Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

456. Indien er geen geloof in actu is dan door het woord van God, dan moet er tussen notitia (assensus) en fides ook enig verband bestaan. Trouwens volgt dit ook reeds daaruit, dat het religieus (zaligmakend) geloof met het historisch, tijd- en wondergeloof, en met het geloof, waarvan wij ieder ogenblik in het dagelijks leven spreken, niet dezelfde naam zou kunnen dragen, wanneer zij niet een of meer kenmerken met elkaar gemeen hadden. En de Schrift zou de verhouding van de mens tot God niet met het Hebr. woord Nymah en het Griekse woord pisteuein —woorden, die zij ook buiten het religieuze terrein kent en gebruikt—hebben kunnen aanduiden, indien in de godsdienstige en in de gewone betekenis van die woorden alle overeenstemming ten enenmale ontbrak. Er is dan ook eigenlijk niemand die bij enig nadenken de band tussen notitia en fides volkomen verbreken kan of feitelijk verbreekt. Uit reactie tegen het intellectualisme kan men wel enige tijd allen nadruk laten vallen op het element van het gevoel of van het vertrouwen, dat in het zaligmakend geloof aanwezig is, maar alle overdrijving schaadt en drijft weer over. De geschiedenis van de Werturteile in de school van Ritschl en van le salut par la foi, indépendamment des croyances in de Parijse school, stelt dit helder in het licht. Geen enkele richting, die de religie hoger schat dan een zuiver psychologisch verschijnsel en haar waarheid en waarde vasthoudt, kan de godsdienst totaal van het verleden en van de omgeving losmaken, en uit het geloof alle notitia en assensus verwijderen. De moderne en de orthodoxe hebben hier elkaar niets te verwijten en handelen formeel precies gelijk; ook eerstgenoemde moet geloven aan een getuigenis, dat in de natuur, geschiedenis, geweten, gemoed enz. van Godswege tot hem komt, en dat hij dus kennen en aannemen moet.

Maar van het hoogste belang is het, om de verhouding tussen het geloof als notitia (en assensus) en het geloof als fiducia goed in te zien. De ervaring doet ons verschillende feiten kennen: daar zijn er velen, die van hun prilste jeugd af voor de godsdienstige waarheid diep ontvankelijk zijn, en ze nooit met een bloot historisch, doch van de aanvang af reeds met een zaligmakend geloof ontvangen en aannemen; daar zijn anderen, die van van de jeugd aan in een bepaald milieu van godsdienstige voorstellingen zijn opgevoed, deze met een historisch geloof overnemen, en of nooit of soms veel later tot een persoonlijk, zelfstandig religieus leven komen; en daar zijn er ook, die vroeger nooit van bepaalde godsdienstige voorstellingen hebben gehoord of ze nimmer met een historisch geloof hebben aangenomen, maar die op een gegeven ogenblik door een of andere prediking (bijv. over zonde en oordeel, over Gods liefde en genade enz.) bijzonder getroffen worden en van daaruit ook tot het aannemen van andere, daarmee in verband staande, waarheden worden geleid. Minder algemeen uitgedrukt, daar zijn er, die door de Schrift tot Christus, en daar zijn er ook, die door Christus tot de Schrift worden gebracht1. Aan deze ervaringen in de praktijk van het leven is geen vaste regel te ontlenen. Maar anders komt de zaak te staan, als wij naar het logisch verband van notitia en fides onderzoek doen. Dan toch blijkt, dat het historisch geloof (notitia, en ook assensus dikwijls, maar beide hier genomen in zuiver historische zin) menigmaal wel aan het zaligmakend geloof voorafgaat, maar dit toch nimmer uit zich zelf voortbrengt of voortbrengen kan. Tussen beide is geen verschil in mate of graad, maar in beginsel en wezen. Als iemand, die in het historisch geloof werd opgevoed, later het zaligmakend geloof deelachtig wordt, dan kan de kennis van de waarheid, welke hij door het historisch geloof verkreeg, hem wel van veel nut zijn, want waarheid blijft waarheid, hetzij ze bloot met het verstand of ook met het hart wordt aangenomen, maar de notitia en assensus veranderen toch geheel van natuur en karakter; ze blijven geen bloot historisch weten en toestemmen, gelijk andere geschiedkundige feiten voor waar worden aangenomen, maar zij worden een persoonlijk, met de zaligheid van de ziel in verband staand kennen, een certa firmaque cognitio2. De inhoud van de notitia blijft dezelfde, maar wordt op een andere wijze aangenomen; de waarheid verandert niet, maar ze wordt door de vrome in een ander licht gezien; ze wordt dan aanvaard en omhelsd als een goddelijke waarheid, die min of meer rechtstreeks met de eeuwige belangen van de mens in verband staat.

