Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk. Reformed Dogmatics

Par. 52. Heiligmaking en Volharding.

Literatuur, voor deze paragraaf in aanmerking komend, werd reeds aangegeven bij het bespreken van het begrip van de heiligheid in Oud en Nieuw Testament, (Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 31 De mededeelbare Eigenschappen; C 205), en in de paragrafen, die handelen over de heilsorde en haar loci. Hier wordt nog speciaal genoemd: Boombeek, Theol. Practica II 9, 4. Witsius, Oec. foed. III 12. C. van Velzen, Inst. theol. pract. I c. 25 v. Owen, Over den Heiligen Geest, boek IV. Marshall, The Gospel Mystery of Sanctification. Glasgow 1741, ook in het Ned. vert. onder de titel: Evangelische Heiligmaking. ‘s Grav. 1772. Sartorius, Die Lehre v.d. heiligen Liebe 1840-56, deel III. Verschillende artikelen in PRE3: Ascese, Ethik, Heiligung, Lohn, Mönchtum, Methodismus, Opus Superog. Vollkommenhelt enz. Herrmann, Der Verkehr des Christen mit Gott5 1908. Jellinghaus, Das völlige gegenwärtige Heil durch Christum 5. Berlin 1903, Clasen, Heiligung im Glauben. Mit Rücksicht auf die heutige Heiligungsbeweging, Zeits f. Th. u. K. 1900 bl. 439-488. Gennrich, Wiedergeburt und Heiligung mit Bezug auf die gegenw. Strömungen des relig. Lebens. Leipzig 1908. E. Cremer. Die Heiligung durch den Glauben, Barmen 1902. Id., Ueber die Christl. Vollkommenheit. Gütersloh 1899. Art. Sanctification in Hastings D. B. IV 391-395 en Dict. of Christ II 661-566. J. W. Diggle, Short studies in Holiness. London 1900. Kuyper, Het werk van den Heilige Geest, deel III. Geesink, Van ‘s Heeren Ordinantiën II eerste stuk.

477. Omdat de verlossing, welke God in Christus schenkt en uitwerkt, een volkomen vrijmaking van de zonde met al haar gevolgen bedoelt, sluit zij met de rechtvaardigmaking ook van de aanvang af de heilig- en de heerlijkmaking in. In de eerste mens sloot God reeds een verbond met de mensheid, om haar in de strijd tegen het slangenzaad tot de overwinning te voeren. Zodra Hij met Abram zijn verbond had opgericht, gebood Hij hem, voor zijn aangezicht in oprechtheid te wandelen, Gen. 17:1. Aan zijn volk Israël gaf Hij een wet, welke daarin samen te vatten was, dat Israël een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk moest zijn. Ex. 19:6; Lev.11:44; 19:2; 20:6, 26. Deze heiliging strekte zich tot het hele volk uit in heel zijn godsdienstig en zedelijk, burgerlijk en maatschappelijk leven, en droeg onder het Oude Testament bepaald ook een ceremoniëel karakter. Ze hield toch in, dat Israël, afgezonderd van de volken en in bijzonderen zin tot Jahweh in relatie gesteld, in deze nieuwe stand overeenkomstig de daarvoor gegeven wetten zou leven, en deze wetten waren deels zuiver zedelijk, maar gedeeltelijk ook burgerlijk en ceremoniëel van aard1. Het volk legde al spoedig op deze cultische reinheid de nadruk en verhief zich op zijn uitwendige voorrechten. Maar de profetie kwam daartegen op, drong de eredienst achteruit en plaatste de religieus-ethische bestanddelen in de wet op de voorgrond. Gehoorzamen is beter dan slachtoffer, 1 Sam. 15:22; de Heere heeft lust tot weldadigheid en tot kennis van God, meer dan tot brandofferen, Hos. 6:6. Wat eist Hij anders, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God? Mich. 6:8. En als Israël vanwege zijn arglistig hart en zedelijke onmacht, Jer. 13:23,17:9, aan deze eis van het verbond niet voldoet en het oordeel zich waardig maakt, dan verkondigen de profeten, dat God desniettemin zijn volk niet vergeten en zijn verbond niet verbreken zal, maar in het laatste van de dagen een nieuw verbond zal oprichten, waarin Hij alle overtredingen kwijtscheldt, een nieuw hart en een nieuwe geest in hun binnenste formeert, en hen in zijn wegen doet wandelen; evenals de vergeving van de zonden, zal de heiligmaking zijn werk en zijn gave zijn2.

