Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

440. Door het beginsel uit te spreken, dat de mens gerechtvaardigd wordt uit genade door het geloof alleen, drong de Reformatie de kerk als middelares van het heil op zijde en herstelde zij de rechtstreekse band van de ziel aan God, onder bemiddeling van Christus en zijn woord alleen. Zij plaatste dientengevolge de Schrift vóór de kerk en het woord vóór het sacrament. Maar dit principe bracht eigenaardige gevaren en moeilijkheden mee. Want de Anabaptisten trokken het zover door, dat zij de kerk en de sacramenten als middelen van de genade geheel verwierpen, de wedergeboorte als een nieuw leven van actief geloof en bekering afhankelijk maakten, en dus de doop alleen toelieten op grond van persoonlijke belijdenis. Luther keerde toen halverwege op zijn schreden terug, en de Luthersen leerden later eenparig, dat de sacramenten inderdaad geloof en bekering onderstellen, maar dat, omdat bij kinderen daarvan geen sprake kan zijn, de doop door de kracht van de Heilige Geest, die met het doopwater zich verbindt, aan hen die genade schenkt, welke eigenlijk door het sacrament vooraf werd vereist en ondersteld. Men keerde dus tegen de Anabaptisten het argument om; in plaats van te besluiten, dat de kinderen, omdat geen geloof en bekering kunnende oefenen, ongedoopt moesten blijven, redeneerde men, dat zij juist gedoopt moesten worden, om het geloof en de zaligheid te verkrijgen; ergo sunt baptizandi, ut fidem et salutem consequantur1. De doop is toch volgens Tit. 3:5 het bad van de wedergeboorte, en is dat juist voor de kinderen, omdat het woord als middel van de genade bij hen nog geen dienst kan doen2. De genade, welke in de doop geschonken wordt, bestaat in de gave van het geloof, de vergeving van de zonden en het eeuwige leven, en is voor de kinderen, die vroeg sterven, volkomen genoegzaam. Maar bij hen, die opwassen tot jaren van het onderscheid, komt ze op de proef te staan. Want wanneer de mens deze genade zich niet door daden van geloof en bekering toeëigent, gaat ze weer verloren. En ook wanneer hij door fides en conversio heen de regeneratio in de zin van renovatio deelachtig wordt, blijft dit nieuwe leven met al de ontvangen genade, tot het einde toe verliesbaar. Zo maakten de Luthersen op hun beurt toch ook weer voor de kinderen in de regel — want voor buitengewone gevallen werd een uitzondering gemaakt3 —de wedergeboorte van de doop en mitsdien van de kerk afhankelijk; ook zij verbraken de continuïteit van het geestelijke leven, door de wedergeboorte altijddoor verliesbaar te stellen, en met name tussen de aan geloof en bekering voorafgaande regeneratio prima en de daarop volgende regeneratio secunda (renovatio) onderscheid en scheiding te maken; zij liepen daarmee het gevaar, om de eerste tot een kracht te verzwakken, welke de mens in staat stelde om te geloven, maar die het in het onzekere liet, of hij ooit metterdaad geloven zou4.

