Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

564. Deze Messiaanse verwachtingen van het Oude Testament dragen, zoals ieder terstond inziet, een zeer eigenaardig karakter; zij bepalen zich tot een toekomstige zaligheid op aarde. In het Oude Testament mag een enkele maal de gelovige zijn hoop uitspreken, dat hij na zijn dood in eeuwige heerlijkheid zal worden opgenomen, deze verwachting is individueel en staat op zichzelf; doorgaans richt het oog van de profetie zich naar die toekomst heen, waarin het volk van Israël onder de koning uit Davids huis veilig in Palestina wonen en over alle natiën van de aarde heersen zal. Van een opneming van de gelovigen aan het einde van de tijden in de hemel der heerlijkheid is geen sprake; de zaligheid wordt niet in de hemel, maar op aarde verwacht. In verband daarmee kent de Oudtestamentische profetie slechts één komst van de Messias. Wel weet zij, dat de Gezalfde uit Davids huis geboren zal worden, als dit huis tot verval gekomen is, en dat Hij aan het lijden van zijn volk deel zal hebben, ja dat Hij als knecht van de Heere voor zijn volk lijden en zijn ongerechtigheden dragen zal; Hij zal een heel ander koning zijn dan de vorsten van de aarde, nederig, zachtmoedig, recht doende, zijn volk beschermende; Hij zal niet alleen koning, maar tevens profeet en priester zijn. Maar de Oudtestamentische profetie scheidt in het leven van de Messias de staat van de vernedering en de staat van de verhoging nimmer van één; zij vat beide in één beeld samen; zij onderscheidt geen eerste en tweede komst en stelt de laatste, die ten gerichte is, niet geruime tijd na de eerste, welke ter behoudenis strekt. Het is één komst, waarbij de Messias aan zijn volk de gerechtigheid en de zaligheid schenkt en het tot heerschappij brengt over alle volken van de aarde. Het rijk, dat Hij komt stichten, is daarom ook het voltooide Godsrijk. Zelf zal Hij wel als koning over zijn volk regeren, maar Hij is dan toch niets meer dan een theocratisch koning, die niet eigenmachtig heerst, maar in volstrekte zin Gods regering verwezenlijkt. De Oudtestamentische profetie maakt geen temporeel onderscheid tussen een Christus- en een Godsregering; zij verwacht niet, dat de Messias uit Davids huis, na tijdelijk geregeerd te hebben, zijn koninkrijk aan God overdraagt; zij houdt de toekomst, welke zij schildert in het Messiaanse rijk, niet voor een tussentoestand, die aan het einde voor een Godsregering in de hemel plaats moet maken; zij beschouwt het Messiaanse rijk als de eindtoestand en laat duidelijk het gericht over de vijanden, het afslaan van de laatste aanval, de verandering van de natuur, de opstanding uit de dood en aan de stichting en bevestiging van dit rijk voorafgaan. En dit rijk wordt door de profeten geschetst in verven en kleuren, onder vormen en beelden, welke alle ontleend zijn aan de historische omstandigheden, onder welke zij leefden. Palestina zal hernomen, Jeruzalem herbouwd, de tempel met zijn offerdienst hersteld, Edom en Moab en Ammon, Assur en Babel onderworpen, aan alle burgers een lang leven, een rustig nederzitten onder wijnstok en vijgenboom geschonken worden; het beeld van de toekomst is door en door Oudtestamentisch, het is geheel en al historisch en nationaal bepaald. Maar in die aardse, zinnelijke vormen legt de profetie een eeuwige inhoud; de schaal wordt drager van een onvergankelijke kern, die ook in het Oude Testament er soms door heenbreekt. Terugkeer uit de ballingschap en waarachtige bekering vallen samen; de religieuze en de politieke zijde van Israëls overwinning over de vijanden zijn ten nauwste verbonden; de Messias is een aards vorst, maar ook een eeuwig koning, een koning van de gerechtigheid, een eeuwig vader voor zijn volk, een vredevorst, een priesterkoning; de vijanden worden aan Israël onderworpen, maar erkennen daarin, dat de Heere God is en dienen Hem in zijn tempel; deze tempel met zijn priesterschap en offerdienst zijn het zichtbaar bewijs, dat alle burgers van het rijk met een nieuw hart en een nieuw geest de Heere dienen en wandelen in zijn wegen; en de buitengewone vruchtbaarheid van het land onderstelt een hele verandering van de natuur, de schepping van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont.