Maar het volk sloeg na de ballingschap meer en meer de weg van de eigen gerechtigheid in en vatte de verhouding tot God zo consequent nomistisch op, dat er voor genade geen plaats bleef en heel het leven, zo van de enkele als van de mensheid, door de categorie van werk en loon beheerst werd3. Jezus ging daarom weer tot de geestelijke zin van de wet terug, zoals ze door de profetie was verklaard. De gerechtigheid van het koninkrijk van de hemelen is een andere dan die van de Farizeën, Mt. 5:20; Luk.18:10. God wil barmhartigheid, en geen offerande, Mt. 9:13; de boom moet eerst goed zijn, indien hij goede vruchten zal voortbrengen, Mt. 6:17; vóór alle dingen komt het aan op reiniging van het hart, waaruit allerlei ongerechtigheden voortkomen, Mt. 5:8; 16:18-19; 23:25. De eis van de wet is geen mindere dan die van de volmaaktheid, gelijk de Vader in de hemelen volmaakt is, Mt. 5:48, welke dan vooral insluit barmhartigheid, Luk. 6:36,10:37, vergevensgezindheid, Mt. 6:14; 18:35, een liefde tot God uit geheel het hart en uit geheel het verstand en uit geheel de ziel en uit geheel de kracht, en een liefde tot de naaste als tot zichzelf, Mk.12:33. Doch deze volmaaktheid wordt de mens slechts deelachtig door bekering, geloof, wedergeboorte, Mk.1:15; Joh. 3:3; door om Jezus’ wil alles te verlaten, het kruis op zich te nemen en Hem na te volgen, Mt. 5:10v. Mt. 7:13; 10:32-39; 16:24-26. Jezus ging zelf daarin zijn discipelen voor; Hij gaf hun zijn voorbeeld, Mt. 11:28-30, is hun meester en heer, Mt.10:24; 23:10,11; Joh. 13:16, zette zijn leven voor zijn vrienden, Joh. 15:20 v., gaf zijn ziel voor hen over in de dood, Mt. 20:28; 26:26, 28, verwierf daardoor voor hen niet alleen de vergeving van de zonden, maar zijn overgave in de dood was ook een volkemen toewijding aan de Vader, een volmaakte gehoorzaamheid aan zijn wil, een heiliging, opdat ook zij door zijn woord, in de waarheid geheiligd zouden worden, Joh. 17:17,19.

