Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk. Reformed Dogmatics

510. Deze macht, door Rome aan de kerk toegekend, culmineert en vindt ook de waarborg voor haar bestand en voortduring in de macht van de paus. Deze draagt toch volgens het Conc. Vatic.1 de volgende eigenschappen:

1. Zij is niet bloot een primatus honoris noch ook alleen een ambt van toezicht en leiding, maar een van de bisschoppen onafhankelijke volmacht van wetgeving, regering en rechtspraak, een potestas jurisdictionis.

2. Zij is niet een buitengewone, tijdelijke, maar een gewone, blijvende macht, welke God hem geeft en die hij altijd en niet slechts in enkele buitengewone gevallen uitoefenen kan.

3. Zij is een onmiddellijke, zowel naar oorsprong, omdat Christus haar geeft, als naar haar gebruik, omdat de paus haar niet alleen door de bisschoppen, maar ook door zichzelf of zijn legaten uitoefenen kan, zonder verlof of volmacht van wie ook te vragen, en dus met alle bisschoppen en gelovigen onmiddellijk, vrij verkeren kan.

4. Zij is niet een beperkte, maar een plena et suprema potestas, extensief zich uitstrekkende over de hele kerk, intensief alle macht bevattend, welke tot leiding en regering van de kerk nodig is, en volstrekt souverein, aan geen leken, bisschoppen, concilie, maar alleen aan God onderworpen.

5. Alle leden van de kerk, hetzij afzonderlijk of te zamen, alle bisschoppen, elk voor zichzelf of in synode vergaderd, zijn aan de paus volstrekte gehoorzaamheid verschuldigd, niet alleen in zaken van geloof en zeden, maar ook in die van tucht en regering van de kerk. Haec est catholicae veritatis doctrina, a qua deviare, salva fide atque salute, nemo potest.

6. Een deel van deze macht is het leerambt, over hetwelk is bepaald, dat de paus, wanneer hij ex cathedra spreekt, door Goddelijke bijstand onfeilbaar is.

