Redevoering over de Volkenbond
Bavinck, Herman. "5 Maart 1920 n. a. v. het wetsontwerp tot voorbehoud der bevoegdheid tot toetreding tot het volkenbondsverdrag." Handelingen Eerste Kamer, 571–74. 1920.
H. Bavinck, ‘Redevoering over de Volkenbond’, in: Handelingen van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, 5 maart 1920, ’s-Gravenhage 1920, 571-574

H. Bavinck, ‘Redevoering over de Volkenbond’, in: Handelingen van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, 5 maart 1920, ’s-Gravenhage 1920, 571-574
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/0000317305


571 De heer Bavinck: Mijnheer de Voorzitter! Het standpunt, dat blijkens de Memorie van Toelichting bij het aanhangige wetsvoorstel door de Regeering is aangenomen ten aanzien van de tot Nederland gerichte uitnoodiging om zich aan te sluiten bij den Volkenbond, is naar mijn meening zoo voorzichtig en zoo zorgvuldig gekozen, zoo scherp bepaald en met zulke krachtige argumenten verdedigd, dat ik op een paar kleine uitzonderingen na mij daar geheel in vinden kan. Indien er geen andere beschouwingen over de aansluiting bij den Volkenbond in pers en Tweede Kamer gehouden waren, zou ik zelfs geen behoefte hebben gevoeld om bij deze gelegenheid de aandacht van de Kamer te vragen. Er zijn echter zoodanige beschouwingen aan de toetreding tot den Volkenbond gewijd, dat ik mij verplicht acht om rekenschap te geven van het standpunt dat ik, in afwijking van die beschouwingen, inneem. Er zijn zeer ernstige bezwaren geopperd tegen de toetreding tot den Volkenbond en beschouwingen gehouden die, indien zij tot het einde toe consequent waren volgehouden, zouden hebben moeten doen besluiten tot het afwijzen van de tot Nederland gerichte uitnoodiging. Wanneer men aan het einde van dergelijke redeneeringen toch voor deze. conclusie terugdeinsde, dan was dat alleen mogelijk doordien men een onverwachte wending aan zijn redeneering gaf, een wending, die bij velen hierop neerkwam, dat men nu eenmaal gedwongen was om zich aan te sluiten, dat men geen vrije keuze had en dat de nadeelen, aan de aansluiting verbonden, waarschijnlijk minder groot zouden zijn dan die, welke zouden voortvloeien uit onthouding.

Mijnheer de Voorzitter! Ik sta op een eenigszins ander standpunt, en ik wensch daarvan op dit oogenblik en in deze Kamer rekenschap te geven. Echter begin ik met te verklaren dat ik, evengoed als degenen wier opvatting ik zooeven aanduidde, terdege gevoel de bezwaren, die aan de aansluiting verbonden zijn. Ik zie mij zelfs buiten staat, die bezwaren van haar gewicht te ontdoen, en de ernstige bedenkingen te ontzenuwen. Immers, wanneer ik die bezwaren naga, komen zij voor mij in hoofdzaak op een drietal neer.

In de eerste plaats is het een groote leemte in het verdrag van den Volkenbond, dat tal van bepalingen en inzonderheid de gewichtigste — bijv. art. XV, handelende over geschillen die niet voor arbitrage vatbaar zijn — aan duidelijkheid zeer te wenschen overlaten.

Bepaaldelijk komt dat uit bij de ernstige en gewichtige vragen, welk bindend karakter moet toegekend worden voor de leden van den Volkenbond aan de decisie, genomen door den Raad of eventueel door het Hof van Arbitrage, en aan de conclusiën van het rapport door den Raad of door de vergedering. Ik kan mij zelfs niet ontveinzen, dat dat gemis van duidelijkheid bij zulk een gewichtig stuk een zeer groote leemte vertoont.

