Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Par. 12. Openbaring en Natuur.

Rademacher, Die übernatürliche Lebensordnung nach der paulin. und johann. Theologie. Freiburg 1903. Kranich, Ueber die Empfänglichkeit der menschl. Natur für die Güter der übernatürl. Ordnung nach der Lehre des h. Augustin und des h. Thomas, Paderborn. Kleutgen, Theol. der Vorzeit2 II 3-151. Denzinger, Vier Bücher von der relig. Erk. I 105 v. II 75 v. Scheeben, Handbuch der kath. Dogm. II 240 v. Id. Natur und Gnade. Mainz 1861. Heinrich, Dogm. Theol. I2 3 v. A. M. Weisz, Apol. des Christ. III Natur und Uebernatur. Freiburg 1897.

Lechler, Gesch. des engl. Deismus 1841. Kuno Fischer, Francis B’acon und seine Nachfolger2, Leipzig 1875. Wegscheider, Instit. theol. par. 10-12. Bretschneider, Handb. der Dogm4. I 188-329. Id. Syst. Entw. aller in der Dogm. vork. Begrifte par. 34. Nitzsch, Lehrb. der ev. Dogm. bl. 141 v. Art. Ration. u. Supern. van Kirn in PRE2. Eisler, Worterbuch s. v. Troeltsch, art. Aufklarung en Deismus in PRE3.

Gottschick, Das Verhaltnis von Deisseits und Jeuseits im Christ., Zeits. f. Th. u. K. Febr. 1899. Zahn, Natur und Kunst im N. T., Neue Kirchl. Zeits. April 1899. Harnack, Das Wesen des Christ. 1902 bl. 50 v. Herrmann, Romisch-Kath. u. Evang. Sittlichkeit. Marburg 1900. Bachman, Natur und Gnade, Neue kirchl. Zeits. Nov. 1905. Grützmacher, Modern-posit. Vortrage. Leipzig 1906 bl. 45-63. Steude, Entwickelung und Offenbarung. Stuttgart 1905. E. W. Mayer, Christentum und Kultur. Berlin 1905.

