Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

544. Ofschoon het avondmaal dus een wezenlijke maaltijd is, heeft het als zodanig toch een eigen, geestelijke betekenis en bestemming. Christus heeft het niet ingesteld, opdat het lichamelijk, maar opdat het geestelijk ons voeden zou. Voordat Hij brood en wijn uitdeelde, zegende Hij beide en zei, dat het brood zijn lichaam, en de wijn zijn bloed was; als zodanig, als zijn verbroken lichaam en vergoten bloed, moeten brood en wijn door zijn jongeren genomen en genoten worden. De materia sacramenti, de betekende zaak in het avondmaal is dus het lichaam en bloed van Christus, gelijk het in zijn offerdood voor de gemeente gebroken en vergoten is tot vergeving van de zonden, dat is de gekruiste en gestorven Christus met al de door zijn dood verworven weldaden en zegeningen, ipse Christus cum omnibus suis beneficiis1. In de morele, rationalistische opvatting van het avondmaal komt deze betekenis niet tot haar recht. Immers 1 het avondmaal is ook wel een gedachtenismaaltijd, doch dit is het eerst op grond daarvan, dat Christus brood en wijn tot tekenen van zijn bloed heeft ingesteld. Het komt in de eerste plaats bij het avondmaal aan, niet op wat wij doen, maar op hetgeen God doet. Vóór alles is het avondmaal een gave van God, een weldaad van Christus, een middel voor zijn genade. Als het avondmaal niets dan een gedachtenismaal en een belijdenisacte was, zou het ophouden een sacrament in eigenlijke zin te zijn; slechts zijdelings en indirect was het dan, evenals het gebed, een middel van de genade te noemen. Het avondmaal staat echter met woord en doop op één lijn en is dus allereerst, evenals deze, als een prediking en verzekering van Gods genade aan ons te beschouwen. 2. Christus verheft brood en wijn niet in het algemeen tot tekenen van zijn lichaam en bloed, maar Hij doet dit bepaald ten aanzien van dat brood en die wijn, welke Hij in de hand houdt en aan zijn discipelen mededeelt. En Hij zegt niet, dat zij in dat brood en die wijn zijn lichaam en bloed slechts hebben te zien, maar verklaart uitdrukkelijk, dat zij beide als zodanig nemen, eten en drinken moeten. Hij maakt er een maaltijd van, waarin de discipelen zijn lichaam en bloed genieten en dus met Hem in de innigste gemeenschap treden. Die gemeenschap bestaat niet daarin alleen, dat zij samen aan één tafel aanzitten, maar zij eten van één brood en drinken van één wijn; ja de gastheer biedt onder tekenen van brood en wijn zijn eigen lichaam en bloed tot spijze en drank van hun zielen aan. Dat is een gemeenschap, welke die in een gedachtenismaal en belijdenisakte zeer ver overtreft. Zij is geen herinnering slechts aan, geen overdenking van Christus’ weldaden, maar zij is een allerinnigst verband met Christus zelf, zoals de spijze en drank zich verenigt met ons lichaam. 3. In het avondmaal ontvangen wij wel geen andere en meerdere, maar toch ook geen mindere weldaden dan in het woord. Nu heeft Jezus Joh. 6:47-58, uitdrukkelijk gezegd, dat wij in het woord en door het geloof zijn vlees eten en zijn bloed drinken en zo het eeuwige leven ontvangen. Al is er nu in Joh. 6 niet rechtstreeks van het avondmaal sprake, toch mag en kan het dienen tot verklaring van dit tweede sacrament. Door het woord en het geloof krijgen wij zulk een innige gemeenschap met Christus, met zijn lichaam en bloed, als er ontstaat tussen de spijze en degene, die haar geniet. En dit is de leer niet alleen van Joh. 6, maar van heel de Schrift. Het woord schenkt in letterlijke zin die gemeenschap niet noch ook het geloof, maar God heeft zich verbonden, om degene, die zijn woord gelooft, zijn gemeenschap in Christus en al de daaraan verbonden weldaden mee te delen. Terecht merkte daarom Calvijn tegen Zwingli op, dat het eten van Christus’ lichaam en het drinken van zijn bloed niet in het geloven opgaat. Het geloven is een middel, een middel zelfs dat tijdelijk is en eens in aanschouwen overgaat, maar de gemeenschap met Christus, die daardoor ontstaat, gaat veel dieper en duurt in eeuwigheid. Zij is een unio mystica, die ons slechts enigszins duidelijk is te maken onder de beelden van wijnstok en rank, hoofd en lichaam, bruidegom en bruid, hoeksteen en gebouw. En het is deze unio mystica, welke in het avondmaal betekend en verzegeld wordt.