In de tweede plaats zijn er groote bezwaren tegen aansluiting aan den Volkenbond daarin gelegen, dat het offer ven de neutraliteit in de toekomst van ons gevergd zal worden. In den laatsten oorlog, gelijk menigmaal, heeft Nederland een neutrale houding kunnen innemen, een houding, welke niet alleen voordeelig was maar die ons ontsloeg van de groote moeilijkheid, om eventueel tusschen twee partijen een onpartijdige keuze te doen. 572

Het schijnt echter, dat, wanneer Nederland evenals andere landen zich aansluit bij den Volkenbond, er dan van neutraliteit geen sprake meer kan zijn. Ieder lid van den Bond is in van den beginne af ook partij, het staat niet aan hem om een keuze te doen, het is als het ware van te voren genoodzaakt om gelijk te geven arm die partij, die bij de beslissing van den Raad of bij de conclusie van het rapport van den Raad of van de vergadering zich neerlegt.

In verband daarmede dient ook de quaestie van de souvereiniteit even besproken te worden, want het schijnt, dat, wanneer op die manier ons de handen van te voren gebonden zijn, en evenzoo bij alle leden van den Volkenbond, dat dan de souvereiniteit op aanmerkelijke wijze beperkt en ingekort wordt. Dat is ook inderdaad de meening van de Regeering en bepaaldelijk ook van den Minister van Buitenlandsche Zaken.

Ik neem de vrijheid, daarvan eenigermate te verschillen, want alles hangt hier af van het begrip, hetwelk men hecht aan de souvereiniteit. Natuurlijk, indien men de souvereiniteit opvat in absoluten zin, dan spreekt het vanzelf, dat elk contract en dus ook dat van den Volkenbond op die souvereiniteit inbreuk maakt en haar in meerdere of mindere mate beperkt.

Maar naar mijn overtuiging is die souvereiniteit van geen enkel volk, geen enkel land of vorst absoluut, maar altijd beperkt, ondergeschikt, afhankelijk, en die souvereiniteit is bepaaldelijk ondergeschikt aan de wetten van het recht en de gerechtigheid die boven alle volken en boven alle vorsten staan.

Ik erken, natuurlijk volmondig, dat die wetten van recht en gerechtigheid, welke boven de volken staan, menigmaal door ons niet gekend worden en zeer dikwerf door ons niet scherp kunnen worden geformuleerd, maar desniettemin, zij bestaan en aan dat recht en die gerechtigheid is de souvereiniteit van elk volk en elk land ondergeschikt. Wanneer nu twee of meer volken met elkander een contract sluiten, zij het ook bijv. in den zin der Bryan-tractaten en de souvereiniteit dienstbaar maken aan de handhaving van die hoogere wetten van recht en gerechtigheid waaraan de natiën onderworpen zijn, dan kan men wel hoogstens zeggen, dat de souvereiniteit in breedte en omvang beperkt wordt, maar in qualiteit en intensiviteit lijdt zij niet de minste schade, integendeel, wordt zij juist wat zij wezen moet, dienstbaar aan de hoogere wetten, welke voor land en volk gelden.

In de derde plaats, is er nog een bezwaar verbonden aan de aansluiting bij den Volkenbond en dat bestaat daarin, dat de waarborgen voor een onpartijdige beslissing zoowel bij den Raad als bij de Vergadering van den Volkenbond in genoegzame mate ontbreken. Ik zeg niet, dat zij geheel worden ter zijde gesteld, maar zij komen toch niet genoegzaam tot hun recht.

De Raad, zooals hij tegenwoordig in den Volkenbond is samengesteld, is zeer eenzijdig en loopt het gevaar van groote partijdigheid.

Nu hebben de stellers van het verdrag van den Volkenbond dat ook zelf gevoeld, want in art. 14 wordt uitdrukkelijk aan den Raad opgedragen een ontwerp te maken voor een Permanent Hof van Internationale Justitie. Zulk een lichaam ontbreekt thans in het verdrag, maar gelukkig wordt in art. 14 gezegd, dat het daartoe komen moet en reeds is er een commissie benoemd, die de stichting en de organisatie van dergelijk Hof in studie zal nemen en in die commissie heeft ook een beroemd Nederlandsche rechtsgeleerde zitting.

