Vrijheid. Rede, ter bevestiging van Dr. Ph.S. van Ronkel, gehouden den 23 Maart 1873, in de Nieuwe Kerk te Amsterdam.

Rede, ter bevestiging van Dr. Ph.S. van Ronkel,

gehouden den 23 Maart 1873 in de Nieuwe kerk te Amsterdam
door Dr. A. Kuyper


Amsterdam, H. de Hoogh & Co. 1873



Waar de geest des Heeren (d.i. van Christus) is, daar is vrijheid.

2 Cor. 3 : 17b.


Geijkt gebruik wil M.H., dat ter Bevestiging in de Kerk van „het stuk der Kerk" gehandeld worde. Ik ben bereid die gewoonte te eerbiedigen, en sta gereed, naar het inzicht mij in Godes Woord gegeven, in korte trekken het pleit voor u te bespreken, hoe én voor de Maatschappij, waarin de Kerk optreedt, én voor de Kerk van Christus zelve, én voor haar Dienaren, de echt menschelijke vrijheid tot haar recht komt.

Mijn verwijzing naar den Corintherbrief strekt daarbij allerminst ter uitstalling van een motto. Het apostolisch getuigenis geldt mij als van God gegeven gids op het terrein der hoogste waarheid, en als niet gesproken zij u daarom, wat niet met juiste gevolgtrekking en naar eisch der denkwet, uit het woord van mijnen tekst mocht zijn afgeleid.

Eerst dient derhalve de zin van dat woord opengelegd.

Van den Christus is sprake. Hij is hier „de Heer." Geen kundig uitlegger denkt er meer aan dit te ontkennen. Van Jezus Christus, niet van den Vader, wordt hier getuigd, dat Hij niet maar geest, maar de 6 geest is. Voor den apostel die dit zegt, valt de mensch in drie deelen uiteen, onderscheiden naar lichaam, ziel, en geest. Dienovereenkomstig teekent hij aan de Coninthieërs drieërlei soort van menschen. Er is een vleeschelijke mensch 1 in wien het lichaam; een natuurlijke, of ziellijke 2 (naar luid de Kantteekenaars) in wien de ziel; eindelijk een geestelijke 3, in wien de geest heerschappij voert. Zulk een geestelijke mensch nu was Jezus Christus 4. Meer nog. Hij was niet slechts een geestelijke onder de menschen, maar de mensch, in wien de geest dermate het eigenlijk wezen vormde, dat hij geworden is tot een levenmakenden geest 5, d.i. tot den geest uit wien, als aller hoofd en middenpunt, het leven vloeit voor alle geest des menschen.

Waar nu de geest van dien Christus zijn goddelijken adel in hart en leven stort, daar is vrijheid. Daar heerscht wat heerschen moet: de geest, — over ziel en lichaam beiden. Daar is de mensch, die in den knechtenaard der Engelen 6 of in het dierlijke des vleesches onderging, weêr opgestaan als kind van God, een vrije zoon in het huis van zijnen Vader geworden. Daar is hij vrij, wijl hem de smadelijke boei, èn van den gevallen Engelenvorst, èn van de losgebroken hartstocht, ontviel.

Dien oorsprong der menschelijke vrijheid te kennen, is ons beter dan veel fijn goud M.H., want meer nog dan naar goud, dorst 's menschen hart naar vrijheid. Naar vrijheid streeft de Maatschappij, om vrijheid roept de Kerk van Christus, vrijheid eischt wie dient aan haar Altaren, — wijl men allerwege de echte vrijheid nog derft. Zij dan voor elk dezer drie 7 de weg tot beter vrijheid aangewezen! Maar vooraf een lied, een lied der vrijgemaakten in Christus:

„Triomf! als Priesters naadren wij,

Gereinigd van de zonden,

Als Koningen gekrooud en vrij,

Van allen dwang ontboudenl


Het Lam verwon al wat op aard

Het Godsrijk zocht te stuiten:

Triomf! triomf! het Lam is waard

Gods zegelen t' ontsluiten!"


Gez. 46 : 50, 51.

I.

Eerst dan de Maatschappij M.H.! Ook met haar toch heeft de Gemeente te rekenen. Ze mag niet met haar eenzelvig worden. Ze mag, op straffe van zelfvernietiging, háár bloei niet als eenig wit kiezen. Maar evenmin mag ze het zonder haar doen, als had ze voor haar geen roeping, als ging de Maatschappij haar niet aan. Veeleer is zij het, die licht in haar donkerheid, leven in haar dood, kracht in haar slapheid heeft te brengen, bij smarte troost, balsem voor haar wonde moet bieden, en alleen onder allen de heilige vrijheid kan uitroepen, bij het slavenjuk dat haar knelt.

Ook die laatste taak is nog verre van voleind. Er is, wie ontkent het, reeds een bloesem der vrijheid ontloken voor alle volk, waarin Jezus' gemeente haar tente opsloeg. Op het stuk der vrijheid is Heidenvolk en Christennatie voor vergelijking eenvoudig onvatbaar. Als levenskorrelen heeft de Kruisgemeente het zaad der vrijheid gestrooid op elk pad der volkeren waar ze doorging, en meest door, vaak ook ondanks haar woord, heeft men aan die vrijheid lust 8 gekregen, ze met tranen en met bloed gekweekt, en ten spijt van zonde en heerschzucht, haar, kostlijke vrucht doen rijpen. De feiten spreken: Er is meer vrijheid in Europa dan ooit Azië kende. Bij de vrijheid door ons genoten, schiet die onzer vaderen tekort.