Dat is de waarheid, welke het piëtisme met zijn bevindelijke kennis tegen de letterkennis verdedigde; het dwaalde af, wanneer het de verandering in de wijze, waarop de waarheid door het historisch en door het zaligmakend geloof wordt aangenomen, ook tot de inhoud uitbreidde en van een andere, hogere, geestelijke waarheid of van een waarheid achter de waarheid ging spreken, doch het had toch volkomen gelijk in zijn bewering, dat de vrome dezelfde waarheid op een heel andere wijze ziet en aanneemt dan hij, die het persoonlijk godsdienstige leven mist. Trouwens de Reformatie had van de aanvang af niet anders geleerd. Als Calvijn het geloof omschreef als een firma certaque cognitio, dan dacht hij daarbij niet aan het historisch, maar zeer stellig en beslist aan het zaligmakend geloof, want hij gaf aan die cognitio de divina erga nos benevolentia tot object, en deed haar zetelen meer in het hart dan in de hersens, meer in het gemoed dan in het verstand3.

Bovendien, zekerheid op godsdienstig gebied krijgt de mens volgens Calvijn alleen door het getuigenis van de Heilige Geest, dat is door het getuigenis van diezelfde Geest, die alle gelovigen in al de waarheid leidt, hen verzekert van hun kindschap en hun de hemelse erfenis waarborgt4. Niemand kan daarom naar de eenstemmige belijdenis van alle Gereformeerde theologen het woord van God zaligmakend horen, tenzij hij wedergeboren is. En daarmee steunden zij op het getuigenis van de Schrift, die het herhaaldelijk klaar en duidelijk uitspreekt, dat de natuurlijke mens de dingen van de Geest van God niet begrijpt, maar dat alleen de wedergeborene het koninkrijk van de hemelen ziet. Het historisch geloof mag dus temporeel menigmaal aan het zaligmakend geloof voorafgaan, en ook op zichzelf onmiskenbare pedagogische waarde hebben; de firma certaque cognitio van Gods genade in Christus en voorts van alle waarheden van het heil, is vrucht, of liever inhoud en bestanddeel van het ware, zaligmakend geloof. De notitia en assensus, die in het historisch geloof liggen opgesloten en soms reeds vroeger iemands verstandelijk eigendom waren, worden later op het zaligmakend geloof als op een nieuwe wortel geënt, en trekken daar dan andere en betere levenssappen uit.

