Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk. Reformed Dogmatics

473. Nu zegt God in zijn wet, dat de rechtvaardige vrijgesproken en de onrechtvaardige veroordeeld moet worden, Deut. 25:1, en aller geweten en rechtsgevoel stemt daarmee in. Zelf handelt God naar deze regel; Hij houdt de schuldige geenszins onschuldig en de onschuldige veroordeelt Hij niet, Ex. 20:5v., Ex. 34:7; Num.14:18. Wie de goddeloze rechtvaardigt en de rechtvaardige verdoemt, zijn de Heere een gruwel, ja die beiden, Spr.17:15, cf. Ex. 23:7; Spr. 24:24; Jes. 5:23. En toch schijnbaar lijnrecht daar tegenin en als met zichzelf in tegenspraak, Rom. 1:18; 2:13, zegt Paulus, dat God de goddeloze rechtvaardigt, 4:5. De mens heeft nl. geen gerechtigheid in zichzelf, op grond waarvan hij door God vrijgesproken zou kunnen worden. De Pelagiaansgezinden, die de grond van de vrijspraak vinden in het geloof, d.i. in de goede gezindheid, de deugden en goede werken van de mens en deze als volkomen aanmerken, omdat zij de waarborg van de volmaaktheid in zich dragen of ook om Christus’ wil door God als volmaakt gerekend worden, komen op alle punten met de leer van de Schrift en de Christelijke belijdenis in strijd. Immers, de Schrift getuigt, dat uit de werken van de wet geen vlees kan of zal gerechtvaardigd worden, Jes. 64:6; Rom. 3:19-20; 8:7; Ef. 2:2 enz.. De werken, na de rechtvaardiging uit het geloof volbracht, kunnen voor de rechtvaardiging niet in aanmerking komen, omdat alsdan de orde van het heil omgekeerd en de rechtvaardiging van de heiligmaking afhankelijk zou gemaakt worden, en ook die goede werken nog altijd onvolkomen en met zonde besmet zijn, niet beantwoordende aan de volle eis van de Goddelijke wet, Mt. 22:37; Gal. 3:10; Jak. 2:10. God als de waarachtige kan niet voor volmaakt houden wat het niet is; als de rechtvaardige en heilige kan Hij van de eis van de wet geen afstand doen noch met een halve gerechtigheid, die in de grond geen is, zich tevreden stellen. De Schrift stelt dan ook de eigen gerechtigheid en de gerechtigheid van het geloof of de gerechtigheid van God tegenover elkaar, Rom.10:3; Phil. 3:9; zij sluiten elkaar uit als werken en geloof, Rom. 3:28; Gal. 2:16, als loon en genade, Rom. 4:4; 11:6. Terwijl God dus naar de wet de mens vanwege zijn zonde veroordeelt en veroordelen moet, heeft het Hem behaagd zijn gerechtigheid, dat is zijn rechtsprekende, en in dit verband nader nog zijn vrijsprekende gerechtigheid op een andere wijze te openbaren, nl. zonder wet en wetswerken, enkel en alleen door het Evangelie. Hij stelde nl. Christus tot een zoenmiddel of zoenoffer en bleek daardoor, zelf rechtvaardig te zijn, en tevens te kunnen rechtvaardigen of vrijspreken degene, die uit het geloof van Jezus is, Rom. 3:21-261. De offerande van Christus verschafte Hem dus de grond, voor zijn vrijspraak van zulken, die goddeloos in zichzelf, toch uit het geloof van Jezus zijn.