Ofschoon Hij straks lichamelijk van hen heengaat, Hij blijft toch steeds in hun midden, Mt.18:20; 28:20, vertegenwoordigt zich bij hen door de Geest, die Hij van de Vader zenden en die in hen blijven zal, Joh.14:16-17, en lijft hen als ranken in zichzelf als de wijnstok in, Joh. 15:1-10. Daardoor worden zij in staat gesteld, om vruchten te dragen, die de naam van de Vader verheerlijken, Joh. 15:8, om door het geloof de werken te doen, die Hij deed, Joh. 14:12, om zijn geboden te bewaren en in zijn liefde te blijven, Joh. 14:15,24; 15:5, 10. Onder deze goede werken, welke de discipelen van Jezus hebben te volbrengen, nemen die van zelfverloochening en kruisdragen ongetwijfeld de eerste plaats in; met het oog op de haat en de vervolging, welke Jezus zelf ondervond en die ook het deel van zijn discipelen zouden zijn, Joh. 15:18-19, kon dit ook niet anders; wie zich aan de zijde van Jezus wilde scharen en Hem navolgen, moest er alles voor over hebben, het huwelijk, Mt. 19:10-12, de liefde van zijn huisgenoten, Mt. 10:35-36, zijn rijkdom, Mt. 19:21, ja zelfs zijn leven, Mt. 10:39; 16:25. Maar de positieve elementen ontbreken toch niet; Jezus zelf was geen asceet, maar nam aan bruiloft en gastmalen deel, Mt. 11:19; Joh. 2:2, en veroordeelde zelfs alle weelde niet, Mt. 26:7-13; Hij legde ook aan zijn discipelen geen onthouding van huwelijk, spijs of drank op, Mt. 6:16; 9:14, maar zag in de liefde de vervulling van de wet, Mt. 5:43-48; 22:37-40, was met geen geroep van Heere, Heere tevreden, maar wilde volbrenging van de wil van God, Mt. 7:21; 12:50, eiste nauwgezette besteding van de toebetrouwde talenten, Mt. 25:15-30, drong op trouwen voorzichtigheid (wijsheid, bedachtzaamheid) in het leven aan, Mt. 7:24; 10:16; 24:15, en zei, dat Hij eens de mensen naar hun werken oordelen zou.

Zelfs stelde Hij het koninkrijk van de hemelen en het eeuwige leven menigmaal voor als een loon, Mt.19:29; 25:34, 46, dat nu reeds in de hemelen bewaard wordt, Mt. 5:12; 6:20; 19:21; Luk. 6:23, en dat in de opstanding uitgedeeld zal worden, Luk. 14:14. En dat loon wordt dan uitgekeerd voor allerlei werken, voor het dragen van vervolging en smaad, Mt. 5:10-12, liefde tot de vijanden, Mt. 5:46, het geven van aalmoes, Mt. 6:4, volharding, Mt. 10:22, belijdenis van zijn naam, Mt. 10:32, dienstbewijs aan Jezus’ discipelen, Mt. 10:41-42, het alles verloochenen en verlaten, Mt. 19:21, 29, het arbeiden in de wijngaard, Mt. 20:1-16, trouw in het beroep, Mt. 24:45-47, zorgvuldige besteding van toebetrouwde goederen, Mt. 25:14-30, barmhartigheid jegens discipelen van Jezus, 25:32-46 enz. Er is dus geen twijfel aan, dat Jezus de gedachte aan loon als motief gebruikt, om zijn discipelen tot trouwen volharding in hun roeping aan te sporen. Maar daarnaast spreekt hij even krachtig uit, dat wie iets doet voor de mensen, zijn loon bij God reeds verloren heeft, Mt. 6:2, 5, 16, dat het loon, bestaande in het koninkrijk van God, alle arbeid en moeite zeer verre overtreft, Mt. 5:46,19:29,20:1v., Mt. 25:21-23; Luk.12:33, dat de gerechtigheid, de vergeving en het eeuwige leven goederen zijn, welke door God geschonken worden, Mt. 6:33; 26:28; Mk. 10:30; Luk. 1:77; 24:47, niet aan de rechtvaardigen, maar aan de armen van geest enz., Mt. 5:1 v., Mt. 9:13; 18:3, 11 enz., dat de gelovigen zelf die goederen beschouwen en ontvangen als iets, dat hun onverdiend te beurt valt, Mt. 25:37v., dat zij onnutte dienstknechten zijn, die slechts deden wat zij schuldig waren te doen, Luk. 17:10, dat het loon van Gods vrije beschikking afhangt, Mt. 20:14-15, en als deelgenoot aan het hemelrijk en zijn goederen voor allen gelijk is, Mt. 20:1-15, en dat eindelijk dat koninkrijk niet louter een geluksstaat van uitwendige zegeningen is, maar dat het het kindschap van God en de reinheid van het hart insluit, Mt. 5:8, 9, 45, 48 enz.

