Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

537. Het recht van de kinderdoop hangt uitsluitend daarvan af, hoe de Schrift de kinderen van de gelovigen beschouwt en dus wil, dat wij ze beschouwen zullen. Als de Schrirt over zulke kinderen op dezelfde wijze als over volwassen gelovigen spreekt, dan staat het recht en ook daarmee de plicht van de kinderdoop vast; want wij mogen aan kinderen niet onthouden wat wij aan volwassenen schenken. Bij de doop van kinderen is het dus niet geoorloofd, om minder, doch evenmin, om meer dan bij de doop van bejaarden te eisen. In het laatste geval zijn wij en moeten wij naar de Schrift er mee tevreden zijn, dat iemand zijn geloof belijdt. Nooit zijn wij volkomen zeker, dat iemand geen huichelaar is en dus ongerechtigd het sacrament ontvangt; maar daarover komt ons het oordeel niet toe, de intimis non judicat ecclesia. Zo is het ook bij de kinderdoop. Wie volstrekte zekerheid wil, kan nooit enig sacrament uitdelen. De vraag is alleen, of de zekerheid, dat wij in de kinderen van de gelovigen met gelovigen te doen hebben, dezelfde is als die, welke wij bezitten aangaande hen, die op volwassen leeftijd hun geloof belijden. Ene andere, sterkere zekerheid hebben wij niet nodig en mogen wij niet eisen. Zo de vraag gesteld, geeft de Schrift een duidelijk antwoord.

1. Allereerst dient de bevreemding weggenomen, dat het Nieuwe Testament nergens met zoveel woorden van de kinderdoop spreekt. Dit feit is daaruit te verklaren, dat de doop van volwassenen in de dagen van het Nieuwe Testament de regel en de kinderdoop, zo hij al voorkwam, uitzondering was. Het was de tijd, waarin de Christelijke kerk door overgang uit Jodendom en Heidendom gesticht en uitgebreid werd. En het was juist die overgang, die duidelijk in de doop afgebeeld werd. De bejaardendoop is daarom de oorspronkelijke doop; de kinderdoop is afgeleid; gene moet niet naar deze, maar deze moet naar gene worden geconformeerd. Daarmee vervalt het recht van de kinderdoop niet, noch ook heeft het voor zijn handhaving naar Roomse bewering de traditie nodig; want ook wat bij wettige gevolgtrekking uit de Schrift afgeleid wordt, is even bondig als wat er uitdrukkelijk in vermeld staat. Zo handelt de kerk ieder ogenblik in de bediening van het woord, in de praktijk van het leven, in de ontwikkeling van de leer; zij blijft nooit bij de letter staan, maar leidt uit de gegevens van de Schrift onder de leiding van de Heilige Geest gevolgtrekkingen en toepassingen af, die haar leven en ontwikkeling mogelijk maken en bevorderen. En zo handelt zij ook, als zij van de bejaardendoop tot de kinderdoop overgaat. De Schrift geeft de algemene regel aan, wanneer de doop mag en moet worden toegepast, en de kerk past dezen regel concreet in het leven toe. Zij behoeft nergens te zeggen, dat kinderen mogen gedoopt worden; zij zegt genoeg, als zij kinderen beschouwt op dezelfde wijze als volwassenen, die tot belijdenis van het geloof zijn gekomen, en nooit gewag maakt van een doopsbediening aan zulke volwassenen, die uit Christenouders geboren waren.

