Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

580. De gemeenschap met God, die in de gemeenschap der heiligen genoten wordt, sluit zeker in de toekomende eeuw evenmin als in deze bedeling alle handeling en alle werkzaamheid uit. De Christelijke theologie heeft hier in de regel wel weinig aandacht aan gewijd en meest van de hemelse zaligheid als een kennen en genieten van God gesproken. En dit is zonder twijfel ook de kern en het middelpunt, de bron en de kracht van het eeuwige leven. Ook biedt de Schrift weinig gegevens, om ons van de werkzaamheid van de gezaligden een heldere voorstelling te vormen. Zij beschrijft de zaligheid meer als een rusten van de aardse arbeid dan als het volbrengen van een nieuwe werkzaamheid, Hebr. 4:9; Op.14:13. Maar toch is de rust, die in het nieuwe Jeruzalem genoten wordt, evenmin bij God, Joh. 5:17, als bij zijn kinderen, als een zalig niets-doen te denken. De Heilige Schrift zegt zelf, dat het eeuwige leven bestaat in een kennen en dienen, in een loven en prijzen van God, Joh. 17:3; Op. 4:11; 5:8 enz. Zijn kinderen blijven ook zijn knechten, die Hem dienen dag en nacht, Op. 22:3. Zij zijn profeten, priesters en koningen, die op de aarde heersen in alle eeuwigheid, Op. 1:6; 5:10; 22:5. Naarmate zij op aarde over weinig getrouw zijn geweest, worden zij in het koninkrijk van God over veel gezet, Mt. 24:47; 25:21, 23. Ieder behoudt zijn eigen persoonlijkheid, want van allen, die ingaan in het nieuwe Jeruzalem, zijn de namen geschreven in het boek des levens van het Lam, Op. 20 :15, 27 [???], en elk ontvangt een eigen, nieuwe naam, Jes. 62:2; 65:15; Op. 2:17; 3:12; cf. Op. 21:12, 14. De doden, die in de Heere sterven, rusten van hun moeiten, maar worden elk door zijn eigen werken gevolgd, Op. 14:13. Geslachten, volken, naties dragen het hun tot verrijking van het leven in het nieuwe Jeruzalem bij, Op. 5:9; 7:9; 21:24, 26. Wat hier gezaaid wordt, wordt in de eeuwigheid gemaaid, Mt. 25:24, 26; 1 Cor. 15:42v., 2 Cor. 9:6; Gal. 6:7-8. De grote verscheidenheid, die in allerlei opzicht onder de mensen bestaat, wordt in de eeuwigheid niet vernietigd, maar van al het zondige gereinigd en aan de gemeenschap met God en met elkaar dienstbaar gemaakt. En zoals de natuurlijke verscheidenheid in de gemeente op aarde nog met de geestelijke verscheidenheid vermeerderd wordt, 1 Cor. 12:7v., zo neemt dit natuurlijk en geestelijk verschil in de hemel nog weer daardoor toe, dat er onderscheiden graden van heerlijkheid zijn.

