Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

88. Daarmee heeft echter de algemene openbaring niet haar waarde en betekenis verloren. Ten eerste is ze van grote betekenis voor de heidenwereld. Zij is de vaste en blijvende grondslag van de heidense godsdiensten. De H. Schrift velt over het Etnicisme een streng oordeel en verklaart zijn oorsprong uit afval van de zuivere kennis Gods. Wel bleef deze kennis, die ‘s mensen oorspronkelijk eigendom was, nog een tijd lang nawerken, Gen. 4:3, 8:20, en openbaarde de schepping Gods eeuwige kracht en goddelijkheid, Rom. 1:20. Maar de mensen, verdwaasd in hun gedachten en verduisterd in hun hart, hebben, God kennende, Hem als God niet verheerlijkt of gedankt. Daarbij is de verwarring van de spraak en de verstrooiing van de volken, Gen. 11, zeker ook voor de ontwikkeling van het polytheïsme van grote invloed geweest1. Het Hebr. ywg, de door afkomst en taal verbonden menigte, natie, naast Me, het door eenheid van bestuur verbonden volk, bevat hiervoor ook een aanwijzing. Want Myywg, gr. eynh, wordt doorgaans van de heidense volken gebruikt, en betekent niet alleen volken maar ook heidenen; het woord heeft een nationale maar tegelijk ook een ethisch-religieuze betekenis, evenals het lat. pagani en ons heidenen2. De eenheid Gods en dus ook de reinheid van de religie ging bij de splitsing van de mensheid in volken te loor. Ieder volk kreeg zijn eigen, nationale god. En toen eenmaal het begrip van de eenheid en de absoluutheid Gods was te loor gegaan, konden naast die éne nationale god andere machten langzamerhand als goden erkend en vereerd worden; de idee van het goddelijke wordt onzuiver en daalt, de verschillende natuurmachten treden op de voorgrond en stijgen in betekenis, de grens tussen het goddelijke en het creatuurlijke wordt uitgewist, en de religie kan zelfs ontaarden in animisme en feticisme, in toverij en magie. Het karakter van de heidense godsdiensten bestaat dan ook volgens de Schrift in afgoderij. De heidense goden zijn afgoden, zij bestaan niet, zij zijn leugen en ijdelheid, Jes. 41:29, 42:17, 46:1 v. Jer. 2:28. Ps. 106:28. Hand. 14:15, 19:26. Gal. 4:8. 1 Cor.8:5. In die religies werkt zelfs een demonische macht, Deut. 32:17. Ps. 106:28. 1 Cor. 10:20 v. Op. 9:20. De toestand, waarin de heidenwereld buiten de openbaring aan Israël, buiten Christus verkeert, wordt beschreven als duisternis, Jes. 9:1 [Jes. 9:2], 60:2. Luk. 1:79. Joh. 1:5. Ef. 4:18, als onwetendheid, Hd. 17:30. 1 Petr. 1:14. Rom. 1:18 v als ingebeelde, ijdele wijsheid, 1 Cor. 1:18 v. 1 Cor. 2:6; 3:19 v., als zonde en ongerechtigheid, Rom. 1:24 v., Rom. 3:9 v.

