Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk. Reformed Dogmatics

508. Toen Jezus, komende tot het zijn, door de zijnen niet aangenomen werd, organiseerde Hij zijn discipelen tot een ekklhsia, die hopend en lijdend zijn tweede komst en de overwinning van al zijn vijanden verbeiden moest. Deze gemeente toont in inrichting en cultus wel enige overeenkomst met de synagoge, maar is toch veeleer een vrije en zelfstandige organisatie van het nieuwe leven, dat Christus aan het licht gebracht had1. Immers kan er geen twijfel over bestaan, of Christus zulk een gemeente gesticht en haar een zekere macht toebetrouwd heeft. Zelf toch spreekt Hij van haar als zo hecht op een rots gebouwd, dat de poorten van de hel niets tegen haar zullen vermogen, Mt. 16:18, en voorts geeft Hij aan die gemeenten ambten, bedieningen, instellingen, gaven, Rom.12:6v., 1 Cor. 12; 13; 14; Ef. 4:11, die er alle op wijzen, dat zij een eigen, vrij, onafhankelijk bestaan en een zelfstandige inrichting heeft. Maar deze macht, welke Christus aan zijn gemeente verleent, draagt een bijzonder karakter. Zij bestaat in niets anders, maar ook in niets minder dan in de macht van de sleutels, die door Christus het eerst aan Petrus toebedeeld werd, Mt. 16:19. Nadat Petrus eerst om zijn belijdenis van Jezus’ Messianiteit een rots was genoemd, op welke Christus zijn gemeente zou bouwen, stelde Hij hem daarna in vers 19 tot oikonomov van het koninkrijk der hemelen aan en vertrouwde hem de sleutels van dat koninkrijk toe. Sleutels zijn een teken van heerschappij, Jes. 22:22; Luk. 11:52; Openb. 1:8; 3:7; 9:1; 20:1, en duiden hier de macht van Petrus aan, om het koninkrijk van de hemelen te openen en te sluiten, d.i. om te bepalen, wat daarin al dan niet gelden zal. Zahn maakt terecht de opmerking, dat in deze tekst niet personen, maar handelingen het voorwerp van het binden en ontbinden zijn2. De Aramese woorden, die bij Mattheüs door deein en luein, en in onze taal door binden en ontbinden zijn vertaald, hebben de betekenis van: voor verboden en voor geoorloofd verklaren, en slaan in de regel niet op verleden, maar op toekomstige zaken. Petrus ontvangt hier dus van Jezus de bevoegdheid, om op grond van en in overeenstemming met zijn belijdenis van Jezus als de Christus te bepalen, wat in het koninkrijk van de hemelen, dat hier op aarde gesticht is en in de gemeente haar centrum vindt, al dan niet gelden zal. En dat oordeel van Petrus zal zulk een gezag hebben, alsof het in de hemel zelf was uitgesproken. Mt. 16:19 geeft aan Petrus dus niet alleen het recht van de tuchtoefening, maar verleent hem die hele macht, welke straks ook aan alle apostelen zal toebetrouwd worden, Mt. 18:18. Aan hun woord is en blijft de kerk van alle eeuwen gebonden, Joh. 17:20; 1 Joh.1:3;, er is geen ander Evangelie dan hetgeen door hen verkondigd werd Gal. 1:8. Toch strekt deze macht van de apostelen zich niet louter tot handelingen uit, maar sluit ook het recht, om over personen te oordelen, in. Dat blijkt duidelijk uit Joh. 20:23, waar al de apostelen, op grond van de hun in vers 22 geschonken Geestesgave, de macht ontvangen, om de mensen, al naar gelang zij het Evangelie aannemen of verwerpen, hun zonden te vergeven of te houden. Deze macht wordt nu door Christus in de eerste plaats en in volle zin aan zijn apostelen geschonken, maar zij is toch niet in die mate hun eigendom, dat de gemeente er geheel van buitengesloten zou zijn. Want in Mt.18:17, ontvangt ook in het algemeen de gemeente het recht, om een onboetvaardige broeder na herhaalde poging tot verzoening als een heiden en een tollenaar te beschouwen. Zij mag en kan zo handelen, omdat de apostelen met goddelijk gezag deze maatregel van tucht hebben vastgesteld, Mt. 18:18, en omdat Christus zelf in haar woont, Mt. 18:19-20.