98. De leer aangaande de openbaring, welke in de Schrift is vervat en in de vorige paragrafen ontwikkeld werd, is in de Christelijke kerk op tweeërlei wijze miskend geworden, zowel door het supranaturalisme als door het naturalisme (rationalisme). Tegenover beide dient zij daarom nader in het licht gesteld en gehandhaafd te worden. Eerst tegenover het supranaturalisme, dat vooral in Rome is opgekomen en dan in verschillende richtingen binnen het Protestantisme nawerkt. De Schrift kent wel onderscheid tussen de gewone gang van de dingen en buitengewone werken van God, maar maakt toch nog niet de tegenstelling van natuurlijk en bovennatuurlijk. Deze komt eerst bij de kerkvaders voor. De bijzondere openbaring wordt met de bovennatuurlijke vereenzelvigd en tegenover de natuurlijke gesteld. Clemens Alexandrinus spreekt reeds van uperfuhv yewpia, die men verkrijgt door het geloof. Chrysostomus noemt de wonderen uper fusin en fusei meizona. Ambrosius stelt gratia, miraculum, mysterium tegenover de ordo naturae. Johannes Damascenus spreekt meermalen van de wonderen, zoals de ontvangenis van Christus, de eucharistie enz. als uper fusin, uper logon kai ennoian1. Sindsdien heeft de onderscheiding van natuurlijk en bovennatuurlijk ingang gevonden en burgerrecht verkregen in heel de Christelijke theologie. Zonder twijfel heeft deze onderscheiding ook recht van bestaan. De Schrift mag ze niet met zoveel woorden maken; zij erkent toch een gewone orde van de natuur en daarbij daden en werken, welke hun oorzaak alleen hebben in de almacht van God. De openbaring in de H. Schrift onderstelt, dat er nog een andere, hogere en betere wereld is dan deze natuur en dat er dus een ordo rerum is supra hanc naturam. De begrippen van natuurlijk en bovennatuurlijk dienen daarom duidelijk te worden bepaald. Natuur, van nasci, worden, duidt in het algemeen datgene aan, wat zonder vreemde macht of invloed van buiten, alleen naar zijn inwendige krachten en wetten zich ontwikkelt2. Natuur staat dan zelfs tegenover kunst, opvoeding, cultuur, geschiedenis, welke niet vanzelf, spontaan ontstaan, maar door menselijk toedoen tot stand komen. Maar verder wordt het begrip natuur menigmaal ruimer genomen en dan uitgebreid tot heel de stoffelijke, zinlijk-waarneembare wereld, in onderscheiding van de geestelijke en onzienlijke dingen, of ook zelfs uitgebreid tot de hele kosmos, voor zover deze niet van buiten maar van binnen uit, door immanente krachten en naar eigen ingeschapen wetten zich beweegt en ontwikkelt. Bovennatuurlijk is dan in het laatste geval alwat de krachten van de natura creata te boven gaat en zijn oorzaak niet heeft in de schepselen, maar in de almacht van God. In deze zin werd de bijzondere openbaring in de Christelijke theologie opgevat. In haar geheel genomen, had ze haar oorsprong in een bijzondere daad van God, welke niet in de gewone gang van de natuur maar in een eigen, daarvan onderscheiden, orde van zaken zich had geopenbaard. Daarbij werd dan verder nog onderscheid gemaakt tussen het bovennatuurlijke in absolute zin, als iets de kracht van alle creatuur te bovengaat, en het bovennatuurlijke in relatieve zin, als het de kracht van een bepaalde oorzaak in de gegeven omstandigheden overtreft; en voorts ook nog tussen het supernaturale quoad substantiam, als het feit zelf bovennatuurlijk is, b.v. de opwekking van een dode, en het supernaturale quoad modum, als alleen de wijze van doen bovennatuurlijk is, b.v. de genezing van een zieke zonder middelen3. Ook in deze onderscheidingen lag op zichzelf nog geen gevaar. Zelfs moeten zij tegenover een wijsbegeerte, die het bovennatuurlijke ontkent of verzwakt, verdedigd worden. De uitdrukking bovennatuurlijk is n.l. in de latere theologie en filosofie menigmaal in zeer gewijzigde zin verstaan, en beurtelings met het bovenzinlijke (Kant), het vrije (Fichte), het onbekende (Spinoza, Wegscheider), het nieuwe en oorspronkelijke (Schleiermacher), het religieus-ethische, het geestelijke (Saussaye) enz. vereenzelvigd. Maar zulk een wijziging van de vaststaande en duidelijke betekenis van een woord leidt tot misverstand. Indien men met bovennatuurlijk niets anders bedoelt dan het bovenzinlijke, het ethische enz., doet men beter de term te vermijden. En de verwarring wordt nog groter, als men het natuurlijke en het bovennatuurlijke dooreen mengt en aan deze fusie dan de naam van het Geistleibliche, Godmenselijke enz. geeft. Het begrip natuur omvat al het geschapene, niet alleen de stof, de materie, maar ook ziel en geest; niet alleen het fysische maar ook het psychische, het religieuze en het ethische leven, voor zover het uit de menselijke aanleg vanzelf opkomt; niet alleen zienlijke, maar ook onzienlijke, bovenzinnelijke dingen. Het bovennatuurlijke is niet met het oorspronkelijke, het geniale, het vrije, het religieuze, het ethische enz. identiek, maar is de duidelijke en vaststaande naam alleen voor datgene, wat uit de krachten en naar de wetten van de geschapen dingen niet is te verklaren. Tot zover is de onderscheiding, tussen natuurlijk en bovennatuurlijk, die in de Christelijke theologie opkwam, volkomen uist, beslist, duidelijk, alle verwarring afsnijdend. Behoudens het gezegde boven (Deel I; Hoofdstuk 2; Par. 10 Algemene Openbaring; 86), is bijzondere openbaring, in haar drie vormen van theofanie, profetie en wonder, bovennatuurlijk in strikte zin.

Maar in de Christelijke theologie werd het begrip van het bovennatuurlijke langzamerhand nog enger begrensd. Het werd enerzijds van de schepping en anderzijds van de geestelijke wonderen van de wedergeboorte enz. onderscheiden. De eerste onderscheiding werd gemaakt, omdat het bovennatuurlijke niet voor God, maar alleen voor ons bestaat en de gewone orde, door de schepping in het aanzijn geroepen, onderstelt. Van het bovennatuurlijke kan alleen gesproken worden, als de natuur vooraf reeds bestaat. En anderzijds werden wedergeboorte, vergeving, heiligmaking, unio mystica enz., wel voor rechtstreekse daden van God gehouden, maar toch niet tot de bovennatuurlijke openbaring gerekend, omdat zij niet ongewoon en zeldzaam zijn maar in de kerk tot de gewone ordo rerum behoren. De kerk zelf is wel supranatureel maar toch geen wonder. Ook het bovennatuurlijke en het wonder zijn weer onderscheiden. Al het bovennatuurlijke is geen wonder, maar wel omgekeerd. Wonderen zijn niet alleen bovennatuurlijke, maar bovendien ook nog ongewone en zeldzame gebeurtenissen in natuur of genade. Zij geschieden niet alleen praeter ordinem naturae alicujus particularis, maar praeter ordinem totius naturae creatae. Engelen en duivelen kunnen in eigenlijke zin geen wonderen doen, maar alleen zulke dingen, die ons wonderlijk toeschijnen en geschieden praeter ordinem naturae creatae nobis notae4. Thomas spreekt niet alleen van wonderen praeter en supra, maar ook contra naturam5. En Voetius zei, dat wonderen wel niet zijn contra naturam universalem sed supra et praeter eam, maar toch ook soms konden zijn contra naturam aliquam particularem6. Wonderen hadden dus de volgende kentekenen: opus immediatum Dei, supra omnem naturam, in sensus incurrens, rarum, ad confirmationem veritatis7. Hoeveel goeds er nu ook wezen mag in deze door de scholastiek gemaakte bepalingen en onderscheidingen, zij brachten toch geen gering gevaar met zich. De bijzondere openbaring werd enerzijds losgemaakt van de schepping en de natuur; al werd erkend, dat bovennatuurlijke openbaring niet eerst nu maar ook reeds vóór de val had plaats gehad8, en dus op zichzelf niet in strijd kon zijn met de natuur, toch werd hieraan geen genoegzame aandacht gewijd. Anderzijds werd de bijzondere openbaring tegengesteld aan de geestelijke wonderen, de werken van de genade, die voordurend plaats hebben in de kerk van Christus en dus geïsoleerd van de herschepping en de genade. Wanneer deze onderscheiding als een scheiding opgevat werd, wat licht geschieden kon, kwam de bijzondere openbaring geheel op zich zelf te staan, zonder verband met natuur en geschiedenis. Haar historisch en organisch karakter werd dan miskend. Zij ging niet in wereld en mensheid in, maar bleef buiten en boven haar zweven. Te meer was dit alles het geval, als de bijzondere openbaring werd opgevat als een leer, als een verkondiging van onbegrepen en onbegrijpelijke mysteriën, wier waarheid bevestigd was door de wonderen. Zij was en bleef dan in één woord een donum superadditum van de kosmos.

