Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

69. Nu is er eigenlijk hierover nog geen verschil, dat niet de zinlijke waarneming maar het verstand het orgaan van de wetenschap is. Ook het empirisme heeft dit niet ontkend. Baco, Huffie, St. Mill erkennen ten volle, dat de zinnelijke waarneming wel het eerste maar niet het enige is en dat het verstand door inductie het algemene uit het bijzondere tracht af te leiden. Het was Baco juist te doen om een betrouwbare methode, waarnaar uit bijzondere waarnemingen algemeen-geldige oordelen konden gevormd worden. Maar bij de begrippen, die het verstand uit de voorstellingen vormt, komt met dubbele ernst de vraag terug, die boven reeds bij de waarnemingsbeelden werd gedaan: wat is de verhouding tussen deze begrippen van het verstand en de wereld van de werkelijkheid? En hier gaan Nominalisme en Realisme uiteen. Beide richtingen komen in het wezen van de zaak reeds voor in de Griekse filosofie. Plato en Aristoteles waren realisten, zij het ook met onderscheid; en de eigenlijke gedachte van het nominalisme vinden wij reeds o.a. bij de cynische wijsgeer Antisthenes, die de realiteit van de algemeen begrippen ontkende en tegen Plato zei: ippon men orw ippothta de oux orw, en bij de Stoïsche wijsgeren, die de ennohmata, de gedachten, slechts hielden voor fantasmata dianoiav1. In de Middeleeuwen werd deze opvatting van de algemene begrippen vernieuwd en kreeg ze de naam van nominalisme. Roscellinus was van oordeel, dat de algemene begrippen slechts flatus vocis waren, Gedankendinge, waaraan geen realiteit beantwoordt; in de werkelijkheid zijn er geen algemene maar slechts bijzondere, individuele dingen, is er geen mensheid maar zijn er alleen mensen enz. De strijd tussen realisme en nominalisme duurde tot de 15e eeuw voort2 Maar ook daarna is de kwestie niet uit de filosofie geweken. Het geschil tussen realisme en nominalisme is geen twistpunt van scholastieke spitsvondigheid, maar van diepingrijpende betekenis. Het nominalisme is in andere vorm, als empirisme, weer in de nieuwere filosofie te voorschijn getreden3. Indien nu het nominalisme het recht aan zijn zijde heeft, is het met alle wetenschap gedaan. Want één van beide; indien wij de overeenstemmende kenmerken van een groep van dingen in een begrip en woord kunnen samenvatten, dan geschiedt dit òf zonder grond en vertegenwoordigen die woorden en begrippen geen waarde in de werkelijkheid; òf de dingen gelijken in de werkelijkheid aan elkaar en hebben gemeenschappelijke kenmerken. In dit geval zijn de begrippen echter geen ledige Gedankendinge, maar de som van wezenlijke eigenschappen van de dingen, en dus geen nomina maar res. Daarom had dan ook het realisme zonder twijfel gelijk, als het de realiteit van de algemeen begrippen aannam, niet in platonische of ontologische zin ante rem, maar in aristotelische zin in re, en daarom ook in mente hominis post rem. Het algemene, dat wij in het begrip uitdrukken, bestaat niet juist zó, als universele, buiten ons; maar in ieder exemplaar van de soort bijzonderlijk geïndividualiseerd en gespecialiseerd, heeft het toch zijn grond in de dingen en wordt daaruit door de werkzaamheid van het verstand geabstraheerd en uitgedrukt in een begrip4. Met de begrippen verwijderen wij ons dus niet van de werkelijkheid, maar naderen haar hoe langer hoe meer. Het schijnt wel, dat wij, begrippen en oordelen en besluiten vormende, hoe langer hoe meer de vaste grond onder het gebouw van onze kennis verliezen en hoog gaan zweven in de lucht. Het lijkt vreemd en wonderlijk, dat wij, de voorstellingen omzettende in begrippen en deze weer verwerkende naar de wetten van het denken, uitkomsten verkrijgen, die in overeenstemming zijn met de werkelijkheid. En toch wie deze overtuiging prijsgeeft, is verloren5. Maar die overtuiging kan dan ook alleen rusten in het geloof, dat het eenzelfde Logos is, die en de werkelijkheid buiten ons en de wetten van het denken in ons schiep, en die beide in organisch verband zette met en corresponderen liet op elkaar. Zo alleen is er wetenschap mogelijk, d.i. kennis niet slechts van den wisselende schijn, maar van het algemeen, van het logische in de dingen. Zeker, het zijn zelf van de dingen, hun existentie, blijft buiten ons; nooit gaan de dingen zelf realiter in ons in; het zijn is dus nimmer door ons te benaderen, het is een factum dat aanvaard moet worden en dat de grondslag van het denken uitmaakt. Maar in zover de dingen ook logisch bestaan, uit gedachte zijn voortgekomen en in gedachte rusten, Joh. 1:3, Col. 1:15, zijn zij ook begrijpbaar en denkbaar voor de menselijke geest.