Nadat Christus zijn werk op aarde had volbracht, werd Hij verheerlijkt aan de rechterhand van God en deelde Hij zichzelf op de Pinksterdag door de Geest aan zijn gemeente mee. Deze Geest was in de eerste tijd vooral de auteur van buitengewone gaven en krachten, maar van de aanvang af wekte Hij in de gemeente toch ook allerlei deugden van geloof en lijdzaamheid, troost en blijdschap. En meer en meer werd Hij dan in het apostolisch onderwijs voorgesteld als degene, die tussen Christus en zijn gemeente de gemeenschap tot stand brengt en in stand houdt, en die Christus zelf in haar wonen en werken doet4. Gelovigen zijn mensen, die niet alleen uit genade vergeving van de zonden hebben ontvangen, maar die ook door de doop met de gestorven en opgestane Christus in gemeenschap zijn gebracht, Rom. 6:3-11, uit de duisternis in het licht zijn overgezet, Col.1:13, en nu een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk vormen, 1 Petr. 2:9. Zij hebben Christus ontvangen als dikaiosunh, maar ook als agiasmov (niet heiligheid, agiothv, agiwsunh maar heiligmaking, zodat niet het resultaat, maar de voortgang van de heiliging of de toewijding aan God is bedoeld, cf. vs. 22; 1 Th. 4:4; 1 Tim. 2:15; Hebr. 12:14 ); zijn in een staat van heiligheid overgebracht, 1 Th. 4:4, 7; 2 Th. 2:13,1 Petr. 2:9, en zijn dus gewassen, en geheiligd, 1 Cor. 6:11, tempels van de Heilige Geest, 1 Cor. 3:16; 6:19; 2 Cor. 6:16, met de Geest verzegeld tot de dag van de belofte, 2 Cor. 1:22; 5:5; Ef. 1:13; 4:30, nieuwe schepselen, 2 Cor. 5:17; Ef. 2:10, kinderen van God niet alleen door aanneming, maar ook door wedergeboorte, Joh. 1:12-13; 1 Joh.1:3, heiligen, Rom. 1:1 enz., en geheiligden, Hd. 20:32; 26:18; 1 Cor. 1:2; Hebr. 2:11; 10:10, 14.