Dit is zonder twijfel verblijdend en doet ons goede hoop voor de toekomst koesteren; maar het neemt toch niet weg, dat zulk Permanent Hof van Internationale Justitie tot op dit oogenblik ontbreekt; het neemt niet weg, dat wij op dit oogenblik nog volstrekt niet weten, hoe zulk een Permanent Hof zal samengesteld worden, of daarbij alleen de quaestie van het recht en van de deskundigheid dan wel ook in meerdere of mindere mate de politiek een rol zal spelen.

Maar vooral zou ik er de aandacht op willen vestigen dat, wanneer het komt tot de stichting van dergelijk Permanent Hof van Internationale Justitie, wat ik van harte hoop, het gevaar blijft, dat alle internationale geschillen, zonder uitzondering aan de beslissing van dat Hof zullen worden opgedragen. Ik koester de gedachte, dat wij daaraan in de eerste jaren, in de eerste tientallen van jaren nog niet toe zijn, en wel om de eenvoudige reden, dat het internationale recht nog in embryonalen toestand verkeert en nog een grootere verdere ontwikkeling behoeft.

Wanneer nu een Permanent Hof niet gebaseerd is bij zijn beoordeelingen en uitspraken op een recht, dat geformuleerd is, waaraan het zich houden kan, dan gevoelt iedereen, dat zulk een Permanent Hof gevaar loopt van zeer subjectieve beslissingen te nemen.

Vandaar dat ik, wanneer ik ook toejuich, dat er op den duur dergelijk Permanent Hof zal komen, toch wel eenigermate bevreesd hen, dat de beslissingen van alle internationale geschillen reeds in den aanvang daaraan zullen opgedragen worden.

Dit zijn de bezwaren kort samengevat, die ik koester tegen de aansluiting bij den Volkenbond, en ik behoor dus niet tot de idealisten, die met de werkelijkheid geen rekening houden.

Vandaar dat ik dan ook van harte mijn stem geef aan de motie-Dresselhuys c.s., die in de andere Kamer is aangenomen, die ook, als ik het wel heb, de goedkeuring en instemming van de Regeering kreeg en die door een vijftal leden dezer Kamer, met een zeer kleine wijziging, ook hier ter tafel nedergelegd is.

Ik hoop van harte, dat deze motie door de Kamer algemeen zal worden aangenomen. Te meer, omdat de motie volstrekt niet inhoudt eenige reserve, zooals men daarover in Amerika spreekt, ook niet eenige voorwaarde waarvan de toetreding afhankelijk gemaakt wordt. Deze motie bedoelt slechts uiting te geven aan enkele wenschen, die voor ons van belang zijn en waarvan vrij van harte hopen, dat zij straks in den Volkenbond verwezenlijkt zullen worden.

Het zijn naar mijn meening enkele „richtliniën”, welke medegegeven zullen worden aan de afgevaardigden en vertegenwoordigers van Nederland in den Volkenbond, om daarnaar hun gedragingen in te richten. Wanneer ik zoo de bezwaren heb opgenomen, die naar mijn meening tegen den Volkenbond en tegen de aansluiting in het midden gebracht kunnen worden, dan wensch ik nu toch aan den anderen kant dat andere standpunt in te nemen en te verduidelijken, waarop ik in den aanvang wees.

Ik heb namelijk de overtuiging, dat Nederland geroepen is zich aan te sluiten, niet noodgedwongen, niet omdat het geen andere keuze heeft, niet omdat de voordeelen van aansluiting misschien groter zijn dan de voordeelen van niet-aansluiting, maar uit zedelijk plichtsbesef, omdat wij moeten aangrijpen de middelen, die in den tegenwoordigen tijd ons geboden worden om aan den oorlog zooveel mogelijk den oorlog te verklaren.