De macht, welke Christus hiermee aan Petrus, aan de apostelen en verder ook aan de gemeente in haar geheel geschonken heeft, wordt op vele andere plaatsen in het Nieuwe Testament nader omschreven. En dan blijkt zij geen autoritaire, onafhankelijke, souvereine heerschappij te zijn, Mt. 20:25-26; 23:8, 10; 2 Cor. 10:4-5; 1 Petr. 5:3, maar een diakonia, leitourgia, Hd. 4:29; 20:24; Rom. 1:1 enz., gebonden aan Christus, die alle macht heeft in hemel en op aarde, Mt. 28:18, die het enige hoofd van de gemeente is, Ef.1:22, en die als zodanig alle gaven en ambten uitdeelt, Ef. 4:11; gebonden aan zijn woord en Geest, door welke Christus zelf zijn gemeente regeert, Rom. 10:14,15; Ef. 5:26, en uitgeoefend in zijn naam en kracht, 1 Cor. 5:4. Zij is daarom wel een macht, een wezenlijke veelomvattende macht, bestaande in de bediening van woord en sacrament, Mt. 28:19, in de bepaling van wat in het koninkrijk der hemelen gelden zal, Mt. 16:19, in het vergeven of houden van de zonden, Joh. 20:20, in het oefenen van tucht over de leden van de gemeente, Mt. 16:18; Rom. 16:17; 1 Cor. 5:4; 2 Thess. 3:6; Tit. 3:10; 2 Joh. 10; 2 Tim. 2:17; Hebr. 12:15-17; Op. 2:14, in het onderscheiden aller dingen, 1 Cor. 2:15, in het leren, vertroosten, vermanen enz. van de broederen, Col. 3:16, in het aanleggen van de gaven tot nut van anderen, Rom. 12:4-8; 1 Cor. 12:12v., in het doen van wonderen, Mk.16:17,18 enz.. Maar al deze macht is geestelijk, zedelijk van aard, wezenlijk onderscheiden van alle andere macht, welke God aan mensen over mensen of over andere schepselen in gezin, maatschappij, staat, kunst, wetenschap geschonken heeft. Jezus toch is niet anders opgetreden dan als Christus, als profeet, priester en koning; een ander ambt heeft Hij niet bekleed, een andere betrekking heeft Hij niet waargenomen. Hij was geen huisvader, geen geleerde, geen kunstenaar, geen staatsman; Hij heeft alle ordinanties en werken van de Vader geëerbiedigd en kwam alleen, om de werken van de duivel te verbreken, 1 Joh. 3:8. Zijn koninkrijk had in deze wereld zijn oorsprong niet, Joh. 18:36. En daarom erkent Hij alle overheid, hogepriester, sanhedrin, Herodes, Pilatus enz., betaalt Hij de belasting, Mt. 17:24, weigert scheidsrechter te wezen tussen twee broeders, die twisten over een erfenis, Luk. 12:14, beveelt de keizer het zijne te geven, Mt. 22:21, bestraft Johannes, die vuur wil doen nederdalen van de hemel, Luk. 9:55, en Petrus, die Malchus het oor afhouwt, Joh. 18:10 verbiedt dat zijn jongeren voor zijn naam en zaak strijden met het zwaard, Mt. 26:52. Het Evangelie van Christus bindt nooit de strijd tegen de natuur als zodanig aan, het kwam niet om de wereld te veroordelen maar te behouden, Joh. 3:16-17; het laat huisgezin, huwelijk, verhouding van ouders en kinderen, van heren en dienstbaren, van overheid en volk onaangetast; het vindt niets verwerpelijk in zichzelf en alle schepsel goed, indien het met dankzegging genomen wordt en geheiligd door het woord van God en door het gebed, 1 Tim. 4:4; het laat een ieder blijven in de roeping, in welke hij geroepen werd, 1 Cor. 7:12-24; 1 Thess. 4:11, leert de overheid eerbiedigen, Rom. 13:1; 1 Tim. 2:2; 1 Petr. 2:13, en laat zelfs de slavernij bestaan, 1 Cor. 7:22; Philem. 11. Zelfs als het gebiedt, God meer te gehoorzamen dan de mensen, predikt het alleen lijdelijk verzet, Hd. 4:19; 5:29. Maar desniettemin, schoon van alle revolutie afkerig, is het des te meer op reformatie gesteld. Het bindt nooit tegen de natuur als zodanig, maar wel overal en altijd, op ieder terrein en tot in de verborgenste schuilhoeken toe tegen de zonde en de leugen de strijd aan. En zo predikt het beginselen, die niet langs revolutionaire, maar langs zedelijke en geestelijke weg overal doorwerken en alles hervormen en vernieuwen. Terwijl het naar Jezus’ bevel gepredikt moet worden aan alle creaturen, Mk. 16:15, is het een kracht Gods tot zaligheid een ieder die gelooft, Rom. 1:16; een tweesnijdend scherp zwaard, dat doordringt tot de verdeling van de ziel en van de geest, Hebr. 4:12; een zuurdesem, die alles doorzuurt, Mt.13:33; een beginsel, dat alles herschept; een macht, die de wereld verwint, 1 Joh. 5:4.

1 Deel IV; Hoofdstuk 9; Par. 55 De Regering van de Kerk; 500.

2 Zahn, Das Ev. des Matthäus ausgelegt2 bl. 544 v.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
508. When Jesus, coming to his own home, was not received by his own people, he organized his disciples into an ἐκκλησια (ekklēsia) that, hoping and suffering, had to await his second coming and the victory over all his enemies. In its organization and worship, this church community, while it does bear some resemblance to the synagogue, is nevertheless a much more free and independent organization of the new life that Christ introduced.3 There can be no doubt that Christ founded such a church community and entrusted to it a certain power. After all, he himself speaks of it as having been so solidly based on a rock that the gates of hell will in no way prevail against it (Matt. 16:18), and further, he gives to those church communities offices, ministries, institutions, and gifts (Rom. 12:6ff.; 1 Cor. 12–14; Eph. 4:11), all of which indicate that they have their own free and independent existence and their own independent organization. But this power that Christ furnishes


Unfortunately, you don't have access to this resource
Bavinck, Herman. Reformed Dogmatics. Vol 4. Holy Spirit, Church, and New Creation. Edited by John Bolt. Translated by John Vriend. Grand Rapids, MI: Baker Academic, 2008. [781]
x
This website is using cookies. Accept