De heidenwereld is in haar oorsprong, karakter en bestemming een ontzaglijk probleem. Op zichzelf is de oplossing, welke de Schrift ervan geeft, niet alleen niet ongerijmd, maar zij beveelt zich zelfs door haar eenvoud en haar natuurlijkheid aan. Toch heeft de filosofie, zowel die van de historie als van de godsdiensten, zich met deze oplossing niet tevreden gesteld en een andere beschouwing voorgedragen, welke lijnrecht tegenover die van de Schrift staat. Wel vindt de verheerlijking van de kinderlijke toestand van de volken, gelijk die in de achttiende eeuw aan de orde was, thans geen instemming meer. Maar de theorie van de evolutie, die tegenwoordig ter verklaring dienst doet, is evenzeer met de Schrift in strijd. Gelijk de natuurwetenschap het levende uit het levenloze, het organische uit het anorganische, de mens uit het dier, het bewuste uit het onbewuste, het hogere uit het lagere tracht af te leiden, zo zoekt de godsdienstwetenschap van de nieuwere tijd de godsdienst uit een vroegere godsdienstloze toestand en de zuivere religie uit de primitieve vormen van feticisme, animisme, voorvaderverering enz. te verklaren. Vroeger is deze theorie tot verklaring van de oorsprong van de religie reeds voldoende besproken en weerlegd. Omdat zij zich echter vooral op de heidenwereld beroept en daaraan een sterk argument voor haar juistheid ontleent, zij er hier nog het volgende aan toegevoegd. Ten eerste valt het dan met enige blijdschap te constateren, dat in de laatste jaren de toon van vele mannen van de wetenschap aan bescheidenheid gewonnen heeft. Enkele jaren geleden, toen darwinisme en materialisme de modefilosofie wvaren, werd ieder, die er zich tegen durfde verklaren, of ook maar een bedenking dorst uiten, terstond in de ban gedaan en van “Köhlerglaube” aangeklaagd. De dierlijke oorsprong van de mens gold toen, evenals thans nog bij Haeckel, als een bewezen en onweersprekelijk feit. Maar tegenwoordig dringt de erkentenis door, dat wij met al dergelijke voorstellingen over oorsprong van de mens, van zijn taal, zijn godsdienst, zijn moraal enz. ons bevinden op pre-historisch terrein, waar niemand met zekerheid iets van afweet, en dat wij dus, wetenschappelijk gesproken, met vermoedens en gissingen ons moeten tevreden stellen. Zo zegt Reinke bijv., ofschoon hij het ervoor houdt, dat de natuuronderzoeker de descendentieleer als hypothese niet missen kan: ruckhaltlos mussen wir bekennen, dass kein einziger völlig einwurfsfreier Beweis fur ihre Richtigkeit vorliegt3. En wat speciaal de oorsprong van de godsdienst aangaat, getuigde Pfleiderer nog onlangs: was wissen wir von de Anfangen der Religion? Genau genommen, eigentlich nichts! Denn alle geschichtlichen Zeugnisse reichen weit nicht zuruck bis zu de ersten Anfängen der Religion, so wenig wie zu denen der Sprache. Wir wissen, wenn wir ehrlich sein wollen, von de anfänglichen Zustanden der mensheit uberhaupt nichts und kannen nie etwas gewisses daruber wissen. Nur Vermutungen können wir darüber aufstellen, die, soweit als sie auf Rückschlussen aus dem Bekannten beruhen, mehr oder weniger Wahrscheinlichkeit haben mögen, aber doch immer von sicherem Wissen wohl zu unterscheiden sind; keine dieser Hypothesen kann bewiesen werden, also braucht man auch nicht uber sie zu streiten4.

