld, zijn de sacramenten de middelen, waardoor God de leden van de kerk inwendig heiligt, de bovennatuurlijke genade meedeelt en zijn natuur deelachtig maakt. Zij zijn de middelen tot verlossing en opheffing van de hele zichtbare schepping, welke in de vier elementen, die zij gebruiken, nl. water, olie, brood en wijn, gerepresenteerd wordt, en zijn zeven in getal, omdat zij, het getal van de Godheid met het getal van de wereld verbindend, door de bovennatuurlijke genade de hele schepping heiligen en tot de dienst van God wijden. De doop, door Christus ingesteld, Mt. 28:19, neemt niet alleen alle schuld en straf van de zonde weg, maar bevrijdt ook van de smet van de zonde, plant het beginsel van de genade en heiligbeid, de kiem van het nieuwe leven door de wedergeboorte in de ziel in, en maakt zo de mens tot een levend lid van Christus’ mystieke lichaam en neemt hem op in de gemeenschap met de drieëenigen God. Gelijk Adam door het donum superadditum in een hogere wereld, in het rijk van de genade, intrad, zo wordt de gedoopte in de stand van de bovennatuurlijke heiligheid verbeven. Maar evenals Adam de geschonken genade door zijn vrije wil te bewaren had, zo moet ook de Christen door zijn vrije wil de doopsgenade zich toeëigenen. Om hem daartoe kracht te schenken, dient het tweede sacrament, de confirmatie of het vormsel. De Roomsen kunnen niet bewijzen, dat Christus dit sacrament ingesteld en aan de apostelen bevolen heeft, maar zij moeten dit toch geloven omdat de kerk het zegt, en beroepen zich daarom op Hd. 8:15; 19:6; Hebr. 6:2, waar alleen sprake is van buitengewone gaven van de Heilige Geest die door de apostelen met handoplegging werden meegedeeld, gelijk uit Hd. 8:18; 10:44-45, cf.1 Cor. 14:1, 15, 37 duidelijk blijkt. Behalve in handoplegging bestaat het vormsel voorts in zalving en in het uitspreken van een formule door de bisschop, welke aan de Heilige Schrift geheel onbekend en eerst langzamerhand in de kerk ingevoerd is. Volgens Rome verleent dit sacrament nu aan de gedoopte kinderen, als zij tot het gebruik van hun rede gekomen zijn de kracht van de Heilige Geestes, om het in de doop ontvangen leven van de genade te bewaren en het geloof standvastig met woord en daad te belijden. Deze kracht van het leven wordt gevoed en versterkt door het derde sacrament, dat van het altaar of van de eucharistie genoemd, waarin Christus zelf met zijn Goddelijke en menselijke natuur tegenwoordig is, zich op onbloedige wijze voor de zonden opoffert en zijn waarachtig lichaam en bloed aan de communicanten tot voeding van hun ziel te genieten geeft. Omdat echter het leven van de genade bij de zwakheid van de mens door allerlei zonde schade kan lijden en verloren kan gaan, heeft Christus een vierde sacrament, dat van de boete, ingesteld, ten einde zijn heiligmakende genade te herstellen of te vernieuwen. Voor de instelling door Christus beroept Rome zich op de macht, welke Christus aan zijn apostelen verleend heeft om zonden te vergeven, Mt. 16:19; 18:18; Joh. 20:22-23. Nu staat deze lastgeving van Christus wel vast, maar met geen woord wordt gezegd, dat zij het karakter draagt van een sacrament; een teken ontbreekt eraan en Rome weet niet anders te zeggen dan dat het berouw, de belijdenis en de genegenheid om te voldoen het teken in dit sacrament van de boete zijn.6 Het sacrament van de boete is dan ook bij Rome een rechtbank geworden, waarin de priester de in de biecht beleden zonden, naar de maatstaf van de libri poenitentiales beoordeelt en, ofschoon van de schuld en de eeuwige straf vrijsprekend, toch met allerlei tijdelijke straffen op aarde of in het vagevuur boeten doet, die echter dan weer door aflaten kunnen worden kwijtgescholden7. Het sacrament van het heilig oliesel dient niet tot genezing van de zieke, gelijk de aangevoerde bewijsplaats Jak. 5:14, zou doen verwachten, maar tot voorbereiding van de stervende voor de dood; de zalving met heilige olijfolie duidt de zalving van de Heilige Geest, de mededeling van de genade aan, die de ziel van haar gebreken bevrijdt en tot de laatste strijd de nodige kracht verleent. Bij deze vijf sacramenten komen dan nog het sacrament van de ordening, dat de priester door een ambtelijke gave van de Heilige Geest van de leek onderscheidt en hem de macht schenkt, om in de mis brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus te veranderen en de berouwhebbende zondaar in Christus’ naam de zonden te vergeven; en het sacrament van het huwelijk, dat de echtelijke staat naar het woord van Ef. 5:25, tot een afbeeldsel van de vereniging tussen Christus en zijn gemeente maakt, daartoe de gehuwden niet alleen door de natuurlijke banden, maar door bovennatuurlijke genade aan elkaar verbindt en hun de kracht schenkt, om in wederzijdse liefde te volharden tot de dood en hun kinderen in de vreze Gods op te voeden8.