De Christelijke kerk heeft deze unio mystica zo goed als eenparig in het avondmaal gehandhaafd; Griekse en Roomse, Lutherse en Gereformeerde Christenen zijn daarin met elkaar eenstemmig, dat er in het avondmaal een objectieve en reëele mededeling plaats heeft van de persoon en de weldaden van Christus aan een iegelijk, die gelooft. Maar onderling verschillen zij zeer over de wijze, waarop de mededeling geschiedt. De eerstgenoemden zijn niet tevreden, tenzij het lichaam en bloed van Christus ook fysiek en lokaal in de tekenen aanwezig zijn en door de lichamelijke mond ontvangen en genoten worden. De Gereformeerden echter leren, dat Christus in het avondmaal wel waarachtig en wezenlijk aan de gelovigen meegedeeld wordt, maar op een geestelijke wijze en zo, dat Hij alleen door de mond van het geloof ontvangen en genoten kan worden. En daarvoor levert de Schrift overvloedige bewijzen. 1. In de woorden touto esti to swma mou kan het subject touto op niets anders slaan dan op het brood, hetwelk Jezus in de hand houdt. Het predikaat is to swma mou en duidt daarmee op het eigen lichaam van Christus, dat Hij uit Maria aangenomen en voor de zijnen in de dood heeft overgegeven. De copula is esti, welke door Jezus in het Aramees in het geheel niet is uitgesproken, maar in elk geval twee disparate begrippen, brood en lichaam, verbindt en dus geen copula van het werkelijk zijn kán wezen. Zo moet esti hier dus significatieve, figuratieve betekenis hebben, want disparatum de disparato non potest praedicari nisi figurate. De zin bevat een tropus, en deze ligt niet in het subject of in het predikaat, maar zoals Zwingli juist inzag, in de copula esti, evenals dat in de Schrift zo dikwijls het geval is, bijv. Gen. 17:13; 41:26-27; Ex.12:11; Ezech. 5:5; Luk. 12:1; Joh. 10:9; 15:1, enz., Gal. 4:24; 1 Cor. 10:4; Hebr. 10:20; Op.1:20 enz.. En dat bij de instellingswoorden zulk een tropus moet aangenomen worden, wordt ten overvloede nog daaruit bewezen, dat Jezus volgens Lukas en Paulus bij het tweede teken niet zegt: deze wijn, maar deze drinkbeker is het nieuwe testament in mijn bloed. Zelfs de Roomsen en Luthersen zijn gedwongen, hier een tropus aan te nemen. 2. Wanneer het subject touto niet slaat op het natuurlijk brood en op de natuurlijke wijn, maar reeds op de substantie van Jezus’ lichaam en bloed, welke onder de vorm of binnen in de tekenen van brood en wijn verborgen zijn, dan zijn brood en wijn reeds in Jezus’ lichaam en bloed veranderd of hebben zij deze reeds in zich opgenomen, voordat de woorden: dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed, uitgesproken zijn, en verliezen zij al de kracht en waarde, welke Roomsen en Luthersen eraan toekennen. Immers is de trans- of consubstantiatie dan niet door die woorden tot stand gekomen, maar reeds daaraan voorafgegaan; en de woorden, waarop zoveel nadruk valt, houden niets dan een verklaring in van wat reeds bestaat en vroeger tot stand kwam. Moeilijk, ja onmogelijk is dan te zeggen, wanneer en hoe de trans- of consubstantiatie tot stand kwam; want wel is er van voorafgaande zegening en dankzegging sprake, maar de inhoud daarvan is met geen enkel woord vermeld; wij weten volstrekt niet, wat Jezus daarin gezegd heeft en dus ook niet, wat wij moeten zeggen, om de trans- en consubstantiatie tot stand te doen komen. En bovendien, als Paulus 1 Cor. 10:16, zegt: de drinkbeker, die wij zegenen, is gemeenschap aan het bloed van Christus, dan gaat hij van de veronderstelling uit, dat de drinkbeker wijn en geen bloed bevat, want anders konden wij hem niet zegenen, en dat hij als zodanig, als wijn bevattende, door de zegening gemeenschap is aan Christus’ bloed. 