De motieven die mij hiertoe bewegen, de gronden waarop ik deze meen te doen rusten, zijn in het kort de volgende.

In de eerste plaats hebben we een ervaring met den oorlog opgedaan, een ervaring die niet heelemaal nieuw is, want elke oorlog brengt zijn eigenaardige ondervindingen en ervaringen mede, maar de oorlog die nu achter den rug ligt heeft ons toch een ervaring kunnen doen krijgen, welke althans in diepte van die in vorige oorlogen opgedaan belangrijk afwijkt. Wij hebben nu een wereldoorlog gehad en wanneer wij dien nagaan in zijn oorsprong, zijn ontwikkeling en uitbreiding, en ook in zijn beëindiging, dan durf ik haast niet anders zeggen dan dat er van dien oorlog noch in zijn begin noch in zijn ontwikkeling of uitbreiding noch ook in zijn beëindiging, iets goeds te zeggen valt. Natuurlijk zullen de overwinnende volken eenigszins anders oordeelen, maar ik meen gerechtigd te zijn tot de uitspraak, dat de nadeelen voor de overwinnende volken in het algemeen grooter zijn dan de voordeelen die voor hen door de zege zijn behaald. Die oorlog is een wereldoorlog geweest en hij hangt van wantrouwen, van vrees, van leugen en bedrog, van haat en van wraakzucht van het begin tot het eind aan elkaar. Om groote idealen, geestelijke noch zedelijke goederen, zelfs niet 573 om het behoud van het eigen vaderland, heeft deze strijd geloopen.

Nu heeft het mij getroffen, dat, toen de oorlog tot een einde kwam en besloten werd door een wapenstilstand, straks door een vrede, men wel algemeen klachten hoort over de ellende van den oorlog — en die is ook inderdaad ontzettend, vooral voor de Centrale Rijken — het heeft mij getroffen, dat men wel klaagt over die ellende, dat men ook wel opwekt tot bezuiniging en tot vermeerdering van productie, maar de vredesbeweging in den goeden zin van het woord heeft door dezen oorlog toch eigenlijk weinig voortgang gemaakt. Er is gekomen een zekere fatalistische berusting, een moedeloosbeid, dat er toch eigenlijk niets aan te doen was; zelfs heeft men zich reeds vertrouwd gemaakt met een nieuwen oorlog en meent dat men nu eenmaal de wereld moet nemen zooals zij reilt en zeilt.

Ik ben niet van die overtuiging, maar heb juist door dezen oorlog de ervaring opgedaan en de overtuiging verkregen, dat niet tegen de gevolgen van den oorlog maar tegen den oorlog zelf in de toekomst door alle landen en volken zoo krachtig mogelijk de strijd moet worden aangebonden. Ik sta daarbij niet op anti-militaristisch standpunt, ik maak tusschen militarisme en het hebben van een goed toegerust leger tegenover een binnen- of buitenlandschen vijand een zeer ernstig en principieel verschil. Maar dat neemt toch niet weg, dat de oorlog is een zoo ontzaglijk kwaad, dat hij met alle mogelijke wettige en eerlijke middelen nu voortaan bestreden moet worden door alle volken. Indien er toch een ding door dezen oorlog bewezen is, dan is het dit, dat hij wel het allerlaatste en het allerslechtste middel is dat bedacht kan worden om internationale geschillen tot een goed einde te brengen. In plaats van den vrede te bevorderen, leidt elke oorlog bijna zeker tot een nieuwen oorlog. Dit in de eerste plaats.