Toch houdt de dorst aan. Een teug werd ons gegund, maar het drinken tot verzadiging bleef nog verre. Althans, van slaafschen aard zou ik den onfieren man verklagen, wiens geest niet het viervoud eischte van wat hij aan vrijheid bezit.

Dit toont dat de geest van Christus in de Maatschappij nog geen macht is. Ware hij dit, de vrijheid zou er bloeien. En niet slechts haar, meer nog der Gemeente is het tot schuld, dat die geest niet doorbrak. De Kerk heeft de Maatschappij ingehad. Nu ontglipt ze haar. Eenig doel der herovering mag zijn, haar beter dien geest, om haar milder die vrijheid, te brengen.

Zóó getuigt Gods woord, en de ervaring staaft het. In gansch Europa geen vrijer land dan Groot-Brittanje, en vrijer nog dan al Europa's volken de Bond van Noord-Amerika, en toch juist in beî deêz' landen de Christus naar de Schriften voorwerp van volksvereering gelijk wij nauw gelooven. Vooral Amerika spreekt sterk. Spreekwoordelijk „het volk der vrijheid", en tevens naar luid den man die het 't beste kende, een door en door godsdienstig volk, godsdienstig, niet naar der modernen zegswijs, maar in schriftuurlijk, oud-Christelijken zin 7.

Niet in het Staatsbewind moet de Gemeente, ter nabootsing van dat gulden land, willen heerschen. Het voorlaatste artikel onzer Belijdenis, hoe waar ook voor het geloof, in ideëelen zin, is geen regel van Staatsbeleid meer 8. De Staatskerk heeft uitgediend. Het mag gevraagd, of ze ooit ten zegen strekte. Nu alle levenskring 9 een eigen vorm zoekt, mag aan haar herstelling zelfs niet worden gedacht.

Een breeder spoor heeft de Gemeente van Christus te volgen, haar in Amerika's Christenzin geteekend. Haar instrument is het vrije woord, haar macht de invloed op den mensch als mensch: in zijn conscientie, in zijn huis, in de wereld van zijn denken. Breng dáár den geest van Christus en van zelf zal hij ook 's lands wet en 's lands bestuur beheerschen. Wordt die geest een macht in de wereld der geesten, niets weêrstaat hem. En weet ge den geest van Christus in waarheid tot gezag te verheffen, hoe wonder het ook schijne, dan teelt juist de heerschappij van dat gezag de vrijheid uit haar schoot.

Gezag is onmisbaar. Bij ontstentenis er van erft men geen vrijheid, maar stuit op dwingelandij. Dwingelandij van een opgeworpen heerscher, dwingelandij van een dolende meening, dwingelandij van misbruikt kapitaal, dwingelandij van brutaal verzet, dwingelandij van weelde en zondedienst. Geweld voor recht is haar karakter. Alleen het gezag gaat haar te keer.

Gezag is overeenkomstig 's menschen aard; dwingelandij er tegen. De zoon is vrij in zijns vaders huis, juist wijl het gezag van den vader zijn vrijheid waarborgt en beschut.

Gezag moet er zijn, uit de dubbele oorzaak, vooreerst dat niemand op zich zelf staat, en ten ander, dat de een meer macht van geest heeft dan zijn naaste. Behoefte naar gezag leeft dies in 's menschen borst. Men kan hemel en aarde niet zelf met zijn geest omvatten. Een dwaas die het bestaan woû! En zelfs de kundigsten der snedigen dankt negen tiende zijner kennis aan gezag en hoogstens wat dan blijft aan eigen zoeken. 10

Vooral op godsdienstig terrein geldt dit. Wie ge zijt, ge kunt geen honderd mannen noemen, zoolang de wereld staat, wier denkkracht sterk, wier blik ruim, wier ijver volhardend genoeg was, om geheel het samenstel der dingen zoo afdoende te doorvorschen, dat er van zelfstandig inzicht sprake kon zijn. Niet van den gewonen geleerde, ook niet van den wijsgeer, hoogstens alleen van de uitnemendste hoofden der wijsgeerige scholen kan dit bij benadering gezegd. En zij dan nog, . . . ach! reeds eeuwen zwenkt hun kennis tusschen dezelfde polen, en voor zekere wetenschap boden ze nooit anders dan gissingen over het eeuwige en den geest. Van zelfstandige godsdienstkennis zelfs voor den man van nering en bedrijf te spreken, is dan ook te ongehoorde onnoozelheid, om niet hen schuldig te achten, die de argeloos misleiden zich aan zulk een onmogelijk beweren laten te goed doen.

Gezag eischt daarom ook de Apostel. De geest van Christus moet heerschen. Dus niet de geest zonder meer, maar de geest van één, die in ons vleesch en bloed gezien is, van een historisch persoon, waarmeê op eenmaal elk zweven in eigen phantasiën is afgesneden. Maar ook, niet een geest als van Christus, als zou het volgen van zijn spoor reeds kracht tot vrijmaking leenen. De geest van den nu nog levenden Christus moet, in vast geloofsverband, een macht, in den mensch, in zijn huis, in zijn wereld worden, zal de vrucht der vrijheid gewaarborgd zijn aan de Maatschappij.

Om dien band tusschen Christus en het geweten onzer Maatschappij te vlechten, moet de Gemeente weten wat ze wil. Ze heeft met den redelijken mensch te doen, wiens natuur behoefte heeft aan vaste omtrekken, afgeronde inzichten, ongebroken lijnen, en op wien ze bovenal werken moet door het woord. 11 Vooruit verbeurt ze dus haar zegen, zoo ze in steê van hem vastheid te brengen, den twijfel in zijn hart vermeêrt.