3. De woorden, die Jezus bij de instelling van het avondmaal gesproken heeft, zijn als geen vaststaande formule bedoeld. Dat blijkt daaruit, dat Mattheüs, Markus, Lukas en Paulus ze in verschillende lezing weergeven en dat het liturgisch gebruik van de Christelijke kerken onderling allerlei afwijking vertoont. Volgens de Griekse kerk behoort de zogenaamde epiklese, de aanroeping van de Heilige Geest, wezenlijk tot de woorden van de consecratie2, terwijl volgens Rome de transsubstantiatie tot stand komt door het uitspreken van de woorden: hoc enim est corpus meum, waarbij het woordje enim willekeurig is ingevoegd en de woorden: dat voor u verbroken wordt, willekeurig zijn weggelaten. Veel minder is nog te bewijzen, dat de woorden—onderstel, dat vaststondt welke bepaald te bezigen waren—een consecratorische, operatieve, conversieve kracht bezitten. Want Jezus zegt niet: dit wordt, maar: dit is mijn lichaam en heeft dus reeds te voren het brood van het gemene gebruik afgezonderd en door zegening en dankzegging voor een hoger doel bestemd. 4. Toen Jezus het avondmaal instelde, zat Hij lichamelijk met zijn discipelen aan de dis. Dezen konden daarom niet op de gedachte komen, dat zij met de lichamelijke mond Jezus’ eigen lichaam en bloed genoten, en konden nog veel minder dat lichaam zelf eten en dat bloed drinken. Het baat niets, om met Filippi te zeggen, dat zij über das Mass ihres gewöhnlichen Verständnisses durch den erleuchtenden Geist emporgehoben wurden3, of met Hollaz, dat Jezus naturali modo aan tafel zat, maar sacramentaliter zich te eten gaf4. Want niet alleen staat hier niets van in de Schrift, maar de vraag loopt juist over de wijze, waarop Jezus bij het eerste avondmaal zijn lichaam en bloed te genieten gaf en mag niet met een petitio principii beantwoord worden. Indien de wijze, waarop Roomsen en Luthersen met hun trans- en consubstantiatie zich dit genieten van Jezus’ lichaam en bloed voorstellen, door het eerste avondmaal uitgesloten of daarbij niet anders dan door een beroep op een wonder of door allerlei uitvluchten, waarvoor de Schrift geen grond biedt, kan gehandhaafd worden, dan behoort zij door de Christen, die aan Gods woord zich onderwerpt, te worden losgelaten. En indien bij het eerste avondmaal geen trans- of consubstantiatie en geen manducatio oralis plaats had, dan mag zij ook niet aangenomen worden bij het avondmaal, dat de Christelijke kerk na Jezus’ dood op zijn bevel en naar zijn instelling viert. 5. Evenzeer toch als met zijn lichamelijk aanzitten aan de dis, is de trans- en consubstantiatie thans met zijn lichamelijke hemelvaart en met zijn plaatselijk verblijf in de hemel in strijd. Indien toch brood en wijn bij het avondmaal in Jezus’ lichaam en bloed veranderd worden of deze in zich opnemen, moet dat lichaam uit de hemel neerdalen of reeds, naar de Lutherse ubiquiteitsleer5, van te voren overal aanwezig zijn. In het laatste geval is er toch nog weer een akte nodig, waardoor de tegenwoordigheid van Christus’ lichaam in het avondmaal op een bijzondere wijze teweeggebracht wordt, want de ubiquiteit is daarvoor uiteraard niet voldoende; en daarom zeiden Luther, Brenz e.a., dat het nog iets anders is, wenn Gott da ist und wenn er dir da ist. Dann aber ist er dir da, wenn er sein Wort dazu tut und bindet sich damit an und spricht: hie sollst du mich finden6. Het