In deze openbaring van de vrijsprekende gerechtigheid nemen dus de persoon van Christus met zijn offerande en het geloof in zijn naam een gewichtige plaats in. Beide zijn onverbrekelijk verenigd; de gerechtigheid van God is in Christus betoond, doordat Hij gesteld werd tot een zoenoffer in zijn bloed, maar Hij is dit dia pistewv, Rom. 3:25, en mensen worden gerechtvaardigd om niet, uit genade, door middel van de verlossing, die in Christus Jezus is, Rom. 3:24; in één woord de gerechtigheid Gods is gerechtigheid van God door middel van het geloof in Jezus Christus, Rom. 3:22. Maar welke plaats neemt nu elk van beide in Gods gerechtigheid in? Is Christus of is het geloof of zijn beide de grond, de causa materialis of meritoria, van zijn vrijspraak? Afgezien van hen, die Paulus moderniseren, het geloof als een goede gezindheid opvatten, die geheel en al buiten Christus en zijn offerande omgaat, en God de wil laten nemen voor de daad, zijn er slechts twee gevoelens mogelijk. Het eerste is dat van Roomsen, Remonstranten, Rationalisten, Mystieken en ook van vele nieuwere Protestantse theologen, die onderling nog wel ver uiteenlopen, maar dit toch met elkaar gemeen hebben, dat zij het geloof op een of andere wijze met de persoon van Christus in verband stellende, toch de gerechtigheid, op grond waarvan God de zondaar vrijspreekt, geheel of gedeeltelijk zoeken in de mens. Die gerechtigheid is dan wel onvolmaakt, maar God laat ze toch voor een volmaakte gelden, hetzij om de wille van Christus, of omdat zij een gehoorzaamheid aan Gods wil in het Evangelie is en de mens Gode aangenaam maakt, of omdat zij in beginsel volmaakt is en de waarborg van de toekomstige volmaking in zich draagt.

Maar deze mening kan voor de duidelijke uitspraken van de Heilige Schrift niet bestaan. Ten eerste toch is de gerechtigheid van God, waarnaar Hij vrijspreekt, objectief in het Evangelie, zonder wetswerken, en vóór het geloof geopenbaard, Rom.1:17; 3:21, evenals de verzoening, welke God tussen zichzelf en de wereld in Christus heeft tot stand gebracht 2 Cor. 5:19. God heeft nl. Christus gesteld tot een ilasthrion, Rom. 3:24, en deze Christus is overgeleverd om onze zonden, Rom. 4:25, voor ons gestorven, Rom. 5:6-11, een vloek geworden, Gal. 3:13, tot zonde gemaakt, 2 Cor. 5:21, en is zo opgewekt om onze rechtvaardigmaking, Rom. 4:25, dat is, omdat wij in Hem gerechtvaardigd waren of moesten worden. Hij is dus onze gerechtigheid, 1 Cor. 1:30; en onze gerechtigheid is niet uit de werken, maar uit God, Phil. 3:9, een gave van zijn genade, Rom. 3:24; 5:15-17; en wij worden gerechtvaardigd dia thv apolutrwsewv thv en kristw ihsou, Rom. 3:24, en tw aimati autou, Rom. 5:9, en kristw, Gal. 2:16. In Rom. 5:12v. betoogt Paulus, dat het bij Christus toegaat als bij Adam. Op grond van één overtreding zijn alle mensen veroordeeld en de dood onderworpen; maar zo is ook de genadegave van de gerechtigheid in Christus tot dikaiwma, d.i. tot een vrijsprekend oordeel voor velen, Rom. 5:16. Door één dikaiwma toch, d.i. het vrijsprekend oordeel over Christus in zijn opstanding, Rom. 4:25, komt het bij alle mensen tot dikaiwsiv zwgv d.i. de daad van de rechtvaardiging, welke het leven meebrengt, Rom. 5:18. Door de gehoorzaamheid van één worden de velen tot rechtvaardigen gesteld, dikaioi katastayhsontai, Rom. 5:19. Naast de gerechtigheid, welke God in Christus schonk, en op grond waarvan Hij Christus als middelaar van het verbond voor al de zijnen in zijn opstanding rechtvaardigde, is er voor een gerechtigheid, bestaande in geloof of liefde, geen plaats. De laatste zou de eerste teniet doen.

