O, God! wees mij zondaar genadig!

Leerrede op den laatsten dag van 1870 gehouden

door Dr. A. Kuyper


Amsterdam, H. de Hoogh & Co. 1871

a



LEZEN:Jesaia 2.
Openbaring 3.
ZINGEN:1.Psalm 90 : 1.
2.Psalm 99 : 1, 8.
3.Gezang 160 : 1, 2.
4.Psalm 89 : 4.
5.Psalm 130 : 1, 2.
6.Psalm 51 : 1.
7.Gezang 96.


„O, God! wees mij zondaar genadig."

Lukas 18 : 13.


Zoo staan we dan gereed, M.H., om eer dit jaar ten einde spoedt, ons laatste gebed en onze laatste dankzegging dien Koning der Koningen op te dragen, wiens stem dat jaar van zeventig zóó vol majesteit, zóó zieldoordringend, zóó hartverbrijzelend tot ons gesproken heeft. Zij eerbied, zij diep ontzag voor den Eeuwige dan de grondtoon van ons woord, en onderdrukken we elke valsche aandoening, opdat onze stemming eenigermate opklimme tot de hoogheid van Gods gerichten. Zij verre van ons alle week geklaag, om het span van onzen levensdraad, dat weêr wordt afgesneden; verre dat onmanlijk vieren van den weemoed, waardoor de geest onthutst en de zinnen verbijsterd worden; verre bovenal dat onheilig vergoden van een dag, die althans voor Jezus' gemeente verslonden moet zijn in den eeuwigheidszin, waaruit ze leeft. Neen, niet te streelen heb ik de diepe ontroering, door den keer des tijds in u gewekt, maar die aan te grijpen, die te versmelten en over te leiden, of zóó de ernst des levens voor de poorten van uw hart kon gewenteld, dat er winste in dit oogenblik gedaan wierá voor mijn Koning en mijn Heer. Zeer zeker, óók als burgers van uw vaderland, maar toch allereerst als pelgrims naar een beter erve, verschijnt gij aan de plaatse des gebeds. Oók als levende in het maatschappelijk leven, maar toch allereerst als gedaagden voor den vierschaar, hebt ge u hier te stellen voor uw God. Niet slechts vrome aandoeningen heb 4 ik dus in u op te wekken, maar met ziel en zinnen u ter verantwoording te roepen voor Hem, die u dit jaar eens gaf en thans weêr van u neemt, om ook dit jaar met al zijn zegen en zijn zonden in het gericht te doen komen op den dag, dien Hij daartoe verordend heeft. O! die God, in wiens hand alle inwoners der aarde een hand vol stofs zijn en niets meer, is zoo geducht, is zoo ontzachlijk. Legt voor Hem dan af alle bedeksel, alle zelfmisleiding, allen valschen schijn, en laat door zijn Woord verbrijzeld worden het hart dat tegen Hem nog opstaat, maar ook door zijn Woord vertroost, de ziel die naar ontferming schreit. Het is een bang jaar geweest, een jaar dat het bezinksel des verderfs weêr naar den spiegel heeft opgeschuimd, maar toch, we mogen zijn aanblik in dit uur niet mijden. Er ligt teveel in zijn trekken, dat in naam des Heeren tot ons spreekt. En daarom, verschijne het nogmaals voor ons dat jaar van 1870, dat jaar van bloed en tranen, van gruwel en van afgrijzen; klimme nog eens uit de versche herinnering zijn beeld voor ons op; trede het nogmaals ten voeten uit voor ons met zijn vermorzelde verzenen en zijn verwrongen gelaat; en doe ons dan, Jaar van oordeel en gerichten! nog eens in al zijn kracht en majesteit hooren: eerst wat de Rechter der gansche aarde: dan wat de Heer van leven en van dood: maar ook ten slotte wat de Vader in de Hemelen, ons door U als boetgezant heeft toegeroepen, en ontlokke die driedubbele stem M.H., aan onze ziel dan geen anderen weerklank, dan de bede die eens, slaande op zijn borst, de tollenaar bad: „O, God! wees mij zondaar genadig!"


I.

„Zoo is er dan toch een God, zóó leeft dan toch die Rechter der gansche aarde!" Zietdaar dan wel de eerste kreet der conscientiën, dien we ditmaal hebben op te vangen; want, als de Heilige, die toornt over zijn schepsel, is de Almachtige dit jaar zoo zichtbaar gekomen over Europa's Vorsten en Volkeren, over den Geest onzer eeuw en ons eigen Vaderland. 5

Van Europa's Vorsten sprak ik eerst. O, de val van een vorst is altijd een aangrijpend schouwspel, dat ons van zelf het woord van Jesaia op de lippen legt: Gij zijt ook krank geworden gelijk wij! De vorsten der aarde dragen het dubbel zinbeeld, eenerzijds van de hoogheid Gods, die door Zijn gezag ons in stand houdt, maar ook andererzijds van de hoogheid des menschen, die wat voor oogen is, zoekt. Zinken dus hun troonen weg, wordt hun de scepter uit de hand, de kroon van het hoofd genomen, dan is het de zegen van Gods gezag die ons geroofd wordt, maar ook de steun op eigen hoogheid, die ons ontvalt. Zij stonden daar in hun verhevenheid als de gezalfden des Heeren, maar ook als de cederen op den Libanon, en daarom, als zelfs die cederen geveld worden door den adem des Heeren, vraagt het lage kreupelhout met siddering: „wat gewordt mij?" En toch, zulk een val der vorsten gaf dit jaar van '70 ons tot tweemalen toe, ons beide keeren in geheel eenigen zin te aanschouwen. Ik weet het, reeds de geschiedenis der jaren, die achter ons liggen, had ons aan het inzinken van troonen gewend, maar toch, wat zoo bid ik u, was de val van Duitschland's en Italië's prinsen, vergeleken bij den dubbelen val, dien we dit jaar beleefd hebben , toen eerst Napoleon's troon instortte en straks het gestoelte van Rome's Stedehouder bezweek.

