Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk. Reformed Dogmatics

480. Om de weldaad van de heiligmaking goed te verstaan, moeten wij uitgaan van de gedachte, dat Christus in dezelfde zin onze heiligheid is, als waarin Hij onze gerechtigheid is. Hij is een volkomen en al genoegzaam Zaligmaker; Hij volbrengt zijn werk niet ten half, maar maakt ons wezenlijk en volkomen zalig; Hij rust niet, voordat Hij, na de vrijspraak in onze consciëntie, ook de volle heiligheid en heerlijkheid ons heeft deelachtig gemaakt. Hij brengt ons dus door zijn gerechtigheid niet alleen in de staat van rechtvaardigen terug, die in het oordeel van God vrij uitgaan, om het nu verder aan ons zelf over te laten, dat wij door het doen van goede werken ons naar Gods beeld hervormen en het eeuwige leven verdienen. Maar Christus heeft alles volbracht; Hij droeg voor ons de schuld en de straf van de zonde, stelde zich onder de wet, om voor ons het eeuwige leven te verwerven, en verrees toen uit het graf, om zich in zijn hele volheid aan ons mee te delen beide tot onze gerechtigheid en tot onze heiligmaking, 1 Cor. 1:30. De heiligheid, welke wij deelachtig moeten worden, ligt dus volkomen voor ons in Christus gereed. Velen erkennen nog wel, dat wij gerechtvaardigd worden door de gerechtigheid, welke Christus verworven heeft, maar houden het ervoor of handelen er althans in de praktijk naar, alsof zij geheiligd moesten worden door een heiligheid, welke zij zelf tot stand brengen. Indien dat het geval was, zouden wij, in strijd met het apostolisch getuigenis, Rom. 6:14; Gal. 4:31; 5:1, 13, niet onder de genade leven en in de vrijheid staan, doch nog altijd onder de wet verkeren. De evangelische heiligmaking is echter evenzeer van de wettische onderscheiden, als de gerechtigheid, die door het geloof ontvangen wordt, verschilt van die, welke door de werken verkregen wordt. Zij bestaat nl. hierin, dat God ons in Christus, met de gerechtigheid, ook de volkomen heiligheid schenkt, en deze niet bloot toerekent, doch ook innerlijk meedeelt door de wederbarende en vernieuwende werking van de Heilige Geest, totdat wij ten volle het beeld van zijn Zoon gelijkvormig zijn.

Rechtvaardigmaking en heiligmaking zijn daarom onderscheiden en toch geen ogenblik gescheiden. Ze zijn onderscheiden; wie ze vermengt, ondermijnt het religieuze leven, neemt de troost van de gelovigen weg en maakt God aan de mens ondergeschikt. Het onderscheid van beide is hierin gelegen, dat in de rechtvaardigmaking de religieuze verhouding van de mens tot God wordt hersteld, en in de heiligmaking zijn natuur vernieuwd en van de onreinheid van de zonde bevrijd wordt. Het berust in zijn diepste wezen daarop, dat God beide rechtvaardig en heilig is. Als Rechtvaardige wil Hij, dat alle schepselen in die verhouding tot Hem zullen staan, waarin Hij hen oorspronkelijk geplaatst heeft, vrij van schuld en straf. Als Heilige eist Hij, dat zij alle rein en onbesmet door de zonde voor zijn aangezicht zullen verschijnen. De eerste mens werd daarom naar Gods beeld in gerechtigheid en heiligheid geschapen en had geen rechtvaardigmaking noch heiligmaking nodig, al moest hij ook van de wet gehoorzaam zijn, om uit haar werken gerechtvaardigd te worden en het eeuwige leven te ontvangen (justificatio legalis). Maar de zonde heeft de mens met schuld beladen en hem onrein gemaakt voor Gods aangezicht. Om volkomen van de zonde verlost te worden, moet hij daarom van haar schuld bevrijd en van haar smet gereinigd worden. En dat geschiedt in de rechtvaardigmaking en heiligmaking. Beide zijn dus even noodzakelijk en worden in de Schrift met gelijke nadruk gepredikt. De rechtvaardigmaking gaat daarbij in logische orde voorop, Rom. 8:30; 1 Cor.1:30, want zij is een justificatio evangelica, een vrijspraak op grond van een in het geloof geschonken dikaiosunh yeou, en niet ex ergwn nomou; zij is een juridische daad en in één ogenblik voltooid,maar de heiligmaking is ethisch, zet zich voort door heel het leven, en maakt de gerechtigheid van Christus door de vernieuwende werkzaamheid van de Heilige Geest langzamerhand tot ons persoonlijk, ethisch bezit. Rome’s leer van de gratia of justitia infusa is op zichzelf niet onjuist; alleen is verkeerd, dat zij de ingestorte gerechtigheid tot de grond van de vergeving maakt, en de religie dus bouwt op de grondslag van de zedelijkheid. Maar de gelovigen worden de gerechtigheid van Christus wel waarlijk ook door infusio deelachtig. Rechtvaardigmaking en heiligmaking schenken dus dezelfde weldaden, of beter nog, de hele, volle Christus; alleen verschillen zij in de wijze, waarop zij Hem schenken. In de rechtvaardigmaking wordt Hij ons geschonken in juridische, in de heiligmaking in ethische zin; door gene worden wij rechtvaardigheid van God in Hem, door deze komt Hij zelf door zijne Geest woning in ons maken en vernieuwt ons naar zijn beeld.

Hoewel rechtvaardigmaking en heiligmaking dus in aard onderscheiden zijn, is het van niet minder belang, het nauw verband tussen beide geen ogenblik uit het oog te verliezen; wie ze scheidt, ondermijnt het zedelijk leven, en maakt de genade dienstbaar aan de zonde. In God zijn gerechtigheid en heiligheid niet te scheiden; Hij haat de zonde geheel en al, niet alleen zoals zij schuldig stelt, maar ook zoals zij onrein maakt. De daden van God in rechtvaardigmaking en heiligmaking zijn onafscheidelijk verbonden; ouv de edikaiwsen, toutouv kai edoxasen, Rom. 8:30; de dikaiwsiv brengt zwh mee, 5:18; wie door God is gerechtvaardigd en aangenomen tot zijn kind, deelt terstond in zijn gunst en begint onmiddellijk te leven. Voorts heeft Christus niet alleen voor de zijnen de zonde gedragen en de wet vervuld, maar Hij kon dit alleen doen, omdat Hij al in verbondsrelatie tot hen getreden was en dus hun hoofd en middelaar was. In Hem waren al de zijnen begrepen; en met en in Hem zijn zij zelf gestorven, begraven, opgewekt en in de hemel gezet, Rom. 6:2-11; 2 Cor. 5:15; Gal. 2:20; Ef. 2:5-6; Col. 2:12; 3:1 enz., Christus is hun dikaiosunh, maar in dezelfde zin ook hun agiasmov, 1 Cor.1:30, d.i. niet hun heiligheid, agiothv, agiwsunh, maar hun heiligmaking. Christus nl. heeft door zijn lijden en sterven niet slechts de gerechtigheid aangebracht, op grond waarvan de gelovigen door God vrijgesproken worden. Maar zo heeft hij ook die heiligheid verworven, waardoor Hij hen aan God wijden en van alle smet van de zonde reinigen kan, Joh. 17:19. Zijn gehoorzaamheid tot de dood toe bedoelde toch de verlossing in haar hele uitgestrektheid, apolutrwsiv, niet alleen als loskoping uit de rechtsmacht van de zonde, Rom. 3:24; Ef. 1:7; Col. 1:14, maar ook als bevrijding van haar zedelijke heerschappij, Rom. 8:23; 1 Cor.1:30; Ef. 1:14; 4:30. Daartoe schenkt Christus zichzelf aan hen niet alleen objectief in de rechtvaardigmaking, doch Hij deelt zichzelf ook subjectief mee in de heiligmaking, en verenigt zichzelf met hen op geestelijke, mystieke wijze.

Deze unio mystica wordt door de Luthersen steeds van de antropologische zijde beschouwd, en komt dan natuurlijk eerst na rechtvaardigmaking en wedergeboorte in het dadelijk geloof tot stand1 maar de theologische behandeling van de Gereformeerden leidde tot een andere opvatting. De unio mystica heeft haar aanvang reeds in het pactum salutis; vleeswording en voldoening onderstellen, dat Christus hoofd en middelaar van het verbond is; het verbond komt niet eerst na Christus of ook na de overtuigende en wederbarende werkzaamheid van de Heilige Geest tot stand; maar Christus stond zelf in het verbond, en alle werkzaamheid van de Geest als Geest van Christus geschiedt uit en in het verbond. Er is toch geen gemeenschap aan de weldaden van Christus dan door de gemeenschap aan zijn persoon. De toerekening en schenking van Christus aan de zijnen staat voorop, en onze inlijving in Christus gaat weer vóór de aanneming van Christus en zijn weldaden door het geloof. Oprecht leedwezen over de zonde, hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, toevlucht nemen tot Christus enz., zijn daden en werkzaamheden, welke het leven en dus de unio mystica onderstellen en daaruit voortvloeien. Deze vereniging van de gelovigen met Christus is enerzijds geen pantheïstische vermenging van beide, geen unio substantialis, gelijk zij door het mysticisme van vroeger en later tijd opgevat is; maar zij is toch aan de andere kant ook geen loutere overeenstemming in gezindheid, wil en bedoeling, zoals het rationalisme ze verstond en Ritschl ze weer verklaard heeft2. Wat de Schrift van deze unio mystica ons zegt, gaat veel dieper dan een zedelijke overeenstemming in wil en gezindheid; zij verklaart uitdrukkelijk dat Christus in de gelovigen woont en leeft, Joh. 14:23; 17:23, 26; Rom. 8:10,2 Cor. 13:5; Gal. 2:20; Ef.3:17, en dat zij in Hem zijn, Joh. 15:1-7; Rom. 8:1; 1 Cor. 1:30; 2 Cor. 5:17; Ef. 1:10v.; beiden zijn verenigd als rank en wijnstok, Joh. 15, hoofd en leden, Rom. 12:4; 1 Cor.12:12; Ef. 1:23; 4:15, man en vrouw, 1 Cor. 6:16-17; Ef. 5:32, hoeksteen en gebouw, 1 Cor. 3:11, 16; 6:19; Ef. 2:21; 1 Petr. 2:4-53. Deze unio mystica is echter niet onmiddellijk, maar komt tot stand door de Heilige Geest. En ook in Hem ligt het verband vast tussen rechtvaardigmaking en heiligmaking. De Geest, die Jezus aan zijn discipelen beloofd en in de gemeente uitgestort heeft, is nl. niet alleen een Geest van de uioyesia, die de gelovigen van hun kindschap verzekert, maar ook de Geest van de vernieuwing en van de heiligmaking. Deze Geest heeft Christus zelf bekwaamd tot zijn werk en Hem geleid van zijn ontvangenis af tot zijn hemelvaart toe. Door zijn vernedering is Christus verhoogd aan ‘s Vaders rechterhand, verheerlijkt tot levendmakende Geest, verwerver en uitdeler van de Geest, die nu zijn Geest, de Geest van Christus is. Door deze Geest vormt en bekwaamt Hij ook zijn gemeente. De allereerste gave, welke de gelovigen ontvangen, wordt hun reeds meegedeeld door de Geest, die alles uit Christus neemt, Joh.16:14. Hij is het, die hen wederbaart, Joh. 3:5, 6, 8; Tit. 3:5, het leven schenkt, Rom. 8:10, in de gemeenschap met Christus inlijft, 1 Cor. 6:15, 17, 19, tot het geloof brengt,1 Cor. 2:9v., 1Cor. 12:3, wast, heiligt, rechtvaardigt, 1 Cor. 6:11; 12:13; Tit. 3:5, leidt, Rom. 8:14, Gods liefde in hun harten uitstort, Rom. 5:5, in hen bidt, Rom. 8:26, allerlei deugden, Gal. 5:22; Ef. 5:9, en gaven, Rom. 12:6,1 Cor. 12:4 vooral de liefde, 1 Cor. 13, hun meedeelt, hen leven doet naar een nieuwe wet, de wet van de Geest, Rom. 8:2, 4; 1 Cor. 7:9; Gal. 5:6; 6:2, hen vernieuwt in verstand en wil, naar ziel en lichaam, Rom. 6:19; 1 Cor. 2:10; 2 Cor. 5:17; 1 Thess. 5:23; in één woord, de Heilige Geest woont in hen, en zij leven en wandelen in de Heilige Geest, Rom. 8: 1, 4, 9-11; 1 Cor. 6:19; Gal. 4:6 enz.4.

1 Schneckenburger, Vergt. Darst. I 185-225

2 Ritschl, Theol. u. Metaph. 1881. Rechtf. u. Vers III2 106, 552 v. Gesch. des Pietismus. 3 Bde 1880-86 passim. Herrmann, Der Verkehr des Christen mit Gott5 1908. Gottschick, Luthers Lehre v.d. Gem. des Gläubigen mit Christus, Zeits. f. Th, u. K. 1898 bl. 406.

3 Verg. over de unio mystica in de Geref. theologie behalve Boquinus e.a. bij Heppe, Dogm. des d. Prot. II 372, Calvijn, Inst. III 11. 5. Martyr, Loci C. 259. Polanus, Synt. Theol. VI 35. Amesius, Med. Theol. I c. 26. Voetius, Disp. II 459. Mastricht, Theol. VI c. 5. Witsius, Misc. S. II 788. M. Vitringa, Doctr. III 78. Comrie, Catech. vr. 20-23. Kuyper, Het werk v.d. Heilige Geest II 163, en voorts nog Pfleiderer, Der Paulinismus2 214 v. Krebs, Ueber die unio mystica. Marburg 1871. Weiss, Das Wesen des pers. Christenstandes, Stud. u. Krit. 1881 bl. 377-417. Deissmann, Die neutest. Formel en kr. ihsou. Marburg 1892.

4 Verg. Deel III; Hoofdstuk 8; Par. 49 De Heilsorde; 413 v. Deel IV; Hoofdstuk 8 (vervolg); Par. 50 De Heilsorde; 448 en voorts nog Pfleiderer, Der Paulinismus 2 225 v. Holtzmann, Neut. Theol. II 143 v.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
480. To understand the benefit of sanctification correctly, we must proceed from the idea that Christ is our holiness in the same sense in which he is our righteousness. He is a complete and all-sufficient Savior. He does not accomplish his work halfway but saves us really and completely. He does not rest until, after pronouncing his acquittal in our conscience, he has also imparted full holiness and glory to us. By his righteousness, accordingly, he does not just restore us to the state of the just who will go scot-free in the judgment of God, in order then to leave us to ourselves to reform ourselves after God’s image and to merit eternal life. But Christ has accomplished everything. He bore for us the guilt and punishment of sin, placed himself under the law to secure eternal life for us, and then arose from the grave to communicate himself to us in all his fullness for both our righteousness and sanctification (1 Cor. 1:30). The holiness that must completely become ours therefore


Unfortunately, you don't have access to this resource
Bavinck, Herman. Reformed Dogmatics. Vol 4. Holy Spirit, Church, and New Creation. Edited by John Bolt. Translated by John Vriend. Grand Rapids, MI: Baker Academic, 2008. [781]
x
This website is using cookies. Accept