Daarmede verbind ik in de tweede plaats deze overweging, dat een dergelijke houding mij ook voorgeschreven wordt tegenover den oorlog door de Christelijke of wil men liever de algemeene zedelijke beginselen. De Christelijke moraal heeft ten opzichte van den oorlog, van de dagen van Augustinus tot in de nieuwere tijden toe, een eigenaardig standpunt ingenomen. Met het oog op het getuigenis van den Bijbel, met het oog op de getuigenis van de volken uit alle eeuwen en van alle plaatsen heeft de Christelijke moraal zich nooit laten verleiden tot de uitspraak, dat elke oorlog zondig en ongeoorloofd was en verboden moest worden, maar wel heeft die Christelijke moraal er altijd op aangedrongen, dat geen oorlog geoorloofd en gerechtigd was, die niet begonnen was om een justa causa, om een rechtvaardige zaak, die niet gevoerd werd op rechtvaardige wijze en die niet een rechtvaardig en heilig doel zich voor oogen stelde.

Ik stem volkomen toe, dat de Christelijke moraal, in de eerste plaats door Augustinus uitgewerkt, is de practijk weinig toepassing heeft gevonden. De zedenwet wordt bijna altijd in het leven van een individu en ook in het leven van een volk overtreden, maar dit neemt niet weg, dat die zedenwet bestaat en dat zij de norma voor onze gedragingen en voor onze overtuiging moet zijn. En wanneer wij ooit een tijd hebben beleefd waarin die Christelijke moraal in de practijk moet worden gerealiseerd door individuen en door volken, door landen en door staten, dan is het de aanvang van de twintigste eeuw, waarin deze wereldoorlog over de gansche menschheid heeft gewoed.

Inderdaad, wij kunnen niet ernstig genoeg tegen de manier, waarop oorlogen begonnen en gevoerd zijn, protesteeren. Wij moeten ons daar als Christenen, neen, als menschen zoo sterk mogelijk tegen verzetten.

Daarbij komt nog een derde overweging, Wij moeten ons ernstig rekenschap geven van den tijd waarin wij leven. En dan is die tijd menigmaal een groote tijd genoemd. Ik ben het met die uitdrukking wel eens. Het is een groote, in zekeren zin zelfs een grootsche tijd, maar dan toch een tijd, die ernstige en gewichtige lessen aan ons allen te leeren geeft. Het is vooral een tijd, groot, doordat er onmiskenbaar een gericht door de geschiedenis der volken en der landen gaat. Korten tijd geleden heeft de Duitsche geleerde Oswald S[p]engler een interessant boek geschreven: „Der Untergang der Abendänder”, waarin hij tal van factoren aanvoert, die wijzen op een décadence, op een verval en een te niet gaan van onze Christelijke en van onze Westersche beschaving. Ik ben het met de meening van dezen schrijver niet geheel en al eens, omdat ik niet alleen geloof aan degenereerende, maar ook terdege aan regenereerende krachten, zoowel in de natuur als in de geschiedenis, maar dit neemt niet weg, dat het toch een ernstige tijd is, dien wij beleven, dat antimilitaristische stroomingen waar te nemen zijn in alle kringen van het volk, van de arbeiders, maar evenzeer en in even sterke mate in de kringen der intellectueelen. Die strijd tegen het militarisme staat niet op zich zelf; die is verwant en loopt parallel met de worsteling van den arbeid tegen het kapitalisme, van de democratie, zoo men wil, tegen het imperialisme. Dat zijn slechts drie vertakkingen van één en denzelfden stam, slechts drie uitingen van de machtige worsteling, die zich in deze eeuw overal voltrekt.

Wanneer wij ons nu daarvan rekenschap geven, wanneer wij begrijpen, dat het in deze eeuw gaat om het behoud of om het verlies, ik zeg niet alleen van ons Christendom, maar ook van onze cultuur, onze beschaving, dan zullen wij begrijpen, dat het inderdaad aankomt op bevrediging en op verzoening, en dat, wanneer die bevrediging en verzoening tusschen de strijdende machten niet gevonden wordt, inderdaad de ondergang van de Westersche cultuur op het spel staat. Daarom heb ik mij ook ten zeerste verblijd over het dertiende hoofdstuk van het verdrag van den Volkenbond, want in dat hoofdstuk wordt aangegeven de arbeidsorganisatie. Dat heeft reeds geleid tot een belangrijke conferentie, die in Washington gehouden is en die in beperkte mate gunstige resultaten heeft opgeleverd.