Na al hetgeen vroeger van de leer van de Schrift en de oudste kerkelijke getuigenissen gezegd werd, behoeft het geen betoog meer, dat heel dit papale stelsel op een onschriftuurlijke grondslag rust. De consensus patrum, nl. na Irenaeus, de leer en praktijk van pausen en concilies, de overeenstemming van de latere theologen, zoals ze in de Roomse dogmatiek breder uiteengezet worden2, kunnen dit gebrek niet vergoeden. Hoezeer dit pauselijk gebouw door zijn strenge eenheid dikwijls ook vele Protestanten bekoort, toch is het in diezelfde mate religieus en ethisch zwak, als het politiek en juridisch imponeert. Immers 1. aard en karakter van de onfeilbaarheid zijn onvoldoende bepaald. Rome is zover niet durven gaan, dat zij aan de paus dezelfde onfeilbaarheid als aan de apostelen toeschreef. Dit lag en ligt wel op de lijn. Men zou verwachten, dat de apostelen aan de episcopi, die zij aanstelden, en Petrus bepaald aan de bisschop te Rome de apostolische volmacht hadden meegedeeld. Maar dit is niet zo. De paus is onfeilbaar, doch niet door inspiratie, maar door assistentie van de Heilige Geest, door een bijzondere zorg van God, waardoor de kerk voor dwaling behoed en bij de waarheid bewaard wordt. En zijn onfeilbaarheid bestaat niet daarin, dat hij nieuwe openbaringen ontvangt en een nieuwe leer kan voordragen, maar zij bestaat alleen hierin, dat hij de door de apostelen overgeleverde openbaring getrouw bewaren en uitleggen kan. En ook is zij niet in die zin te verstaan, dat de door de paus ex cathedra gesproken woorden in letterlijke zin Gods Woord zijn, maar alleen, dat zij dit zakelijk bevatten3. 2. Ofschoon de onfeilbaarheid een bijzondere gave is, is zij toch aan de paus niet altijd eigen, en niet in zijn persoon, noch ook als schrijver, als redenaar, als rechter, als wetgever, als bestuurder, noch ook als wereldlijk vorst, bisschop van Rome, metropoliet van de kerkelijke provincie van Rome of als patriarch van het Westen, doch alleen als paus, als hoofd van de hele kerk. Er heerst hierover echter geen eenstemmigheid. Vooral met het oog op het geval van paus Honorius gaven vroegere theologen en zelfs Innocentius III toe4, dat de paus privatim in ketterij kon vervallen, en dan jure divino ex ipso facto als paus afgezet was (Paludanus, Turrecremata, Alphonus de Castro, Sylvester e.a.) of door het rechterlijk vonnis van een concilie kon afgezet worden (Cajetanus, Canus ea.) Dit had echter zijn bedenkelijke zijde en bracht de onbeperkte soevereiniteit en onschendbaarheid van de paus in gevaar. Daarom konden anderen, zoals Pighius, Bellarminus, Suarez e.a. zich beter vinden in de probabele en vrome mening, dat de goddelijke voorzienigheid de paus ook persoonlijk voor ketterij bewaren zal5. 3. Het Vaticaan zegt met een misschien het eerst door Melchior Canus6 gebezigde uitdrukking, dat de paus onfeilbaar is, wanneer hij ex cathedra spreekt. Dit schijnt een grens te trekken, maar is praktisch een zeer onbruikbare maatstaf. Want het systeem eist, dat niemand uitmaken kan, of een paus ex cathedra gesproken heeft, dan alleen de paus zelf. En zo heeft een paus het altijd in zijn hand, om eigen uitspraken of die van andere pausen te verwerpen, door te zeggen, dat zij niet, of ook om ze bindend te verklaren, door te zeggen, dat zij wel ex cathedra gesproken zijn. En zelfs kan hij later zeggen, dat hij of een voorganger, menende ex Cathedra gesproken te hebben, het toch feitelijk niet gedaan heeft. 4. Het onfeilbare leerambt is een onderdeel van de plena et suprema potestas jurisdictionis in universam ecclesiam. Wel verklaart het Vaticaan7 niet uitdrukkelijk, dat de paus bij het uitoefenen van deze hele macht te allen tijde onfeilbaar is. Maar het zegt toch, dat ten aanzien van haar cujuscumque ritus et dignitatis pastores atque fideles, tam seorsim singuli quam simul omnes, officio hierarchicae subordination is veraeque obedientiae obstringuntur, non solum in rebus, quae ad fidem et mores, sed etiam in iis, quae ad disciplinam et regimen ecclesiae pertinent. Of de paus in dit alles dus feilbaar of onfeilbaar is, allen hebben zonder onderscheid, zonder enig recht van kritiek, (neque cuiquam de ejus licere judicare judicio) onvoorwaardelijk aan de paus te gehoorzamen, en dat bij niet minder dan zaligheid van hun zielen. 