Het latere Jodendom bracht in deze Oudtestamentische verwachtingen allerlei wijzigingen aan. Van zijn politieke heerschappij beroofd en onder de volken verstrooid, begon het meer en meer rekening te houden met het toekomstig lot van de individuen en breidde zijn gezichtskring tot de mensheid en tot heel de wereld uit. Israël zou wel eenmaal op grond van zijn eigen, wettische gerechtigheid door de Messias tot een politieke heerschappij over alle volken gebracht worden; maar dit Messiaanse rijk droeg een voorlopig, tijdelijk karakter en zo aan het einde plaats maken voor een rijk van God, voor een zaligheid van de rechtvaardigen in de hemel, welke door de opstanding van alle mensen en door het algemene wereldgericht werd ingeleid. De politieke en de religieuze zijde, welke in het profetische beeld van de toekomst ten nauwste verenigd waren, werden op die wijze uiteengerukt. Israël verwachtte in Jezus’ dagen een zinnelijk, aards Messiasrijk, welks toestand in de vormen en beelde van de Oudtestamentische profetie beschreven werd. Maar deze beelden en vormen werden nu in letterlijke zin opgevat; de schaal werd met de kern, de zaak met het beeld, het wezen met de vorm verwisseld; het Messiaanse rijk werd een politieke heerschappij van Israël over de volken, een periode van uitwendige voorspoed en bloei. En aan het einde daarvan had eerst na de algemene op standing het wereldgericht plaats, waarbij een ieder geoordeeld werd naar zijn werken en of de zaligheid in de hemel tot loon of de pijniging in de gehenna tot straf voor zijn daden ontving. Op die wijze ontstond de leer van het Chiliasme. Wel blijft een groot gedeelte van de Joodse apocriefe literatuur nog bij de Oudtestamentische verwachtingen staan. Maar dikwijls, vooral in de Apoc. van Baruch en in het vierde boek van Ezra, komt toch de voorstelling voor, dat de heerlijkheid van het Messiaanse rijk de laatste en de hoogste niet is, maar na een bepaalde tijd, die menigmaal berekend en in de Talmud bijv. op 400 of op 1000 jaren gesteld wordt, voor de hemelse zaligheid van het Godsrijk plaats maken zal. Het Chiliasme is dus niet van Christelijke, maar van Joodse en voorts ook van Perzische oorsprong1. Het berust altijd op een compromis tussen de verwachtingen van een aardse en van een hemelse zaligheid en tracht de Oudtestamentische profetie in die zin tot haar recht te laten komen, dat het door haar een aards Messiasrijk voorspeld acht, hetwelk na een bestemde tijd door het Godsrijk vervangen zal worden. De sterkte van het Chiliasme schijnt nu wel het Oude Testament te zijn, maar feitelijk is dit niet zo; het Oude Testament is beslist niet chiliastisch, het tekent in het Messiasrijk het voltooide Godsrijk, dat zonder einde is en eeuwig duurt, Dan. 2:44, en dat door gericht, opstanding en wereldvernieuwing voorafgegaan wordt. Desniettemin vond het bij de Joden en ook bij vele Christenen geloof en kwam telkens weer op, als de wereld haar Gode vijandige macht ontwikkelde en de kerk deed lijden onder vervolging en druk. In de oudste tijd treffen wij het aan bij Cerinthus, in het testament van de XII patriarchen, bij de Ebionieten, bij Barnabas, Papias, Irenaeus, Hippolytus, Apollinaris, Commodianus, Lactantius, Victorinus. Maar het Montanisme maande tot voorzichtigheid; Gnostieken, Alexandrijnse theologen en vooral ook Augustinus bestreden het ten sterkste, en de veranderde toestand van de kerk, die de wereldmacht overwonnen had en zichzelf hoe langer hoe meer voor het Godsrijk op aarde hield, deed het langzamerhand geheel uitsterven. Bij vernieuwing kwam het op vóór en tijdens de Reformatie, toen velen Rome als de valse hoer en de paus als de antichrist gingen beschouwen; het herleefde bij de Wederdopers, de Davidjoristen, de Socinianen, en stierf sedert niet meer uit, ofschoon de officiële kerken het verwierpen. De politieke beroeringen, de godsdienstoorlogen, de vervolgingen, de sectarische bewegingen schonken er telkens nieuw leven aan. In Boheme werd het gepredikt door Paul Felgenhauer en Comenius; in Duitsland door Jakob Bahroe, Ezechiël Meth, Gichtel, Petersen, Horche, Spener, J. Lange, S. Kanig; in Engeland door Joh. Archer, Newton, Joseph Mede, Jane Leade en vele Independenten; in Nederland door Labadie, Ant. Bourignon, Poiret enz. Zelfs Gereformeerde theologen neigden tot een gematigd Chiliasme, zoals Piscator, Alsted, Jurieu, Barnet, Whiston, Serarius, Coccejus, Groenewegen, Jac. Alting, d’Outrein, Vitringa, Brakel, Jungius, Mommers e.a2. In de 18e en 19e eeuw vond het onder de druk van de maatschappelijke en staatkundige revolutiën niet alleen ingang bij de Swedenborgianen, de Darbysten, de Irvingianen, de Mormonen, de Adventisten enz., maar werd het na de realistische richting, ingeslagen door Bengel, Oetinger, Ph. M. Hahn, J. M. Hahn, Hasenkamp, Menken, Jung-Stilling, J. F. von Meyer enz., ook omhelsd door vele theologen in de kerken van de Reformatie3.