Bij instinct haat de Maatschappij elk zweven. Immers, niets oefent zoo machtigen invloed op het volksleven in al zijn gangen, dan de betrekking waarin het hart zich tot het eeuwige voelt. Bloei van wetenschap en kunst, welvaart van nering en bedrijf, huislijk geluk, kalmte van geest en moed tot volharding hangen van dit zielsverband met het eeuwige schier onmiddelijk af. Leg nu dien band vast, en heel de volksstaat zwelt van innerlijke veerkracht. Of ook, maak dien slapper, en verslapping van levenskracht volgt u op den voet. Laat voor overheid en onderdaan, voor rechter en beklaagde, voor kranke en geneesheer, voor rijk en arm, voor man en vrouw, voor 't kind en voor zijn ouders, de blik onbewegelijk vast liggen op God Almachtig en zijn recht, op zonde en verzoening, op een oordeel dat komt en de glorie daarna ingaand, en geen verstomping van het rechtsgevoel is te duchten, noch tegen lastering van den geest behoeft gewaakt. Maar ook omgekeerd: hef die vastheid op, wrik de schroeven los, die de spil van het levensrad dusver muurvast in Gods recht hielden, en geheel het kunstig raderwerk weigert en de volkskracht kwijnt weg. Niet mijn beweren M.H., maar de geschiedenis der natiën, ook de stand van het heden is bewijs.

Die vastheid te brengen en te bestendigen is de taak der Gemeente van Christus, weshalve het een onmisbare eisch voor haar leven is, dat ze zelve die vastheid niet misse, zelve van geen wankelen wete en niet nooit bevenden blik haar oog gericht houde op de dingen van het eeuwige. Ze bestaat door het leven van Christus in haar werkend, maar ook, ze laat het 12 merg van dit leven wegvloeien en verijlen, zoo ze niet in vasten vorm en stellig woord dat leven weet te uiten.

Dat doet ze niet in onze dagen. Vandaar de dwingelandij der enkelen. Den geest van dézen mensch of dien, ontmoet ge op elk gebied des maatschappelijken levens. Van daar de kwelling van het despotisme, 't zij dan door genie, door tact of door geluk gegrondvest. Eerst als de persoonlijke geest van Christus die chaötische heirschaar van lagere geesten weer bedwong en intoomde, zou die dwingelandij uithebben, en voor het rukken aan den slavenketen ons het zwaaien met den hoed der vrijheid zijn gegund.

Vrij zou onze Maatschappij dan worden en vrij onze persoon in haar, want vrij M.H., is elk, die, gebonden door zijn eigen levenssfeer, al het hem vreemdsoortige kan weerstaan. Onvrij is de visch, al ligt hij ongebonden op het drooge, en vrij maakt ge hem juist door hem te binden en te omsluiten in het water. Zóó nu ook de mensch. Zijn sfeer is zijn eigen menschelijke natuur, maar die natuur onbeschadigd, die natuur gaaf, die natuur zelve levenswarm door de koestering van het leven Gods. Welnu, die natuur is niet in u, vindt ge niet om u. Die natuur is in Christus, in den centralen mensch, in den Zoon des menschen, in Hem, het hoofd der nieuwe menschheid, in Hem, den mensch naar het welbehagen Gods. De mensch Jezus Christus was vrij. Vrij tegenover krankte en dood, vrij tegenover storm en golven, vrij tegenover Sathan en zonde, vrij tegenover vriend en vijand, vrij tegenover rechter en overheid, vrij nog in zijn sterven, — waarom Hij opstond uit het graf. Dompel dan in het leven van dien Christus uw menschelijk hart en de Maatschappij, wier lid ge zijt. Breng door het woord, Gode mede betuigende door zijn 13 geest, het element van dien Christus in de conscientie, en de conscientie in het element van zijn geest. Onderwerp alle uitgang en van het hart, alle paden des levens, alle betrekking tusschen mensch en mensch, alle verhouding tusschen den man en zijn broeder aan de wederbarende bewerking van dien koninklijken geest. Kortom, doe én in den mensch én in zijn wereld den geest van dien Christus wonen, en immers, mensch werd, wie nauwlijks mensch mocht heeten, glans keert terug op het dof gelaat der ziel, macht bruist in de aderen waar willoosheid den geest ontsierde, en harten ziet ge kweeken, gezinnen zich vormen, kringen zich ontsluiten, een leven allengs worden, waarin de vrije man vrijheid neemt, wijl ze hem krachtens zijn Christelijken adelbrief toekomt. Geen kruiper behoeft dan meer verfoeid, geen machthebber wordt meer gevleid, tegenover zonde en zinnelust is macht tot zelfverweer. Niet het vleesch, 's menschen geest is tot heerschappij gekomen. En vraagt ge: of zulk een vrijheid in Christus ons vrij ook van den vreemde zal houden? ik zou u wedervragen, of er een vrijer vlag is dan 't met starren bezaaide dundoek van Amerika; of wilt ge uit uw eigen verleden, of Holland ooit vrijer was, dan toen het voor God streed en zijn Woord?


II.