5. De onfeilbaarheid wordt in het Conc. Vatic. sess. IV c. 4 wel uitdrukkelijk alleen aan de paus toegekend, als hij ex cathedra spreekt en als herder en leraar van alle Christenen doctrinam de fide vel moribus ab universa ecclesia tenendam definit8. Maar er is hier volstrekt niet uit af te leiden, dat hij het anders niet is. Hoe zou anders ook bij zaken van tucht, regering, rechtspraak, absolute en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan de paus kunnen geëist zijn? Dan hoe dit zij, in zaken van geloof en zeden is de paus zeker onfeilbaar. En wat hiertoe behoort, werken de Roomse theologen nader uit. Onfeilbaar is de paus, als hij handelt over de waarheden van de openbaring in de Schrift, over de waarheden van de goddelijke instellingen, sacramenten, kerk, kerkelijke inrichting en regering, over de waarheden van de natuurlijke openbaring. Maar ook hiermee is de grens van zijn onfeilbaarheid nog lang niet bereikt. Om in dit alles onfeilbaar te zijn, moet hij het ook zijn, zeggen de theologen, in het oordelen over de bronnen van de geloofswaarheden en in de uitlegging daarvan, dat is in de vaststelling van het gezag van de Schrift, van de traditie, van de concilies, van de pausen, van de patres, van de theologen; in het gebruik maken en aanwenden van natuurlijke waarheden, voorstellingen, begrippen en uitdrukkingen; in het beoordelen en verwerpen van dwalingen en ketterijen, in het constateren zelfs van de facta dogmatica; in het verbod van boeken, in zaken van discipline, in de approbatie van orden, in de canonisatie van heiligen enz. Geloof en zeden omvatten bijna alles, en alwat de paus daarover zegt, is onfeilbaar. De term ex cathedra trekt feitelijk hoegenaamd geen grens. Want deze uitdrukking geeft toch niet te kennen, dat alleen die uitspraken onfeilbaar zijn, waarbij het ex cathedra letterlijk vermeld wordt, want dan waren alle vroegere pauselijke bepalingen daarvan uitgesloten. Ze duidt dus alleen iets zakelijks aan. Maar wie maakt dan uit, of de paus ex cathedra spreekt? Praktisch en door het volk zal zijn uitspraak altijd als onfeilbaar worden opgevat, al was het alleen uit vrees, dat men eventueel eens een onfeilbare uitspraak verwerpen zou. En theoretisch kan alleen de paus onfeilbaar zeggen, wanneer hij ex cathedra, onfeilbaar spreekt9. Bovendien; waarom is de paus onfeilbaar? Omdat hij het zelf verklaart? Maar dat is een circulus vitiosus. Omdat het concilie het verklaart? Maar het concilie is feilbaar, ook in deze verklaring. Waar is dus voor de Roomse Christen de zo hooggeroemde zekerheid? 6. Het Vaticaan heeft het resultaat opgemaakt van een lang historisch proces. In de eerste Christelijke tijd waren alle apostelen, alle gemeenten en ook alle episcopi elkaar gelijk in rang; hoogstens was er een primatus honoris, maar in generlei opzicht een primatus jurisdictionis. Maar allengs wist de kerk en de bisschop te Rome alle andere kerken en bisschoppen aan zich te onderwerpen. Toch bleef de zelfstandigheid van de laatste binnen eigen kring nog lang tot zekere hoogte bewaard. Tegen het einde van de 13e eeuw komt de controverse op over de verhouding van de bisschoppelijke en de pauselijke macht10. Sommigen trachten dan nog de zelfstandigheid van de eerste in die zin te handhaven, dat de bisschop, hoewel ondergeschikt aan de paus, toch de hem binnen zijn kring toekomende macht van God, ex jure divino, ontvangen heeft en door de paus slechts als drager van die macht aangewezen wordt; aldus Henricus van Gent, Alphonsus de Castro, bisschop van Brugge, gestorven 1558, Vitoria, 1480-1044, vader van de neoscholastiek aan de hogeschool te Salamanca, Petrus Guerrero, bisschop van Granada en vele andere Spaanse en Franse bisschoppen op het concilie te Trente, die in de 7e canon van de 23e zitting de woorden wilden opgenomen hebben: episcopos jure divino institutos presbyteris esse superiores11. Er ontstonden op het concilie over deze kwestie de heftigste debatten, die heel de winter van het jaar 1562 en tot over het midden van het volgende jaar voortduurden. De 15e Juli 1563 werd in can. 6-8 de bisschoppelijke macht wel nader omschreven, maar de vraag, of zij ex jure divino dan wel ex jure ecclesiastico was, werd met opzet onbeslist gelaten. Er stond dan ook aan de andere zijde een sterke partij, met Lainez de Jezuïtengeneraal aan het hoofd, die beweerde, dat de bisschop de potestas ordinis wel onmiddellijk van God ontving, maar de potestas jurisdictionis alleen verkreeg