De theologen van Gereformeerde belijdenis stonden natuurlijk voor dezelfde moeilijkheid, en vonden bovendien geen oplossing, die allen bevredigde. Evenals het Evangelie, toen het in de beginne verkondigd werd, en elke religieuze beweging, die later binnen het Christendom opkwam, zo had ook de Reformatie zich allereerst tot de volwassenen te wenden en stelde dus de prediking van geloof en bekering op de voorgrond. Door dat geloof werd men de regeneratio, het nieuwe, geestelijke leven deelachtig; fide nos regenerari, luidt de titel van het derde hoofdstuk in het derde boek van Calvijns Institutie,maar zo kwam men met de kinderen van de gelovigen en met hun doop in het gedrang. Om daaraan te ontkomen, sloeg men verschillende wegen in; men grondde de doop van de kinderen van de gemeente op het geloof van de ouders of van de kerk, op hun toekomstig geloof, op het niet nader omschreven verbond van de genade, waarin de kinderen met hun vaders begrepen waren, op de met de voorbeelden van Johannes en Jezus geïllustreerde gedachte, dat de Heilige Geest in de harten van kinderen vóór hun bewustzijn en vóór hun geboorte werken kan, op de in het geloof aan de belofte van het genadeverbond aangenomen werkelijkheid, dat de Heilige Geest in hun hart de hebbelijkheid van het geloof en zo de wedergeboorte (in engere zin, als het allereerste levensbeginsel) gewrocht had5. Dikwijls komen bij de theologen, oa. bij Calvijn6, verschillende van deze redeneringen naast elkaar voor, zonder dat een ervan tot leidende gedachte verheven wordt. Het laatste gevoelen van een voorafgaande wedergeboorte kreeg nog daardoor steun, dat men, zodra geloof en bekering in verband met het diep bederf van de menselijke natuur werden ingedacht, tot een verborgene, inwendige werkzaamheid van de Heilige Geest terug moest gaan, waaruit ze allen konden opkomen en verklaard konden worden. Wedergeboorte en bekering moesten dan wel, althans logisch, onderscheiden, en de eerste vóór de tweede geplaatst worden. Maar men had dit gevoelen, dat de wedergeboorte bij de kinderen vóór de doop plaats had, nauwelijks uitgesproken, of er rezen terstond weer andere bezwaren. Niemand durfde beweren, dat dit altoos en zonder uitzondering het geval was; men vergenoegde zich dus met te zeggen, dat dit in de regel zo plaats had. Bovendien kon men het nog met enige grond staande houden van die kinderen van het verbond, die in hun prille jeugd stierven; maar de belijdenis van de verkiezing deed velen reeds ten aanzien van deze vroegstervende kinderkens voorzichtig spreken. En wat de kinderen betrof, die in het leven bleven en opgroeiden, leerde de werkelijkheid dikwijls geheel anders, dan hun doop verwachten deed. Zo zag men zich in ieder geval genoodzaakt tot de beperking, dat alleen de uitverkoren kinderen in de regel vóór hun doop werden wedergeboren. En ook dit was, met het oog op het feit, dat vele gedoopten eerst op veel later leeftijd en na een lange zondedienst tot geloof en bekering kwamen, velen te kras; zij bepaalden zich dus tot de algemene uitspraak, dat de wedergeboorte plaats kon hebben vóór, of in, of kortere of langere tijd na de doop7. Maar dan verder nog, als de wedergeboorte plaats had in de prille jeugd, vóór of onder de doop, wat was zij zelf en waarin bestond haar natuur? De meeste Gereformeerden hielden de continuïteit van het geestelijk leven vast; de wedergeboorte in de jeugd plantte dat beginsel van het leven in het hart, dat voortdurend door God werd bewaard, later in daden van geloof en bekering overging, en daarna zich voortzette in de heiligmaking. Maar een niet onaanzienlijke groep van Anglicaansche godgeleerden ging allengs tussen de” baptismal regeneration” en de later op geloof en bekering volgende vernieuwing onderscheid maken, en verstond onder de eerste de instorting van de geestelijke kracht, welke op later leeftijd tot geloof en bekering in staat stelde en daarvan dus ook in haar bestand afhankelijk was8. En toen de kerk steeds meer in verval kwam en van de wereld gelijkvormig werd, wisten zich velen niet anders uit de moeilijkheid te redden, dan door inwendig en uitwendig genadeverbond te scheiden en de sacramenten tot tekenen en zegelen van het laatste te verzwakken. De doop gaf en onderstelde de wedergeboorte niet, maar nam alleen in het genadeverbond op, voorzover de mens daardoor een verzekering van Gods algemene liefde en goedwilligheid ontving en er door uitgenodigd en verplicht werd, om het Evangelie aan te nemen en zich in oprechtheid tot God te bekeren9. Zo werd, evenals in het methodisme, het piëtisme, het rationalisme, de verhouding van wedergeboorte en geloof weer omgekeerd. De mens was verplicht en had volgens het meer en meer veldwinnend gevoelen ook nog wel de zedelijke kracht, om te geloven en zich te bekeren; het du sollst onderstelde en eiste het du kannst; door dat geloof werd hij dan wedergeboren en verbeterde hij zijn leven. Tenslotte kwam het in de Aufklärung zover, dat men de term wedergeboorte liefst vermeed; verlichting, beschaving, ontwikkeling, zedelijke opvoeding en verbetering waren veel betere woorden, en verdienden ook zakelijk verreweg de voorkeur.