Uit oppositie tegen de verdienstelijkheid van de goede werken hebben sommige Gereformeerden1, evenals in de vierde eeuw reeds Jovinianus en later sommige Socinianen en thans nog Gerlach, alle onderscheid in de heerlijkheid hiernamaals geloochend. En het is ook waar, dat aan alle gelovigen dezelfde weldaden in de toekomst van Christus worden beloofd; zij ontvangen allen hetzelfde eeuwige leven, dezelfde woonplaats in het nieuwe Jeruzalem, dezelfde gemeenschap met God, dezelfde zaligheid enz. Maar desniettemin stelt de Schrift het buiten alle twijfel, dat er in die eenheid en gelijkheid een zeer grote afwisseling en verscheidenheid is. Zelfs de gelijkenis, Mt. 20:1-16, waarop men zich menigmaal voor het tegendeel beroept, pleit voor zulk een onderscheid; want Jezus wil met die gelijkenis leren, dat velen, die naar eigen mening en die van anderen lang en zwaar hebben gearbeid, in het toekomstig Messiasrijk volstrekt niet zullen achterstaan bij degenen, die veel kortere tijd in de wijnberg zijn werkzaam geweest; de laatsten halen de eersten in, want velen zijn wel geroepen en arbeiden in de dienst van het koninkrijk van God, maar weinigen zijn er, die daarvoor hiernamaals een bijzondere onderscheiding genieten en een uitgelezen plaats ontvangen. Veel duidelijker wordt zulk een gradueel verschil in de heerlijkheid op andere plaatsen in de Schrift geleerd, vooral daar, waar sprake is van een loon, dat een iegelijk geschonken zal worden naar zijn werken. Dat loon wordt thans in de hemelen bewaard, Mt. 5:12; 6:1v., Luk. 6:23; 1 Tim. 6:19; Hebr.10:34-37, en wordt eerst in het openbaar uitgedeeld bij de parousie, Mt. 6:4,6,18; 24:47; 2 Thess.1:7; 1 Petr. 4:13. Het wordt dan geschonken als vergoeding voor hetgeen de discipelen van Jezus hier op aarde om zijnentwil verloochend en geleden hebben, Mt. 5:10v., Mt. 19:29; Luk. 6:21v., Rom. 8:17-18; 2 Cor. 4:17,2 Thess. 1:7; Hebr. 10:34; 1 Petr. 4:13, en verder ook als vergelding voor de goede werken, die zij hebben verricht, zoals bijv. voor goede besteding van de talenten, Mt. 25:15v., Luk.19:13v., voor vijandsliefde en belangeloze milddadigheid, Luk. 6:35, voor verzorging van de armen, Mt. 6:1, voor bidden en vasten, Mt. 6:6, 18, voor het dienen der broederen, Mt.10:40-42, voor trouwe dienst in het rijk van God, Mt. 24:44-47; 1 Cor. 3:8 enz. Dat loon zal in verband staan met en evenredig zijn aan de werken, Mt.16:27; 19:29; 25:21, 23; Luk. 6:38; 19:17,19; Rom. 2:6; 1 Cor. 3:8; 2 Cor. 4:17; 5:10; 9:6, Gal. 6:8-9; Hebr. 11:26; Op. 2:23; 11:18; 20:12; 22:12. De zaligheid is wel voor allen dezelfde, maar er is verschil in glans en heerlijkheid, Dan. 12:3; 1 Cor. 15:41; er zijn in het Vaderhuis, dat alle kinderen opneemt, vele woningen, Joh. 14:2; en de gemeenten ontvangen alle naar de mate van haar getrouwheid en toewijding, van de Koning van de kerk een eigen sieraad en kroon, Op. 1-3

De Roomsen hebben op deze uitspraken van de Schrift de leer van de verdienstelijkheid van de goede werken gebouwd, en het recht op bijzondere beloningen in de hemel, die naar Ex. 25:25, aureolae genoemd en aan de allen ten deel vallende corona aurea toegevoegd worden, vooral aan de martelaren, de coelibatairen en de leraars toegekend2. Maar dit misbruik neemt de waarheid niet weg, dat er onderscheid in de heerlijkheid is naar gelang van de werken, die door de gelovigen hier op aarde verricht zijn. Er is geen loon, waarop de mens van nature aanspraak zou kunnen maken, want de wet van God is absoluut verplichtend en laat de eis tot volbrenging niet afhangen van de vrije keuze van de mens. Als deze daarom de hele wet heeft volbracht, past hem toch niet anders te zeggen, dan dat hij een onnutte dienstknecht is, die maar gedaan heeft wat hij schuldig was te doen, Luk.17:10. Alle aanspraak op loon kan daarom alleen voortvloeien uit een verbond, uit een vrijmachtige en genadige beschikking van God, en is daarom een gegeven recht. Zo was het in het werkverbond en zo is het nog veel meer in het genadeverbond3. Want Christus heeft alles volbracht, niet alleen de straf geleden, maar ook door het volbrengen van de wet het eeuwige leven verworven. De eeuwige zaligheid, en heerlijkheid, welke Hij ontving, was voor Hem het loon op zijn volmaakte gehoorzaamheid. Maar als Hij deze zijn gerechtigheid door het geloof de zijnen schenkt en daaraan het eeuwige leven verbindt, dan zijn beide, zowel die geschonken gerechtigheid als de toekomstige zaligheid, gaven van zijn genade, welke alle verdienste van de zijde van de gelovigen ten enenmale uitsluit. De gelovigen zijn immers Gods maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat zij in dezelve zouden wandelen, Ef. 2:10. Het wordt hun uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven maar ook voor Hem te lijden, Phil.1:29; Hd. 5:41. Niet alleen in de gave van het eeuwige leven aan een iegelijk, die gelooft, maar ook in de uitdeling van een verschillende mate van heerlijkheid aan wie uit dat geloof goede werken hebben voortgebracht, kroont God zijn eigen werk.