Ten tweede is het beroep op de godsdiensten van de natuurvolken als analogie-bewijs voor het karakter van de oorspronkelijke godsdienst om verschillende redenen niet ontvankelijk. Want men kan wel spreken van wilde of natuurvolken, maar goed beschouwd zijn er zulke volken niet; alle volken, die wij kennen, zijn in het bezit van verstand en rede, taal en godsdienst, rede en recht; cultuurarm mogen zij zijn, cultuurloos zijn zij niet. Ook bij hen is dus op evolutionistisch standpunt de oorspronkelijke godsdienst niet te vinden; deze ligt ver achter hen; om zover te komen, als ze werkelijk thans zijn, moeten zij volgens deze zelfde evolutietheorie een eeuwenlange ontwikkeling hebben doorgemaakt. Hellwald zegt daarom: Selbst die rohesten Wilden der Gegenwart haben offenbar einen höheren Kulturrang erstiegen, als wir dem Urmensen zusprechen können5. Indien dat het geval is, blijft de mogelijkheid open, dat wij in die wilde volken niet met een evolutie, maar met een devolutie te doen hebben. Van tevoren is dit in elk geval niet uit te maken; de historie bewijst, dat er ook in de godsdienst menigmaal bij de volken in plaats van vooruitgang verval is ingetreden. Zelfs Pfleiderer maant in deze tot voorzichtigheid aan, denn es lässt sich nicht von vornherein behaupten, dass die Religion der Wilden wirklich nur der stehengebliebene Anfang aller menslichen Religion sei; die Möglichkeit eines Rückschrittes, einer Degeneration höherer Anfänge ist um so weniger ausser acht zu lassen, als tatsächlich vielfach Anzeichen einer solchen vorkommen6. En ten derde is het een opmerkelijk feit, dat, als wij het gebied van de gissingen en van de vermoedens verlaten en aan de hand van de historie zover mogelijk in het verleden van de mensheid trachten terug te gaan, wij bij de oudste volken in het land van Babel en Assur in hoge ouderdom een cultuur aantreffen, die ons verbaast, en een godsdienst, die oorspronkelijk zuiverder was maar later is verbasterd en zelfs van huis uit een min of meer monotheïstisch karakter heeft gedragen. Schelling sprak daarom reeds in zijn tijd de mening uit, dat een relatief monotheïsme de oorspronkelijke godsdienst is geweest. Max Müller nam een zogenaamd henotheïsme als primitieve godsdienst aan7. En in de jongste tijd hebben daarom velen beweerd, dat er een oorspronkelijk monotheïsme aan alle godsdiensten, niet alleen aan de oude religie van Babel maar ook aan de religies van de Heidenen ten grondslag lag8. Trouwens moet men daartoe komen, als en zolang men ernstig aan de waarheid en de waarde van de godsdienst gelooft. Dan toch moet men in de godsdiensten onderscheiden tussen zuivere ontwikkeling en onzuivere verbastering, dat is met andere woorden, al vermijdt men deze termen ook, tussen waar en vals. Superstitie kan dan evenmin de primitieve vorm en de oorsprong van de zuivere religie zijn, als leugen van de waarheid en zonde van de deugd. Het minste, dat men erkennen moet, is dan zeker dit, dat men het wezen van de godsdienst niet beoordelen mag naar zijn laagste aanvangen, maar naar zijn latere hoogtepunten, evenals men het kind slechts kent uit de volwassen man en een eikel uit de eik9. Maar dan moet dat hoogste ook in het laagste reeds hebben ingezeten als leidende idee en drijfkracht. En men is daarmee, of men wil of niet, gedwongen, om de Godsidee, die de grondslag van alle religie is, niet eerst te plaatsen aan het einde maar aan het begin. Zonder God, zonder de erkenning van zijn bestaan, zijn openbaring en zijn kenbaarheid komt men bij de verklaring van de oorsprong en het wezen van de godsdienst niet uit. Maar, hoe streng de Schrift ook oordeelt over het karakter van het heidendom, juist de algemene openbaring die zij leert stelt ons in staat en geeft ons recht, om al de elementen van waarheid te erkennen, die ook in de heidense religies aanwezig zijn. De studie van de godsdiensten stond vroeger uitsluitend in dienst van de dogmatiek en apologetiek. De godsdienststichters, zoals Mohammed, werden eenvoudig voor bedriegers, vijanden Gods, handlangers van de duivel gehouden10. Maar sedert die godsdiensten nauwkeuriger bekend zijn geworden, is deze verklaring onhoudbaar gebleken; zij was beide met de historie en met de psychologie