Precies op dezelfde wijze hebben wij nu in het eerste hoofdstuk van het Vredestractaat een verdrag voor een Volkenbond. Daarbij heeft het mij getroffen, dat het Vredestractaat links en rechts in het eerste en het dertiende hoofdstuk geflankeerd, omgeven, beschut wordt door twee zulke machtige beginselen en betrekkelijk ook door twee zulke machtige ontwerpen. Ik hoop van harte, ik heb ook eenig vertrouwen, dat het Vredestractaat, in de tusscheninliggende hoofdstukken ontwikkeld, plat, indien niet doodgedrukt zal worden tusschen die beide hoofdstukken, bet plan van den Volkenbond en de arbeidsorganisatie over de gansche wereld.

En zoo kom ik ten slotte tot het plan van den Volkenbond zelf. Er is over dien Volkenbond heel veel in het midden gebracht en er zijn, gelijk ik reeds in den aanvang gezegd heb, aanmerkingen op te maken, en tal van bezwaren tegen de aansluiting in het midden te brengen. Maar ik wensch nu aan het slot van mijn rede ook even op de lichtzijden, in het plan van den Volkenbond aanwezig, te wijzen. Het is een Volkenbond, neen, dien naam mag het eigenlijk niet dragen. Het is ook geen Statenbond. Het is ook geen Bondsstaat, gelijk de Minister van Buitenlandsche Zaken duidelijk in zijn rede in de Tweede Kamer heeft aangegeven. Maar wat het wel is, dat is iets anders. Het biedt nl. een uitnemende gelegenheid, het legt als het ware een vaste basis, om in het vervolg alle volkeren der aarde met elkander in aanraking te brengen en hen met elkander te doen samenspreken en te doen samenwerken, en dat is inderdaad een groote winst.

Zoo iets is nog nooit in de wereldgeschiedenis voorgekomen. Men heeft dit verbond vergeleken met de Heilige Alliantie en er zijn ook eenige punten van overeenkomst. De overwegingen, de consideransen zijn in beide stukken van zeer verheven aard, alleen bij de Heilige Alliantie meer Christelijk getint. Maar wanneer men die consideransen buiten beschouwing laat, dan blijkt, dat er tusschen de Heilige Alliantie en den Volkenbond een zeer groot onderscheid bestaat. Dit is in de eerste plaats hierin gelegen, dat de Heilige Alliantie gebaseerd was op de legitimiteitstheorie en alleen een verbond was tusschen enkele vorsten en landen. Daarentegen, mag de Volkenbond op het oogenblik ook tot op zekere hoogte een politiek karakter dragen, hij is toch in beginsel een rechtsorganisatie en een rechtsorganisatie, welke men beproeft te leggen niet alleen tusschen enkele vorsten en volken, maar 574 zooveel mogelijk tusschen alle beschaafde landen en volken.

Men zal daartegen inbrengen, dat de Centrale Rijken vooralsnog worden uitgesloten en dit is zeer zeker een gebrek in het Verdrag van den Volkenbond, maar ik heb toch de overtuiging, dat men op het oogenblik evenals bij de Academie van Wetenschappen hier en in andere landen niet anders handelen kon en dat het juist in het belang van den vrede is, om tijdelijk in deze uitsluiting van de Centrale Rijken te berusten. Maar daarbij koester ik toch ook de gedachte, dat die uitsluiting van korten tijd zal zijn. Wanneer wij zien wat in enkele weken, enkele maanden na den wapenstilstand en den vrede reeds gepasseerd is, krijgen wij toch wel eenige hoop, dat ook de Centrale Rijken eerlang in den Bond zullen worden opgenomen. Nu reeds zijn zij met slechts één stem tegen, toegelaten op de Arbeidsconferentie te Washington; van de uitlevering van den ex-keizer schijnt niet veel terecht te zullen komen; de berechting van de oorlogsmisdadigers is, althans voorloopig en in beperkte mate, aan Duitschland zelf toevertrouwd, en wat nog meer zegt, het Vredestractaat, ingeschoven tusschen het Iste en het Xlllde hoofdstuk, zal inderdaad worden platgedrukt, indien niet door deze twee machtige beginselen en ontwerpen, dan door de macht der werkelijkheid.