Ook de Kerk is tot vrijheid geroepen M.H. Ze is van geestelijke natuur en heeft krachtens dit geestelijk karakter, op het privilegie van alle geestelijk wezen, op vrijheid, recht. Wane slechts niemand dat ik, van Kerk gewagend, dien onbelompen bussel van verwrongen, saplooze ranken bedoel, dien men nog goed vindt met 14 dien eerenaam te betitelen. Met wat thans Kerk heet komt de Gemeente van Christus geen stap verder. Wat zou ze ook op de Maatschappij met een Kerk vermogen, die in eigen onbeduidendheid wegschuilt, leeft bij gunst van wie haar haten, en eer tot een aanfluiting dan tot een koninklijk Heraut is voor de Maatschappij die haar omringt. Die Kerk is ieder tegen. Geen man van karakter vindt ze naar zijn aard. Sinds lang daalde haar invloed ver beneden het peil, dat eer en waardigheid aanwijst. Ze stiet den geest van Christus uit, dies derft ze de vrijheid, want dwingelandij, geen wettig gezag, stelt ook op haar terrein de wet. Er is dwingelandij van een opgedrongen bestuur, dwingelandij van een prediker hier, van een gemeente ginds, dwingelandij van Bestuurders over Beheer, of van Beheerders over Bestuur, dwingelandij nu eens van liberale oligarchie dan van orthodoxe democratie; maar dwingelandij zoo ver ze reikt, omdat op geestelijk terrein de meerderheid het recht niet maakt, en geen dwang ondragelijker is dan die het op den vrijen geest heeft gemunt. Geen gezag mág in Jezus' Kerk gelden, dan dat willig geëerbiedigd wordt. Zoodra het naar dwang grijpt, hield het reeds op gezag te zijn. Op zich zelf is dit geen oordeel, want waar gezag ontbreekt, kan dwingelandij onmisbaar zijn, maar het blijft „noodzakelijk kwaad."

Voorheen werd dit minder gevoeld. Er was weleer meer eenheid in aller denken, minder verschil in aller streven. Wijl men van gelijke beginselen uitging, was men het vooruit reeds, in het treffen van het doelwit, eens. Doch het werd anders. De eenheid van opvoeding, van begrippen, van levensdoel is verbroken, Wat den eenling eigenaardigs heeft voert thans hooger toon dan wat gemeenschappelijk is 15 aan allen. Gelijk vroeger het eens-zijn, zoo is nu het oneens zijn regel. „Zooveel harten, tooveel zinnen" wierd onze eeuw tot leenspreuk. Verbizondering der geesten schijnt haar tot levenswet gesteld van God.

Reeds daarom kan, daargelaten dat élke poging tot herstelling van het verleden schipbreuk moet lijden, van terugkeer naar 1618 geen heil gewacht. De mensch is anders dan toen. Uitgenomen de diepe snijding tusschen dood en leven, zonde en zoen, is alles in en aan hem anders geworden. Hij voelt anders, minder diep; hij denkt anders, minder scherp, maar zijn levenskring is driemaal ruimer dan voorheen. Andere toonen doen de snaren van zijn hart trillen. Een man der 16e eeuw zou in onze dagen van hartzeer sterven. En zoo ook, één Onzer, in die eeuw teruggeschoven, zou als een vreemde buiten haar levensstroom staan. Wat toen het uitnemendste was is thans onbruikbaar. De psalm des Levens blijft wel dezelfde voor alle eeuwen, maar geen eeuw dringt hij in het hart, tenzij uit haar toonaard, naar eigen trant gezongen. Die toonaard onzer eeuw is niet de gesloten eenheid, maar de splitsing in deelen.

Een geschiedkundig proces, sinds eeuwen gistend, kan eerst door het letten op dien eisch zijn laatste perk doorloopen. Men heeft in Constantijns dagen ter kwader uur beproefd de eenheid der Kerk van Christus in haar éénheid van organisatie te zoeken. Een bestuur door alle gemeenten op aard erkend, één taal door alle priesters gesproken, één schitterende liturgie zou in aller bedehuis vorm der aanbidding zijn! Rome dankt aan dit wegslepend en verslindend denkbeeld baar opkomst en bloei. Ook de herleving van macht, nu in haar tente tebespeuren, welt uit dezelfde alles omvattende, ziel-verbijsterende gedachte der 16 Eenheid, en het „één Heer, één Geloof, één Doop," werd uitgebreid tot de sombere antiphonie, oorzaak van zoo naamloos wee: „één Hoofd, één Lied, één Woord op aarde!" Gevolg was dat de eenheid des geestes week, naar gelang het schijnéén straffer werd aangebonden, en het einde der middeleeuwen vindt Rome, zelve waggelend onder den last dier eenheid, die ten leste in de Hervorming stukspringt, gespleten door de ontembare geestesmacht van één enkele die, door zielsangst gefolterd, zielsrust zocht.

Juist dit feit echter bewijst overtuigend dat de arbeid der Hervorming, hoe schoon ook begonnen, halverwege is gestaakt. Vrijheid van den geest moest ze brengen, en ze kranste zich reeds met lauweren toen nog slechts de vrijheid der landskerk gewaarborgd was. Niet genoeg kan hierop gedrukt. Rome's eenheid omvatte alle landen en in alle land alle ziel die beleed. Nu de vloek dier eenheid bleek, verbrak men haar, edoch slechts ten halve: wel haar eersten, niet haar tweeden band. Men maakte de volkskerk vrij van de wereldkerk door Rome gesticht, maar in die volkskerk bleef de eenheid gehandhaafd. Zoo keerde Rome's euvel, zij het op kleiner schaal, in de landskerken terug, en het denkbeeld, om de eenheid, die voor de wereld onbruikbaar was bevonden, althans voor de eigen erve in stand te houden, bleek zóó machtig, dat er mannen zijn, van vroeden zinne, die nóg niet aan haar bekoring ontkwamen.