in strijd. Naar de H. Schrift is er ook onder de Heidenen een openbaring Gods, een verlichting van de Logos, een werking van Gods Geest, Gen. 6:17; 7:15; Ps. 33:6; 104:30; 139:2; Job 32:8; Pred. 3:19; Spr. 8:22 v. Mal. 1:11, 14; Joh.1:9; Rom.2:14; Gal. 4:1-3; Hand. 14:16-17; 17:22-30. Vele kerkvaders, Martyr, Clemens Alex. e.a. namen een werkzaamheid van de Logos in de heidenwereld aan. Augustinus spreekt meermalen zeer ongunstig over de Heidenen, maar erkent toch ook, dat zij de waarheid in schaduw zagen, de civ. 19,1, de trin. 4,20, dat de waarheid hun niet ten enenmale verborgen was, de civ. 8, 11 v. en dat wij dus met het ware in de heidense filosofie onze winst moeten doen en het ons moeten toeëigenen, de doctr. chr. 2,60. Non usque adeo in anima humana imago Dei terrenorum affectuum labe detrita est, ut nulla in ea velut lineamenta extrema remanserint, unde merito dici possit, etiam in ipsa impietate vitae suae facere aliqua legis vel sapere, de spir. et. litt. c. 27.28. Ook vele niet-reinen erkennen veel waars, Retract. I c. 4. Thomas zegt niet alleen, dat de mens als redelijk wezen, zonder bovennatuurlijke genade, de veritates naturales kennen kan, maar getuigt ook, dat het onmogelijk is, esse aliquam cognitionem quae totaliter sit falsa, absque admixtione alicujus veritatis, en beroept zich daarbij op de woorden van Beda en Augustinus: nulla falsa est doctrina, quae non aliquando aliqua vera falsis intermisceat11. De Gereformeerden waren er nog beter aan toe door hun leer van de gratia communis. Hierdoor werden zij enerzijds voor de dwaling van het Pelagianisme behoed, dat de sufficientia van de theol. naturalis leerde en de zaligheid verbond aan de onderhouding van de lex naturae; maar konden zij toch anderzijds al het ware en schone en goede erkennen, dat ook in de heidenwereld aan wezig was. Wetenschap, kunst, zedelijk, huiselijk, maatschappelijk leven enz. werden uit die gratia communis afgeleid en met dankbaarheid erkend en geprezen12. Gewoonlijk werd deze werking van de gratia communis nu wel gezien in het zedelijk en verstandelijk, maatschappelijk en staatkundig leven, maar minder dikwijls in de godsdiensten van de heidenen. Dan werd alleen van enige religio naturalis, insita en acquisita, gesproken, maar het verband tussen deze en de religies niet aangetoond. De godsdiensten werden uit bedrog of demonische invloeden afgeleid. Niet alleen echter in wetenschap en kunst, in moraal en recht, maar ook in de godsdiensten is er een werking van Gods Geest en van zijn algemene genade op te merken. Calvijn sprak terecht van een semen religionis, een sensus divinitatis13. Immers, de godsdienststichters waren geen bedriegers en geen werktuigen van Satan, maar mannen die, religieus aangelegd, voor hun tijd en voor hun volk een roeping hadden te vervullen, en op het leven van de volken dikwijls een gunstige invloed hebben uitgeoefend. De verschillende godsdiensten, met hoeveel dwaling ook vermengd, hebben tot op zekere hoogte de religieuze behoeften bevredigd en troost in de smart van het leven geschonken. Niet alleen kreten van wanhoop, maar ook tonen van vertrouwen, hoop, berusting, vrede, onderwerping, lijdzaamheid enz. komen ons uit de heidenwereld tegen. Al de elementen en vormen, die essentiëel zijn aan de religie, Godsbegrip, schuldbewustzijn, behoefte aan verlossing, offerande, priesterschap, tempel, cultus, gebed enz. komen verbasterd, maar komen toch zo ook in de heidense godsdiensten voor. Zelfs ontbreekt het hier en daar niet aan onbewuste voorzeggingen en treffende verwachtingen van een betere en zuiverder religie. Daarom staat het Christendom niet uitsluitend antithetisch tegen het heidendom over; het is er ook de vervulling van. Het Christendom is de ware, maar daarom ook de hoogste en zuiverste religie, het is de waarheid van alle godsdiensten. Wat in het Etnicisme karicatuur is, is hier het levende origineel. Wat daar schijn is, is hier wezen. Wat ginds gezocht wordt, is hier te vinden. Het Christendom is de verklaring van het Ethnicisme, Christus is de Beloofde aan Israël en de Wens van alle Heidenen. Israël en de gemeente zijn uitverkoren ten bate van de mensheid. In Abrahams zaad worden alle volken van de aarde gezegend14.