woord bewerkt dus bij Rome en bij Luther een zodanige tegenwoordigheid van Christus’ lichaam en bloed in het avondmaal, dat Hij niet alleen lichamelijk in de hemel, maar ook op aarde, in de tekenen van brood en wijn aanwezig is. En deze tegenwoordigheid van Christus in het avondmaal wordt bovendien dan nog zo gedacht, dat Christus geheel, niet alleen naar zijn Goddelijke maar ook naar zijn menselijke natuur, aanwezig is in elk avondmaal, waar en wanneer het gevierd wordt; dat Hij met zijn hele Goddelijke en menselijke natuur aanwezig is in elk teken van het avondmaal, ja in elk deeltje van het brood en in elke druppel van de wijn, totus in tota hostia et in qualibet parte. Dit nu is een eindeloze multiplicatie van Christus, die met de leer van de Schrift over zijn menselijke natuur, over zijn hemelvaart en over zijn verblijf in de hemel in lijnrechte strijd is. Want zeker is die menselijke natuur bij de opstanding en de hemelvaart verheerlijkt, maar daarom niet van haar wezenlijke eigenschappen van eindigheid en beperktheid beroofd. Jezus stelt juist het avondmaal tot zijn gedachtenis in, omdat Hij heengaat en straks niet meer lichamelijk bij zijn jongeren zal zijn, zoals Hij elders ook uitdrukkelijk verklaart, Mt. 26:11. En bij de hemelvaart voer Hij heen en werd Hij opgenomen, Hd. 1:9-11, en de hemel, die een plaats is, Joh.14:2, 4; 17:24; Hd. 7:56; Col. 3:1; Ef. 4:10; Hebr. 7:26, om daar te blijven tot zijn parousie, Hd. 1:11; Phil. 3:20; 1 Thess. 1:10; 4:16. 6. Al was Christus echter in het avondmaal lichamelijk en plaatselijk tegenwoordig, men ziet niet in, waartoe dit nodig en dienstig is. Het nut van de manducatio oralis is op generlei wijze aan te tonen7. Onderstel al, dat wij met de lichamelijke mond Jezus’ eigen lichaam eten, wat bate hebben wij daarvan? Het komt toch in het avondmaal daarop aan, dat onze ziel, dat ons geestelijk leven gevoed en versterkt wordt. En dit kan uit de aard van de zaak niet geschieden door het eten van Christus’ lichaam met de lichamelijke mond; want wat wij daarmee eten, gaat deels in bestanddelen van ons lichaam over en wordt deels uitgeworpen. Nieuwere theologen zijn daarom op de gedachte gekomen, dat de manducatio oralis van Christus’ lichaam de kiem van een nieuw, van een opstandingslichaam in ons plantte. Maar deze voorstelling druist geheel tegen de Schrift in en is vrucht van een valse theosofie. Toch, als deze vrucht niet aan het eten van Christus’ lichaam verbonden is, is er geen andere aan te wijzen. De manducatio oralis is onnut en ijdel en in de grond, hoezeer men het bestrijdt, kapernaïtisch. De Kapernaïeten konden zich geen ander eten van Jezus’ vlees voorstellen dan met de lichamelijken mond, Joh. 6:41, 52. En al nemen Roomsen en Luthersen wel terdege een geestelijk eten van Jezus’ lichaam aan, zij verbinden dit toch met, zij maken het toch afhankelijk van het lichamelijk eten, zonder de wijze van die verbinding of de aard van die afhankelijkheid ook maar enigszins duidelijk te maken. Jezus bedoelde echter in de hele rede, die Hij tegen de Kapernaïeten houdt, niet anders dan een geestelijk eten, een eten door het geloof en maakt van een lichamelijk eten met geen woord gewag.

1 Heppe, Dogm. 466.

2 Schwane, D. G. II 810. Kattenbusch, Vergl. Conf. i413

3 Philippi, Kirchl. Gl. V 2 bl. 451.

4 Hollaz, Ex, theol. bl. 1119.

5 Verg. Hunzinger, art. Ubiquität in PRE3 XX 182-196.

6 Bij Hunzinger, t.a.p. bl. 188-189.

7 Verg. Köstlin, Luthers Theol. II 516.

x
This website is using cookies. Accept