Maar dat doet Hij dan ook, opdat er, gelijk hier, zo ook in het hiernamaals in de gemeente een rijke verscheidenheid zijn zou en in die verscheidenheid de heerlijkheid van zijn deugden uitkomen zou. Door die verscheidenheid toch neemt het leven van de gemeenschap met God, met de engelen, en van de zaligen onderling in diepte en in innigheid toe. In die gemeenschap heeft elk, zoals in de gemeente hier op aarde, Rom.12:4-8; 1 Cor. 12, in verband met zijn persoon en karakter, een eigen plaats en taak. Van de werkzaamheid van de zaligen mogen wij ons geen duidelijke voorstelling kunnen vormen, de Schrift leert toch, dat het profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt, hetwelk de mens oorsponkelijk bezat, in hen door Christus ten volle hersteld is. De dienst van God, de onderlinge gemeenschap en de bewoning van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde bieden ongetwijfeld voor de uitoefening van deze ambten overvloedige gelegenheid, ook al is de vorm en wijze ervan ons onbekend. Maar dat werken is een rusten en genieten tevens. Het onderscheid van dag en nacht, van sabbat en werkdagen heeft opgehouden; de tijd is doordrongen van de eeuwigheid van God; de ruimte is vol van zijn tegenwoordigheid; het eeuwige worden is gehuwd met het onveranderlijke zijn. Zelfs de tegenstelling van hemel en aarde is verdwenen. Want al wat in de hemel en op aarde is, is tot één vergaderd onder Christus als Hoofd, Ef. 1:10. Alle schepselen zijn en leven en bewegen zich in God, die alles in allen is, die in de spiegel van zijn werken al zijn deugden weerkaatst en daarin zichzelf verheerlijkt4.

1 Bijv Martyr, Loci Comm. III 17, 8, en zo ook Camero, Tilenus, Spanheim e.a.

2 Thomas, S. Theol. III qu. 96. Bonaventura, Brevil. VII 7.

3 Verg. Deel II; Hoofdstuk 5; Par. 39 De bestemming van de mens; 296, en Deel IV; Hoofdstuk 8 (vervolg); Par. 53 Heiligmaking en Volharding; 484.

4 Verg. over de hemelse zaligheid: Augustinus, de civ. XXII c. 29. 30. Lombardus, Sent. IV dist. 49. Thomas, suppl. qu. 92-96. Bonaventura, Brevil. VII c. 7. Oswald, Eschat. 38-57. Atzberger, Die christl. Eschat. 238 v. O. Ritschl, Luthers Seligkeitsvorstellung in ihrer Entstehung und Bedeutung, Christl. Welt 1889 bl. 874-880. Gerhard, Loc. XXXI. Quenstedt, Theol. I 550-560. Polanus, Synt. VI c. 72-75. Walaeus, Synopsis pur. theol., disp. 52. Mastricht, Theol. VIII 4, 10. Turretinus, Theol. El. XX qu. 8-13. Marck, Exspect. J. C. III c. 8. 10. 11. De Moor, Comm. VI 718-733. M. Vitringa, Doctr. IV 179. Kliefoth, Eschat. 311 v. Kähler, art. Ewiges Leben in PRE3 XI 330-234. Seligkeit ib. XVIII 179-184 enz.

x
This website is using cookies. Accept