De grondgedachten van het Chiliasme zijn vrijwel bij allen dezelfde; zij komen hierop neer, dat er een tweeërlei wederkomst van Christus en een dubbele opstanding te onderscheiden valt; dat Christus bij zijn eerste wederkomst de antichristelijke macht overwinnen, de Satan binden, de gestorven gelovigen opwekken, de gemeente, inzonderheid de gemeente van het bekeerde en naar Palestina teruggebrachte Israël rondom zich vergaderen, van uit die gemeente over de wereld heersen en voor zijn volk een tijdperk van geestelijke bloei en stoffelijke welvaart zal doen aanbreken; en dat Hij aan het einde van die tijd nog eenmaal wederkomen zal, om alle mensen uit de dood op te wekken, voor zijn richterstoel te oordelen en hun eeuwig lot te bepalen. Maar deze grondgedachten laten toch allerlei wijzigingen toe. De aanvang van het duizendjarig rijk werd verschillend bepaald; op voorgang van de brief van Barnabas leerden vele kerkvaders en later ook de Coccejanen, dat het beginnen zou met het zevende millennium van de wereld; de Fifth-monarchmen lieten het beginnen na de val van het vierde wereldrijk; Hippolytus stelde zijn begin in het jaar 500, Groenewegen in 1700, Whiston in 1715 en later in 1766, Jurieu in 1785, Bengel in 1836, Stilling in 1816 enz. De duur werd bepaald op 400 (4 Ezra) of 600 (Evang. van Nicodemus) of duizend (Talmud enz.) of tweemaal duizend (Bengel) of slechts 7 (Darby) of ook een onbepaald aantal jaren, zodat het getal in Op. 20:2-3, symbolisch opgevat wordt (Rothe, Martensen, Lange enz.) Enkelen menen, dat er vóór de oprichting van het duizendjarig rijk geen wederkomst van Christus (Kurtz), of althans geen zichtbare wederkomst (Darby), of een slechts voor de gelovigen zichtbare wederkomst (Irving) zal plaats hebben, en dat er geen opstanding der gelovigen vóór het millennium behoort aangenomen te worden (Bengel). Velen geloven wel, dat Christus na zijn eerste wederkomst op aarde blijft, maar anderen zijn van mening, dat Hij slechts even verschijnt, om zijn rijk op te richten en daarna weer in de hemel zich terugtrekt. De regering van Christus in het millennium geschiedt volgens Piscator, Alsted enz. vanuit de hemel. In die heerschappij delen dan de opgestane martelaren, die of in de hemel werden opgenomen (Piscator) of op aarde achterbleven, (Alsted), of al de opgestane gelovigen, die hier op aarde blijven (Justinus, Irenaeus enz.) of die Christus bij zijn verschijning in de wolken tegemoet gevoerd worden in de lucht (Irving), of vooral het volk Israël. Want doorgaans verwachten de chiliasten een volksbekering van Israël, en de meesten stellen zich voor, dat het bekeerde Israël naar Palestina zal teruggebracht worden en daar de voornaamste burgers van het duizendjarig rijk zullen zijn (Jurieu, Oetinger, Hofmann, Auberlen enz.). Als men een blijven van Christus op aarde na zijn eerste wederkomst aanneemt, bepaalt men gewoonlijk het herbouwde Jeruzalem als zijn woonplaats, hoewel de Montanisten indertijd aan Pepuza en de Mormonen thans aan hun Zoutzeedal denken. Herstel van tempel en altaar, van priesterschap en offerande werd in de regel als al te duidelijk met het Nieuwe Testament in strijd verworpen, maar vond toch nog verdediging bij de Ebionieten en in de nieuwere tijd bij Serarius, Oetinger, Hess e.a. Van karakter en toestand van het duizendjarig rijk maakt men zich zeer verschillende voorstellingen. Soms wordt het beschreven als een rijk van zinnelijke genietingen (Cerinthus, Ebionieten enz.); dan weer wordt het meer geestelijk opgevat, en alle genot van spijze en drank, alle huwelijk en voortplanting eruit verwijderd (Burnet, Lavater, Rothe, Ebrard). Meestentijd wordt het millennium beschouwd als een overgangtoestand tussen het Diesseits en het Jenseits; het is een rijk, waarin de gelovigen voor de aanschouwing van God worden voorbereid (Irenaeus); waarin zij rust en vrede genieten, zonder nog geheel van de zonde verlost en boven de dood verheven te zijn; waarin de natuur (Irenaeus) en ook de mensen (Lactantius) buitengewoon vruchtbaar zullen zijn; en waarin naar een later geliefkoosde gedachte de gemeente vooral haar zendingswerk aan de mensheid volbrengen zal (Lavater, Ebrard, Auberlen enz.). Al deze wijzigingen formuleren even zovele bezwaren tegen het Chiliasme; reeds voor de profetie van het Oude Testament, waarop het zich bij voorkeur beroept, kan het niet bestaan. Want behalve dat, gelijk boven reeds gezegd is, het Oude Testament in het Messiaanse rijk geen voorlopige, tijdelijke toestand, maar het eindresultaat van de wereldgeschiedenis ziet, maakt het Chiliasme in de verklaring van de profetie aan de grootste willekeur zich schuldig. Het verdubbelt de wederkomst van Christus en de opstanding van de doden, zonder dat het Oude Testament daar iets van weet. Het mist alle regel en methode bij de uitlegging en maakt willekeurig halt, naar de subjectieve mening van de uitlegger. De profeten verkondigen allen even luid en even krachtig, niet alleen de bekering van Israël en van de volken, maar ook de terugkeer naar Palestina, de herbouw van Jeruzalem, het herstel van tempel, priesterschap en offerdienst enz. En het is niets dan willekeur, de ene trek van dit beeld letterlijk en de andere geestelijk op te vatten. Het is één beeld van de toekomst, dat de profetie ons tekent. En dit beeld is of letterlijk te nemen, gelijk het zich geeft, maar dan breekt men met het Christendom en valt in het Jodendom terug; of er is van dit beeld een heel andere verklaring te geven, dan het Chiliasme beproeft. Zulk een verklaring wordt door de Schrift zelf aan de hand gedaan en moet door ons aan haar worden ontleend.