Van Protestantse zijde is dit zevental sacramenten soms bovenmate verheerlijkt9. Zelfs kwam er telkens hier en daar een streven op, om het aantal sacramenten en ceremonies uit te breiden en de Protestantse kerken met de symbolische ritus van Rome te verrijken. Toch bestaat er geen reden, om op begrip en getal van Rome’s sacramenten jaloers te zijn. Bij alle waardering van het schone, dat er zich in uitspreekt, is toch voor de Protetantse Christen dit reeds van te voren beslissend, dat voor de vijf door Rome aan doop en avondmaal toegevoegde sacramenten het Schriftuurlijk bewijs ontbreekt. Soms wordt dit van Roomse zijde openhartig erkend. Zo zegt bijv. Deharbe van het vormsel, dat wij nergens lezen, dat Christus dit sacrament ingesteld of aan zijn discipelen verordend heeft het toe te dienen.10 En dit geldt in dezelfde mate van biecht en laatste oliesel, van huwelijk en priesterwijding. Maar afgezien hiervan, wat bereikt Rome met al deze sacramenten? Het schijnt, dat de schat en de uitdeling van de genade bij Rome buitengewoon rijk is, maar feitelijk is deze zo arm, dat telkens slechts een klein gedeelte van de zonden en straffen vergeven wordt en vergeven kan worden, en dat er telkens een nieuw sacrament nodig is, om genade mee te delen en van straffen te ontslaan. Ja, al heeft men doop en avondmaal, boete en laatste oliesel genoten, dan blijft toch nog na dit leven een boetedoening in het vagevuur nodig. Zonden en straffen worden door Rome zo eindeloos verdeeld en gesplitst, dat alle sacramenten samen met de aflaten erbij daarvan nog niet volkomen bevrijden kunnen. Hier staat wel tegenover, dat de heiligen het zover kunnen brengen, dat zij zelfs oververdienen en de thesaurus meritorum vermeerderen. Maar dat is uitzondering; het is slechts mogelijk voor heiligen, die behalve de praecepta de consilia volbrengen en een uitsluitend religieus leven leiden, en verschaft hunzelf geen zekerheid of troost. De gewone Roomse Christen, die te midden van de wereld leeft, verkeert in nog grotere mate in onzekerheid; hij blijft tot zelfs na zijn dood toe tegenover God staan als tegenover een Rechter, aan wie hij te voldoen en die hij nog door allerlei boetedoeningen te verzoenen heeft. Zijn genadestaat is nooit zeker en vast; altijd verkeert hij in vrees, of hij er zich wel in bevindt en niet het volgend ogenblik eruit vallen zal. En deze onzekerheid wordt in het minst niet daardoor weggenomen, dat de sacramenten werken ex opere operato. Want ofschoon doop, confirmatie en ordening een character indelebilis schenken, de heiligende genade, die de sacramenten meedelen, is toch altijd weer verliesbaar; haar ontvangst is bij boete, communie, laatste oliesel, huwelijk van berouwvolle stemming afhankelijk; en ook, waar zij geschonken wordt, bevrijdt zij niet van alle straf; satisfactio operis blijft er altijd nog nodig, tot na dit leven in het vagevuur toe. En wat soort van genade is het, welke de Roomse Christen in het sacrament ontvangt? Geen genade van de vergeving en van de aanneming tot kinderen, maar een genade, die als een donum superadditum aan de natuur toegevoegd wordt, die nooit één wordt met de mens, en hem daarom of het klooster binnen drijft of in de wereld een dualistisch leven doet leiden. Daartegenover heeft de Protestantse Christen aan het woord en aan de twee door Christus ingestelde sacramenten genoeg. Hij heeft daarin, indien hij ze in het geloof aanneemt, de hele Christus, de volle schat van zijn verdiensten, de volkomene gerechtigheid en heiligheid, de onverbrekelijke gemeenschap met God. Van alle schuld is hij bevrijd, van alle straf ontheven. In de doop is hij daarvan verzekerd en in het avondmaal wordt hij voortdurend in dat geloof versterkt en bevestigd. Zo heeft hij geen aparte genade in confirmatie, boete en laatste oliesel meer nodig, want door woord, doop en avondmaal ontvangt hij alle genade, welke hij in leven en sterven, voor tijd en eeuwigheid behoeft. Zijn enige troost is, dat hij het eigendom van Christus is; in die troost leeft, in die troost sterft hij. Christus heeft alles voor hem volbracht; van hem wordt geen boete of straf geëist, noch in dit noch in het toekomende leven. En al deze genade, die de Christen ontvangt, staat zo weinig boven de natuur of tegen haar over, dat zij veeleer al het natuurlijke vernieuwt en heiligt. Als hij huwt, heeft hij daarom geen nieuwe, sacramentele genade nodig, want het huwelijk is krachtens zijn oorsprong heilig, en behoeft dus niet boven zijn instelling verheven, maar moet slechts in zijn natuurlijke ordening hersteld en vernieuwd worden. Of als hij een opzienersambt begeert, wordt hij niet door een sacramentele genade in een bijzondere stand ingelijfd, maar van Gods wege tot een dienst in zijn kerk geroepen en daartoe door dezelfde genade van Christus bekwaamd. In doop en avondmaal bezit de Protestantse Christen oneindig meer dan de Roomse in zijn zeven sacramenten; want niet het aantal sacramenten beslist, maar de instelling van Christus en de volheid van genade, welke Hij erin meedeelt11.