De heiliging is dus in de eerste plaats een werk van God, Joh. 17:17,1 Th. 5:23; Phil. 1:6; nader nog van Christus en zijn Geest, Rom. 8:4, 9-11; 1 Cor.1:30; 6:11; Ef. 5:27; Col. 1:22; 2 Th. 2:13; Hebr. 2:11; 9:14; 10:10, 14, 29; 13:12; 1 Petr.1:2. Maar daarom juist, omdat God het willen en werken in hen volbrengt, moeten zij hun eigen zaligheid werken met vrees en beven, Phil 2:12-13; 2 Petr. 1:10; zij moeten hun hele geest en ziel en lichaam onberispelijk in heiligmaking bewaren tot de dag van de Heere Jezus Christus, Ef. 1:4; Phil. 2:15; 1 Th. 3:13; 5:23. Zij zijn wel in het vlees en hebben voortdurend te strijden tegen het vlees, 1 Cor. 3:1; Gal. 5:17 —Paulus zelf heeft de volmaaktheid nog niet bereikt, Phil. 3:12, en verwacht deze eerst met de verlossing van het lichaam van deze dood, Rom. 7:24; 8:23 —maar zij zijn toch geroepen, om zich te reinigen van alle besmetting van het vlees en van de geest, en hun lichamen te stellen tot een levende, heilige, Gode welbehagelijke offerande, 2 Cor. 7:1; Rom. 12:1, om het vlees te kruisigen met al zijn begeerlijkheden, en al hun leden dienstbaar te stellen aan de gerechtigheid, Gal. 5:24; Rom. 6:13, om niet te zondigen, maar de wereld te overwinnen, Gods geboden te onderhouden, zich te reinigen en te wandelen in het licht, 1 Joh.1:7; 2:1; 3:6, 9; 5:4 enz. Al die geboden vatten zich samen in de liefde, Rom.12:10; 13:8-10; 1Cor. 13; Ef.1:4,5:2; Col. 3:14; 1Th. 4:9; 1 Joh. 3:11v., 1Joh. 4:8 enz., en sluiten menselijke inzettingen en eigenwillige godsdienst uit, Mt.15:9; Col. 2:18, 20-23; 1 Tim. 4:1; 2 Tim. 2:23; Hebr.13:9; Op. 2:14,16. Het huwelijk mag in sommige omstandigheden onraadzaam en ongewenst zijn, 1 Cor. 7:8, 20v., het verbod om te huwelijken is, evenals dat, om spijzen te gebruiken, een lering van hen, die afvallen van het geloof, 1 Tim. 4:3. Want er is niets onrein in zichzelf, Mt. 15:11; Rom. 14:14; alle schepsel van God is goed en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde, 1 Tim. 4:4-5, de genade heft de natuur niet op, 1 Cor. 7:20-23, en niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt en onderhoudt het, gelijk de Heer de gemeente, Ef. 5:29. De Christen is wel tot eenvoudigheid van het leven geroepen, 1 Tim. 2:9; Tit. 2:3; 1 Petr. 3:3, en tot het vlieden van de begeerlijkheden van de wereld, 1 Joh. 2:15-17, maar de lichamelijke oefening is tot weinig nut; hoofdzaak is de eusebia 1 Tim. 4:7-8, in verband met de rechtvaardigheid en de matigheid, Tit. 2:12.

Tot dezen heilige wandel worden de gelovigen met vele drangredenen vermaand; zij zijn ertoe verplicht, omdat God hen eerst heeft liefgehad, zich over hun ontfermd heeft, en hun in Christus zijn genadebewezen heeft, Rom.12:1; 2 Cor. 8:9,1 Joh. 4:19, omdat zij met Christus van de zonde gestorven en tot een nieuw leven opgewekt zijn, Rom. 6:3-13; Col. 3:2, omdat zij niet onder de wet, maar onder de genade zijn en Christus toebehoren, ten einde Gode vruchten te dragen, Rom. 6:14; 7:4; Gal. 2:19, omdat zij niet naar het vlees, maar naar de Geest wandelen en tempels van de Heilige Geest zijn, Rom. 8:5,1 Cor. 6:15v., omdat zij kinderen van het licht zijn en in het licht moeten wandelen, Rom. 13:12; Ef. 5:8; 1 Joh.1:6 enz.; de drangredenen zijn te veel dan dat ze volledig zouden kunnen worden opgesomd. Maar onder deze drangredenen neemt ook het loon van de toekomstige heerlijkheid een plaats in. Alle weldaden, die de gelovigen deelachtig zijn of zullen worden, zijn gaven van de genade van God, Rom. 6:23; 2 Cor. 8:9; Ef. 2:8 enz., en toch is er een vergelding naar ieders werken, Rom.2:6-11; 14:12; 1 Cor. 3:8; 2 Cor. 5:10; Gal. 6:5; Op. 2:23; 20:12; de godzaligheid heeft de belofte voor dit en het toekomende leven, 1 Tim. 4:8; de gedachte aan de toekomstige heerlijkheid spoort aan tot lijdzaamheid en volharding, Rom. 8:18; 1 Cor. 15:19; 2 Cor. 4:10,17; Op.2:7,11,17 enz., God is toch een beloner van degenen, die Hem zoeken, Hebr. 11:6, 26; Hij deelt rechtvaardige vergelding uit op alle overtreding en ongehoorzaamheid 2:2,, maar beloont ook de milddadigheid, 1 Tim. 6:19, de vrijmoedigheid van het geloof, Hebr.10:35, de zelfverloochening, Hebr. 11:26, de arbeid van zijn dienstknechten, 1 Cor. 3:8,14; 9:18; Col. 3:24; 2 Tim. 4:8 enz..