Ten tweede wordt het geloof nooit als grond van de rechtvaardiging voorgesteld. De gerechtigheid, de rechtvaardiging is ek of dia pistewv of pistei, Rom.1:17; 3:22, 26, 28, 30; Gal. 2:16; 3:8, 24; Phil. 3:9 enz., maar nooit dia pistin. Wel staat Phil. 3:9, dat Paulus thn dia kristou, thn ek yeou dikaiosunhn, bezat epi th pistei, op grond van zijn geloof, maar de gerechtigheid, welke Paulus bezat, wordt duidelijk omschreven als die pistewv, ek yeou; alleen zegt hij, dat hij die gerechtigheid van God voor zichzelf bezat op de grondslag van het geloof. Nooit komt het geloof voor als de gerechtigheid zelf of als een gedeelte daarvan; integendeel, juist omdat zij naar genade is, is zij uit het geloof. Genade en geloof staan niet tegenover elkaar, maar wel geloof en werken, gerechtigheid van het geloof en gerechtigheid uit de werken, Rom. 3:20-28; 4:4-6, 13-14; 9:32; 10:5-6; Gal. 2:16; 3:11, 12, 23, 25; 5:4-5; Ef. 2:8-9. Het geloof rechtvaardigt niet door zijn wezen of daad, omdat het zelf gerechtigheid is, maar door zijn inhoud, omdat het geloof in Christus, onze gerechtigheid is. Indien het geloof om zichzelf rechtvaardigdt, zou het object van dat geloof, nl. Christus, geheel zijn waarde verliezen. Maar het geloof, dat rechtvaardigt, is juist dat, hetwelk Christus tot voorwerp en inhoud heeft. Indien daarom de gerechtigheid uit de wet, en het geloof een werk was, dat verdienste en waarde had en de mens Gode aangenaam maakte, dan zou Christus tevergeefs gestorven zijn, Gal. 2:21. Zo weinig komt het geloof bij de rechtvaardiging als grond in aanmerking, dat Paulus zeggen kan, dat God de goddeloze rechtvaardigt, Rom. 4:5. Zelfs als zijn leer de beschuldiging uitlokt, dat zij tot zorgeloosheid en goddeloosheid leidt, verdedigt hij zich nooit daarmee, dat het geloof geheel of ten dele de grond van de rechtvaardiging is, Rom. 3:5-8; 6:1, maar houdt hij staande, dat er geen verdoemenis is voor degenen, die in Christus zijn, omdat Christus voor hen gestorven en opgewekt is, Rom. 8:33-34.

Ten derde, omdat het geloof dus geen werk is, maar een afstand doen van alle werk, een onbepaald vertrouwen op God, die de doden levend maakt, Rom. 4:17, die Christus opgewekt heeft, Rom. 4:24, die in Christus een dikaiosunh ek yeou gegeven heeft. Phil. 3:9, Rom. 10:3-11; 1 Cor. 1:30, daarom kan de uitdrukking, dat het geloof wordt toegerekend tot gerechtigheid, niet betekenen, dat het zelf als een werk van de gerechtigheid in de plaats van of naast de gerechtigheid van God in Christus door God wordt aangenomen. Het woord logizesyai toch kan wel betekenen: iemand houden of rekenen voor dat wat hij is, 1 Cor. 4:1; 2 Cor. 12:6, maar het kan ook de zin hebben van: iemand iets in rekening brengen, wat hij persoonlijk niet heeft. Zo worden de zonden degene, die gelooft, niet toegerekend, ofschoon hij ze wel heeft, Rom. 4:8; 2 Cor. 5:19, cf. 2 Tim. 4:16; zo werden zij wel toegerekend aan Christus, ofschoon Hij zonder enige zonde was, Jes. 53:4-6; Mt. 20:28; Rom. 3:25; 8:3; 2 Cor. 5:21; Gal. 3:13; 1 Tim. 2:6; en zo wordt op dezelfde wijze aan hem, die gelooft, de gerechtigheid toegerekend, welke hij niet heeft, Rom. 4:5, en daarom is dat toerekenen kata carin, 4:4, het is een logizesyai dikaiosunhn cwriv ergwn 4:6. De woorden: het geloof wordt toegerekend tot gerechtigheid, zijn een verkorte uitdrukking daarvoor, dat God zijn in Christus geschonken gerechtigheid in het geloof aan iemand toerekent en op die grond hem vrijspreekt. Dit wordt bevestigd door die andere uitdrukking: o dikaiov ek pistewv zhsetai. Het geloof is eigenlijk niet principe en bron van het leven, want Christus is het leven en geeft het leven, Rom. 5:17-18; 6:4v., 2 Cor. 4:10-11; Gal. 2:20; Col. 3:3-4; 2 Tim. 1:10, cf. Joh. 1:4; 6:33v., Joh. 11:25; 1 Joh. 1:2; 5:11 enz. Wie gelooft, die heeft het leven, juist omdat hij het uit Christus ontvangt; en zo ook, wie gelooft, heeft de dikaiosunh yeou, welke God in Christus hem schenkt.