Machtig als Napoleon scheen geen vorst in Europa te zijn. Onverwinbre legioenen wachtten op zijn wenk, met een zevental millioenen had het stemrecht pas zijn troon bevestigd, schier al Europa's vorsten waren beurtelings hem ter eere als in bedevaart naar zijn hoofdstad getogen, en elk wist dat in Europa zijn wil het zwaarste woog. Wat hoogheid dan ook in zijn taal, wat grootschheid in zijn paleizen, wat schijn van majesteit in al zijn doen, geheel vorstelijk was zijn verschijning! En toch ziet, hoe hoog zich die reuzengestalte ook verhief, . . . een strijd van luttel weken is genoeg, en door den adem des Heeren ligt hij, ter neêr geworpen, gevangen hij die anderen ving, vervloekt door heel zijn volk hij die heel dat volk ten onzaligen vloek geworden bleek.

En was de troon van Rome's Stedehouder niet even gedenkwaardig? een troon minder machtig, het is zoo, dan die der Napoleon, 6 maar in grijzen ouderdom alle troonen van Europa overtreffend, een troon die uit alle natiën zijn strijders vergaderde, door den cijns aller volkeren werd geschraagd, en door den herderstaf die op haar rustte, in den glans van het heilige blonk. En toch, zie, noch die grijsheid, noch die cijns aller volkeren, noch die heilige stralenkrans heeft den vijand van verre gehouden. Overweldigd werd ook Rome's erve en de oudste vorstentroon zonk weg.

Maar nu, was er, zoo vragen we, geen oorzaak? Wie noemt Napoleon zonder aan meineed, zonder aan samenzwering en Decembermoord te denken? Wie slaat de geschiedrolle van Rome's Stedehouders op, dat niet het bloed der vaderen ons uit de schavotpleinen in het aangezicht springt, en de gruwel van den Bartholomeusnacht ons ijzingwekkend door de ziel trekt? En daarom, uw val, o Gekroonden! is ten oordeel geworden. Dat er een Rechter der vorsten leeft, hebt gij, o Napoleon, gij Vorst van Rome, ons in uw neêrstorten getoond.


*

Maar ook Europa's Volkeren trof dat oordeel, want hun zonden zijn het, die vrucht dragen in de zonden der vorsten. En nu, wat tegenstelling M.H., voor die volkeren tusschen den aanvang en het einde dezes jaars. Nog heugt het u, hoe dit jaar met een kus des vredes tot ons kwam en de nestor van Europa's staatslieden getuigde, hoe nooit de vrede der volkeren beter verzekerd was. Maar nu, hoe betrok niet eensklaps die onbewolkte hemel. Daar dreunde de donderslag. Daar schoot de bliksemflits, en heel het hart van ons werelddeel staat in brand. Zie, droef bedekt Europa haar gelaat, want haar volkeren drinken elkanders hartebloed, de natiën weenen en omgorden zich met een zak. Wat weêrgalooze slachting, wat ziedende haat, wat monsterachtige wreedheid, die we aanschouwen! Zie die vernielde vlekken, die platgetreden akkers, die geplunderde, rookende steden, dat roofgedierte om het aas van menschenlijken zich vergaderend, het witte sneeuwkleed zelfs roodgeverwd met der strijderen bloed. Bij God! die jammer is te afschuwelijk, zóó hebben 7 nooit twee machtige volkeren met het moordend staal in elkanders ingewand gewroet! Waar zal het einde zijn? Ziet, als ware het nog niet genoeg, steekt een nieuw onweder uit het Noorden op, naar het Oosten drijvend, en kondigt nu reeds een nieuwe worsteling zich uit Rusland aan, zoodra deze zal beslecht zijn. Neen, allerminst in deze ure, allerminst aan deze plaats, spreek ik van een oordeel over één der strijdende natiën, of den kolossus uit het Noorden. Al Europa's volkeren gaat het aan, dat twee harer zusteren elkaâr moordend bij de keel grepen. In het leven aller natiën trilt de stoot na, door zoo ontzettende opeenbotsing gegeven. Verbroken is aller evenwicht, verstoord aller ruste, aller vastheid onzeker, aller voortbestaan een vraagstuk geworden. Macht gaat boven recht, geweld boven billijkheid. Men kent geen vriend noch vijand meer. De vroedsten zelfs zijn radeloos geworden en in een chaos samengeworpen liggen al Europa's volkeren neêr.

Maar ook hier vraag ik: was er geen oorzaak? Denk u naast Europa de andere werelddeelen, en immers als een koninginne, heerschend over haar zusteren treedt Europa voor u op. Azië en Afrika leggen den scepter neer, waar zij dien opneemt. Aan Europa's volkeren gaf God den schoonsten aanleg, de grootste veerkracht, den diepsten geest. Bovenal. Europa werd gedoopt, de Zone Gods sloeg in ons werelddeel zijn tente op, en met dien Christus scheen ons alle ding te zijn toegeworpen: vrijheid, macht en eer! En nu, de os kent zijn bezitter en de ezel de kribbe zijns Heeren, maar dat uitverkoren, dat van God gezegend Euroop' dorst zijn Maker vergeten, verwierp den Heiland en zocht sints Frankrijks omwenteling zonder den Christus tot hoeksteen, zonder Gods gezag tot cement, zonder zijn woord tot bestek, zijn statenbouw te vernieuwen, en „godsdienstloos de staat" tot wachtwoord zijner staatslieden te maken. O! bijna scheen die bouw voltooid, reeds welfden zich de bogen, reeds glansden de tinnen, de kroonlijst werd reeds aangedragen, . . . . en als het dan nu eensklaps waggelen ging en van de vier hoeken des winds ineenstort, — zegt mij, o! Natiën van Europa, spreekt ook uw jammer dan niet van een Rechter der volkeren die nog leeft? 8