1 Orig. c. Cels V. Aug. de civ. Dei 16: 6 Schelling, Einleitung in die Philos. der Mythologie I 94 v. Delitzsch, Comm. op Gen. 11. Auberlen. De goddelijke openbaring I 187 v. Fabri, Die Entstehung des Heidenthums und die Aufgabe de Heidenmission 1859.

2 Verg. over de betekenis van het woord paganus: Zahn, Neue Kirchl. Zeits. 1899 bl. 18-43. Harnack, Missjon und Ausbreitung des Christ. in de ersten drei Jahrh.2 I 350.

3 Reinke, Die Entw. der Naturw. insbes. der Biologie im 19 Jahrh.1900 bl.19, 20.

4 O. Pfleiderer, Religion und Religionen. München 1906 bl. 53. Verg. ook Hellwald, Kulturgesch. I 11 32, 58, L. Stein, Die soziale Frage 38. 63. 105.107. Tiele, Inl. II 183. Ladd, Philos. of religion I 150.

5 Hellwald, Kulturgeschichte, I 11.

6 Pfleiderer t.a.p. 54. Tiele, Inl. II 183. Ladd, t.a.p. I 152.

7 Multer, Vorles. über Ursprung u. Entw. der Relig. bl. 292 v. Deutsche Rundschau Sept. 1898. Rauwenhoff, Wijsbeg. v. d. godsd. 95 v. 191 v. Hoekstra, Wijsg. godsd. 146 v. Pfleiderer, t.a.p. 64.

8 Verg. behalve de boven deze par. genoemde literatuur nog: Furmby-Krieg, Just. Der Monotheismus der Offenbarung und das Heidenthum. Mainz 1880. Ebrard, Apologetik2 II 520 v. Leopold von Schroeder, in: Beiträge zur Weiterelltw. d. christl. Rel. bl. 1-39. A. Jeremias, Monotheistische Strömungen innerhalb der babylonischen Religion. Leipzig 1904. H. Winckler, Die Weltanschauung des alten Orients. Leipzig 1904.

9 Pfleiderer, t.a.p. 5. Tiele, Inl. II 121. 179. Ladd, Philos. of religion I 34, 103, 144.

10 Verg. Dr. Snouck Hurgronje, De Islam, Gids 1886 II 239 T.

11 Thomas, S. Theol. I 2 qu. 109 art. 1. II 2 qu. 172 art. 6.

12 Verg., behalve Calvijn en Zanchius bovengenoemd, ook nog: Wttewrongel, Christ. Huishouding I 288, 299. Witsius, Oec. foed. III. 12, 52. Id., Twist des Heeren met zijn wijngaart cap. 19. Turretinus, Theol. El. X 5. Vossius, Hist. Pelag. III 3. Pfanner, Syst. Theol. Gent. XXII 33. Trigland, Antapologia c. 17. Moor, Comment. IV 826-829.

13 Calvijn, Inst. I 3 1-3. I 4 1. II 2 18.

14 Zie behalve de bovengenoemde werken van Fabri, Sepp, Tholuck e.a. ook nog Clemens Alex., Strom. 1, 1, 4, 5. 6, 8. Coh. ad gentes par. 6. Orig., c. Oels. 4, 4. Ritschl, Rechtf. u Vers. III2 184. Philippi, Kirchl. Gl. I 2. Beck, Einleitung in das Syst. der christl. Lehre 2e Aufl. 1870 bl. 45 v. Saussaye in mijne Theol. van Prof. Dr. Ch. d. 1. S. bl. 31 v. 46 v. 83 v. v. von Strauss und Torney, Das unbewust Weissagende im vorchristl. Heidenthum (Zeitfr. des christl. Volkslebens VIII). Staudenmaier, Encycl. der theol. Wiss. 1835 par. 428v. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. 134 v. Kuyper, Encycl III 445 v. 563 v.

x
This website is using cookies. Accept