Kortwieking der vrijheid was voor dit niet-volgen van Christus de natuurlijke straf. De geest van Christus werkt niet dan geestelijk, en poogt eenheid in het vele te werken, niet omgekeerd het vele naar de eenheid te dwingen. De geest van Christus week uit een inrichting, die de geestelijke lijnen der menschheid 17 verwringen wilde naar heur aardrijkskundige grenzen. Immer den vrijen geest werd hierdoor geweld aangedaan. Onmachtig om zijn volle kracht te ontplooien, geraakte zoo de geest onder de macht van den Staat, van het Kerkbestuur, van de logge macht der onverschilligheid. En in stede van een vrije bloeiende kerk, geestelijk keurend en in geestesmacht kracht zoekend, hebt ge een brosse en vermolmde stichting, die kraakt waar ge haar aanraakt en slechts op wegruiming wacht.

Wat de Hervorming ongedaan liet, is ons ten plicht, M.H. De taak onzer eeuw is de splitsing der kerken zoo zonder sparen door te zetten, tot de geest van Christus, en die alleen, maatstaf zij van kerkformeering. Vooral op het stuk van godsdienst, bij gebed en prediking, bij sacrament en zielverzorging is onware, gedwongen samenkoppeling van het ongelijksoortige het ondragelijkst juk; en dan eerst zal den geest van Christus recht geschieden, als met wegneming van deze gekunstelde eenheid; met prijsgeving van die hersenschim, die onder den lieflijken naam van „volkskerk" bekoort; met terzijstelling van allen schijn en alle onwaarachtigheid, uiteenspat wat nooit samenhoorde en slechts zij zich samenvoegen, die metterdaad ééns geestes zijn. De eenheid der Kerk heeft de eenheid des geestes gebroken, — alleen door de veelheid der kerken keert de eenheid in Christus terug.

Het is een ernstig belang dat ik bepleit. Zoolang de gemeente die valsche eenheid gezocht heeft, is het een bijten en vereten geweest in Jezus Kerk, hem tot droefenis, haar tot smaad en schande. Van de reuke der liefde was weinig te bespeuren, en wat zich zoo noemde was meer kweezelende zoetsappigheid, dan liefde uit God. Vrome zin werd niet gekweekt. 18 Godsvrucht niet beoefend. Ze kwam nooit aan haar geestelijke taak, onze Kerk, wijl ze steeds te woelen had in eigen ingewand. Demonische machten heerschten meest, de geest van Christus, was er, althans in haar inrichting zelden.

Maar, draagt ze dat oordeel wijl ze inging tegen den aard van Christus geest, — terugkeer tot dien geest heeft dan ook nog steeds de belofte der vrijheid. Voltooit men de splitsing, niet bij wijze van uitvlucht, niet bij manier van proefneming, maar uit gehoorzaamheid, met belijdenis van zonde, dan zijn we van de schenking van 's Heeren geest verzekerd, en wordt de Vrijheid ons ten loon geboden. „Verdeel en heersch" mits verstaan van zelfverdeeling, en niet op anderen maar op uzelve toegepast, is het parool tot onfeilbaren triomf!

Dan toch zal de Kerk van Christus ook in deze erve weer vrij zijn, om vastheid van vorm en belijdenis en levenstrant te kiezen, en toch aan allen man en alle vrouw het onverkorte recht der vrijheid blijven, om aan geen vorm deel te nemen, die geen behoefte van het hart voldoet. Dan zal ze, vrij van den Staat, en in haar splitsing voor geen Staatsbewind te duchten, door haar invloed op de conscientie en het huisgezin, nogtans de vreeze Gods ook in het Staatsbeleid doen eeren. Niet langer tot verspilling van haar eêlste kracht in eindeloos krakeel gedoemd, zal ze, met verdubbeling van levensmoed, zich op het volle leven werpen, en, eere voor zich zelve winnend, der Maatschappij ten zegen zijn. Ziet het aan Amerika M.H. Dáár is, wat hier moet worden, en bevoegde getuigen zeggen u, dat geen land zoo godsdienstig, geen volk zoo zedelijk is en het „odium theologicum," dat giftigst aller giftige kruiden, op zijn bodem niet wast 9. Zonder dwang, zonder juk, heerscht daar de geest van Christus, en Christus zelf 19 waakt bij het altaar van Amerika's heilige vrijheid. De Kerk is er machtig, juist wijl ze alle macht dorst prijsgeven; geëerd, wijl ze alle eer versmaden dorst; en de liefde van heel een volk dankt haar voor den milden zegen dien ze spreidt 10. Dáárheen wenkt u het Evangelie, dáárheen dringt onze jammer, roept u Amerika's bloei. M.H. Geen, menschenvondst, God zelf heeft ons dit spoor geteekend. O, dáár zingt men uit de vollei borst, wat ik ook u op de lippen leg, al wekt het ons meer heimwee dan genieting:

„Ai ziet! hoe goed, hoe lieflijk is 't, dat zonen

Van 't zelfde huis, als broeders, samen wonen,

Daar 't liefdevuur niet wordt verdoofd!

't Is als de zalf op 's Hoogepriesters hoofd,
De zalf, waarmeê hij is aan God gewijd,

Die door haar' reuk het hart verblijdt."


„Waar liefde woont, gebiedt de Heer den zegen;

Daar woont Hij zelf, daar wordt zijn heil verkregen,

En 't leven tot in eeuwigheid!


Psalm 133 : 1, 3.

III.