2. In het Oude Testament werd de besnijdenis bediend aan kinderen van het mannelijke geslacht op de achtste dag na hun geboorte. Volgens Col. 2:11-12, is deze besnijdenis vervangen door de doop. Immers de Colossers zijn, ofschoon Christenen uit de Heidenen, evengoed besneden als de Joden. Maar zij zijn besneden, niet met een vleselijke, door handen verrichte besnijdenis, doch met zulk een, welke bestaat in de uittrekking van het swma thv sarkov, van heel de vleselijke, zondige natuur. En zij heeft plaats gehad in Christus, door middel en uit kracht van de besnijdenis, welke Christus zelf ten opzichte van de zonde in zijn dood heeft ondergaan, op het ogenblik toen zij in de doop met Christus begraven en opgewekt Zijn. Door de dood van Christus heen, die een volkomen aflegging en overwinning van de zonde was en dus de idee van de besnijdenis ten volle realiseerde, is die besnijdenis verouderd en in de doop tot haar antitypische vervulling gekomen. De doop is dus meer dan de besnijdenis, niet in wezen maar in graad; de besnijdenis wees naar de dood van Christus heen, de doop wijst ernaar terug; gene eindigt, deze begint met die dood. Indien nu echter die besnijdenis reeds als teken van het verbond aan kinderen mocht en moest worden bediend, dan geldt dit a fortiori van de doop, die niet armer, maar veel rijker aan genade is. Dat komt mee daarin uit, dat het sacrament van het Oude Verbond alleen aan mannelijke, maar dat van het Nieuwe Verbond ook aan vrouwelijke personen wordt bediend; en ook de tegenstanders van de kinderdoop erkennen in dit opzicht de rijkere genade van de doop. De zonde draagt nl. bij mensen het karakter van sarx; zij openbaart zich en werkt in het vlees, vooral in de organen van de voortplanting en toont daar haar macht. De besnijdenis stelt dat in het licht, evenals ook de onreinheid van de vrouw na het baren. Maar Christus heeft door zijn dood, die de ware besnijdenis is, alle zonde weggenomen, ook die, welke aan de voortplanting kleeft; Hij heeft de vrouw in zelfstandige betrekking tot zichzelf gesteld; Hij doet haar even goed als de man in zijn genade delen; in Hem is er geen man of vrouw; en daarom worden beiden in de doop met Christus begraven en tot een nieuw leven opgewekt. En eindelijk blijkt de rijkere genade van het sacrament van het Nieuwe Verbond ook nog daarin, dat de besnijdenis eerst op de achtste dag na de geboorte mocht worden voltrokken, want de kinderen delen zolang nog in de onreinheid van de moeder; maar nu, in de dagen van het Nieuwe Testament hebben de kinderen van hun geboorte af recht op de doop, omdat zij van het eerste ogenblik van hun bestaan af delen in de genade van Christus.

3. De besnijdenis is lang niet het enige bewijs, dat het Oude Testament de kinderen beschouwt als deelgenoot en van het verbond. Heel de verbondsidee brengt deze beschouwing mee. Daarin toch is het verbond van de verkiezing onderscheiden, dat het aantoont, hoe deze zich langs organische en historische weg realiseert. Het wordt nooit alleen met één enkel persoon gesloten, maar in die enkele ook terstond met zijn zaad. Het omvat nooit de persoon van de gelovige alleen, in het afgetrokkene, maar die persoon concreet, zoals hij historisch bestaat en leeft, dus hem niet alleen, maar ook al wat van hem is; hem voor zijn persoon niet slechts, doch hem ook als vader of moeder, met zijn gezin, met zijn geld en goed, met zijn invloed en macht enz.1. Bepaaldelijk worden de kinderen in hem gerekend. Er is een gemeenschap van ouders en kinderen aan zonde en ellende. Maar er is daartegenover ook door God een gemeenschap van ouders en -kinderen aan genade en zegen gesteld. Kinderen zijn een zegen en een erfdeel van de Heere, Ps. 127:3. Zij worden altijd bij de ouders gerekend en met hen samengenomen; het gaat hun samen wel, Ex. 20:6; Deut. 1:36, 39; 4:40; 5:29; 12:25, 28. Zij dienen samen de Heere, Deut. 6:2; 30:2; 31:12-13; Jos. 24:15; Jer. 32:39; Ezech. 37:25; Zach. 10:9; de daden en inzettingen van God moeten door de ouders aan de kinderen worden overgeleverd, Ex10:2; 12:24, 26; Deut. 4:9, 10, 40; 6:7; 11:19; 29:29; Jos. 4:6, 21; 22:24-27; het verbond van God met zijn weldaden en zegeningen zet zich voort van kind tot kind en van geslacht tot geslacht, Gen. 9:12; 17:7, 9; Ex. 3:15; 12:17; 16:32, Deut. 7:9; Ps.105:8 enz.. Genade is geen erfgoed, maar zij wordt toch in de regel uitgedeeld in de lijn van de geslachten. Piorum infantibus primus ad salutem aditus est ipsa ex piis parentibus propagatio2.