Plato helderde dit proces van de wetenschap op door een schoon en treffend beeld. Zoals de zon objectief het voorwerp en subjectief ons oog verlicht, zo is God of de idee van het goede het licht, waardoor de waarheid, het wezen van de dingen, zichtbaar wordt en tevens onze geest die waarheid aanschouwen en erkennen kan6. Augustinus nam dit beeld over: God is de zon van de geesten. In het onveranderlijk licht van de waarheid ziet en oordeelt onze geest over alles, in ipsa incommutabili veritate mens rationalis et intellectualis intuetur, eaque luce de his omnibus judicat7. Zoals wij met het lichamelijk oog niets kunnen zien, als de zon haar licht er niet over verspreidt, zo kunnen wij ook geen waarheid zien dan in het licht Gods, die de zon van onze kennis is8. Deus intelligibilis lux, in quo et a quo et per quem intelligibiliter lucent, quae intelligibiliter lucent omnia. Thomas spreekt meermalen op dezelfde wijze, en bezigt dezelfde gelijkenis9. Alleen wees hii erop, dat dit niet pantheïstisch mocht worden verstaan, zoals Averroes onder neoplatonische invloed leerde en daarin later door Malebranche en de ontologistische school gevolgd werd. Gelijk wij, zegt Thomas, in het natuurlijke zien, niet door zelf in de zon te zijn, maar door het licht van de zon, dat ons bestraalt, zo zien wij ook de dingen niet in het goddelijk wezen, maar door het licht dat van God in onze eigen intellectus schijnt. De rede in ons is dat goddelijk licht, zij is niet de goddelijke logos zelf, maar heeft daaraan deel. Gode komt toe het esse, vivere, intelligere per essentiam, ons per participationem10. Dit beeld van de zon bracht er toe, om in gezonde zin te spreken van het natuurlijk licht van de rede11, waaronder dan niets anders verstaan werd dan die permanente eigenschap of kracht van de menselijke geest, waardoor hij in staat gesteld wordt, terstond bij de eerste waarnemingen die grondbegrippen en grondbeginselen te vormen, welke hem verder bij alle waarneming en denken leiden. Het licht van de rede is zo in de eerste plaats gelijk aan den intellectus agens, aan het abstractievermogen, dat over de voorwerpen schijnt en het intelligibile daaruit te voorschijn doet treden en voorts aan dat fonds van koinai ennoiai, dat onze geest juist door het vermogen van de abstractie zich eigen maakt. Maar in beiderlei zin is dat licht aan God, of meer bepaald aan den Logos te danken, Ps. 36:10 [Ps. 36:9], Joh. 1:9 . Hij is het, die dit licht in ons doet opgaan en voortdurend onderhoudt. En zo is het dan niet aan de mens, die slechts instrument is, maar aan God te danken, als door de stralen van dat licht de waarheid zich voor onze geest onthult12.