Gelijk de Gemeente in het midden der Maatschappij, zoo behoort ook de Dienaar in de Gemeente middenpunt te zijn van geestelijk leven, en heeft dus ook hij op echt menschelijke vrijheid een deugdelijk en onwraakbaar recht.

Recht op vrijheid komt hem toe, niet tegenover de Gemeente, maar juist óm harentwil. Immers, de geest van Christus moet haar toegediend bij haar altaren, niet haar eigen geest. En toch van dien geest des Heeren zou ze verstoken blijven, zoo er dwang of opzet bestond, om de zonde der gemeente of haar kranke neiging te ontzien. Breking van 20 veerkracht bij den leeraar zou dan spoedig geestelijke verstomping bij de Gemeente ten gevolge hebben, en, bij vervreemding van den geest van Christus, ging, eer ze het zelve bespeurde, alras haar eigen vrijheid in zondemin, in huichelarij en oogendienst te loor.

Recht op die vrijheid heeft de Dienaar, óók door het onvervreembaar recht der wetenschap. De Gemeente heeft bij den bloei der godgeleerdheid belang, en een Kerk die alle godgeleerde wetenschap bande, zou ten leste haars ondanks verloopen in een kweekplaats van lichtschuw, en dies bekrompen onzedelijk fanatisme.

Edoch, die vrijheid wordt den dienaar betwist, zoo men voorgeeft, wijl hij die vrijheid misbruikte.

Dat dit nimmer geschied is, beweer ik niet M.H.! maar als regel meen ik te mogen vaststellen, dat de dienaren onzer kerken nooit dan uit overtuiging een strijd met de Gemeente hebben aangebonden, of afgingen van haar standpunt. Vergeet het niet, de wetenschap is onhandelbaar. Ze is vrij en moet dit zijn. Men kan niet doen, alsof men niet wist wat men wél weet, of wat men weet, slechts giste. De wetenschap is een macht, die kreeg ze eens vat op hart en hoofd, geheel onze persoonlijkheid aan zich onderwerpt en niet aflaat, eer onze eigen lippen beleden hebben, wat ze ons voorzei in den geest.

Zoo deden ook de dienaren onzer Kerk en, voor zoo ver ze niet aflieten van den Christus der Schriften, is de misstand waarin de Gemeente geraakte, niet uit misbruiken van de vrijheid, maar veeleer uit het onhoudbare onzer kerkinrichting te verklaren.

Ook te dezen opzichte heeft de volkskerk schuld. Haar valsche eenvormigheid heeft den geest eer tot verzet geprikkeld, dan tot meêgaandheid geneigd. Slechts één Kerk voor oogen hebbend, waarin allen 21 moesten saamwonen, liet de Gemeente argwaan postvatten in haar hart, en meenden op hún beurt haar dienaren, zich achter een hoekige borstwering van ongeestelijke reglementen te moeten dekken. Het vertrouwen, eens geknakt, was moeilijk herstelbaar, en zoo is het gekomen, dat alle gezonde verhouding verbroken werd, en de Gemeente op den leeraar, de leeraar op de Gemeente naijverig, in weerkeerige breideling, in steê van in sympathie des levens, waarborg zochten voor eigen vrijheid en recht.

De ééne groote volkskerk heeft schuld. Splits haar in zóóveel groepen of kringen, als er werkelijk beginselen bepleit worden, en elk, dien geestesdrang tot het ambt wijdt — van anderen rep ik niet — zal den kring mijden, die hem afstoot, en zijn Kerk vinden, passend bij zijn aard. Maar dwing tot valsche eenheid, en het wederzijds gebonden leven moet tot botsing leiden, der Gemeente tot schade en den dienaar die haar liefheeft tot bedroeving van het hart.

Zoolang ge de volkskerk handhaaft en den arbeid der Hervorming niet door voortzetting van het splitsingsproces voltooit, is de dienaar geen Herder en hebt ge voor het priesterlijk leven geen terrein. Men spreekt voor de schare, maar die schare kent men niet. Er is geen gemeenschap, er zijn geen nauwe banden of het moest met den enkele zijn. Ach, die knoopt men niet in engeren zin met de Gemeente als lichaam, zoodra te ver over het duizendtal zich het toebetrouwde deel der Gemeente uitstrekt. Zoo ontbreekt werkelijk de eenheid. Leeraar en Gemeente leiden elk een eigen leven, steeds verder uiteenwijkend, tot ten leste de één den ander nauwlijks terugvindt of herkent.

Maar hef die ééne massale Kerk op, laat dien gedrochtelijken kolossus, door eigen topzwaarte kantelend, 22 vergruizelen in zijn deelen. Geef elken dienaar zijn eigen kerspel, naar zijn en der Gemeente geheel vrije, onbeperkte keus. Open voor elk karakter, voor elken aanleg, voor elks geestesaard een eigen wedloop. Bind niemand, gun èlk zijn wil, en . . . juist, wijl ge de vrijheid vertrouwen dorst, zal de Vrijheid u ten schutsengel zijn.

Wat men nú beoogt is toch een hersenschim. Vijftienhonderd mannen te vinden in ons kleine Vaderland, genegen in zúlk een Kerk te dienen, en die genoegzaam mannen van het woord zijn, om meest tweemaal telken weeke voedende taal op het altaar te brengen, is kortweg willen wat Hij die alleen menschen schept, en hun zijn gaven geven kan, u soeverein ontzegt.

Maar hef uw volkskerk op, en als van zelf wordt het zwaartepunt der bediening van den kansel naar de bidcel verlegd, en kweeking der zielen hoofdzaak, meer dan het redenen houden in Gods huis.