4. Deze beschouwing gaat over in het Nieuwe Testament. Jezus treedt evenals Johannes met de prediking op: bekeert u en gelooft het Evangelie. Hij neemt de doop van Johannes over en verkondigt daarin, dat de Joden in weerwil van hun besnijdenis bekering en vergeving nodig hebben; de tegenstelling wordt langzamerhand zo sterk, dat Jezus heel geen verwachting meer van zijn volk heeft en het volk Hem verwerpt en hangt aan het kruis. En toch desniettegenstaande blijft Hij de kinderen beschouwen als kinderen van het verbond, Mt. 18:2v.,. Mt. 19:13v., Mt. 21:15v., Mk.10:13v., Luk. 9:48; 18:15. Hij roept ze tot zich, omhelst hen, legt hun de handen op, zegent ze, zegt dat van hun is het koninkrijk van de hemelen, stelt hen aan de volwassenen ten voorbeeld, waarschuwt dezen, om hen te ergeren, zegt dat hun engelen over hen waken, en ziet in hun Hosannageroep een vervulling van de profetie, dat God het spreken van de kinderen tot een macht heeft gemaakt, waardoor zij, die Hem haten, tot zwijgen worden gebracht, en uit hun mond zich lof, ainon naar de LXX, heeft toebereid.