*

Toch kunnen we ook daarbij niet staan blijven, en daarom sprak ik ook van een oordeel over den Geest onzer eeuw. De geest eener eeuw is een macht, een macht die nooit zoo hoog als juist in onze eeuw geklommen was. Wat heeft ons geslacht niet op zijn 19de eeuw geboogd, zich over het licht, dat nu ontstoken wierd, verhoovaardigd. Wie niet ijlings meêging in het nieuwe spoor, dien schold men een duisterling, een achterblijver, een bekrompenen mensch. Het was of de arbeid van alle vorige eeuwen saâm nauwlijks iets gold bij de Hercules' kracht, die onze eeuw ontwikkelde. Toen ruwheid, nu zachtheid van vormen; toen barbaarschheid, nu beschaving; toen onwetenheid, nu verlichting, — zoo zag onze hooggeroemde eeuw minachtend op al haar voorgangsters neer. Alles moest nieuw worden. Nieuw de wetenschap, nieuw de kunst, nieuw de zeden, nieuw zelfs de godsdienst dien men beleed. Wie zich niet haastte om haar opgaande zon te aanbidden, dien trof haar smaad, men deed niet meê, zoo men geen wierook voor haar nieuwen afgod had ontstoken. En nog ging het haar te traag! Immers, zóó luidde de profetie: was eenmaal die geest der eeuw maar machtig geworden, dan zou de mensch minder slecht, elk volk gelukkiger blijken, want niet geloof en wedergeboorte, maar licht en beschaving hadden de belofte der gouden, der gelukzalige eeuw!

En nu, is zoo vraag ik, ooit een belofte zoo smadelijk geloochenstraft, als die profetie onzer eeuw? Of droop niet reeds bij het vallen der eerste regendroppelen haar het veil blanketsel van de wangen? Werd de schande harer naaktheid niet openbaar, zoodra het zijden opperkleed gescheurd werd? Spleet niet bij den eersten stoot reeds het glad vernis, om weer de oude ruwe verw te toonen, die nog steeds het menschenhart bedekt? Is het niet een tegenstelling, die belachelijk zou zijn, deed ze ons niet weenen, tusschen die hoog opgevijzelde grootspraak en de diepte van schande en smaad, waarin die eeuw thans wegzonk. Want, zie, vertreden ligt alle recht, alle eer bezoedeld, alle wilde hartstocht is uitgebroken, alle gruwel mogelijk gebleken. Het is, of het zelfs opbruischt uit de diepten van den afgrond, het „Roode kruis," 9 waarin een beter streven sprak, en dat een oogenblik ons troosten kon, ook dat werd ontsierd door ongeestelijkheid en is ten slotte in praalzucht ontaard!

En wederom zeg ik: is er geen oorzaak? Ook onze eeuw was van God uitverkoren, met wondere kracht van licht en leven door zijn genade begiftigd. Maar nu, zie! In Rome's kerkvergadering heeft onze eeuw het aanschouwd, dat een mensch zich als God heeft gezet in het gestoelte der eere, en de mannen onzer eeuw hebben dien grijsaard bespot, beklaagd, belachen. Maar wat, zoo vraag ik, hebt gij o, onze eeuw! dan anders gedaan, dan nog eens de oude zonde vernieuwd, om den mensch als God aan te bidden? Of was het geen vergoding, zooals ge uw eigen zelfgenoegzaamheid prediktet, wierook voor uw geniën strooidet, uw kunstenaars aanhadt en uw zangeressen als godinnen eerdet? Wat anders dan zelf God te zijn, sprak in dat hoovaardig streven, om zoo er een God was, zelf te bepalen, wie Hij zijn zou, wat Hij vermocht, hoever Hij gelden zou? O! dat geduchte woord uit Ezechiël: „Gij zijt menschen en Ik ben uw God," dat woord hadt ge leugen geheeten, en daarom, Eeuw der wuftheid, Eeuw der hoovaardij! nu ge met geschonden gelaat in uw schande ter neder ligt, wordt ge uws ondanks boetgezant voor dien God, dien gij terug woudt dringen, en uw smaad getuigt het ons, dat ook de Rechter der eeuwen nog leeft.


