Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk. Reformed Dogmatics

500. Deze aristocratisch-presbyterale kerkinrichting is niet lang blijven bestaan, maar spoedig in een monarchisch-episcopale overgegaan. Hoe dat toegegaan is, weten wij niet: voor gissingen en onderstellingen is hier dus een ruim veld1. Zeker hebben verschillende omstandigheden de kerk in deze richting gestuurd. Ten eerste lag het voor de hand, dat de kerken in de aanvang nog niet streng onderscheiden konden tussen de buitengewone (apostelen, evangelisten, profeten) en de gewone (episcopi, diaconi) ambten. De op een charisma berustende ambten van apostel (in de ruimere zin van evangelist), profeet en leraar duurden, ook nadat de twaalf apostelen en Paulus gestorven waren, in de gemeenten nog voort2. Maar toen deze ophielden en hoe langer hoe meer ontaardden, zodat tussen ware en valse steeds moeilijker te onderscheiden viel, toen werd de evangeliserende, profetische en didaskalische werkzaamheid aan het ambt van de episcopi gebonden; zij werden de ware evangelisten, profeten en leraars3. Zoals altijd, zo werd ook toen allengs de stroom van het vrije leven in de bedding van een vaste organisatie geleid. Ten tweede leren ons de toestanden, die volgens het Nieuwe Testament en de apostolische vaders in de gemeenten bestonden, duidelijk, dat de eerste Christenen lang niet in staat waren, om de waarheid van het Evangelie in al haar rijkdom en zuiverheid in zich op te nemen. Vooral de denkbeelden van Paulus werden met allerlei vreemde, joodse en heidense bestanddelen vermengd. De rechtvaardiging uit het geloof werd nergens zuiver geleerd. Het geloof aan Gods openbaring in Christus behield slechts betekenis als motief voor een zedelijk, dikwijls reeds ascetisch gekleurd, leven; het Evangelie werd een nieuwe wet, waarvan onderhouding het eeuwige leven, de afyarsia, schonk. Heel deze morele, wettische richting kwam aan de verheffing van het ambt als orgaan van de Goddelijke openbaring ten goede, stempelde gehoorzaamheid en onderwerping aan de kerkelijke overheid4 tot eerste Christenplicht, en heresie en schisma tot de schrikkelijkste van alle zonden. Ten derde maakte het optreden van allerlei heretische en sectarische richtingen organisatie en consolidatie van de Christelijke gemeenten dringend noodzakelijk. De vraag naar de ware kerk kreeg praktisch belang en het antwoord daarop luidde: de ware kerk is die, welke zich aan het geheel houdt, aan de catholica ecclesia, en deze is, waar de bisschop is5.

Deze verandering in de regering kwam niet in alle kerken tegelijk tot stand. De Didache kent ze niet; zij spreekt niet van presbyteri, maar alleen van episcopi en diaconi, die de Heere waardige mannen moeten zijn en de dienst van de profeten en leraars vervullen moeten6. Hermas noemt apostelen, episcopi, leraars en diakenen naast elkaar, zonder van presbyteri gewag te maken, maar schijnt aan het hoofd van elke gemeente een college te veronderstellen, dat uit presbyteri samengesteld is7, en maakt dus nog geen ambtelijk onderscheid tussen presbyteri en episcopi. Omstreeks de tijd, waarin de Pastor van Hermas geschreven werd, dat is in elk geval in de eerste helft van de tweede eeuw, bestond het monarchisch episcopaat dus in Rome nog niet. Het is trouwens ook niet in Rome, zoals Sohm beweert8, en ook niet in het Westen, maar in het Oosten ontstaan. De eerste brief van Clemens, aan het einde van de eerste eeuw uit Rome geschreven, zegt wel, dat de apostelen de eerstbekeerden tot episcopi en diaconi hebben aangesteld en dat het zonde is hen te ontslaan, wanneer zij hun dienst op onberispelijke wijze vervullen, maar kent het onderscheid van episcopi en presbyteri nog niet en gebruikt beide namen dooreen9. Daarentegen heeft het monarchisch episcopaat zich in het Oosten zeer spoedig ontwikkeld; de brieven van Ignatius, bisschop van Antiochië, onder Trajanus ongeveer 110-115 als martelaar te Rome gestorven, zijn daarvoor een onwraakbaar getuige, en zouden dat zelfs in geval van onechtheid blijven, omdat zij dan toch niet jonger kunnen zijn dan de jaren 130-140. Ignatius spreekt herhaaldelijk, tot 13 maal toe, van episcopi, presbyteri en diakenen als van drie onderscheiden ambtsdragers; hij ziet in de episcopus een gezondene van Christus, een cariv yeou, een gelijkenis van God of van Christus10, en dringt er onophoudelijk in het belang van de eenheid van de kerk op aan, dat de leden van de gemeente zich naar Gods gebod met de bisschop verenigen, niets kerkelijks buiten hem doen, en alle ketterij en scheuring ten strengste vermijden.

