Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

73. Deze opvatting van de godsdienst heeft in de nieuwere tijd voor een gans andere plaats gemaakt. Nu en dan kwam ook vroeger, bijv. bij de Mohammedaansen wijsgeer Averroes, wel eens de mening voor, dat de godsdienst alleen voor het volk was bestemd, dat de man van wetenschap er geen behoefte aan had, en dat alle godsdiensten gelijk waren. Maar zulke gedachten droegen een privaat karakter en berustten niet op vergelijkend onderzoek van de godsdiensten. Daarin heeft de laatste eeuw een grote verandering aangebracht. Toen na de Hervorming het aantal kerken, belijdenissen en godsdienstige richtingen steeds toenam, trokken velen zich reeds van het bijzondere in het algemene terug en zochten in de twaalf artikelen des geloofs of in de rationalistische trilogie God, deugd en onsterfelijkheid het wezen van de godsdienst. Kant en Schleiermacher gingen nog verder terug en beschouwden de religie als een vorm van zedelijk handelen of als een bepaaldheid van het gevoel. Het zwaartepunt werd daarmee geheel uit het object in het subject verlegd en de religio subjectiva volkomen van de religio objectiva losgemaakt. Deze wijsgerige opvatting van de godsdienst werd bevorderd door de verbazende uitbreiding van de historische gezichtskring en door het ontzaglijk materiaal, dat in betrekking tot talen, zeden, gewoonten enz. en ook inzake de godsdiensten van andere volken aangevoerd werd. Er was een wetenschap nodig, die deze godsdiensten onderzocht, classificeerde, waardeerde, en Hegel maakte met zijn voorlezingen over de godsdienstwijsbegeerte sinds 1821 er de aanvang mee en gaf er de stoot toe. De bedoeling van deze nieuwe wetenschap is nu, om eerst in de vergelijkende godsdienstwetenschap (geschiedenis van de godsdiensten) alle godsdiensten geheel objectief en onpartijdig, zonder enige dogmatische Voraussetzung, naar inductieve methode te onderzoeken als algemeen-menselijk, psychologisch, historisch verschijnsel en daarin het constante en algemene, met de variaties en ontwikkelingsvormen op te sporen, dus de godsdienst in zijn leven en groei te leren kennen; en dan in de tweede plaats, om als Religionsphilosophie op grond van het voorafgegane onderzoek de verkregen resultaten speculatief te “verwerten,” en naar deductieve methode de oorsprong en het wezen, het waarheidsgehalte en de waarde van de religie in het licht te stellen.

Daarbij doet zich al dadelijk een niet onbelangrijk verschil over de te volgen methode voor. Sommigen zijn voorstanders van de historische methode en willen uit vergelijkend historisch onderzoek van de godsdienstige verschijnselen het wezen van de religie trachten vast te stellen1. Deze methode stuit echter op het ernstige bezwaar, dat een vergelijkend onderzoek van alle godsdiensten een onuitvoerbare arbeid is en in de godsdiensten juist de religieuze gezindheid, waarin men immers het wezen van de religie zoekt, het diepst verborgen is en bijna aan alle waarneming zich onttrekt. Wat weten wij bijv. nog van de stemming en gezindheid, die in de verschillende richtingen en kerken binnen het Christendom aan de godsdienstige verschijnselen ten grondslag ligt. Anderen achten daarom bij de historische ook nog de psychologische methode noodzakelijk2, en zoeken het wezen van de religie zielkundig te verklaren: zij verlangen daarom ook, dat de beoefenaar van de godsdienstwetenschap een godsdienstig mens zij en als zodanig de godsdienstige verschijnselen waarneme en beoordeele. Hier is op zichzelf niets tegen te zeggen. Bij de studie van de godsdiensten het eigen godsdienstig bewustzijn het zwijgen op te leggen, gelijk Dr. Bruining wil, ware naar de juiste opmerking van Dr. Hugenholtz hetzelfde, als zichzelf de ogen uit te steken uit vrees voor gezichtsbedrog. Maar de psychologische methode kan ons uit de aard van de zaak alleen doen kennen de zielkundige zijde van het religieuze leven, de psychische functies, die daarin werkzaam zijn, de psychische vormen, waarin het optreedt, maar zij zegt ons niets over het wezen van de religie an sich, dat is over het wezen van de religie in die zin, dat daarmee ook het bestaansrecht en de waarde van de godsdienst vastgesteld is. En toch is het daarom de meeste beoefenaren van de godsdienstwetenschap te doen. Ondanks alle beweerde “Voraussetzungslosigkeit” gaan zij toch uit van de veronderstelling, dat de godsdienst geen pathologisch maar, een normaal verschijnsel van het menselijk zieleleven is en dat hij in de verschillende godsdienstvormen langzamerhand tot zuiverder ontwikkeling komt. Maar dan is de historische en psychologische methode ook onvoldoende en moet er in de derde plaats nog de wijsgerige of metafysische methode bij komen, welke het recht en de waarde van de godsdienst en dus ook van de godsdienstige voorstellingen en handelingen (dogma, cultus enz.) in het licht stelt3.