*

Och, mochten we voor het minst zwijgen van ons eigen vaderland, maar helaas! ook daarover is het oordeel Gods te tastbaar, om zonder nieuwe schuld te worden miskend. Het is zoo. We hebben, ook na onze vernedering in het begin dezer eeuw, jaren van voorspoed gekend, toen de volkskracht zich ontwikkelde, mild de bronnen van volksbestaan vloeiden, en ons staatkundig leven, zoo het scheen, met vaste hand geleid werd. Maar wie is er, zoo vraag ik, die die trekken van blij geluk nog in het heden terugvindt? Onze groote mannen zijn weggenomen, of klein geworden, of staan aan 10 den rand des grafs, en geen nieuw gestarnte van eerste grootte komt ons aan den droeven hemel verblijden. Onze wingewesten baren zorg en schande, gelijk ze eertijds macht en glorie baarden. De wetenschap sluimert, de kunst bloost, de handel daalt, de nijverheid kwijnt, de scheepvaart kent nauwlijks zichzelve meer. Haast leenen moet een staat, die eertijds schulden delgde. Wat zal ik van het staatsleven zelf zeggen? Door factiezucht en vitzucht en persoonlijke vete is heel onze staatkundige dampkring vergiftigd. Er zijn geen mannen meer die Nederland regeeren, geen staten meer die Holland's volk vertegenwoordigen kunnen. Men zoekt raadslieden der kroon en vindt ze niet, en tot in de hoogste kringen breekt het volksbederf uit. Voeg daarbij de verwikkeling, die om het kroonland van Oranje dreigt; ook de grievende meelijdenheid waarmeê Europa op ons neerziet; bovenal de begeerige blikken, die naar alle kleinere staten uitgaan, en ge stemt mij toe niet waar, dat het „weer groeien en bloeien van ons Holland" althans dit jaar niet is gezien.

Maar ook hier dan de hand in eigen boezem, volk van Nederland! Of is er ook bij u geen oorzaak? Veel is in dit jaar van de wuftheid eener andere natie gesproken, maar spreek niet gij u zelve vrij. O! wie met den blik der liefde u gadesloeg, dien hebt ge bedroefd door het verlaten van der vaderen tucht en goede zeden, gesmart door uw drankgewoonten, en door uw kleingeestige geldzucht gesmart. Hoe het zijn moest, zoo Holland aan zijn eigen aard verbasterde, dat hebt ge getoond door het schoeien van uw leven naar een vreemden leest, door het alles anders te vormen dan het eertijds was, door den huishaard leeg en de gelachzaal vol te maken, door een opvoeren van den levenstrant tot uw kracht het niet meer droeg, door een verteren van uw levensmoed in zingenot en lauwe weelde. Bovenal. Uit een godsdienstige bezieling zijt ge als natie gesproten, in den glans der vroomheid hebt ge als natie eens geblonken, en door de vreeze des Heeren zijt ge als natie in stand gebleven, . . . en nu . . . als natie reeds zonder gebed, als natie godsdienstloos, uw kerken veeltijds leeg, uw school zonder Bijbel! Toch zijt ge gewaarschuwd, het graf van een Da Costa ligt daar bij het choor om u te 11 weêrspreken 1, zoo ge het loochenen dorst, en als ge dan nu in uw smaad uzelf niet meer acht, en uw heilig erf tot een aanfluiting voor Europa's volkeren is geworden, zegt het mij Gel., spreekt ook die jammer dan niet van een „Rechter onzes volks," die nog leeft.


*

En nu, op dien „Rechter der gansche aarde" wezen ons dan de hooge Vorst, het vele Volk, de verlichte Tijdgeest, het lieve Vaderland; we zagen ze allen geoordeeld, om zijn geweldzucht de vorst, de volkeren om hun godverwerping, om zijn menschenvergoding den geest der eeuw, om zijn verbastering het vaderland; maar wat, zoo vraag ik, werd in dat alles in den diepsten zin anders veroordeeld dan uw eigen menschelijk hart? Zie, de Farizeër gaat op, en spreekt, anderen veroordeelend, zich zelven vrij, maar zult gij dan, Gel., die hoovaardij ook nu nog vasthouden in het aangezicht van de ontzettende gerichten, die God Almachtig op deez' aarde brengt? Moet het u dan nog gezegd, dat de teruggang der volkeren in het bederf der gezinnen, en wederom het bederf der gezinnen in het verderf des harten wortelt? Zijn wij het dan niet, die door de uitademing van ons huislijk en persoonlijk leven den dampkring vormen, dien de natiën inademen? Is het niet twijg voor twijg, mede door onze hand, dat die berg van brandstof wierd saamgedragen, die nu zoo schrikkelijk in vlam schoot? Is dan niet het leven der volken een breede stroom, waarin door elken mensch, die leeft zijn deel van levensvocht gedruppeld wordt? En als dan nu die stroom zoo giftige gassen doet opborrelen en bloedrood is gekleurd, zoudt gij dan anderer daad verfoeiend, de eigen hand in onschuld wasschen durven? O, laat af van die zelfmisleiding, hoor de stemme des bloeds waarmee dit jaar over u komt, hoor dat machtig roepen: de Rechter der aarde, ook uw Rechter leeft! Uw Rechter . . . dus niet naar der menschen dunk, niet naar inbeelding, maar naar recht gaat het, naar het recht uws 12 Gods. Die Heer des hemels en der aarde, die het thans weer in den rouw en den doodsangst van duizenden bij duizenden toont, hoe vreeslijk het is, in zijn Almachtige hand te vallen, die God vol Majesteit, zal ook over u, o nietige mensch! eens ten gerichte komen, misschien nu reeds in dit leven, maar gewisselijk in dien dag, waarin de boeken des levens, d.i. de conscientiën zullen geopend worden. Dan zal het oordeel van dien ontzachlijken Rechter gaan, niet maar over natiën en eeuwen, niet maar over vorsten en volken maar ook over u, over u persoonlijk. Dan zult gij tegenover Hem staan, om in zijn gericht te zien komen alle zondige daad, alle ijdel woord, alle onreine gedachte. Zijn recht zal dan de maatstaf, zijn gerechtigheid de meetsnoer zijn. Niets zal er vallen, geen tittel of jota van zijn Woord of Wet. Ook dit jaar, ook al wat ge deze maanden, weken, dagen lang in uw zonde of in uw ijdelheid misdreven hebt, het zal dan naakt en geopend liggen voor God en zijne heilige Engelen, voor Hem, met wien gij te doen hebt, Ja ook gij, die, met den tijdgeest afgedreven, dien Rechter hebt bespot en om dat oordeel hebt gelachen, ook gij zult dan daarbij zijn, ook gij dien Rechter zien, als Hij zal opstaan in zijn Majesteit. En als het dan gaat naar recht, naar zijn volle recht, naar zijn goddelijk recht, waar, arme! bergt ge u dan, gij die, met allen, in zonde ontvangen, als zij dat recht geschonden, nooit dat recht volbracht hebt? O! ik weet het, er is een kruis van Golgotha, er is een recht voor ons volbracht, er is een evangelie van ontfermende genade, — ik breng het u ook dezen avond — maar zal het u redden, dan eerst het hart gescheurd en niet de kleederen, dan ook nu verbroken de hoogheid uws harten, dan ook gij op de kniën met de tollenaarsbede: „O Rechter der gansche aarde! wees mij, ook mij, arme zondaar genadig!"