Toch staat de bisschoppelijke idee bij Ignatius nog maar aan het begin van haar ontwikkeling; de bisschop is geen drager van de traditie, geen priester van het Nieuwe Testament, geen opvolger van de apostelen, hij wordt altijd omgeven door de raad van presbyters en diakenen, zoals Christus door zijn apostelen, hij draagt een ambt in een plaatselijke kerk en heeft daarbuiten geen gezag. In de gemeenten van Klein-Azië stonden in Paulus’ dagen Hd.14:23; 20:17; Phil. 1:1 Tit.1:5, en ook later nog11, niet een maar meerdere episcopi aan het hoofd. Volgens 1 Tim. 4:14, vormden zij samen reeds een college, een presbyterium. En één onder hen trad volgens Op. 1:20v. zo op de voorgrond, dat hij als aggelov aangeduid en als vertegenwoordiger van de hele gemeente beschouwd kon worden12. Waarschijnlijk sloot de ontwikkeling van het monarchisch episcopaat zich daarbij aan. De presbyter, die met de leiding van de vergaderingen en misschien ook in onderscheiding van alle ambtgenoten alleen met de dienst van het woord was belast, werd allengs als drager van een bijzonder ambt beschouwd. Hij alleen was episcopus, terwijl alle andere slechts presbyters waren. Op deze wijze zou ook te verklaren zijn, dat Ignatius het monarchisch episcopaat reeds als lang bestaande onderstelt, dat Clemens Alexandrinus van Johannes spreekt als opou men episkopouv katasthswn13, en dat dit episcopaat al spoedig, omstreeks het midden van de tweede eeuw, overal in gevoerd was. Indien men daarin niet gemeend had te steunen op een apostolische traditie, zou de snelle verbreiding bijna onverklaarbaar zijn. Het nieuwe, dat bij Ignatius ons tegemoet treedt, bestaat dan daarin, dat hij de naam episcopus uitsluitend bezigt voor hem; die eerst slechts primus inter pares was, dat hij deze episcopus wel nog altijd in verband houdt met, maar toch ook reeds verre verheft boven de presbyteri en diaconi, dat hij hem telkens vergelijkt met God of met Christus, en dat hij voor hem van de leden van de gemeente een bijna onbeperkte gehoorzaamheid eist. In deze richting heeft de ontwikkeling van het episcopaat zich voortgezet. Als in een gemeente maar één bisschop mocht zijn, dan sprak het vanzelf, dat in een grote gemeente, met vele kerkgebouwen, die kerk een zekere voorrang verkreeg, waaraan de bisschop verbonden was; dat de van uit de steden gestichte landelijke gemeenten filialen werden van de moedergemeente en een dioikhsiv (dioecesis, eerst sedert 9e eeuw; voor die tijd paroikia), van de bisschop; dat deze alleen de eigenlijke kerkelijke handelingen, bijv. de eucharistie, de ordening, de absolutie verrichten kon enz.

Daarmee werd in beginsel heel de vroegere verhouding omgekeerd; in de apostolische tijd waren er eerst gemeenten, vergaderingen van gelovigen, in welke door de apostelen episcopi en diaconi werden aangesteld, die met toestemming van de gemeenten verkoren werden en aan haar oordeel onderworpen waren. Maar nu werd het omgekeerd; de ware kerk, leer, doop, eucharistie, gemeenschap met God is daar, waar de bisschop is, zoals Ignatius telkenmale zegt en Irenaeus, Cyprianus e.a. na hem uitwerken. De strijd tegen de gnosis, welke op de overlevering zich beriep en daarmee haar recht en waarheid trachtte te bewijzen, maakte het daarbij noodzakelijk, om de echte, apostolische traditie tegenover haar te stellen. En deze vond men in de bisschoppen als opvolgers van de apostelen en dragers van de traditie. Zij waren door de apostelen in de gemeenten aangesteld, in regelmatige sucessie elkaar opgevolgd en daarom dragers van het charisma veritatis certum14. Deze heel nieuwe opvatting van het episcopaat als voortzetting van het apostolaat en van zijn onaantastbare autoriteit in de kerk werd daarin voltooid, dat sedert de tweede helft van de tweede eeuw de onderscheiding van clerus en leken ingevoerd werd. Clerus, klhrov, lot, erfdeel, eigendom, duidde oorspronkelijk de gemeente van Christus aan als het erfdeel of eigendom van God, Deut. 4:20; 9:29; 1 Petr. 2:5. Maar langzamerhand werd het gebruik van dit woord beperkt, en eerst alleen toegepast op de presbyters, dan ook op de diakenen, en eindelijk nog op al de ordines minores (acoluthi, exorcistae, lectores, ostiarii), die in het begin van de derde eeuw opkwamen. Al deze dienaren van de kerk werden toch langzamerhand meer en meer van de gemeente onafhankelijk en tot beambten van de bisschop gemaakt en dan met deze als clerus, als ecclesia docens, gesteld tegenover de leken, de ecclesia audiens, die niets meer te zeggen maar alleen nog te luisteren en te gehoorzamen had15. Zo ontstond het episcopale stelsel van kerkregering, dat in de bisschop de wettige opvolger van de apostelen en de geestelijke vorst van de gelovigen ziet. Naar dat stelsel zijn verschillende Christelijke kerken ingericht, de Griekse kerk en vele andere Oosterse kerken en secten16; voorts de Roomse kerk, die echter van het episcopale stelsel tot het papale is voortgeschreden en daarom steeds door de aanhangers van het zuivere episcopale stelsel, zoals de mannen van de reformatorische concilies, de Gallikanen, de Jansenisten, de Febronianen, de Oud-katholieken bestreden werd17, en eindelijk de Anglikaanse kerk, die in de eerste tijd bij monde van Cranmer, Parkington, Whitgift, Usher e.a. het episcopale stelsel nog slechts als een geoorloofd en nuttig jus ecclesiasticum, maar later, vooral na de aartsbisschoppen Bancroft en Land, als een jus divinum verdedigde18.