Wat men ook zeggen moge, het tractaat is in zijn voorname bestanddeelen volkomen onuitvoerbaar. Ik heb het geachte lid van deze Vergadering den heer Colijn, onlangs elders hooren uiteenzetten en betoogen dat, wanneer Duitschland aan de voorwaarden moest voldoen, welke in het Vredestractaat alleen reeds financieel werden opgelegd, dan het gansche Duitsche Rijk met al zijn eigendommen en bezittingen in de hand der Entente zou overgaan. Met het oog op die practische onuitvoerbaarheid heb ik eenige goede verwachting, dat het Vredestractaat langzamerhand zal verdwijnen, of althans aanmerkelijk verzacht zal worden, en dat ook voor de Centrale Rijken de toegang tot den bond zal worden opengesteld. Verder wensch ik nog op te merken dat, wanneer wij het plan van den Volkenbond nader onder de oogen zien, het dan in zijn voornaamste gedachten toch weinig tegenspraak bij ons zal ontmoeten. Ik herhaal wat ik in het begin zeide, nl. dat het tractaat wel aan onduidelijkheid lijdt. Wanneer ik het wel begrijp en de hoofdgedachten tracht te vatten, die gerealiseerd zijn in het Vredesverdrag van den Volkenbond, dan komen zij m.i. hierop neer. In de eerste plaats nemen alle volken, die leden zijn van den bond, de verplichting op zich om elk geschil van internationalen aard te onderwerpen aan een beslissing van den Raad, of ook eventueel van een erkend hof von arbitrage, of wel aan het onderzoek door den Raad en eventueel door de vergadering van den bond. In de tweede plaats nemen alle leden van den bond de verplichting op zich om niet tot oorlog over te gaan, zoolang het geschil bij een van deze corporatiën aanhangig is, ja zelfs niet tot oorlog over te gaan gedurende een bepaalden termijn, nadat de beslissing of de conclusies van het rapport van den Raad gepubliceerd zijn geworden. En in de derde plaats nemen alle leden van den bond de verplichting op zich om eventueel, wanneer het geschil niet blijkt voor beslechting vatbaar te zijn geweest, in elk geval geen oorlog te voeren tegen die partij, die bij de beslissing van den Raad of bij de conclusies van het rapport zich neerlegt. Men lette er wel op, dat is een negatieve, geen positieve verplichting. Van een positieve verplichting is in dit XVde artikel naar mijn meening geen sprake. Nu komt er in de vierde plaats een eigenaardige bepaling bij in het daaraanvolgend artikel, nl. daar kan toch ook een oorlog uitbreken, die in strijd is met de door de leden van den bond vrijwillig aanvaarde en op zich genomen verplichtingen. Wanneer dit geschiedt, dan wordt door dit verdrag van den Volkenbond het brandmerk van misdaad op zulk een oorlog gedrukt en zulk een oorlog wordt dan ook strafwaardig gekeurd. In dat geval zijn alle leden van den Volkenbond verplicht tegen zulk een opstandigen en als het ware misdadigen Staat te velde te trekken. Zij zijn daartoe verplicht in ’t afgetrokkene. Er volgt m.i. nog volstrekt niet uit, dat daarom ieder lid van den Volkenbond eventueel geroepen zal worden om in de werkelijkheid ten oorlog te trekken, troepen te zenden, een vloot bijeen te brengen of het gedeelte van een vloot, waarover men beschikt, of ook om doortocht door het land aan de troepen van den bond te verlenen of van het wapen van den boycot gebruik te maken. Men is in het afgetrokkene daartoe als lid van den bond verplicht, men kan er dus toe genoodzaakt worden, maar daar ligt niet in opgesloten, dat men in elk concreet geval, wanneer zulk een misdadige oorlog uitbreekt, tot dergelijke practische maatregelen zijn toevlucht zal moeten nemen. Dit hangt m.i. van de omstandigheden af, het hangt inzonderheid af van de geografische ligging van het land, van de sterkte der legermacht van het volk, dat zulk een misdadigen oorlog onderneemt, het is aan nadere bepalingen door den bond onderworpen.