II.

Thans schijnt het wel, M.H., of „macht boven recht" gaat, maar in dien dag, waarvan ik sprak, zal het hooge Recht onzes Gods juist door de Almacht geschraagd worden; want, 13 hier wees ik u ten andere op: die Rechter der gansche aarde is ook „de Heer van leven en van dood", en gij weet het, ook daarvan bracht dit jaar ons de droeve, de bloedige mare. Wij zagen het niet, wij hoorden het slechts, en toch, hoe bewoog het gerucht niet in ons ingewand reeds de deernis en ontferming? Zie toch, wat duizenden bij duizenden niet uit Duitschlands en uit Frankrijks erve, mannen alle in de kracht des levens, die, denkend aan geen dood dit jaar nog met ons ingegaan, eer Juli kwam, nog aan geen sneuvelen dachten, — en die toch, ai mij! nu reeds half verweerd, op vreemden bodem, in de ruwe aarde nederliggen zonder lijkkist, zonder doodgewaad. En dan nog gestorven met welken dood? O, wien spookte het niet telkens voor zijn verbeelding, daar op die wreede, breede, eindelooze slagvelden, als halmen weggemaaid, die straks nog frisch en krachtig zich bewogen. En dan wat aan dat sterven voorafging, die schrijnende wonde, die afgrijselijke verminking, die mergdoordringende pijn. Zóó nog bloeiend als de roos, en ziet . . . een musketschot knalt, een lemmer bliksemt, een vuurbol spat uiteen, en badend in hun bloed vallen de strijdende helden neder. Zij sneven ver van het lieve vaderland! Hij sterft, de jongeling verre van zijn moeder, de man verre van zijn vrouw en kinderen. Geen vriendelijke blik, die hem bij het uitblazen van den adem steunt. Geen zachte hand, die het gebroken oog hem toedrukt. Zie, te midden van dien doodendans is de doode zelfs niet heilig meer. Straks holt en draaft en rolt en dreunt het nog met rad en hoef en stormpas over den stervende henen. O! het is goed dat er, een God is, voor wien al de gebeden der stervenden opklimmen, en die ook de met het eigen bloed bemorste tranen samenleekt in zijn flesch. Hij zal ze genadig zijn, die ziende op Hem het veege oog geloken hebben! Maar ons, Gel., moet ook uit hun dood het leven komen, ons ook hun sterven een roepstemme zijn ter opstanding. Want die neergeworpen mannenkracht, die afgesneden jeugd, die neergehouwen dorpsbevolking, ja, zelfs het edel ros, dat van de ruif ter slachtbank gaat, het roept ons alles van dien Heer van Leven en van Dood, die met de kinderen der menschen doet naar zijn welbehagen, en ook ons met het woord van den 14 ziener toeroept: „Laat dan af van den mensch, wiens adem in zijn neusgaten is, want waarin is hij te achten"? 2

O! als de Heer opstaat en zijn arm uitstrekt, wordt zoo majestueus een schouwspel ons geboden. Niet slechts de velen, maar ook de hoogen treft zijn hand, als hun de levensdraad wordt afgesneden. Ook dat vernam dit jaar ons volk weer, toen nogmaals het heerlijk praalgraf van Oranje zich ontsloot, om nog een vorstelijk lijk in zijn doodenzaal op te nemen. Immers, niets zegt zoo luide aan Hollands hart, dat alle mensch broos en al zijn heerlijkheid als gras is, dan die geopende grafkelder, waaruit ons de schimmen toespreken — helaas! waarom zoo verwijtend ons aanstaren? — van een Willem den Zwijger, een Maurits den Geliefde, van een Frederik den Stededwinger, ja, van heel het roemruchtig Heldengeslacht, dat in die stille groeve rust. En ziet, ook nu werd in datzelfde graf wederom een groote der aarde bijgezet: een geliefde Vorstin: doorluchte Gemalin van een Vorst, dien heel Europa eert: doorluchte Zuster van een Vorst, dien heel Europa vreest: een vrouw van Vorsten, een zuster van Keizers, een moeder van Koningen, en toch — ziet, ook zij knakt aan den stengel, en ook zij wordt weggenomen door Hem, die over Dood en Leven gebiedt.