door vrije overdracht van de zijde van de paus; deze laatste was dus in zoverre de jure ecclesiastico, en kon door de paus naar welgevallen beperkt, gewijzigd of ontnomen worden, want de paus had zijn volle macht over de hele kerk alleen en onmiddellijk van God. Dit gevoelen won na Trente door de invloed van de Jezuïten hoe langer hoe meer veld, het behaalde over het Gallicanisme de zegepraal en werd op het Vaticaans concilie tot een dogma verheven. Wel wordt er in sess. IV c 3 gezegd, dat de macht van de paus volstrekt geen inbreuk maakt op de ordinaria ac immediata potestas jurisdictionis van de bisschoppen, maar deze veeleer bevestigt, versterkt en handhaaft; maar de paus heeft de volle, hele wetgevende, regerende en rechtsprekende macht over heel de kerk, hij kan zonder iemands tussenkomst of bemiddeling vrijelijk verkeren (communicare) met al de herders en kudden van de hele kerk, en allen zijn zonder onderscheid en onvoorwaardelijk aan hem onderworpen. Bisschoppen, concilies, heel de kerk, alle gelovigen zijn feilbaar uit zichzelf en alleen onfeilbaar met en door hem. De paus is de wortel, de vastheid, het fundament van de eenheid, autoriteit en onfeilbaarheid van bisschoppen, concilies, kerkvaders, theologen, van alle gelovigen en van heel de kerk. Hij alleen ontvangt alle macht en gezag en onfeilbaarheid rechtstreeks van God. Een enkele uitdrukking herinnert nog aan de oude, katholieke opvatting; zoals bijv. in het Conc. Vatic. IV c. 4 gezegd wordt, dat de paus ea infallibilitate pollere, qua divinus Redemptor ecclesiam suam in definienda doctrina de fide vel moribus instructam voluit, maar onmiddellijk wordt daaruit juist afgeleid, dat de definitiones van de paus ex sese en niet ex consensu ecclesiae onfeilbaar zijn. 7. Nog verder gaat deze macht van de paus. Ofschoon de pausen tot de 8ste eeuw toe onderdanen van het Romeinse keizerrijk waren en hun geestelijk ambt hoegenaamd niet het bezit van wereldlijke macht insloot, toch is al spoedig in de Roomse kerk de gedachte opgekomen, dat de paus, om op geestelijk gebied onafhankelijk te kunnen zijn, ook in het wereldlijke souverein moest wezen. En na de opheffing van de kerkelijken staat in 1870 is deze gedachte nog meer op de voorgrond getreden en met sterker nadruk uitgesproken. Pius IX en Leo XIII hebben niet nagelaten, telkens te verklaren, dat de paus als universeel bisschop niet onderdaan van een bijzonder vorst kan zijn noch een bepaalde nationaliteit kan dragen12, en hun uitspraken binden de Roomse gelovigen. Al is de idee van een kerkelijke, van een priesterstaat, geheel uit de tijd; al doet de existentie van zulk een staat aan de eenheid van Italië tekort; al kan de paus niet kerkelijk opperhoofd en wereldlijk souverein tegelijk zijn, zonder dat kerk of staat of beiden daarbij schade lijden; al heeft de geestelijke macht de politieke soevereiniteit volstrekt niet nodig; al heeft de paus eeuwenlang geen politiek gebied gehad en al heeft hij na de overigens op zichzelf onrechtmatige roof van de kerkelijke staat in 1870 aan invloed niet verloren, evenmin als de duitse bisschoppen, sedert zij opgehouden hebben rijksvorsten te zijn; al is de onafhankelijkheid van de paus tegenover de koning van Italië door de garantie van 13 Mei 1871 en door de macht van de Roomse vorsten en volken meer dan voldoende gewaarborgd; dit alles doet er weinig toe, Rome laat de eis niet varen, dat de paus weer wordt wereldlijk vorst. Dit is echter nog maar een gering deel van de hele eis. Met beroep op Mt. 28:18, en Luk. 22:38, en innavolging van Bonifacius VIII in de bul Unam Sanctam zijn vele Roomsen nog veel eerder gegaan en hebben gezegd, dat de paus de eigenlijke souverein van heel de wereld is en de wereldlijke macht naar zijn welgevallen overdraagt aan vorsten en koningen als zijn ministri en vicarii. Dit was velen echter al te kras. Zij bestreden de mening, dat de paus souverein is over het ongelovig deel van de wereld, want Christus vertrouwde aan Petrus alleen de zorg over de schapen toe, en die buiten zijn, oordeelt God; ook was de paus niet wereldlijk vorst over de Christelijke volken, want nergens werd zulk een politieke macht aan de paus opgedragen, en Christus gaf aan Petrus alleen de sleutels van het hemelrijk; de paus heeft zelfs geen temporalis jurisdictio noch wereldlijke macht directe of jure divino, want Christus is een geestelijk