O, denk u, zoo ook onze Gemeente, naar beginselen gedeeld en gesplitst in haar kerspelen, dat alle dwang wegviel, en elke kring zich ten voorganger koos, wie de man des vertrouwens was. Denk u den dienaar in dien beperkten kring met elk gezin bekend, aller huisvriend, ze allen bij namen noemend, en met geestelijken blik onderscheidend, wat er woelt in elks hart. Denk u in dien kring allen door dienzelfden dienaar gedoopt, door hem onderwezen, door hem gehuwd, door hem bezocht op 't krankbed. Hij aller raadsman. Zij zeker, dat bij hun sterven den vriend huns levens met hen worstelen zal. Denk u in dien gelukkige, door geen beslommering van werktuigelijken arbeid noch ergerlijk getwist gekweld, een priesterlijk hart, om voor zijn vertrouwelingen te bidden, hun 23 aard te bestieren, den strijd der zonde met hen te strijden, te deelen in hun smart en hun rouwe, en zeg mij, bid ik u, in wien het op zou komen, voor zulk een nog een vrijheid te bedingen, die in het ambt zelf haren wortel vindt en hare kracht. En acht ge dat de prediking des Woords daarbij verliezen zou! Neen, zeg ik u, maar ze zou winnen, winnen aan degelijkheid en ernst, zoo de sympathie der liefde haar bezielde, bekendheid met elks nooden ze richtte, en het woord van den redenaar onderging in de zacht manende stem van den vaderlijken vriend. Ja, zoo vast, zoo diep en innig ben ik van den vloek van het heden, en van den zegen van zúlk een toekomst door zijn H. Geest overtuigd, M.H., dat ik u, als Gemeente, noch mijzelve, als dienaar, een kostelijker gave van onzen God weet toe te bidden, dan dat Hij ons zúlk een Eden, nog eer we sterven, doe aanschouwen.

Alleen de blik op zulk een toekomst geeft kracht tot volharding, zoolang de jammer nog aanhoudt, die ons drukt. Toch is er ook in zúlk een jammer vrijheid voor den dienaar te vinden, mits hij ze zoeke in den geest van Christus, en niet in het toespitsen van zijn eigen recht.

De geest van Christus is die der zelfvernietiging. In onzen jammer ging hij in. Niet uit de hoogte kastijdde hij ons, bij stond niet tegen ons over, maar kwam in gestalte als onzer één, tot zelfs in de gelijkheid des zondigen vleesches.

Zóó dan is de koninklijke wet, de wet der liefde, de wet des geestes van Christus, dat ook zijn dienaar in onze dagen zichzelf vernietige, de gestalte der Gemeente aanneme, en inga tot in de gelijkheid van haar zondigen vorm, mits gewapend met de macht 24 des geestes. Tot verzet is ook de zwakke bekwaam. Voor het meêlijdende priesterschap moet de Heer iets reiken van de almacht zijner liefde.

Maar aan zulk een toewijding ontgaat dan ook de kroon der vrijheid niet M.H. Immers, wat machten van zelfverweer aan de vrije persoonlijkheid ook ten dienste staan, de meeste van deze is de liefde, en meer dan eenige andere geeft de priesterlijke liefde een meerderheid, die verheft. Ze is een geestesmacht, die nog gansch anders dan uitnemendheid des denkens, de conscientie verwint, de harten opent en den tegenstander zijn wapen uit de hand slaat. Ze maakt fier en vrij, niet wijl ze een veste om ons bouwt, maar wijl ze een macht in ons kweekt, die, uit Christus in onze ziele geplant, te sterk en ontembaar is, om ooit banden te dulden. Ze is als de held, voor wiens zwaardslag elk terugdeinst, en toch ook als de teedere vrouw, wier zachtheid elk terugge doet gaan. Haast zou ik zeggen, ze is te hemelsch van oorsprong, om veel gevonden, om lang behouden te worden, en zoo machtig, spant ze het hart, dat de ure wel met haaste komen mag, dat zoo schier bovenmenschelijke inspanning niet meer van de dienaren der Gemeente worde geëischt.

Blijve daarheen dan ons oog gericht M.H., en verbeiden we, met het stille heimwee des harten, dien dag, der zuivering en der betere hervorming, waarop de Geest van Christus in zijn dienaren door de Gemeente de Maatschappij tot koninklijke vrijheid uit zal leiden, en Christus Kerk, nog immer een gebondene, nu aller aanfluiting, zoo zuiver het kan, ten spiegel zal strekken voor die Stad Gods, die boven en daarom vrij is, Jeruzalem, onzer aller moeder! Amen. 25




Aanteekeningen.

1 1 Cor. 3 : 3.

2 1 Cor. 2 : 14.

3 1 Cor. 2 : 15.

4 1 Cor. 15 : 49.

5 1 Cor. 15 : 45.

6 Hebr. 1 : 14, Vgl. Joan. 8 : 44, Coll. vs. 34-36.

7 Blz. 8. Bedoeld is Alex. de Tocqueville, wiens werk La Democratie en Amérique, van Europeesche vermaardheid, reeds den 15e druk bereikte, en waarin hij deel II, bladz. 221 schrijft: „Bij mijn komst in de Vereenigde Staten trof mij bovenal de godsdienstige indruk, die geheel het land op mij maakte. En naar gelang ik mijn verblijf rekte, bleek mij de beteekenis, die dit feit ook voor de staatkundige gesteldheid des volks had." En bladz. 219: „Men wil mij dagelijks bewijzen, dat alles in Amerika wel is, juist met uitzondering van dien godsdienstigen geest, dien ik bewonder, en dat aan de vrijheid en het geluk der Amerikanen niets ontbreekt dan het voetspoor van Spinoza en Cabanis te drukken, die van de eeuwigheid der wereld en den stoffelijken oorsprong der gedachte spreken. Hierop heb ik in waarheid niets te antwoorden, dan dat, wie zoo spreekt, in Amerika niet geweest is, en niet weet wat een godsdienstig en tegelijk vrij volk is. Ik spreek ze nader, als ze uit Amerika terugkomen!"