In Rome is dit supranaturalistisch en dualistisch stelsel consequent uitgewerkt. In God zijn er twee concepties van de mens, van zijn natuur en bestemming. De mens in puris naturalibus, zonder het beeld van God, gelijk hij feitelijk na de val nog is, kan een zuivere kennis van God hebben uit zijn werken, kan Hem dienen en vrezen en in een normale, op zich zelf goede knechtsverhouding tot Hem staan, kan alle natuurlijke deugden beoefenen, ook zelfs de natuurlijke liefde tot God, en kan het zo brengen tot een zekere staat van geluk in dit en in het toekomende leven. Brengt hij het zover niet, dan is dat zijn eigen schuld en is dit te wijten aan het niet of slecht gebruiken van de hem geschonken natuurlijke krachten. Maar God wil aan de mens nog een hogere, bovennatuurlijke, hemelse bestemming geven. Dan moet Hij daartoe aan de mens verlenen dona superaddita zowel vóór als nu na de val. Hij moet hem schenken een bovennatuurlijke genade, waardoor hij God op een andere, betere, hogere wijze kan kennen en liefhebben, betere en hogere deugden kan beoefenen, en een hogere bestemming kan bereiken. Die hogere kennis bestaat in de fides; die hogere liefde in de caritas; die hogere deugden zijn de theologische, geloof, hoop, liefde, welke essentiëel van de virtutes cardinales (intellectuales et morales) zijn onderscheiden; en die hogere bestemming bestaat in het kindschap van God, de geboorte uit God, de unio mystica, de gemeenschap aan de Goddelijke natuur, de yewsiv, de deificatio, de visio Dei enz. Deze leer is in sommige uitspraken van de kerkvaders reeds voorbereid, maar is toch eerst ontwikkeld door de scholastiek, vooral door Halesius, Bonaventura en Thomas9. In de strijd tegen Bajus en Jansenius werd ze kerkelijk vastgesteld, en later door het Vaticanum nadrukkelijk herhaald10: revelatio absolute necessaria dicenda est, quia Deus infinita bonitate sua ordinavit hominem ad finem supernaturalem, ad participanda sc. bona divina, quae humanae mentis intelligentiam superant, met beroep op 1 Cor. 2:9.

1 Clemens, Strom. II 2. Chrysostomus, Hom. 36 in Gen. Ambrosius, de mysteriis c. 9. Damascenus, de fide orthod. IV 12-15. V erg. Denzinger, Vier Bücher usw. I 82 v.

2 Eisler, Wörterbuch der philos. Begriffe s. v.

3 Thomas, S. c. Gent. III 101.

4 Thomas, S. Theol I qu. 110 art. 4v O. Gent. I 6. III 112. Voetius, Disp. II 973 v.

5 Thomas, qu. de miraculis art. 2 ad 3. V erg. Muller, Natur und Wunder 1892 bl. 145.

6 Voetius, Disp. II 973. Verg. ook Gerhard, Loci Theol. XXII par. 271 v.

7 Voetius, t.a.p. 965. Gerhard, t.a.p.

8 Calovius, Isag ad. theol. bl. 49.

9 Halesius, Summa universae Theol. II qu. 91 m. 1 a. 3. Bonaventura, Breviloquium V cap. 1. Thomas, Disp. de veritate qu. 27. S. Theol. I2qu.62art.1.

10 Denzinger, Enchir. symb. n. 882 v. Conc. V atie. Sess. III c. 2, cf. can. II 3.

x
This website is using cookies. Accept