5. Van dezelfde gedachte gaan de apostelen uit. Het verbond van de genade, met Israël opgericht, is wel gewijzigd, wat de bedeling betreft, maar in wezen hetzelfde gebleven. De ekklhsia is in de plaats getreden van het Oudtestamentische Israël, zij is het volk van God en God is haar God en Vader, Mt. 1:21; Luk.1:17; Hd. 3:25; Rom. 9:25-26; 11:16-21; 2 Cor. 6:16-18; Gal. 3:14-29; Ef. 2:12-13; Tit. 2:14; Hebr. 8:8-10; 1 Petr. 2:9; Op. 21:3. Evenals in het Oude Testament, zijn onder dat volk van God ook de kinderen van de gelovigen begrepen. Immers, de gemeente van het Nieuwe Testament is geen groep van individuen, maar een organisme, een lichaam, een tempel en is als zodanig, als een volk, in de plaats van Israël getreden. Zij is als een wilde olijfboom, terwijl enige takken zijn afgehouwen, op de stam van de tamme olijfboom geënt en zo zijn wortel en vettigheid deelachtig geworden, Rom. 11:16-17. Daarom gaan soms hele huisgezinnen tot het Christendom over. Het huisgezin zelf is een instelling van God, een organisch geheel, dat deelt in een gemeenschappelijke zegen of vloek. Jezus’ discipelen brengen vrede aan het huis, dat zij binnengaan, Luk. 10:6, en Hij zegt zelf, dat, als Zacheus gelooft, zijn huis zaligheid is geschied, Luk. 19:9, De apostelen leren niet alleen in de tempel, maar verkondigen het Evangelie van Christus ook telkens in de huizen, Hd. 5:42; 20:20. Met het hoofd van het gezin wordt heel het huisgezin zalig, Hd. 11:14; 16:31, en hele huisgezinnen geloven en worden gedoopt, Hd. 16:16, 34; 18:8; 1 Cor. 1:16. Hieruit is wel niet te bewijzen, dat de kinderdoop reeds door de apostelen is toegepast, maar uit het stilzwijgen is het tegendeel evenmin af te leiden; uit de vroege invoering van de kinderdoop, uit de algemene erkenning, die hij terstond gevonden heeft, en uit het getuigenis van Origenes volgt de mogelijkheid en zelfs de waarschijnlijkheid, dat hij reeds was een apostolisch gebruik. Voorts zegt Petrus, dat de belofte van het Oude Verbond, dat God de God van de gelovigen en van hun zaad zou zijn, overgaat in de bedeling van het Nieuwe Testament, Hd. 2:39. Wel geldt dit allereerst de Joden, en is er van de Heidenen eerst sprake in de woorden: en allen die daar verre zijn. Maar dit neemt niet weg, dat de Joden, die zich tot Christus bekeren, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor hun kinderen de belofte van het verbond ontvangen; en de Heidenen, die tot het geloof komen, delen in dezelfde voorrechten en staan volgens heel het Nieuwe Testament in geen enkel opzicht bij de gelovigen uit de Joden ten achteren. Volgens Paulus, 1 Cor. 7:14, zijn zelfs de kinderen uit een huisgezin, waarvan een van de beide onders gelovig is geworden, heilig. Als zulk een geval zich voordeed, moest nl. de gelovige echtgenoot niet denken, dat hij het huwelijksleven met de wederhelft niet voorzetten mocht. Integendeel, door het geloof van de ene echtgenoot wordt heel het huwelijk, wordt ook de andere echtgenoot geheiligd, hgiastai. En dit bewijst Paulus daarmee, dat immers de kinderen uit zulk een huwelijk niet akayarta maar agia zijn. Dat stond dus vast, was algemeen aangenomen en kon daarom als argument dienst doen. Kinderen in een huisgezin, waarvan vader of moeder gelovig is, worden gerekend naar de gelovige echtgenoot, zelfs al is deze de vrouw van het huis. De Christelijke belijdenis geeft in zulk een huis de toon aan; zij is de maatstaf, waarnaar heel het gezin beoordeeld moet worden; het geloof is het hogere, dat over het lagere domineert. De heiligheid, van welke Paulus hier spreekt, is niet als een subjectieve, inwendige, maar als een objectieve, theocratische te denken, want anders waren de kinderen en de man niet door de gelovige moeder en vrouw, maar door zichzelf heilig. Ook denkt Paulus hier geheel niet aan de kinderdoop, noch aan iets, dat als een grond daarvoor dienst moet doen. Maar het is er hem alleen om te doen, om aan te tonen, dat het Christelijk geloof de natuurlijke levensordeningen niet verbreekt maar bevestigt en heiligt, cf. vs. 18-24. Voor de kinderdoop is deze plaats echter in zoverre van belang, als zij leert, dat heel een gezin naar de belijdenis van de gelovige echtgenoot gerekend wordt; de gelovige heeft de roeping, om niet alleen voor zichzelf, maar met al wat het zijne is en met heel zijn gezin de Heere te dienen. Daarom worden de kinderen van de gelovigen door de apostelen ook als Christenkinderen in de Heere vermaand, Hd. 26:22; Ef. 6:1; Col. 3:20; 1 Joh. 2:13; 2 Tim. 3:15; ook kleinen kennen de Heere, Hebr. 8:11; Openb. 11:18; 19:5, en worden gesteld voor de troon, Op. 20:5. Van een neutrale opvoeding, die de kinderen op gevorderde leeftijd volkomen vrij en zelfstandig wil laten kiezen, weet de Heilige Schrift niets af3. De kinderen van de gelovigen zijn geen Heidenen, zijn ook geen duivelskinderen, die nog, gelijk Roomsen en Luthersen leren, bij de doop moeten geëxorciseerd worden4; maar het zijn kinderen van het verbond, wie de belofte even goed als de volwassenen toekomt, zij zijn in het verbond begrepen en zijn heilig nnn natura, Job 14:4; Ps. 51:7; Joh. 3:6; Ef. 2:3, ed foederis privilegio5.