Neen acht niet, dat we daarom uw eigen dooden minder schatten Gel.! maar, dit gevoelt ge, stil als het leven uwer lieven, was hun verscheiden en heengaan. Minder gekend, kon hún sterven niet zoo machtig aangrijpen. Maar wat ze niet voor ons volk, wat ze niet voor de gemeente zijn konden, ze waren het voor u, voor u met luider stem, voor u met vollen nadruk sprekende boden van uw God. U heeft hun sterven aangegrepen, want u waren ze lief. In den rouw, die om hun dood uw hart vervult, treden ze nog gedurig voor u, wijzen ze nog naar den Eeuwige heen, uw dierbren, die ge missen moest, die ge zoo vurig hadt afgebeden, maar die ge toch ten grave moest dragen op den wenk van den Almachtigen God. O! ik begrijp het, wat snaren ik met die herinnering in uw hart doe trillen, maar toch, bid ik u, houd u daarbij niet op, niet enkel om uw dooden, maar meer nog om Gods eer en het leven uwer ziel moet die ontroering 15 zijn. Niet de weemoed, alleen de ernst des levens draagt vrucht.

En nu, die ernst, waartoe die vele, die hooge, die lieve dooden vooral dit jaar ons opwekten, hij komt thans met gespannen spieren ook tot u, Man der wereld! die nog slechts deze wereld kent, in den avond dien ge doorleeft. Want, klopt in uw hart nog geen eeuwig leven, trilt in uw ziel nog niet het beginsel der eeuwige vreugde, immers dan is deze avond zelf een getuige tegen u, dat dit leven — zoo gij meent, uw wezenlijk leven — voorbijgaat als een schaduw, wordt afgeschud als het herfstblad, en sneller dan de bergstroom, die neerdruischt, afvloeit in den Dood, afvloeit met klimmende snelheid, afvloeit zonder weer te keeren, afvloeit, meer nog, met al wat u schoon en beminlijk, met wat u grootsch en heerlijk is op aard. En zoudt ge dan nog niet ernstig, zijn? Dan nog bannen het besef, dat er een God is, die ook u het aanzijn eens gaf en straks weer wegneemt? Dan nog niet met meer dan woorden het erkennen, dat ook gij, met al uw heerlijkheid, niet dan een ijl en broos en nietig schepselzijt, met al uw macht en goederen en talenten, slechts als een stofje geacht voor Hem, wiens almachtige hand u eens leven deed, en nu nog leven laat, maar om eens u in den Dood te werpen. Mijne vrienden! vergeten we toch de eerste beginselen niet, die we onze kinderen leeren, dat elke cel in uw hersenweefzel, elke vezel in uw spieren, elke druppel in uw bloed, op ditzelfde oogenblik verstijven zou, zoo God Almachtig hun niet van polsslag tot polsslag de werking in stand, hield. Bedenkt het met dubbelen nadruk, grijsaards aan den rand des grafs! bedenkt het met ernst, mannen in de vaag des levens, en gij ook bedenkt het, jongelingen van kracht! bedenkt het, eer naar het woord van den Prediker, „de zilveren koorde ontketend en de gouden schaal aan stukken gestooten, en de waterkruik vergruiseld en het rad aan den bornput verbroken wordt." Of — wilt ge het zonder beeldspraak — zij het u dan naar het woord onzer kantteekening vertolkt: Bedenkt het, eer het zilveren ruggemerg losgemaakt, en de goudgeele hersenpan verbroken, en de voedende slagader ontbonden en het wentelend rad in uw longen aan stuk wordt gestooten! 16

Ziet toch, in Gods hand rust het leven, ook dat andere leven, dat alleen blijft, wijl het eeuwig is, als hier op aarde uw plaatse niet meer gekend wordt. O! wat hope, zegt het mij, wat hope is er dan in u, dat in de hand van Hem, die u ten Rechter zal zijn, eens die eenig begeerlijke, die uitnemendste aller gaven, dat eeuwig leven ook voor u zal rusten? Naar recht zal het gaan ook met u, naar een recht, óf door uw Heiland voor u voldongen, óf eeuwig te boeten door uzelf. En zijt ge dan gerust, gerust ook bij het woelen in uw conscientie, ook bij het spreken van het verleden, bij de herinnering van verborgen zonden? O! misschien naar der menschen recht zijt gij vrij, zijt ge lofwaardig zelfs, onberispelijk, maar ook naar Gods recht? Naar dat recht dat alles eischt, naar dat recht dat onkreukbaar, naar dat recht dat driemaal heilig is? — neen smoor die conscientiekreet niet, die in u opkomt, geef die lucht, volg die stem, ook u brengt ze naar Golgotha's kruis. O! dat kruis van Golgotha is zoo ontzachlijk! Met nog machtiger stem dan dit jaar spreekt dat kruis u van den Rechter, spreekt in dat kruis tot u, Hij die doodt en levend. maakt, Heer is zijn naam! En daarom, neen, ziet niet op elkander, laat der Farizeën vloek niet bij u inzweren, weest waar, weest oprecht, weest eerlijk met uw God en eerlijk met uzelven, en wie is er, dan, zoo vraag ik, die naderend voor dien Rechter, in wiens hand zijn leven is en uit wiens hand ook eens zijn dood zal komen, iets anders stamelen kan dan de bede der benauwde geesten: „O, God! wees mij zondaar genadig!"


III.

Maar nu, God zij lof, M.H., dat we dien Rechter der gansche aarde, dien Heer van leven en dood, ook aanbidden mogen als onzen „Vader in de hemelen." Neen niet door zijn Rechterschap te loochenen, niet door zijn Almacht perken te stellen, maar juist door die beiden in heur ontzachlijke majesteit te erkennen, wordt ons die Vader in de hemelen dierbaar. Hij uw Rechter, tegen wien ge overtreden, Hij de Almachtige, dien ge getergd hebt, en nogtans die Almachtige Rechter over u komende als een Vader, die u mint, — zoo leert de Schrift 17 het ons, zoo spreekt de conscientie van Gods kinderen, en zoo eerst wordt ons de volle rijkdom van dien Vadernaam ontplooid. Wel nu ook van dien Vader spreekt het jaar ons dat verliep, juist naar dien Vader dringt ons de onzekere toekomst, maar ook meest door dien Vadernaam wordt ons het schuldbesef verdiept.