Daarbij komt ten lotte dan nog, dat, indien het geloof zelf grond van de rechtvaardiging is, God met een mindere gerechtigheid zich tevreden stelt, dan die Hij eist in zijn wet. Het Evangelie bevestigt dan niet, gelijk Rom. 3:31 zegt, maar vernietigt de wet. God doet afstand van zijn eigen gerechtigheid en verloochent zichzelf. Of ook rekent Hij het geloof voor iets, dat het niet is, voor een volkomen en voldoende gerechtigheid, en doet te kort aan zijn waarachtigheid. De beschuldiging, die door de voorstanders van de justitia infusa tegen de justitia imputata ingebracht wordt, dat God iemand houdt voor wat Hij niet is, keert tot henzelf terug; zij juist laten God iets voor gerechtigheid rekenen, wat het niet is. En bovendien nemen zij de troost van de gelovigen weg. Indien ons geloof, dat menigmaal zo klein is en zo zwak en dikwijls geheel onder twijfel en vrees wegschuilt, dat volgens de verdedigers van de justitia infusa zelfs geheel verloren kan gaan, indien dat geloof de grond is van onze rechtvaardiging, is het Christelijk leven een leven van voortdurende angst en onzekerheid; in plaats van naar Christus, wordt het oog van het geloof steeds naar binnen, naar zichzelf, geslagen; een waarachtig, Christelijk leven in de dienst van God wordt onmogelijk, want eerst moet de vrees voor God als Rechter omgezet zijn in het bewustzijn van zijn vaderlijke liefde, eer er van waarlijk goede werken sprake kan zijn.

1 Verg. Deel IV; Hoofdstuk 8 (vervolg); Par. 52 Rechtvaardigmaking; 469

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
473. Now God says in his law (Deut. 25:1) that the righteous must be acquitted and the unrighteous condemned, and everyone’s conscience and sense of justice agrees with this. Even God acts according to this rule: he by no means clears the guilty, nor does he condemn the innocent (Exod. 20:5ff., 34:7; Num. 14:18). “One who justifies the wicked and one who condemns the righteous are both alike an abomination to the Lord” (Prov. 17:15; cf. Exod. 23:7; Prov. 24:24; Isa. 5:23). Yet, seemingly in flat opposition to this and contrary to what he himself has said (Rom. 1:18; 2:13), Paul says that God justifies the ungodly (4:5). For humans have no righteousness in themselves on the basis of which they could be acquitted by God. Those who think in a Pelagian way and find the ground for acquittal in faith, that is, in the good disposition, virtues, and good works of humans, and mark them as perfect since they carry the warrant of perfection in themselves, or are counted as perfect by God


Unfortunately, you don't have access to this resource
Bavinck, Herman. Reformed Dogmatics. Vol 4. Holy Spirit, Church, and New Creation. Edited by John Bolt. Translated by John Vriend. Grand Rapids, MI: Baker Academic, 2008. [781]
x
This website is using cookies. Accept