koning en heeft een geestelijk rijk. Maar al verwierpen dezen zo de directe wereldlijke macht, zij bleven toch spreken van een potestas indirecta en kenden aan de paus niet bloot een potestas directiva in wereldlijke zaken toe, doch ook in het belang van het rijk Gods een summa potestas disponendi de rebus temporalibus omnium Christianorum; want het weiden van de schapen eist ook macht over de wolven. De wereldlijke macht is immers aan de kerk onderworpen gelijk het lichaam aan de geest; ongelovige vorsten, die hun onderdanen tot ketterij verleiden, mogen weerstaan en afgezet worden; Christelijke vorsten zijn als zodanig aan Christus onderworpen, moeten het geloof bevorderen en de kerk beschermen, gelijk ook vele koningen in de dagen van het Oude Testament en in de geschiedenis van de kerk gehandeld hebben13. Maar ook bij deze theorie van de potestas indirecta behoudt de paus het recht, om in het belang van het koninkrijk van God van alle vorsten onbepaalde gehoorzaambeid te eisen, ingeval van ongehoorzaamheid hen af te zetten en de onderdanen van hun eed van gehoorzaamheid te ontslaan, niet Roomse volken en landen aan Roomse vorsten toe te wijzen, politieke wetten en rechten krachteloos te verklaren enz. Ook al geven vele Roomsen er tegenwoordig de schijn aan, alsof al deze rechten de pausen alleen tijdelijk en toevallig in de Middeleeuwen toekwamen, de Syllabus van 1864 verklaart in n. 23 uitdrukkelijk, dat de pausen en concilies nooit de grenzen van hun macht overschreden noch rechten van de vorsten zich aangematigd noch ooit bij beslissing in zaken van geloof en zeden gedwaald hebben. De uitoefening van de rechten mag door de omstandigheden geschorst zijn, er is geen twijfel aan, dat de rechten zelf onvervreemdbaar zijn. Rome verandert niet14. 8. Uit dit alles blijkt de allesbeheersende plaats, welke de paus in het leven van de Roomse Christen inneemt. De Roomse kerk is een monarchie, een rijk, een staat met een geestelijk vorst aan het hoofd. Van de dagen van Augustinus af wordt de kerk bij voorkeur als een staat en een rijk voorgesteld, waarin alle dogmata als wetten en rechten gelden, die de mensen binden bij de zaligheid van hun ziel. Bonifacius VIII zei daarom van de paus, dat hij jura omnia in scrinio pectoris sui censetur habere15. De regering in deze staat is absoluut monarchaal; na het concilie van 1870 is zij zelfs niet meer, gelijk men vroeger zei, door de aristocratie van de bisschoppen getemperd; want de bisschoppen zijn feilbaar, en ontlenen aan hem hun macht; ja, volgens de uitdrukkelijke bepaling van het Vaticaan kan de paus met alle herders en kudden onmiddellijk verkeren en dus, met algehele voorbijgang van de bisschop, direct iedere priester, ieder kapelaan aanstellen of ontslaan, elk proces beslissen, elke leek onmiddellijk kastijden enz.; de bisschoppen zijn van de souvereiniteit in eigen kring principiëel ten enenmale beroofd. Ook is deze monarchale regering van de paus in beginsel niet meer constitutioneel, want Schrift en traditie zijn aan zijn onfeilbare uitlegging onderworpen; la tradizione son io, zei daarom Pius IX tot de kardinaal Guidi16, de paus bepaalt, indien nodig, wat leer van Schrift en traditie is. Door zijn onfeilbaarheid is de paus in de Roomse kerk de enige, absolute souverein, bron van alle kerkelijke en zelfs direct of indirect van alle wereldlijke macht. Daarom heet hij sedert de 9e eeuw in onderscheiding van alle andere bisschoppen Papa17, niet maar opvolger en plaatsvervanger van Petrus doch vicarius Christi, vicarius Dei18, pater spiritualis omnium patrum, imo omnium fidelium, hierarcha praecipuus, sponsus unicus, caput indivisum, pontifex summus, fons et origo, regula cunctorum principatuum eccleciasticorum19. De paus is de kerk, is het Christendom, is het Godsrijk Zelf. Le pape et l’église, c’est tout un, zei Fr. de Sales. Ubi papa, ibi ecclesia. Het primaat van de paus is summa rei christianae20. Zonder paus geen kerk, geen Christendom21. Onderwerping aan de paus is voor alle mensen noodzakelijk ter zaligheid (Bonifacius VIII). De paus is middelaar van de zaligheid, de weg, de waarheid en het leven. Er onbreekt nog maar aan, dat hij aangebeden wordt, maar ook dat is een kwestie van tijd22. Inderdaad, Scheeben-Atzberger zegt het terecht, indien het primaat van de paus niet Gods werk is, dan is het een blasphemische und diabolische usurpation23.