Ja, ook dit jaar, met al zijn afgrijzing, sprak ons toch van dien Vader, die uit de hemelen waakt. „Ik, de Heer, word niet veranderd, daarom zijt gij, o Israël! niet verteerd", is de stemme Gods, die ook dit jaar tot ons volk, tot ons huisgezin en tot ons hart is uitgegaan. Of zouden we niet met ons volk te danken hebben, dat de gruwel, de barbaarschheid van den krijg bij onze grenzen stand hield? Waren ook niet onze zonen reeds te wapen geroepen? Wie wist, toen hij het zwaard weer aangespte, wat lot hem beidde? Is het geen sparing, is het geen bewaring, is het geen genade geweest, dat we, trots dien wereldbrand, en meer nog, trots onze volkszonden, nog als volk bestaan en geen vernieling aanschouwd hebben? Of is het dan om meerder deugd, dat Hollands zonen niet geslacht, Hollands vlekken niet verwoest, Hollands steden niet gebrandschat zijn? O! ik weet wel, nog is het einde niet, en niets belet, dat we eer een jaar om is, in Amsterdam belegerd worden, gelijk men thans benauwd is te Parijs, — maar toch, dat het nog niet kwam, reeds dit is een ontfermend sparen, waarvoor dank uit Hollands hart moet opklimmen naar der Vaderen God. O! dankt dien dank onzes volks mede, Gel., en voegt een elk bij dat dankoffer des Vaderlands, lofzegging en aanbidding voor wat in uw eigen kring en in uw eigen leven goeds nederdaalde van den Vader der Lichten. Immers ook dit jaar is de reeks niet afgebroken van verhoorde gebeden, van verrassende uitreddingen, van ervaringen van Gods trouw. Bovenal ook dit jaar zijn er weder opgetreden, in wier ziel de morgenster is opgegaan, ook dit jaar is de strooming des H. Geestes weer bekeerend en wederbarend uitgevloeid naar menig hart. Ook te midden der gruwelen die ons verbaasden, is Hij de Ontfermer niet moede noch mat geworden, om den bedroefde te troosten, den arme rijk in Christus te maken, en de ziel, die Hem kent, te verkwikken met zijn eeuwige Liefde. O! dat is,het majestueuse! te midden dier wereldgerichten God een 18 Verzoener gebleven voor mij, nietige mensch! Gevoelt ge dan niet, dat ge nog meerder genade behoeft, om bij zooveel trouwe niet te dieper weg te zinken. Neen, beweldadigde in ons midden, het „O, God wees mij genadig" mag ook bij u niet gesmoord.


*

Donkerder dan ooit staat de toekomst daar voor ons Gel., en alleen hem licht ze op, die weet, dat de Heer ook in die toekomst zijn God en Vader zijn zal. Nog brandt het in Europa's hart, nog woeden de volkeren, die Europa's leven leiden. Heer, maak een einde! roept ons hart, maar nog is het einde niet. O, jaar van '71! wat bergt ge ons dan in uw schoot? Wie weet, slechts een enkele vonk behoeft over te spatten en ook bij ons vat alles vuur. Waar staan we? aan het einde van het begin, of misschien eerst aan het begin van het einde? Zal de onderstbovenkeering doorgaan en ook onsvolk doen waggelen op zijn grondvesten, misschien eer een zestal maanden verloopen is, ook wij zijn meegesleurd in den jammer die Europa teistert? Wat zal het zijn? Zal de Tijdgeest, in stede van te zwichten voor den Koning der Koningen, tegen Hem het op een uiterste zetten, en dus weg worden genomen, wat de ongerechtigheid tegenhoudt, en de mensch der zonde zitten gaan in Gods tempel, zeggende dat hij God is? Is wellicht, wat we nu doorworstelden, nog slechts de eerste trilling geweest van die bange weeën, die aan Jezus komst zullen voorafgaan, en staan ze misschien voor de deur die dagen, waarin alle geslachten der aarde weenen zullen en een verdrukking zal uitgaan, gelijk nimmer is geweest? Wee onzer, Gel.! want zoo vermenigvuldigen zich de vragen; en, niet waar, een iegelijk voegt er uit zijn eigen nood en uit zijn eigen zorgen nog een reeks van vragen bij, en Gods woord voegt er nog dit aan toe: Hoe zal het met uw ziele zijn, als dit jaar misschien de honger u verteert, of het zwaard u achterhaalt, of de dood u najaagt? En daar ligt dan het arme menschenhart, bestormd door wat het niet bezweren kan, beangst, beklemd, benauwd, . . . tot het naar den Hooge opziet en de Vader uit de hemelen ons toeroept „werp al die bekommering op Mij." Hij alleen kan brood voor 19 den eter en zaad voor den zaaier geven, Hij alleen den stok en staf des levens u laten, Hij alleen voor krijg en pestilentie u vrijwaren, Hij alleen waken voor uwer vaderen erve, Hij alleen als het teeken van des menschen Zoon verschijnt, u bergen in het verborgene van zijn tente, u versteken in zijn hut. O! Kent ge dien Vader nog niet, zijt ge nog niet uit de lenden zijner ontferming tot zijn kindeke wedergeboren, roept Hem dan aan — die klopt dien wordt opengedaan — en wordt behouden van het verderf, behouden van dit verkeerd geslacht. Of kent ge Hem reeds als uw Vader, vorme Hij u dan steeds meer, vorme Hij u dan door lief en leed, tot een kind dat in zijn trouwe rusten kan. Maar hetzij die trouwe u nog vreemd, of die trouw u reeds vertrouwd is, de toekomst is bange M.H., en hem alleen zal ze vrede brengen, die ze tegengaat met de stille bede: O God! wees ook in die toekomst mij zondaar genadig!