1 Gerhard, Loci Theol. I. XX 195.

2 Gerhard, t.a.p. XX 186.

3 Gerhard, t.a.p. XX 236.

4 Schmid, Dogm. der ev. Luth. Kirche par. 54.

5 Verg. hierbij de nagelaten dogmenhistorische studie van G. Kramer, doct 8. in de Gods. aan de Vrije Universiteit, over Het Verband van Doop en Wedergeboorte. Met een inleidend woord van Dr. A. Kuyper. Breukelen 1897. Deze studie is zeer belangrijk, maar wordt al te zeer beheerst door het streven, om de Gereformeerde Theologen zoveel mogelijk tot voorstanders van een aan de doop voorafgaande wedergeboorte te maken. Dit gevoelen wordt wel nu en dan, op voorzichtige wijze uitgesproken, maar volstrekt niet door allen gedeeld.

6 Calvijn zegt wel een enkele maal, dat de kinderen der gelovigen reeds vóór de doop door een bovennatuurlijke genade heilig zijn, Inst. IV 16, 31, dat het zaad van geloof en bekering door een geheime werking van de Geest in hen schuilt, IV 16, 20, dat de gennde van de wedergeboorte hun uit kracht van de belofte ten deel valt en de doop bij wijze van zegel volgt, bij Kramer t.a.p. bl. 145. Maar het is niet zeker te zeggen, wat de kracht van deze uitdrukkingen is. Daarnaast toch spreekt hij zich aldus uit, dat zijn eigen doop hem niets nutte, zolang de daarin aangeboden belofte door hem verwaarloosd werd, IV 15, 17, dat God wel niet van uitwendige middelen afhankelijk is, maar toch ordinario modo ons daaraan bindt, IV 1, 5, 16, 19, dat voor hen, die het Evangelie horen, het woord van God spiritalis regenerationis semen unicum is, IV 16, 18, dat de kinderdoop geen meerdere kracht vereist, dan dat hij het verbond van de genade bevestigt, en dat de verdere betekenis van het sacrament later volgt, IV 16, 21, dat voor volwassenen het woord het onverderfelijke zaad van de wedergeboorte is, maar dat, ubi vero nondum per aetatem nobis inest docilitas, Deum tenere suos regenerandi gradus, IV 16, 31 enz. Verg. ook Kromsigt, Iets over Calvijns doopsbeschouwing, Troffel en Zwaard, 1905 bl. 102-106.

7 De Gereformeerde theologen waren hierover eenstemmig: 1. dat de weldaden van het genadeverbond in de regel door God in verband met de genademiddelen werden uitgedeeld, de wedergeboorte dus ook in het verband met het woord. 2. dat God echter niet aan de middelen gebonden was, ook een ongewone weg bewandelen kon, en met name jonge kinderen zonder het woord wederbaren en zaligen kon. 3. dat Hij in de regel zo te werk ging bij kinderen van de gelovigen, die vóór de jaren van het onderscheid door de dood werden weggenomen. 4. dat de gedoopte kinderen van de gelovigen, die in het midden van de gemeente leven, zolang voor uitverkoren en wedergeboren te houden zijn, totdat uit hun belijdenis en wandel het tegendeel blijkt. 5 dat dit echter een oordeel van de liefde is, hetwelk wel regel van onze houding tegenover die kinderen moet zijn, maar niet op onfeilbaarheid aanspraak kan maken. Daarentegen was er van de aanvang af verschil over, of al de kinderen van de gelovigen, voor zover ze uitverkoren waren, reeds vóór, of in of ook eerst na de doop werden wedergeboren. Sommigen, zoals Martyr, a Lasco, Datheen, Alting, Witsius, Voetius, Mastricht neigden tot het eerste gevoelen. Maar de meesten lieten dit in het midden, Calvijn, Beza, Musculus, Ursinus, de Brès, Acronius, Cloppenburg, Walaeus, Maccovius, Bucanus, Turretinus, Heidegger enz.; zie het aangehaalde werk van G. Kramer. Over de mening van het doopsformulier bestaat verschil, G. Oorthuys, Het gebed vóór de doop in ons doopsformulier, Troffel en Zwaard 1907 bl. 351-374.