6. Dit alles klemt te meer, omdat de genade, vooral in de bedeling van het Nieuwe Testament veel overvloediger is dan de zonde, Rom. 5:12-21. Indien de verwerping van de kinderdoop enkel en alleen daaruit voortkwam, dat hij niet met letterlijke woorden in de Schrift wordt geboden, zou zij met toegevendheid te beoordelen zijn. Maar gewoonlijk hangt zij met geheel andere overwegingen samen en vloeit voort uit een beperking van de genade en uit een miskenning van de katholiciteit van het Christendom. Immers stelt het Anabaptisme aan de genade, tenzij het de erfzonde ontkent en wedergeboorte voor kinderen onnodig acht, een grens in de kinderlijke leeftijd, in het nog niet gekomen zijn tot jaren van het onderscheid, dat is dus, in wetten en ordeningen, die door God zelf bij de schepping in de natuur zijn vastgesteld. Zulke perken kent echter de genade niet. Onder het Oude Testament mag zij in zekere zin binnen het volk van Israël besloten zijn geweest; temidden van dat volk was zij zo ruim mogelijk. En in het Nieuwe Testament is alle grens van volk en land, van geslacht en leeftijd, volkomen uitgewist. In Christus is geen man of vrouw, geen Jood of Griek, geen kind of grijsaard, maar alleen een nieuw schepsel. De Vader heeft de wereld liefgehad; Christus is een verzoening voor de gehele wereld en heeft ook voor kinderen zijn bloed vergoten; en de Heilige Geest, die Jezus ontvangen deed in Maria’s schoot en reeds van het eerste ogenblik van hun bestaan af aan Jeremia en Johannes geschonken werd, verg. ook Ps. 22:10-11 [Ps. 22:9-10], heeft toegang tot ieder hart en wordt daarin door geen leeftijd of jonkheid belemmerd. Kinderen kunnen daarom, zoals zij zonder hun weten van de verdoemenis in Adam deelachtig zijn, op diezelfde wijze weer in Christus tot genade aangenomen worden. Al kunnen zij niet actu geloven, zij kunnen toch wedergeboren worden en daarin tevens het vermogen van het geloof ontvangen.

7. Door dit alles is het recht en dus ook de plicht van de kinderdoop overvloedig betoogd. Want als kinderen van de gelovigen zo te beschouwen zijn, als de Schrift ons leert, dan hebben zij naar de Goddelijke instelling van de doop aanspraak op dit sacrament, in dezelfde en zelfs in sterkere mate dan de volwassenen, die belijdenis doen. Volstrekte zekerheid is er toch in geen van beide gevallen te verkrijgen. Bij de bejaarden kunnen wij evenmin over het hart oordelen als bij de kinderen. Er is voor ons, die aan het uitwendige gebonden zijn, altijd slechts mogelijk een oordeel der liefde. Naar dat oordeel houden wij hen, die belijdenis doen, voor gelovigen en delen hun de sacramenten uit; en naar datzelfde oordeel rekenen wij de kinderen van de gelovigen tot de gelovigen zelf, omdat zij met hun ouders in het verbond van de genade begrepen zijn. Zelfs is de waarschijnlijkheid, dat de gedoopten ware gelovigen zijn, bij de kinderen groter dan bij de volwassenen. Want niet alleen sluipt in een baptistische kerk de verzwakking van de betekenis van de doop, de verwaarlozing van de tucht en de dodende macht van de gewoonte evengoed in als in een kerk, die de kinderdoop in praktijk brengt; maar bijna de helft van de mensen sterft weg, voordat zij tot de jaren van het onderscheid zijn gekomen. Voor die allen ligt er in de Schrift, in zoverre zij in het verbond van de genade begrepen zijn, een belofte van de Heere, welke zij niet met bewustheid en vrijwillig verwerpen kunnen. Indien zij vóór de tijd, waarop zij dat doen kunnen, sterven, mogen godzalige ouders aan hun verkiezing en zaligheid niet twijfelen6. En zelfs bij die kinderen, die opwassen, mag en moet zolang naar het oordeel van de liefde, welke in de kerk van Christus heersen moet, aan hun zaligheid worden geloofd, als het tegendeel niet duidelijk blijkt. Uit de kinderen van de gelovigen wordt toch voortdurend de gemeente, de vergadering van de ware Christgeloovigen, gebouwd.