1 Verg. de boven reeds aangehaalde literatuur en voorts nog voor de geschiedenis van het Chiliasme Semisch, art. in PRE3 III 805-817 en G. E. Post, art. Millennium in Hastings D. B. III 370-373 en de daar aangehaalde literatuur.

2 Verg. H. Brinck, Toetssteen der waarheid en meningen 1691 bl. 656 v. Voetius, Disp. II 1266-1272. Maresius, Syst. Theol. VIII 38. De Moor, Comm, VI 155 enz.

3 Bijv. Rothe, Theol. Ethik par. 586 v. Hofmann, Weiss. u. Erf. II 372 v. Lange, Dogm. II 1271 v. Marlensen, Dogm. par. 280. Van Oosterzee, Dogm. par. 146 enz. Uit de vele werken over het Chiliasme zij hier slechts genoemd: Bogue, Redevoeringen over het duizendj. rijk. Gron. 1825. Guers, Israëls toekomst en herstel, benevens een schets van het duizendj. rijk. Amst. 1863. John Cumming, De grote verdrukking. Amst. 1861. Id., De verlossing nabij, 1862. Id., De duizendj. rust 1863. Id., Beschouwingen over het duizendj. rijk 1866. J. A. Seiss, De komende Christus. Verklaring van de Openb. v. Joh. Brussel 1892. In de jongste tijd verschenen nog o.a. F. van Beuningen, Dein Reich komme. Riga 1901 (de Schrijver stelt de komst van Christus in 1933), en Ch. T. Russell in Amerika, Millennial Dawn, in het Duits. vertaald onder de titel: MilIeriniumstages-Anbruch, in sieben Bänden, eine wahre und einfache Theologie, Wachtturm Bibel und TraktatGesellschaft Elberfeld. Volgens Russell doorleeft de mensheid drie perioden. In de eerste, vóór de zondvloed, stond ze onder de heerschappij van de engelen. In de tweede, van de zondvloed tot het duizendjarig rijk, staat ze onder de macht van satan, zodat slechts weinigen behouden worden. In de derde periode, welke in 1914 aanvangt, zal ze door Christus geregeerd worden duizend jaren lang; daarna volgt de vernieuwing der aarde.

x
This website is using cookies. Accept