Als de kennis van het zaligmakend geloof in deze zin verstaan en van de louter historische notitia en assensus wezenlijk onderscheiden wordt, kan de omschrijving van de fides salvifica als firma certaque divinae erga nos benevolentiae cognitio, zoals Calvijn die gaf en bedoelde, voor juist en ook voor volledig gelden. Want niet alleen wisselt de Heilige Schrift meermalen het geloven met het kennen af, Joh. 6:69; 7:3; 1 Cor.1:21; 2 Cor. 4:6 enz., maar in de definitie van Calvijn zijn de fides generalis (hier bedoeld niet als het historisch geloof, maar als zaligmakend omhelzen van de om de centrale heilsbelofte in Christus zich groeperende heilswaarheden, zoals bijv. het apostolisch getuigenis als een getuigenis van God, de Schrift als Gods woord) en de fides specialis (welke die centrale heilsbelofte, de divina erga nos benevolentia tot object heeft) organisch met elkaar verbonden; de fides salvifica als cognitio aanvaardt als met één acte Christus als Zaligmaker en de Schrift als Gods woord; zij kent en neemt Christus aan in het gewaad van de Heilige Schrift, evangelio suo vestitum5, en vermijdt dus zowel het dorre rationalisme als het valse mysticisme. Er is eigenlijk al geen schoner definitie denkbaar dan deze, dat het geloof een vaste en zekere kennis is van de barmhartigheid, welke God in Christus ons heeft betoond. Wat is het Christelijk geloof in zijn wezen toch anders, dan de op Gods getuigenis rustende en door de Heilige Geest in ons hart gewerkte verzekerdheid, dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus, die hemel en aarde uit niet geschapen heeft en nog door zijn almachtige en alomtegenwoordige kracht onderhoudt en regeert, om zijns Zoons Christus’ wille ook onze God en Vader is? Maar de theologie is toch bij deze definitie van Calvijn niet blijven staan; ze bleek in de praktijk onvoldoende. Ten eerste toch lag het gevaar voor de hand, om de cognitio van het zaligmakend geloof, ofschoon wezenlijk van de notitia en assensus in het historisch geloof verschillend, met deze te verwarren en dus tot de Roomse opvatting van het geloof terug te keren6; en dit gevaar werd te ernstiger, toen in de Protestantse kerken eerst de dode orthodoxie en daarna het rationalisme de overhand kreeg. Ten andere werd het daarom noodzakelijk, om tussen de cognitio van het zaligmakend en de notitia van het historisch geloof een helder en duidelijk onderscheid te maken; maar zodra men dit beproefde, zag men zich wel genoodzaakt, om, op het voorbeeld van Calvijn zelf, de cognitio van het zaligmakend geloof te omschrijven als een zaak meer van het hart dan van het hoofd, meer van het gemoed dan van het verstand. Daarmee werd echter tegelijk het zwaartepunt van de fides salvifica uit het kennen in het vertrouwen verlegd, en de onderscheiding, min of meer zelfs de tegenstelling voorbereid, dat het echte geloof niet alleen een cognitio, maar ook (en dus vooral) een fiducia was; de fiducia drong dus de cognitio (de Heid. Catech. antw. 21 spreekt zelfs niet van cognitio, maar van notitia) als van minder waarde op de achtergrond. En ten derde bracht de omschrijving van het echte geloof als fiducia zowel theoretisch als praktisch een eigenaardige moeilijkheid mee en maakte zij in de fiducia weer de onderscheiding noodzakelijk tussen het toevlucht-nemend en het verzekerd vertrouwen, tussen de actus directus en de actus reflexus, het wezen en het wel wezen van het geloof, tussen de daad, waarmee de gelovige naar Christus uitgaat en Hem als Zaligmaker begeert en aanneemt, en de daad, waarmee hij tot zichzelf terugkeert en zich van zijn gemeenschap aan Christus en aan al zijn weldaden vergewist.