1 Verg. Karl Sell, Forschungen der Gegenwart über Begriff und Entstehung der Kirche, Zeits. f. Theol. u. Kirche 1894 bl. 347-417. Dunin-Borkowski, S. J. Die neueren Forschungen über die Anfänge des Episkopats. Freiburg Herder 1900. Ruibing, De jongste hypothesen over het ontstaan van het episcopaat. Gron. 1900. A. Michiels, L’origine de l’épiscopat. Louvain 1900. J. W. Falconer, From Apostle to Priest. a study of early church organisation. Edinburgh 1900.

2 Didache 11 v. Hermas, Mand. 11. Euschius, Hist. eccl. III 37.

3 Didache 15.

4 mayete upotassesyai, Clemens, 1 Cor. 57.

5 Ignatius, Smyrn. 8.

6 Didache 15.

7 Hermas, Vis. III 5. II 4.

8 Sohm, Kirchenrecht bl. 157-179.

9 Clemens, 1 Cor. 42, 44, 47.

10 Ignatius, Ef. 6. Magn. 2. 7. Trall. 2. 3. Smyrn. 8.

11 Clemens, 1 Cor. 42, 4. 44, 2, 4, 6.

12 Verg. de hoge positie, welke Jakobus, de broeder des Heeren, in de gemeente te Jeruzalem innam, Hd. 12:17; 15:13; 21:18; Gal. 1:19; 2:9.

13 Bij Eusebius, Hist. eccl. III 23, 6.

14 Irenaeus, adv. haer. III 2, 2. 3, 1, 2. IV 26, 2. enz.

15 Cremer, s. v. Harnack, D. G. I 383. Id., Entst. u. Entw. der Kirchenverfassung bl. 51. Sohm, Kirchenrecht I 157-247. Gaspari, art. Geistliche in PRE3 VI 463. Achelis, art. Laien in PRD3 XI 218.

16 Hofmann, Symboliek par. 44. 55. 62 v.

17 Conc. Trid. sess. 23 c. 4 en can. 6. Conc. Vatic. sess. 4 prooem. Bellarminus, de membris ecclesiae militantis, Controv. II 2. Petavius, de eccl. hierarchia, Theol. dogm. Paris 1870 VIII 97-406 eoz. Verg. Schling, art. Episkopalsystem in der röm. kath. Kirche, PRE3 V 427.

18 Kattenbusch, art. Anglik, Kirche in PRE3 I 525—547.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
500. This aristocratic-presbyterial organization of the church did not last long; it soon turned into a monarchical-episcopal arrangement. How that happened we do not know; hence the field is wide open to conjectures and assumptions.25 It is certain that various circumstances drove the church in this direction. In the first place, it was natural that in the beginning the churches could not yet make a sharp distinction between the extraordinary (apostles, evangelists, prophets) and the ordinary (overseers, deacons) offices. The charisma-based offices of apostle (in the sense of evangelist), prophet, and teacher continued to function in the churches even after the twelve apostles and Paul had passed away.26 But when these ceased to function and progressively degenerated, so that it became increasingly more difficult to distinguish between true and false ones, the evangelistic, prophetic, and didactic activities of the church were attached to the office of the bishops: they became the


Unfortunately, you don't have access to this resource
Bavinck, Herman. Reformed Dogmatics. Vol 4. Holy Spirit, Church, and New Creation. Edited by John Bolt. Translated by John Vriend. Grand Rapids, MI: Baker Academic, 2008. [781]
x
This website is using cookies. Accept