Nu bestaat er in het algemeen over recht en waarde van zulk een godsdienstwetenschap weinig verschil van gevoelen. Ook op positief Christelijk standpunt is er voor deze wetenschap een naam en een plaats4. Maar alles komt aan op de juistheid van de veronderstellingen, waarvan deze wetenschap uitgaat, en op de bedoeling, waarmee zij beoefend wordt. Dan toch gelden de volgende opmerkingen. Ten eerste is vroeger, bij de bespreking van de religionsgeschichtliche methode in de dogmatiek, reeds in het licht gesteld, dat een volkomen objectieve houding tegenover de verschillende godsdiensten bij het onderzoek daarvan theoretisch niet te rechtvaardigen en praktisch niet vol te houden is. Niet alleen moet ieder, die de godsdiensten bestudeert, een algemeen, vaag begrip van religie meebrengen, waardoor hij de religieuze verschijnselen van andere, ethische, esthetische enz. onderkennen en afscheiden kan. Maar evenals elk wetenschappelijk onderzoek een zekere congenialiteit van subject en object onderstelt, zo is het ook bij de studie van de godsdiensten nodig, dat de onderzoeker met zijn hart niet vijandig tegen het voorwerp van zijn onderzoek staat. Een godsdienstig mens alleen is in staat, om de godsdienstige. verschijnselen te onderzoeken, te waarderen, in hun eigenlijke betekenis te verstaan. Met constateren kan immers de beoefenaar van de godsdienstwetenschap niet volstaan; hij moet orde brengen in de chaos van verschijnselen, moet de plaats en de waarde van de verschillende godsdiensten bepalen, de godsdienst in zijn leven en groei, dus ook in zijn ontaarding en verbastering nagaan, en aanwijzen, waar de godsdienst het zuiverst zich vertoont en het rijkst zich ontvouwt. Dat alles is niet mogelijk, zonder dat de beoefenaar van de godsdienstwetenschap een maatstaf meebrengt, welken hij bij de religieuze verschijnselen aanlegt. Daarbij komt, dat de beoefenaar van deze wetenschap een mens is, niet alleen met een verstand, maar ook met een rede en geweten, met een hart en gemoed toegerust, dat hij niet alleen een vaag begrip van godsdienst, maar ook zeker fonds van godsdienstige, zedelijke overtuigingen meebrengt, en dat hij zich van dat alles bij het instellen van zijn onderzoek niet kan en ook niet mag ontdoen. Feitelijk doet dat ook niemand. “Ook de nuchterste denker kan noch mag zich losmaken van wat er aan gemoedsovertuiging, aan dieper inzicht en doorzicht, aan hogere conceptie en intieme convictie in zijn ziel leeft”. “Neutraliteit in de zin van los-zijn van en onverschillig-zijn voor zijn heiligste overtuigingen is of een ongerijmdheid òf, zo al mogelijk, een zonde”5. Deze overtuigingen zijn geen werkhypothesen, die iemand terstond bereid is prijs te geven, zodra het wetenschappelijk onderzoek haar onhoudbaarheid decreteert, maar zij dragen voor hem, die ze koestert, het karakter van onomstotelijke waarheden, omdat zij in het object zelf van zijn onderzoek liggen opgesloten. De aard en de hoeveelheid van die overtuigingen verschilt, maar voor het wezen van de zaak maakt dit geen onderscheid; niemand, die het bestaan en het recht van zulke godsdienstige en zedelijke overtuigingen erkent, heeft de bevoegdheid, een ander van dogmatisme te beschuldigen, omdat deze andere en meerdere overtuigingen van die aard koestert dan hij. In de idee bijv. van de godsdienst ligt opgesloten, dat God bestaat, dat Hij zich op een of andere wijze geopenbaard heeft en dus in meerdere of mindere mate kenbaar is. Die overtuiging is geen werkhypothese voor degene, die ze koestert, maar een waarheid, die met de godsdienst zelf staat of valt. Natuurlijk wil dit niet zeggen, dat iemand, ook op de weg van zijn wetenschappelijk onderzoek, zulk een overtuiging niet verliezen kan, maar dan heeft hij niet een werkhypothese prijsgegeven, doch een schat verloren, waardoor zijn geestelijk leven verarmd is, zolang hij geen anderen vindt.

1 Bruining, Wijsbeg. v. d. godsd., Theol. Tijdschr. 1881 bl. 365 v.

2 Hugenholtz, Studien op godsd. en zedek. gebied II83 v. Rauwenhoff, Wijsbeg. v. d. godsd. 41 v.

3 Biebeck, Religionsphilos. 1893 bl. 34 v. Külpe, Einl. in die Philos1. 1898 bl 96. Eisler, Krit. Einf. in die Philos. 423 v. Groenewegen, De Theol. en hare wijsbeg. bl. 46 v..

4 Kuyper, Encycl. III 563-577.

5 Groenewegen, De Theologie en hare wijsbegeerte, Amsterdam 1904 bl. 24.

x
This website is using cookies. Accept