8 Volgens Voetius, Disp. II 409 leerden enige Engelse theologen, navenant, Ward ea., dat de doop genade toebracht aan alle kinderen, omdat zij obicem ponere non possunt; maar kinderen ontvingen deze genade, bestaande in vergeving van de zonden en wedergeboorte, naar hun vatbaarheid, pro conditione parvulorum, non pro ratione adultorum; zij leidde hen dus niet onfeilbaar zeker tot de zaligheid, maar verplichtte en bekwaamde hen op later leeftijd tot geloof en bekering. Er was dus een specifiek onderscheid tussen de sacramental regeneration en de spiritual regeneration. In het Tractarianisme werd deze opvatting vernieuwd door Gosham, Denison, Pusey, Newman enz.. verg. Ryle. Knots untied, eleventh ed. 1886 bl. 132-196. James Buchanan, The office and work of the Holy Spirit bl. 230 v. Buddensieg, in PRE3 XX 46-47.

9 In de eerste tijd werd inwendig en uitwendig genadeverbond nog niet zo duidelijk, en in elk geval niet met deze woorden, onderscheiden. Men hoopte, verkiezing en verbond te kunnen verenigen, zag daarom in het geboren zijn van de kinderen binnen de kring van het genadeverbond een presumabel bewijs van hun verkiezing, en hield zich aan het oordeel van de liefde. Maar zakelijk is de onderscheiding van begin af aan, immers reeds bij Calvijn, aanwezig, bij Kramer t.a.p. 119. Onder de argumenten voor de kinderdoop nemen ook deze een grote plaats in, dat de kinderen van de gelovigen tot het verbond behoren, dat zij heilig, van de wereld afgezonderd zijn, dat zij gedoopt worden op het geloof van de ouders of van de kerk, dat het behoren tot het genadeverbond genoegzame grond voor de kinderdoop is, bij Kramer, t.a.p. 119 v. Er kwam nog bij, dat de weldaden, die de kinderen van de gelovigen deelachtig waren, zeer verschillend werden opgevat en uitgedrukt. Men sprak er van, dat de kinderen behoorden tot het genadeverbond, tot de gemeente, tot het lichaam van Christus, dat zij heilig waren in voorwerpelijke of ook in onderwerpelijke zin, dat hun de genade of de belofte of de aanneming, of ook wel het recht op de genade aangeboden of geschonken werd, dat zij de Heiligen Geest, de Geest van de wedergeboorte, het zaad van de wedergeboorte, de hebbelijkheid van het geloof, het zaad van het geloof en van de bekering hadden of konden hebben enz., bij Kramer t.a.p. bl. 143, 161, 166, 169, 171, 172, 204, 223, 237, 255, 259, 319, 333. Toen in de strijd over de predestinatie de onderscheiding van in- en uitwendig genadeverbond formeel werd uitgesproken, maakten velen spoedig van haar gebruik tot verdediging van de kinderdoop; zie Donteclock, Damman, Trigland, Gomarus, Maccovius, Voetius, H. Alting, ea. bij Kramer t.a.p. bl. 250, 265, 267, 268, 270, 274, 279, 281, 324, 325, 330. In de achttiende eeuw gingen sommigen nog een stap verder en zagen in de doop uitsluitend een sacrament van het uitwendig verbond, verg. de later volgende paragraaf over de doop.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept