Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk. Reformed Dogmatics

490. De naam lhq, ekklhsia, duidt reeds krachtens zijn afleiding van werkwoorden, die samenroepen betekenen, een vergadering van mensen aan, die voor een of ander, inzonderheid politiek of godsdienstig doel samengekomen, of, al zijn ze op een bepaald ogenblik niet vergaderd, toch voor zulk een doel onderling verenigd zijn. Onder het Oude Testament was Israël het volk, dat door God voor zijn dienst samengeroepen en bijeenvergaderd was; en in het Nieuwe Testament is dit volk van Israël vervangen door de gemeente van Christus, die nu het heilig volk, het uitverkoren geslacht, het koninklijk priesterdom van God is. Het woord kerk, church, kirk, kirche, chiesa, waarmee ekklhsia is overgezet, drukt niet zo duidelijk als het oorspronkelijke dit karakter van de gemeente van Christus uit. Waarschijnlijk is het afgeleid van kuriakh, scil. oikia of kuriakon, scil. oikon en betekende het dus oorspronkelijk, niet de gemeente zelf, maar de plaats van haar samenkomst, het kerkgebouw1. nu bezigen wij dit woord in dezelfde zin van het kerkgebouw, of in die van godsdienstoefening (bijv. de kerk begint om tien uur), of in die van geinstitueerde groep van gemeenten (de Roomse, de Anglikaanse kerk enz.). De betekenis van het Nieuwtestamentische woord ekklhsia staat bij het woord kerk op de achtergrond; in sommige tijden was het bewustzijn, dat kerk de benaming van het volk van God is, bijna geheel uitgesleten. Dit is ook de reden, waarom het woord ekklhsia in de Statenvertaling niet door kerk, maar door gemeente is overgezet; dit woord deed toch weer uitkomen, dat het wezen van de kerk in de gemeenschap van de heiligen lag. Indien er geen bezwaren tegenover stonden, zou het overweging verdienen, om het woord kerk door dat van gemeente te vervangen. Maar maatschappij en staat hebben dit woord op burgerlijk gebied in beslag genomen, spreken van gemeente, gemeenteraad, gemeenteschool, gemeentehuis, en hebben daardoor dit woord veelszins voor het kerkelijk leven onbruikbaar gemaakt. Gemeente kan en mag wel op kerkelijk gebied gebezigd worden, maar heeft dan een bepaalde zin en is niet zo plooibaar als het woord kerk, dat velerlei betekenissen kan aannemen. Want ofschoon dit woord oorspronkelijk het kerkgebouw en dan ook de godsdienstoefening en het kerkelijk instituut aanduidde, zo is er toch de betekenis van volk Gods, van vergadering van de Christgelovigen, niet vreemd aan. In die zin komt het voor in de twaalf artikelen, in de Ned. Geloofsbel. art. 27-29, in de Dordse kerkenorde passim. Het komt er slechts op aan, om deze betekenis in het bewustzijn te verlevendigen.

De woorden gemeente en kerk kunnen dan naast elkaar gebruikt worden maar zij zijn nooit zo van elkaar te onderscheiden, dat het woord gemeente de vergadering van de gelovigen op een bepaalde plaats en het kerk de samenvoeging van de gemeenten tot één geheel aanduidt. Want kerk en gemeente zijn beide vertalingen van hetzelfde woord ekklhsia en hebben daarom dezelfde betekenis. Beide woorden zijn namen voor de vergadering van de gelovigen, hetzij op een bepaalde plaats, hetzij in een land, hetzij over de hele aarde. Geheel verkeerd is het daarom, om bij gemeente aan de ware gelovigen, bij kerk aan de schijngelovigen te denken, of beide begrippen te vereenzelvigen met die van onzichtbare en zichtbare kerk, of ook onder gemeente de vergadering van de gelovigen en onder kerk het instituut te verstaan. Hoogstens verschillen zij daarin, dat gemeente meer denken doet aan de gemeenschap van de gelovigen onderling, en kerk meer aan diezelfde gelovigen, gelijk zij institutair, onder ambt en bediening van het woord, georganiseerd zijn. Beide malen is het dan echter toch dezelfde vergadering van gelovigen, die erdoor aangeduid wordt; slechts het gezichtspunt verschilt, waaruit zij beschouwd wordt. Terwijl deze beide woorden dus op kerkelijk terrein burgerrecht bezitten, is het heel anders met het woord kerkgenootschap gesteld. Deze naam heeft allengs een collegialistische bijsmaak verkregen. Het kwam hier te lande in gebruik in 1773 door de eerste berijming van de twaalf geloofsartikelen, werd dan in de zin van plaatselijke of van algemene kerk opgenomen in de staatsregeling van 1798, 1801 en 1805, werd in de grondwet van 1814 en18 15 vervangen door het woord godsdiensten en godsdienstige gezindheden, en daarna in de grondwet van 1848 en 1887 en ook weer in de wet op de kerkgenootschappen van 10 Sept. 1853 naast de naam van godsdienstige gezindheden ingevoerd. Ofschoon het woord eerst een plaatselijke gemeente aanduidde, wordt het nu gewoonlijk verstaan van een vereniging, waarvan de plaatselijke afdelingen (gemeenten) leden zijn, en waartoe men door een vrijwillige keuze toetreedt. Maar in deze zin is een kerk juist geen genootschap, want zij ontstaat niet door vrijwillige toetreding van volwassen personen, maar uit de wedergeboorte door de Heilige Geest.

Eindelijk verdient het ook geen aanbeveling, om het woord kerk in de zin van het volk van God door dat van Godsrijk te vervangen. Want tussen beide is er een niet onbelangrijk verschil. Het koninkrijk van God, waarmee Jezus’ prediking begint, is in de eerste plaats een eschatologisch begrip voor het naderende Messiaanse rijk met al zijn goederen. En ook, in zoverre dit rijk door wedergeboorte, vergeving en vernieuwing hier reeds op aarde in de harten aanwezig is, bestaat het veelmeer in geestelijke goederen, dan in gemeenschap van personen. Het koninkrijk van de hemelen is of wordt juist een eigendom van de armen van geest, de reinen van hart, de kinderen en bestaat zelf in vrede, vreugde, blijdschap door de Heilige Geest. Daarom is het, althans hier op aarde, niet georganiseerd; het is in beginsel overal, waar de geestelijke weldaden van Christus geschonken zijn, en is nergens op aarde afgerond en voltooid2. Maar de kerk is vooral een diesseitig begrip, een gemeenschap van personen, toegerust met ambten en bedieningen en in het zichtbare optredend als het vergaderde volk van God. De kerk is dus het middel, waardoor Christus de weldaden van het Godsrijk uitdeelt en de voltooiing ervan voorbereidt. En op haar weg, om het Godsrijk te doen komen, neemt zij allerlei elementen op, die onzuiver zijn en eigenlijk niet tot haar behoren (hypocrieten en ook de oude mens in de gelovigen), terwijl het koninkrijk van God, in goederen bestaande, zuiver en onvermengd is, en alleen het wedergeborene omvat. Christus is van de gemeente gegeven tot een hoofd, juist opdat God aan het einde als Koning van zijn volk optreden en alles in alles kan zijn3.

Nu is er geen twijfel aan, dat volgens de Heilige Schrift het wezen van de kerk daarin ligt, dat zij het volk van God is. Immers, de kerk is een realisering van de verkiezing, en deze is een verkiezing in Christus tot roeping, rechtvaardigmaking, verheerlijking, Rom. 8:28, tot gelijkvormigheid aan de Zoon van God, Rom. 8:29, tot heiligheid en zaligheid, Ef. 1:4v.. De zegeningen, welke aan de kerk worden geschonken, zijn in de eerste plaats inwendig en geestelijk van aard en bestaan in roeping en wedergeboorte, in geloof en rechtvaardigmaking, in heiligmaking en verheerlijking. ‘t Zijn goederen van het koninkrijk der hemelen, weldaden van het verbond van de genade, beloften voor dit en bovenal voor het toekomende leven. Op grond daarvan heet de kerk het lichaam van Christus, 1 Cor. 12:27; Ef. 5:23; Col. 1:18, de bruid van Christus, 2 Cor. 11:2; Ef. 5:32; Op.19:7; 21:2, de schaapskooi van Christus, die zijn leven stelt voor de schapen en door dezen gekend wordt, Joh. 10, het gebouw, de tempel, het huis van God, Mt. 16:18; Ef. 2:20; 1 Petr. 2:5, opgetrokken uit levende stenen, 1 Petr. 2:5, op de hoeksteen Christus en op het fundament van apostelen en profeten, 1 Cor. 3:17; 2 Cor. 6:16-17; Ef. 2:22; Op. 21:2-4, het volk, het eigendom, het Israël van God, Rom. 9:25; 2 Cor. 6:16; Hebr. 8:10; 1 Petr. 2:9-10. De leden van de kerk heten ranken aan de wijnstok, Joh. 15, levende stenen, 1 Petr. 2:5, uitverkorenen, geroepenen, gelovigen, geliefden, broeders en zusters, kinderen van God enz., en zij, die dit niet in waarheid zijn, worden in de Schrift beschouwd als kaf aan het koren, Mt. 3:12, als onkruid onder de tarwe, Mt. 13:13, als kwade vissen in het net, Mt.13:47, als een mens zonder feestkleed op de bruiloft, Mt. 22:11, als geroepen doch niet uitverkoren, Mt. 22:14, als kwade ranken aan de wijnstok, Joh. 15:2, als niet Israël, hoewel uit Israël zijnde, Rom. 2:28; 9:6, als bozen, die weggedaan moeten worden, 1 Cor. 5:12, als vaten ter onere, 2 Tim. 2:20, als zulken, die uit ons uitgegaan zijn maar niet uit ons waren, 1 Joh. 2:19 enz., dit alles verheft het boven alle twijfel, dat de kerk naar haar wezen een vergadering van ware gelovigen is. Zij, die het oprechte geloof niet deelachtig zijn, mogen uitwendig tot de kerk behoren; zij maken toch haar wezen, haar forma niet uit, zij zijn in, maar niet de ecclesia. Bevestigd wordt dit nog door de wijze, waarop de Schrift van de gemeenschap van de heiligen spreekt. De gelovigen hebben één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, en zo ook hebben zij één Geest, Ef. 4:4-6, in wiens gemeenschap zij leven, door wie zij wedergeboren, tot één lichaam gedoopt en met Christus verenigd zijn, Joh. 3:5; 14:17; Rom. 8:9,14,16; 1 Cor. 12:3,13; 2 Cor. 1:22; 5:5; Ef. 1:13; 4:30; 1 Joh. 2:20. En deze Geest doet in de eenheid de verscheidenheid niet te niet, welke onder de gelovigen bestaat, maar Hij handhaaft en bevestigt ze. Gelijk Hij in schepping en onderhouding alle dingen op hun wijze versierde en voltooide4, en onder Israël allerlei natuurlijke en geestelijke gaven schonk5; zo deelde Hij zichzelf op de Pinksterdag met al zijn charismata aan de gemeente van Christus mee. Deze charismata omvatten in ruimere zin ook de weldaden van de genade, die het deel van alle gelovigen zijn, Rom. 5:15-16; 6:23; maar duiden in engere zin die bijzondere gaven aan, welke aan de gelovigen in verschillende mate en graad ten nutte van elkaar geschonken zijn, Rom. 1:11; 1 Cor. 1:7; 2 Cor.1:11; 1 Tim. 4:14; 2 Tim. 1:6, en vooral Rom. 12:6-9, en 1 Cor. 12:12v. Van al deze gaven is de Heilige Geest, die ze alle uit Christus neemt, Joh. 16:13-14; Ef. 4:7, de uitdeler; Hij deelt ze aan een iedereen uit, gelijkerwijs Hij wil, echter niet naar willekeur, maar in verband met de mate van het geloof, met de plaats, die iemand in de gemeente inneemt, en met de taak, waartoe hij geroepen is, Rom. 12:3, 6; 2 Cor. 10:13; Ef. 4:7; 1 Petr. 4:10, zodat elke gave een fanerwsiv tou pneumatov is, 1 Cor.12:7. Deze gaven zijn zeer vele in aantal. Paulus noemt er onderscheidene op, en bedoelt nog geenszins een volledige lijst te geven. De Roomsen spreken, evenals van zeven hoofdzonden, zeven deugden, zeven zaligheden, zo ook graag met beroep op Jes. 11:2-3 van zeven dona Spiritus Sancti6. Maar dit zevental omvat niet de eigenlijke charismata, die door Paulus worden opgenoemd en die in de Roomse theologie veeleer onder de naam gratiae gratis datae ter sprake komen7. En deze zijn niet tot een zevental te beperken. Bij die, door Paulus opgeteld, kunnen ook nog gevoegd worden die van gebed en dankzegging, van vermaning en vertroosting, van mededeelzaamheid en herbergzaamheid enz. Een indeling is daarom ook moeilijk te geven. Sommige dragen duidelijk een bovennatuurlijk karakter of zijn eerst in of na de bekering geschonken, andere vertonen meer de aard van natuurlijke gaven, die door de Heilige Geest verhoogd en geheiligd zijn. Gene traden in de eerste tijd vooral sterk op de voorgrond, deze zijn meer eigen aan de kerk in haar historische, normale ontwikkeling. Maar welke die gaven ook zijn, zij dienen alle tot nut van de gemeente. De communio sanctorum is een sanctorum communicatio8. De Heilige Geest deelt de charismata niet aan de leden van de gemeente uit ten bate van henzelf, maar ten bate van anderen. Zij mogen niet begraven of verzuimd, maar moeten tot nut en ter zaligheid van de andere leden gewillig en met vreugde aangelegd worden9, zij dienen tot oikodomh, 1 Cor. 14:12; Ef. 4:12, en zijn ondergeschikt aan de liefde, welke de uitnemendste gave is. Deze liefde toch is nog een andere dan de algemene naastenliefde; zij is de liefde tot de broeders, tot de huisgenoten van het geloof. Jezus noemt deze liefde een nieuw gebod, Joh.13:34-35; 15:12; 17:26, omdat de liefde onder Israël niet een zuiver geestelijk karakter droeg, maar met de banden van het bloed was samengestrengeld, en de liefde, die Hij nu onder zijn jongeren tot stand brengt, eerst volkomen zuiver, onvermengd en van aardse betrekkingen onafhankelijk is. De leden van Jezus’ gemeente zijn broeders en zusters onder elkaar, Mt.12:48; 18:15; 23:8; 25:40; 28:10; Joh. 15:14-15; 20:17; Rom. 8:29; Hebr. 2:11 enz.. Zij zijn kinderen van één gezin; God is hun Vader, Ef. 4:6, Christus hun eerstgeboren broeder, Rom. 8:29, Jeruzalem, dat boven is, hun moeder, Gal. 4:26. En zo hebben zij elkaar met al hun geestelijke en natuurlijke gaven te dienen. De kerk is een gemeenschap van de heiligen10.