Deze schone beeldspraak maakt ons duidelijk, welke de principia zijn, waaruit alle wetenschap voortkomt. Niet alleen in de theologie, gelijk de vorige paragraaf ons deed zien, maar in elke wetenschap zijn er drie principia te onderscheiden. Ook hier is God het principium essendi; in zijn zelfbewustzijn liggen de ideeën aller dingen; alle dingen berusten op gedachten en zijn geschapen door het woord. Doch het is zijn welbehagen, om van deze cognitio archetypa in zijn goddelijk bewustzijn een ectypische kennis over te brengen in de mens, die naar zijn beeld is gemaakt. Maar dat doet Hij, niet door ons de ideeën in zijn essentia te laten aanschouwen (Malebranche), noch ook door ze ons alle reeds bij de geboorte mede te geven (Plato, leer van de ideae innatae), maar door ze in de werken van zijn handen uit te spreiden voor de geest van de mens. De wereld is een belichaming van gedachten Gods; zij is een schoon boek, waarin alle schepselen, grote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods te aanschouwen geven; zij is geen schrijfboek, waarin wij naar de voorstelling van de idealisten de woorden zouden hebben in te vullen, maar een leesboek, waaruit God ons kennen doet wat Hij er voor ons in neergeschreven heeft. De geschapene wereld is dus het principium cognoscendi externum van alle wetenschap. Maar dat is niet genoeg. Om te zien is een oog nodig. War’ nicht das Auge sonnenhaft, wie könnten wir das Licht erblicken? Er moet correspondentie, verwantschap zijn tussen object en subject. Dezelfde Logos, die schijnt in de wereld, moet zijn licht ook laten stralen in ons bewustzijn. Dat is de intellectus, de ratio, die, zelf uit den Logos afkomstig, de Logos in de dingen ontdekt en erkent. Zij is het principium cognoscendi internum. Sicut scientia in nobis est sigillatio rerum in animabus nostris, ita e converso formae non sunt nisi quaedam sigillatio divinae scientiae in rebus13. Zo is het dan God alleen, die uit zijn goddelijk bewustzijn de kennis van de waarheid door de schepselen heen inbrengt in onze geest; de Vader, die door den Zoon in den Geest zich aan ons openbaart. Multi dicunt: quis ostendet nobis bona? Signatum est super nos lumen vultus tui, Domine!

1 Zeller, Philos. d. Gr. II 295. IV 79. 125.

2 A. Stöckl, Gesch. der Philos. des Mittelalters. 3 Bde Mainz 1864-66 I 135 v. II 986 v. Haure au, De la filosofie scolastique, 2 vol. Paris1850. Schwane, Dogmengeschichte der mittl. Zeit. Freiburg1882 bl. 4v. Piersan, De realismo et nominalismo 1855. Id. Gesch. van het R.-Katholic. III 1871 bl. 53 v. 87 v. 183 v. Spruyt, Proeve 66 v.

3 Spruyt, Proeve passim. Huga Spitzer, Nominalismus and Realismus in der neuesten deutschen Philosophie mit Berücksichtigung ihres Verhältnisses zur modernen Naturwissenschaft. Leipzig 1876. Janet, Traité élémentaire de philos. Paris Delagrave 1887 bl. 162 v. Land, Inleiding 107 v. Pierson, Wijsgerig Onderzoek. Deventer 1882 bl. 200 v.

4 Thomas, Summa Theol. I qu. 85 art. 2 ad 2. C. Gent. I 65.

5 Land, Inleiding tot de Wijsbeg. 250.

6 Siebeck, Gesch. der Psychologie I 226. II 70.

7 Augustinus, de Gen. ad litt. 8 c. 25.

8 Augustinus, Solil. I 8. 13. de Trinit. 12 c. 15.

9 Thomas, Summa Theol. I qu. 12 art. 11 ad 3. qu. 79 art. 4. qu. 88 art. 3 ad 1. II 1 qu. 109 art. 1 ad 2. O. Gent. III 47.

10 Thomas, Summa Theol. I qu. 79 art. 4.

11 Polanus, Synt. Theolv 325. Zanchius, Op. III 636.

12 Liberatore, Die Erkenntnisslehre des h. Thomas 185 v. Kleutgen, Philos. der V orzeit2 I 89 v.

13 Thomas bij Liberatore t. a. p. 148.

x
This website is using cookies. Accept