1 Calvijn, Inst. IV 14, 18.

2 Polanus, Synt. Theol. VI 50-54. Witsius, Oec. foed. 16 IV 7. 10. De Moor, Comm. V 258-267.

3 Calvijn, Inst. IV 14, 20.

4 J. T. Müller die symb. Bücher bl. 173. 202.

5 Dove art. Sakramentaljen in PRE3 XVII 381-391.

6 De Scotisten beweerden, dat contritio, confessio en satisfactio wel vooraf vereiste disposities waren voor de ontvangst van het sacrament van de absolutie, maar daarvan geen deel uitmaakten, maar de Thomisten zeiden, dat de materia van het boetesacrament niet in substanties, maar evenals bij het huwelijk in handelingen bestond, en wel in de bovengenoemde actus poenitentis. Trente besliste niet, sprak er wel van, dat contritio, confessio en satisfactio van de boeteling quasi materia huius sacramenti zijn, en dat zij behoren ad integritatem sacramenti, maar zegt, dat ze de materia ex qua vormen en tot de essentia van het sacrament behoren, Conc. Trid. XIV cap. 3 en can. 4. Verg. echter de nadere verklaring van de uitdrukking quasi materia in Cat. Rom. II 5 qu. 12, en voorts C. Pesch, Prael. VII 49 v. Pohle, Dogm. III 422 enz.

7 Verg. Deel IV; Hoofdstuk 8 (vervolg); Par. 51 Geloof en Bekering; 460 v.

8 Zie Conc. Trid. Sess. 7, 13, 14, 21-24. Catech. Rom. Pars II en de vroeger aangehaalde theologen.

9 Bijv. door Leibniz, Syst. van de Theol. Mainz 1825 bl. 195 v. Goethe, Aus meinem Leben II 179. Vilmar, Dogm. II 227. Bilderdijk, Opstellen I 61. Brieven IV 68. 174 V 42 enz.

10 Deharbe, Verklaring der Kath. Geloofs- en Zedenleer IV 174.

11 Verg. voorts over de Roomse sacramenten: Calvijn, Inst. IV 19. Chamier, Panstr. cath. Loc. IV lib. 4. Bivetus, Synopsis pur. theol. disp. 47. Turretinus, Theol. El. XIX qu. 31. De Moor, V 330 v. Gerhard, Loc. XIX 60 v. Hase, Prot. Polemik5 414 v. Tschackert, Evang. Polemik 67 v. enz.

x
This website is using cookies. Accept