*

Mij zondaar," meent ge dat, is het u daar ernst meê, Gel., maar immers dan gevoelt ge ook, hoe door dien Vadernaam uw schuld oneindig wordt verzwaard. Tegen den Rechter te strijden, dat is onrecht — dat Hij u straffe! Tegen den Machtige te worstelen is verwatenheid; dat zijn almacht u verwerpe! maar het vaderhart van uwen God te bedroeven, dat is kwetsing der Eeuwige Liefde. En nu, gemeente des Heeren! bekeerd of niet bekeerd, reeds door uwen Doop belijdt gij dat God een Vader is, ook al zijt gij nog zijn kind niet geworden. Daarom komt over u, meer nog dan over de wereld die Hem verwerpt, de grimmigheid onzes Heeren, om elken gruwel in uw midden gepleegd. Want gij, als gemeente van Christus, hoont niet slechts den Rechter, tergt niet slechts den Machtige, maar gij — o, hoeveel dieper snijdt dit niet door de conscientiën! — gij beleedigt het Vaderhart van onzen God. En toch, zie, als een stad op den berg moest ge zijn, en ge schuilt; schijnen moest ge als een licht en men tast naar u in het duister. O! dat is uw smaad Om uwer zonden wil, Gemeente des levenden Gods! dat uw banier voor uw oogen door het slijk gesleurd en de loochening van uw Heiland in uw tempel 20 moet geduld worden. Neen, werp de kastijding niet van u af, om den ongeloovige schuldig te spreken. Gij hebt de Opstanding van Christus, waar is zijn verrijzeniskracht? Gij hebt den Heiligen Geest, waar is zijn gemeenschap? Gij hebt den Zoon, waar is zijn genade? Gij hebt den Vader, en waar is zijn eere? En daarom, gij die den God Jacobs liefhebt, doorzoek en onderzoek uw wegen, en zeg niet „ik ben heiliger dan gij, ga van mij uit!" maar val zelf in de schuld, roep zelf uit de diepte, en laat dat u het diepst verbrijzelen, dat ge den Vader hebt bedroefd. Ja, of de tweesnijdende scherpte van dien Vadernaam ook u door de ziel mocht vlijmen, die tegen Hem de hand nog opheft en nog steeds in u-zelven roemt. O! dat zal u eens het vreeslijkste zijn, niet om voor dien Rechter, niet om voor Gods almacht, maar om voor dien Vader in de hemelen te verschijnen, en dan voor eeuwig van dien Vader verre te zijn. O! kom dan, of ook deze dag u nog mocht aangrijpen, gij, Farizeeër, gij geveinsde! opdat niet eeuwig eens het „wee u!" u beklemme. O, of ge nog in dezen dag bekennen mocht, wat tot uw vrede dient, brave, lieve man, maar in uw braafheid de ellendigste. O! kom tot het kruis waar de Rechter uw Verzoener wordt, waar de Heer van dood en leven begenadigt. Sta op uit uw schande, slaaf der zinnen! en laat die Christus over u lichten, die alleen de zondeboeien slaakt. Man van het geld! verkoop al wat gij hebt en koop den parel van geheel eenige waarde. Gij, bezige Martha! laat niet te vele dingen u bekommeren en strek de hand naar het ééne noodige uit. Hoogmoedige, eerzuchtige! verberg u in de zoomen van het kleed der genade, eer ge eens u in de spleten der rotsen versteken zult. O, ijdele van hart! werp weg uwen afgod, laat varen den mensch, en houd op te hunkeren naar dien schijn der wereld, die eens met die wereld vergaat. Och, of ik u allen den blinddoek van de oogen kon rukken, dat ge de heerlijkheid onzes Gods en zijn eeuwige schoonheid in het kruis van Christus zaagt.

Maar nu, ge weet het: dát is het eigen werk des Geestes, en daarom wees dien Geest, eeuwig God met Vader en met Zoon, ook in het jaar dat nu ons beidt, bevolen. „Vader sla ons steeds in liefde gade, Zoon des Vaders schenk 21 ons uw genade", maar ook „uw gemeenschap Geest van God!" zij dat de bede waarmeê we de toekomst tegengaan. Klimine u, klimme mij die bede uit een hongerend hart, uit de diepte der verbrijzeling, uit de wegsmelting der ziele op! Ja, komt Gemeente van Christus! laat ons niet meer zeggen, hoe we bidden zouden, maar laat ons-zelf in den gebede gaan. Immers, uw ziele is bereid, of wilt ge nog eerst dieper wegzinken, welaan, roept dan zelf eer we onzen dank en onze smeekingen opzenden nog eerst het „Gena, o God! gena" naar den Hooge, zingende van den 51sten Psalm het 1ste vers.

„Gena, o God! gena, hoor mijn gebed:

Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden;
Delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden;

Uw goedheid wordt noch paal noch perk gezet.

Ei! wasch mij wel van ongerechtigheid.

Mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wet geschonden;

Zie mijn berouw; hoor, hoe een boetling pleit,

En reinig mij van al mijn vuile zonden."
Amen.



1 Het graf van Da Costa ligt voor het Choor der Nieuwe Kerk, waarin deze leerrede werd uitgesproken.

2 Jesaia II : 22.




a .


x
This website is using cookies. Accept