8. Daarbij mag echter nooit vergeten worden, dat dit zowel bij volwassenen als bij kinderen een oordeel van de liefde is. Het is geen onfeilbare uitspraak, die de zaligheid van elke gedoopte vaststelt, maar alleen een regel, waarnaar de Schrift gebiedt, dat wij in de praktijk van het kerkelijk leven handelen zullen. Grond voor de doop is niet het vermoeden, dat iemand wedergeboren is en zelfs die wedergeboorte zelf niet, maar alleen het verbond van God. Op de subjectieve opinie van de dienaar van het woord over de geestelijke staat van de dopeling komt het geheel niet aan; of hij al dan niet voor zichzelf overtuigd is van de oprechtheid van het geloof bij de dopeling, hij heeft daarmee niet te rekenen, maar te handelen naar de geopenbaarde wil van God en de regel van zijn woord. Maar bovendien het baat niets, de ogen te sluiten voor het feit, dat de doop menigmaal toebediend wordt aan zulken, die later blijken niet te wandelen in de weg van het verbond. Schrift en ervaring leren beide, dat niet alles Israël is wat Israël heet, dat er kaf is onder het koren, dat er in het huis van God niet alleen gouden en zilveren, maar ook aarden vaten zijn. Lang niet allen waren daarom wedergeboren, toen zij de doop ontvingen. Zelfs is het niet te bewijzen, dat de uitverkorenen altijd in hun jeugd, vóór de doop of zelfs vóór de geboorte, door de Heilige Geest zijn wedergeboren; God is vrij in de uitdeling van zijn genade en kan de vrucht van de doop ook op veel later leeftijd doen genieten. Daarom blijft er ook in de Christelijke gemeente plaats voor de prediking van het Evangelie, van wedergeboorte, geloof en bekering. De profeten, Johannes de Doper en Jezus zijn daarmee opgetreden te midden van hun volk, dat toch het eigendom van de Heere was; en ook de apostelen hebben het woord niet slechts bediend, om het verborgen leven tot openbaring te brengen, maar het ook als een zaad van de wedergeboorte en als een middel tot werking van het geloof gepredikt7.

9. Toch mag daarom het wezen van de doop niet afhankelijk gesteld worden van zijn uitwerking in het leven. Evenals het oprechte geloof blijft wat het naar de beschrijving van de Heid. Cat. is, ook al vertoont de werkelijkheid er allerlei afwijkingen en misvormingen van, zo ook is de doop en mag hij niet anders wezen dan wat de Schrift er van leert. De echte, wezenlijke, Christelijke doop is die, welke aan gelovigen toebediend wordt. Ofschoon de doop, evenals de uitwendige roeping, ook voor de ongelovigen nog menigen zegen afwerpt, toch wordt zijn echte vrucht en volle kracht alleen door de gelovigen genoten. Objectief blijft de doop, evenals het woord, hetzelfde. Wie het woord, en zo ook wie de doop in het geloof ontvangt, krijgt werkelijk deel aan de beloften, die God er mee verbonden heeft. God blijft zichzelf getrouw en schenkt de zaligheid aan een iegelijk, die gelooft. Maar niet allen hebben het geloof. Tenslotte wordt de vrucht van de doop alleen genoten door hen, die uitverkoren zijn en daarom op ‘s Heeren tijd ook komen tot het geloof. In die uitkomst moeten allen berusten, hetzij zij Rooms of Protestant, Luthers of Gereformeerd zijn. Sacramenta in solis electis efficiunt quod figurant, zei Augustinus, en de scholastiek sprak het hem na8. De uitverkorenen hebben het gegrepen, maar de anderen zijn verhard geworden. De kinderen van de belofte worden voor het zaad gerekend.