Op een paar plaatsen is er zelfs nog van een bijzonder loon sprake, want wie volgens 1 Cor. 3:12-15, op het fundament Christus een werk bouwt, dat blijft, zal loon ontvangen, maar indien het werkt dat hij daarop bouwt, verbrand wordt in het vuur van de dag van het oordeel, zal hij, hoewel hij persoonlijk behouden worden, schade lijden en zijn loon verliezen. En in 1 Cor. 9:16-17, zegt Paulus, dat hij, omdat hij het Evangelie niet naar eigen keus, maar vanwege de Goddelijke roeping met noodzakelijkheid verkondigde, geen loon heeft, dat echter de kostelooze verkondiging van het Evangelie en het niet gebruiken van de macht, om bezoldiging aan te nemen, hem op loon aanspraak gaf. Beide plaatsen passen de algemene gedachte, dat God ieder vergelden zal naar zijn werken, slechts op een paar bijzondere gevallen toe; hoewel de zaligheid aan alle gelovigen geschonken wordt, zal er toch onder hen naar gelang van hun werken onderscheid in heerlijkheid zijn, Mt. 10:41; 18:4; 20:16; 25:14v. Er is dus volgens de Heilige Schrift, zowel in het Nieuwe als in het Oude Testament een innig verband tussen heiligmaking en heerlijkmaking; wat hier gezaaid wordt, wordt in de eeuwigheid gemaaid, Mt. 25:24,26; 1 Cor.15:42v., 2 Cor. 9:6; Gal. 6:7-8. Zonder heiligmaking zal niemand God zien, Mt. 5:8; Hebr. 12:14. Deze wet van het koninkrijk wordt door de genade niet te niet gedaan, maar aan haar ordening dienstbaar gemaakt. De gelovigen zijn Gods maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat zij daarin wandelen zouden, Ef. 2:10. Als kinderen, zijn zij ook erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus, Rom. 8:17. Juist omdat zij, wat zij doen, van harte doen, als de Heere en niet de mensen, weten zij ook, dat zij van de Heere ontvangen zullen de vergelding van de erfenis, want zij dienen de Heere Christus, Col. 3:23-24.

1 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 31 De mededeelbare Eigenschappen; C 204.

2 Verg. Deel III; Hoofdstuk 8; Par. 49 De Heilsorde; 410.

3 Verg. Deel III; Hoofdstuk 8; Par. 49 De Heilsorde; 411.

4 Verg. Deel III; Hoofdstuk 8; Par. 49 De Heilsorde; 412, Deel III; Hoofdstuk 8; Par. 49 De Heilsorde; 413.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
477. Since the redemption that God grants and works out in Christ is meant to accomplish complete deliverance from sin and all its consequences, it includes sanctification and glorification from the very beginning, along with Justification. In Adam, God already made a covenant with humanity for the purpose of leading it to victory over the serpent’s offspring. As soon as God had established his covenant with Abram, he commanded him to walk before him in all blamelessness (Gen. 17:1). He gave his people Israel a law that can be summed up by saying that Israel had to be a priestly kingdom and a holy nation (Exod. 19:6; Lev. 11:44; 19:2; 20:7, 26). This sanctification extended to the people as a whole and applied to all aspects of life—religious and moral, civil, and social—and under the Old Testament dispensation bore a specifically ceremonial character. For it implied that Israel, having been separated from the [heathen] nations and placed in a special relationship with YHWH,


Unfortunately, you don't have access to this resource
Bavinck, Herman. Reformed Dogmatics. Vol 4. Holy Spirit, Church, and New Creation. Edited by John Bolt. Translated by John Vriend. Grand Rapids, MI: Baker Academic, 2008. [781]
x
This website is using cookies. Accept