Wanneer ik zoo het verdrag van den Volkenbond juist heb weergegeven — ik geef natuurlijk de mogelijkheid van vergissing toe on ik houd mij ten zeerste aanbevolen voor correctie en rectificatie, indien ik in eenig punt zulk een vergissing heb begaan. —, dan zou ik aan het einde wel de vraag willen stellen: wat kunnen wij daar nu op zich zelf op tegen hebben?

Natuurlijk, het verdrag is onvolledig; er zijn tal van leemten in en het moet zich verder ontwikkelen in den zin ook van de motie, die in deze Kamer is ingediend. Maar men kan niet zeggen, dat deze bepalingen verkeerd zijn, dat zij onzuiver zijn gedacht, ook zelfs niet, dat zij in de practijk onuitvoerbaar zijn. Vandaar, dat ik nog eens de conclusie herhaal, waartoe ik aan het einde van mijn redeneering kom, maar die ik reeds heb uitgesproken, dat wij hier niet staan voor iets, dat wij evengoed kunnen aannemen of verwerpen, maar dat wij naar mijn overtuiging zedelijk verplicht zijn om dit middel met beide handen aan te grijpen, dat, al is het nog zoo zwak en gebrekkig, ons in de toekomst misschien van den oorlog bevrijden kan of — indien men dit te sterk gesproken vindt en ik vind het zelf te sterk gesproken — dat dan toch in do toekomst de oorlogen voorkomt en beperkt. En te meer verheug ik mij in zulk een poging, omdat men zich wel moet voorstellen, dat elke volgende oorlog ten gevolg e van de ontdekkingen op wetenschappelijk gebied en ten gevolge van de wonderen der techniek een steeds verschrikkelijker karakter aannemen zal. Men heeft wel gesproken van humaniseeren van den oorlog. Ik geloof er bitter weinig van. Wanneer men eenerzijds denkt aan het onbeperkte duikbootwapen en aan den anderen kant denkt aan het nog ellendiger wapen van uithongering en vermoording van vrouwen en kinderen, duizenden bij duizenden, tot in de volgende generaties toe, dan moet men in de 20ste eeuw niet spreken van humaniseering van den krijg, dan moet al ons worstelen en strijden gaan tegen den oorlog zelf, zoo niet om hem voorgoed af te schaffen, dan toch om hem te voorkomen, en overeenkomstig de beginselen der moraal dit in de practijk te realiseren, dat wij nooit tot den oorlog de toevlucht mogen hemen, voordat alle andere middelen zijn uitgeput en alle andere wegen tot verzoening en beslechting van geschillen ten einde toe zijn afgeloopen.

Wanneer ik deze rede en deze uiteenzetting van mijn standpunt ten slotte nog met een wensch zou mogen besluiten, dan zou het in alle eenvoudigheid deze zijn: de Heilige Alliantie wilde inderdaad in beginsel in weerwil van haar zwakte, onvolkomenheid en groote gebreken een heilige alliantie zijn. Ik wenschte wel, dat ook dit verdrag van den Volkenbond gesteld ware onder de hoede van den Almachtigen God, Wiens bestuur over alle dingen gaat. Want aan Zijn zegen is ook en allermeest voor den Volkenbond alles gelegen.

x
This website is using cookies. Accept