10. De weldaden van de doop zijn bij kinderen dezelfde als bij volwassenen, nl. de vergeving van de zonde, de wedergeboorte en de inlijving in de gemeente van Christus. En deze worden niet eerst in de doop geschonken, maar zijn reeds door het geloof het deel van hem, die overeenkomstig de wil van God de doop ontvangt. De doop schenkt geen enkele weldaad, welke niet in het woord reeds beloofd en door het geloof werd aangenomen, maar hij schenkt dezelfde weldaden als het woord slechts op een andere wijze en in een andere vorm, zodat het geloof, naar de mate, welke God aan een ieder geschonken heeft, er door bevestigd en versterkt wordt. Ook voor kinderen gaat deze regel door. Want zoals zij onbewust door de Heilige Geest wedergeboren en met het geloofsvermogen begiftigd kunnen worden, zo kunnen zij ook door diezelfde Heilige Geest buiten hun weten in dat geloofsvermogen versterkt worden. Er is hier, als op zo menig terrein, een geheimzinnige Wechselwirkung. Gelijk het licht en het oog elkaar onderstellen en steunen, zo geniet het geloof van het sacrament te meer, naarmate het sterker is en wordt er tevens in diezelfde mate door verzegeld en bekrachtigd. De sacramenten nemen daarom voor de gelovige, als hij opwast, niet langzamerhand in betekenis af, maar winnen voortdurend voor hem aan waarde. Zij spreiden altijd schoner en heerlijker voor het oog van het geloof de rijkdom van Gods genade ten toon. Zij zijn voor ieder gelovige en voor heel de kerk een bewijs van ontvangen genade, een teken van Gods trouw, een pleitgrond voor het gebed, een steunpilaar voor het geloof, een vermaning tot nieuwe gehoorzaamheid9.

1 Verg. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 45 Het Verbond der Genade; 350.

2 Beza, Reep. ad coll. Mompelg. II 103, bij Gerhard, Loci theol. XX 211.

3 Conc. Trid., de bapt. c. 14.

4 Verg. Kawerau, art. Exorcismus bei der Taufe, PRE3 V 695-700. J. Dölger, Der Exorcismus im altchr. Taufritual. Paderborn 1909.

5 Heid. Catech. vr. 74. Can. Dordr. I 17.

6 Can. Dordr. I 17. Verg. Voetius, Disp. II 408, 417. M. Vitringa, Doctr. lI. 51.

7 Verg. Deel IV; Hoofdstuk 8 (vervolg); Par. 50 De Heilsorde; 441 en voorts nog A. M. Diermanse, De uitverkoren kinderen wedergeboren. ‘s Grav. 1906.

8 Ook Lombardus, Thomas, Bonaventura op Sent. IV, en ook Calvijn, op Ef. 5:26. Inst. IV 14, 9, 10. C. R. VII 694. Beza, Tract. III 124. Voetius, Disp. II 408. Wemst. Conf. 28, 6. M. Vitringa VI 90. VII 378.

9 Verg. voorts over de kinderdoop: Calvijn, Inst. IV c. 16. Ursinus, Tract. theol. 1584 bl. 597-619. Junius, Theses Theol. 52. G. J. Vossius, Disput. XX de baptismo, disp. 13. C. Vitringa, Observ. Sacrae lib. II c. 6. Turretinus, Theol. el. XIX qu. 20. De Moor, V 476. M. Vitringa VII 99. Martensen, De Kinderdoop 1842. Wormser, De Kinderdoop 1853. Pieters en Kreulen, De Kinderdoop 1861. Van Oosterzee, Dogm. par. 138. Kuyper, Heraut 652 v. enz.

x
This website is using cookies. Accept