8 Blz. 8. Artikel 36 onzer Belijdenis moet thans niet in zijn tegendeel omgezet. Wat onze vaderen over den plicht der overheid beleden, belijden ook wij. Slechts brengt verandering van toestand wijziging in tweeërlei opzicht. Vooreerst, al behoort moeder en kind bijéén, toch kan, wordt een dier beide door gevaarlijke besmetting of waanzin aanpgrepen, afzondering voorschrift van bezonnenheid zijn. Hierom is het artikel geen altijd geldende regel van Staatsbeleid. En ten andere: Over de middelen zwijgt de Belijdenis. Blijkt nu dat het Evangelie niet beter kan bevorderd, noch de valsche godsdienst krachtiger tegengestaan dan door volkomen godsdienstvrijheid, dan volvoert de Staat den plicht hem in dit artikel opgelegd juist niet, zoo hij doet, wat naar inzicht van vroegere dagen als plicht voor hem gold.

9 Blz. 18. „Odium theologicum" is de Latijnsche benaming voor de spreekwoordelijke vinnigheid, waarmeê godgeleerden aller eeuwen zich bezondigd hebben, door in krabben en bijten een wapen te zoeken van aanval en verweer.

10 Blz. 19. Cf. de Tocqueville, II. p. 222. „Europa toonde mij godsdienst en vrijheid steeds op elkander naijverig. In Amerika vond ik beide op het nauwst vereend." Blz. 218. „De Amerikanen mengen godsdienst en vrijheid zoo op het innigst dooreen, dat ze 26 buiten machte zijn, zich godsdienst zonder vrijheid, of vrijheid zonder godsdienst voor te stellen." Blz. 223. noot. Het groote deel der opvoeding is toevertrouwd aan de geestelijkheid. Blz. 230 wijst hij er op, hoe het bij ons juist omgekeerd als ginds is. Hier treedt het ongeloof brutaal op en doet valsche schaamte het geloof verbergen. Maar daar „verbergen zij die niet gelooven, hun ongeloof. Zij die gelooven, toonen hun geloof, en zoo vormt zich een publieke opinie ten voordeele van den godsdienst. Men heeft ze lief, men steunt, men eert het geloof!" Deel III. 331. „Waarin de reizigers die Amerika bezochten ook verschillen, hierin komen allen overeen, dat de zedelijkheid er oneindig beter is dan ergens elders."
Overigens merk ik nog op, dat de Gereformeerde Kerk in beginsel tegen de landskerk is, en wel ter deeg den Geest van Christus als constitutief beginsel der Kerk heeft aanvaard. Alle Gereformeerde Kerken zijn in oorsprong bondgenootschappelijke vereenigingen van zelfstandige gemeenten, die juist door de kerkelijke tucht tegen ontaarding in een Volkskerk waken moesten. Het ontstaan der Volkskerk, in strijd met het Gereformeerde beginsel, gaf aan die tucht, en daarmeê aan geheel den kerkstaat, de doodsteek.
Gaarne voeg ik hier, wijl men het mij verzocht, nog bij, dat ik, na het heerlijk slot van de keurige toespraak aan den Bevestigde, die in ons gewijd formulier voorkomt, en in aansluiting aan de woorden: „Ende als de overste herder verschijnen zal, so zult gij de onverwelcklicke kroone der glorie behalen," ongeveer het volgende gezegd heb: Had de man, wiens gebeente een zerk in dezen tempel dekt, en wiens hart zóó in dien dag der glorie leefde, dat hij de Gemeente wel om 's Heeren toekomst als banier had willen verzamelen, déze ure met ons kunnen zijn, o, wat zou zijn hart hoog van heilige vreugd geklopt hebben, het ziende, dat een zoon uit zijn zoo gemind en nooit vergeten Israël het ambt ontving in diezelfde Gemeente, die hem nooit heeft geëerd, wijl ze hem nooit heeft begrepen. Zij voor u, geliefde broeder, die afkomst uit Israël maar nooit een voetstuk der hoogheid. Vloeie ook daaruit veeleer een zegen over de u toebetrouwde schare, en kunt gij als Israëliet in Israëls Schrift dieper indringen, en beter dan wij u in Sems tente thuis gevoelen, o, vang dan in den spiegel van het eigen hart den lichtstraal op, in die tente zoo schitterend gespreid om ze den geloovigen tot leiding en vertroosting te weerkaatsen in hun ziel. En mag ik dan, nog een kort woord hieraan voor mij zelven toevoegen, zij het dan dit. In van Bell, wiens plaats ge komt innemen, verloor ik uit de rei mijner ambtgenooten een man van wetenschap, in u vind ik dien man van wetenschap, maar bovendien wat van Bell mij niet was, een geestverwant terug. Op dien grond verzwijg ik het niet: ook ik heb aan sympathie der ziele en des geloofs behoefte, — worde die, na bieding der mijne aan uw hart, ook mij uwerzijds gegund!




x
This website is using cookies. Accept