1 Conc. Vatic. IV c. 3. 4.

2 Bijv. bij Heinrich, Dogm. II 823 v.

3 Heinrich, Dogm. II 220-245. Jansen, Prael. theol. I 616.

4 Bij Schwane, D. G. III 535.

5 Heinrich, Dogm. II 257. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 1 bl. 450.

6 Bij Schwane, D. G. IV 302.

7 Conc. Vatic. sess. IV c. 3.

8 Conc. Vatic. IV c. 4.

9 Heinrich, Dogm. II 554-654.

10 Schwane, D. G. III 549.

11 Schwane, D. G. IV 292 v

12 Jansen. Prael. theol. I 657. Hase, Protest. Polemik bl. 254.

13 Bellarminus, de Rom. Pontif. lib V.

14 Verg. Fr. v. Schulte, Die Macht der römischen Päpste über Fürsten, Länder Völker und Individuen 3te Aufl. Giessen 1896.

15 Bij Schulte, t.a.p. bl. 66.

16 Bij Schulte, t.a.p. bl. 80,

17 Schwane, D. G. I 543.

18 Schwane, D. G. III 536, 538.

19 Bonaventura, Brevil. V, 12.

20 Bellarminius, de Rom. Pontil. in de voorrede.

21 Veuilliot bij Hase, Protest. Polemik5 187.

22 Harnack, D. G. III 652.

23 Scheeben-Atzbelyer, Dogm. IV 1 bl. 427. Verg. verder tegen Het pausdom Luther, von dem Papstthum zu Rom 1520 v. Kostlin, Luthers Theol. I 317. Art Smalc. 4 en Tract. de potestate et primatu papae, bij Müller, Symb. B. 306.328. Calvijn, Inst. IV c. 4-11. Amesius, Bellarminus enervatus, I lib. 3. Chamier Paustr. Cath. II lib. 2. Voetius, Pol. Eccl. III 775 v. Id., Disp. II 684-882. Id., Desperata Causa Papatus. Amst. 1635. Heidegger, Corp. Theol. Loc. 72,2. Turretinus, Theol. El XVIII qu. 16-20. Id., de necessaria secessione nostra ab eccl. rom. vooral disp. 5: de tyrannide romana. De Moor, Comm. VI 195 v. J. von Döllinger Das Papstthum. Neubearbeitung von Janus, Der Papst und das Concil, von J. Friedrich, München Beck 1894. Langen, Das Vatik. Dogma von dem Universalepisc. u. der Unfehlb. des Papstes, 3 Theile, Bonn 1871-73. Dr. W. Joos, Die Bulle Unam Sanctam und das Vatik. Autoritätsprinzip2 Schaffh. 1897. Graf von Hoensbroech, Das Papstthum in seiner sozial-kulturellen Wirksaolkeit, Leipzig 1901. Bungener Pape et concile au 19e siecle. Paris 1870. Gladstone, Rome and the newest fashion in religion 1875. Hase, Handbuch der Prot. Polemik5, Leipzig 1891. Tschackert, Evang. Polemik gegen die röm. Kirche, Gotha 1885. D. Snijder, Rome’s voornaamste leerstellingen en bedoelingen voor de protestant toegelicht. Gor. 1890, Het dogma van de onfeilbaarheid van de paus enz., uit het Duits door D. Snijder, Rott. 1899.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 4. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1911. (revised) [497]
510. This power, accorded by Rome to the church, culminates and also finds the guarantee for its existence and permanence in the power of the pope. According to the [First] Vatican Council [1870],19 this power is characterized by the following attributes: 1. It is not merely a primacy of honor, nor only an office of supervision and direction, but the full and supreme power of legislation, rule, and the administration of law, a power of jurisdiction independent of the bishops. 2. It is not an extraordinary and temporary authority, but an ordinary permanent power, which God has given him and which he can exercise always and not merely in extraordinary cases. 3. It is an immediate power, both as to origin, since Christ confers it, and as to its use, since the pope can exercise it not only through the bishops but also by himself or his legates without having to ask for permission or authorization from anyone, and can therefore communicate freely and immediately with all


Unfortunately, you don't have access to this resource
Bavinck, Herman. Reformed Dogmatics. Vol 4. Holy Spirit, Church, and New Creation. Edited by John Bolt. Translated by John Vriend. Grand Rapids, MI: Baker Academic, 2008. [781]
x
This website is using cookies. Accept