Deze onderscheiding was op zichzelf niet verkeerd, maar leidde er spoedig toe, om de beide daden van het geloof temporeel op elkaar te laten volgen, om tussen het toevluchtnemend en het verzekerd vertrouwen het zelfonderzoek in te schuiven, om de verschillende werkzaamheden van het geloof op te vatten als zovele trappen en stadiën in het geloof, en zo de gelovigen in een aantal groepen en klassen in te delen, die in de stichtelijke lectuur en in de toepassing van de predikatie ieder in het bijzonder werden toegesproken en behandeld. In één woord, het herstel door de Reformatie van de religieuze natuur van het geloof, de ontdekking, dat het geloof iets heel anders was dan het historisch voor waar houden van enige godsdienstige voorstellingen, het diepe inzicht, dat het echte geloof een fides specialis was, met een speciaal object, nl. de persoon van Christus (Gods genade in Christus, de divina erga nos benevolentia), dit alles deed in de historie hoe langer hoe duidelijker in het licht treden, dat men het in het geloof niet met een enkelvoudig, maar met een zeer gecompliceerd verschijnsel te doen had. Het was geen zaak van het verstand alleen, maar ook van de wil; het zetelde niet in één, maar in beide vermogens7; het was notitia in intellectu, consensus in voluntate, amor, desiderium, gaudium in affectibus8; tal van eigenschappen vallen daarin op te merken9; tal van werkzaamheden lopen daarin samen, al bepaalt men ze in hoofdzaak tot kennen, toestemmen en vertrouwen, of al kent men onder alle aan de receptio Christi de centrale plaats toe10; het zaligmakend geloof is geen habitus unus et simplex, sed compositus, qui sub unico conceptu comprehendi non potest11.

Daarom ging Comrie van al de daden en werkzaamheden tot de habitus fidei terug, waardoor wij Christus worden ingelijfd, evenals in de nieuwere tijd Frank in de ervaring van de wedergeboorte, Herrmann in het persoonlijke Erlebnis van Jezus’ zedelijke grootheid, Ménégoz in de aan de croyances ten grondslag liggende foi het beginsel en het wezen zocht van het Christelijk geloof. Het geloof is in de geschiedenis van de Reformatie, die zich daarbij aansloot aan de gedachten van de Heilige Schrift, hoe langer hoe meer de naam geworden voor die nieuwe, normale, geestelijke, de hele mens omvattende verhouding, waarin God allereerst (in de regeneratio of fides habitualis) de mens tot zichzelf, en daarna de mens (in de fides actualis) met al zijn vermogens en krachten zich tot God stelt. Het valt feitelijk met de onder een bepaald gezichtspunt beschouwde religio subjectiva samen, want deze mag en moet de naam van geloof dragen, omdat ze hier op aarde in al haar eigenschappen en werkzaamheden steeds betrekking heeft op de eeuwige, almachtige, genadige en barmhartige God, die wij niet gezien hebben, maar die wij nochtans, op het getuigenis van Christus, geloven, vertrouwen, liefhebben, danken en dienen, totdat dit geloof eens in aanschouwen zal overgaan en wij God zien zullen aangezicht tot aangezicht.

1 Verg. Deel I; Hoofdstuk 3; Par. 21 Het Geloof; 148.

2 Verg. Calvijn Deel IV; Hoofdstuk 8 (vervolg); Par. 51 Geloof en Bekering; 452 v.

3 Calvijn; Inst. II 6, 7, 8.

4 Verg. Deel I; Hoofdstuk 3; Par. 22 De Grond van het Geloof; 151 v. Deel I; Hoofdstuk 3; Par. 17 De historisch- apologetische methode; 132.

5 Calvijn, Inst. III 2, 6.

6 De Roomsen verwerpen uitdrukkelijk de onderscheiding van fides historica en fides salvifica, Bellarminus, de Justif. I c. 4, maar maken een scherpe scheiding tussen geloof en liefde, ib. c. 15. De Remonstranten daarentegen ontkennen het wezenlijk onderscheid van fides temporaria en fides salvifica, en nemen de obedientia op in het geloof, Conf. X. Apol. pro Conf. XVIII. Verg. M. Vitringa, Doctr. III 72, 93, 96-98.

7 Maccovius, Loci Comm. bl. 762.

8 Mastricht, Theol. II 1, 8-10.

9 Zie inzonderheid Comrie, Verhandeling van enige eigenschappen des Zaligmakenden geloofs. Onveranderde uitgave volgens 1744. Leiden Donner z. j.

10 Maltricht, Theol. II 1, 11. Comrie, Het A B C des geloofs. Onveranderde uitgave volgens 1746. Leiden Donner z. j. Zie reeds boven.

11 Turretinus, Theol. El XV, 8 13.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
x
This website is using cookies. Accept