1 Suicerus, s. v. Köstlin, PRES X 316. Enkelen verwerpen deze afleiding nog en nemen die van circus aan, ib. 317. En volgens Glaser, Woher kommt das Wort Kirche? München 1901, is het te herleiden tot een wortel krk of krkh, Syr. karkha = befestigter Platz, zodat het woord het kerkgebouw aanduidt als een burg of kasteel van God.

2 Verg. Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 46 De Persoon van Christus; 354v.

3 Philippi, Kirchl. Gl. V 3, 203. Frank, Chr. Wahrheit II 375. Kaftan, Dogm. 584 enz.

4 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 32 De Heilige Drieëenheid; 213 v.

5 ib. bl. 264.

6 Lombardus, Sent. III dist. 34. Thomas, S. Theol. 12 qu. 68. II 2 qu. 8. Boventura, Brevil. V 5. Meschler, Die Gabe des h. Pfingstfestes, 3te Aufl. Freiburg 1896 bl. 233 v. Simar, Dogm. 554. Henrich-Gutberlet, Dogm. VIII 631.

7 Simar, Dogm. bl. 486.

8 Calvijn, Inst. IV 1, 3.

9 Heidelb. Catech. antw. 55.

10 Verg. Deel III; Hoofdstuk 8; Par. 49 De Heilsorde; 412 v. en voorts nog Amesius, Med. Theol. II 2 par. 12-23. Voetius, Disp. II 1086-1100. Neander, Pflanzung u. Leitung d. christl. Kirche5 bl. 180 v. Pfleiderer, Der Paulinismus 242. Holtzmann, Neut. Theol. II 143,175. Art. Geistesgaben van Cremer, in PRE3 VI 460 Lauterburg, Der Begriff des Charisma und seine Bedeutung für die prakt. Theol. Gütersloh 1898.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
490. The word קָהָל (qāhāl), ἐκκλησια (ekklēsia), by virtue of its derivation from verbs that mean “to call together,” already denotes a gathering of people who come together for some purpose, especially a political or religious purpose, or, even if at a given moment they have not come together, are nevertheless mutually united for such a purpose. Under the Old Testament dispensation Israel was the people that had been called together and convened for God’s service. In the New Testament, the people of Israel have been replaced by the church of Christ, which is now the “holy nation, the chosen race, the royal priesthood” of God. The word “church” (kirk, kerk, kirche, chiesa), used to translate ἐκκλησια, does not express as clearly as the original this character of the church of Christ. It is probably derived from κυριακη (kyriakē; completed by οἰκια [oikia, house] being understood) or κυριακον (kyriakon; completed by


Unfortunately, you don't have access to this resource
Bavinck, Herman. Reformed Dogmatics. Vol 4. Holy Spirit, Church, and New Creation. Edited by John Bolt. Translated by John Vriend. Grand Rapids, MI: Baker Academic, 2008. [781]
x
This website is using cookies. Accept