Aan Ds. J.H. Gunning

De Weg ter Godzaligheid

1e Jaargang, onder redactie van A.H.L. de Bel, Zwolle (J.P. van Dijk) 1875
Aflevering 3, 33-38

a



Geliefde Broeder!


Uw „Lijden en Heerlijkheid" b heeft mij verkwikt. Zoeter vrucht van den zielsangst die ik met zoovelen die u op het hart dragen een vorig jaar om uwentwil doorstond, kondt ge ons wel niet bieden. Een vrucht in úw lijden gerijpt voor de ure dat ook óns het lijden genaakt.

Van éénheid in inzicht en wijze van uitdrukking raken we met elke nieuwe ontknooping van de banden waar onze eeuw in gevangen ligt, verder af, maar onder die spraakverwarring blijft het toch leven van éénzelfden sprinkader dat al Gods kinderen door de aderen der ziel trilt en hoe dichter ons het lijden (en het lijden, God weet het, is het niet tot het ziekbed beperkt) naar het hoogepriesterlijk hart van onzen Middelaar dringt, hoe sterker we die éénheid van het leven gevoelen.

O, als ook die troost ons begaf, wat steunpunt bleef er, Gunning, voor het naar broedermin dorstend hart bij de uiteenspatting der geesten in onze dagen.

Gij bleeft mij dien broedermin, bij al den keer der opinie, van enkele ook onder de broederen te mijwaart, steeds gunnen.

Behoef ik u te zeggen, dat ook mijn liefde voor u, in weerwil van vroegere gedingen steeds vast stond in onzen Heer.

Als teeken van mijn belangstelling in uw arbeid, niet als poging tot kritiek, ik weet het, zult ge het dan ook opvatten, indien ik een enkele vraag kom voorleggen over wat ge in uw keurig boekske over de Brightonsche beweging zegt.

Ik wilde wel dat ik namen van plaatsen en personen bij het bespreken dier mij heilige geestelijke werking steeds geheel kon mijden, maar waartoe een zucht tot overgeestelijkheid, die gij niet het minst in mij zoudt afkeuren?

Gij, lieve broeder, weet genoeg, hoe ik de eerste zou zijn, om Mij te verzetten tegen elk pogen, om eenige menschelijke persoonlijkheid in dit werk des Geestes te verheerlijken; hoe volstrekt niets ik hecht aan de uiterst gebrekkige vormen, waaronder deze beweging is opgetreden; en dat het uitsluitend de kracht des heiligen levens in deten onderbrenging van het eigen ik en het verheerlijken van mijn Heiland is, die ik in mijne mate den God des Ontfermens in dezen weg dank weet!

Toch schijnt er ook in uw voorstelling nog een misverstand te 34 heerschen, waarop ik immers met een kort woord wijzen mag.

Gij schrijft dus c:

„Van toewijding en heiliging hoort men veel spreken in de gemeente. Men houdt bidstonden, samenkomsten ter toewijding aan den Heer, eerbiedwaardige mannen als Pearsall Smith en anderen wijden er al hun kracht aan om de bevolkingen daartoe te brengen, menigeen roemt deze verkondiging als iets nieuws, als het eigenlijk Evangelie van de tweede bekeering zonder welke de eerste vruchteloos is, enz. God zij gedankt dat deze heerlijke dingen met ernst bedacht, met gloed verkondigd worden. Maar treurig is het dat men den heiligen Doop en wat er toe behoort, daarbij zoo onverantwoordelijk vergeet! Zie, gij zijt gedoopt: en toen gij, bij uwe aanneming en bevestiging als lid der gemeente, de doopsbelofte van uwe ouders af en op uzelven genomen hebt, toen gij tot het Avondmaal des Heeren kwaamt, wat deedt gij toen toch anders dan, hetzij u werkelijk toewijden, hetzij althans uwe roeping tot toewijding voor God en menschen erkennen? Zegt gij nu: ja, dit alles deed ik, maar het was gedachteloos gewoonte-werk, uitwendig en harteloos volgen van bestaande kerkelijke instellingen — dan antwoord ik u: Gij belijdt, ik hoop met verbrijzeling des harten en de diepste beschaming, dat dit alles bij u ijdel was en gij die belofte lang verbroken hebt. Maar ik zeg u, het verbond Gods met u bestaat: het verbond, bij uwen doop door God met u aangegaan, is van Zijne zijde niet verbroken, het blijft bestaan. God had zonder twijfel recht u te verlaten, gelijk de man tegenover zijn overspelige vrouw: maar zie, Hij doet het niet (Jer. 3 : 1) dit is Zijn ondoorgrondelijke lankmoedigheid over u. Veracht den rijkdom dezer goedertierenheid niet: en als gij na spreekt van toewijding aan den Heer, zoo doe het, o doe het oprecht en ernstig, maar geef eere aan Gods trouw, hecht deze uwe toewijding aan uwen doop en uwe toetreding tot het Avondmaal vast, zeg dat gij nu, erkennende dat God het verbond niet verbrak, ook van uwe zijde berouwvol tot Hem wederkeert, en niet een nieuw verbond thands maakt alsof er vroeger niets gebeurd ware, neen, maar dat gij thands het oude, bestaande verbond eindelijk ook van uwe zijde begint te eeren."

Deze zinsnede deed een dubbele bedenking bij mij opkomen.

Prediken zij die uit Brighton terugkwamen, metterdaad een tweede bekeering?

Ik waag het te betwijfelen.

Een woordenspel kunt Gij althans in zoo heilige dingen niet bedoelen. „Bekeeren" naamt ge dus in den gangbaren zin van „ten leven komen uit den dood," overgaan uit het rijk der duisternis in het koningrijk van den Zoon der liefde."

Is nu een herhaling van het Bekeeringswerk in dien zin door ons als eisch gesteld?

Door mij stellig niet.

Ze klinkt mij als de ongerijmdheid zelve in het oor, en moeilijk zelfs kan ik mij voorstellen, hoe iemand zich een oogenblik ook maar de wezenlijkheid van een „nogmaals zich bekeeren" denken kan.

Evenmin doelt ge op een terug keeren tot den Heer na dagen van 35 verkoeling der liefde. Zúlk een herhaling der bekeering toch kent ieder kind des Heeren, en zullen we blijven kennen tot aan onzen dood.

En dat ge op voortzetting van een begonnen bekeering het oog zoudt gehad hebben, mag ik even weinig onderstellen, want die wilt ge immers met ons?

Ge kunt dus uitsluitend doelen op wat we in overeenstemming en met dezelfde woorden als onze Vaderen uit vroeger eeuwen geleerd hebben, dat er na de bekeering nog een tweede soms scherp geteekend, en hoogst gewichtig moment in de ontwikkeling van het geloofsleven komt, dat we op het voetspoor van den ook u bekenden van Mastricht een tweede levendichmaking noemden, en dat ik in practischen vorm ook aldus zou kunnen uitdrukken: De overgang in ons van den Arminiaan tot het zuivere geloofsstandpunt van Gods kinderen.

Een wedergeboorne begint met in het denkbeeld te staan dat nu in zijn hart zeker depôt van geestelijke kracht is neergelegd, waarmeê hij nog eens de moeite en den strijd, waarvoor Adam bezweek, te beginnen heeft.

Dit ontmoedigt en maakt troosteloos al wie het waarlijk om den levenden God en diens eeuwigen vrede te doen is, en drijft de eigengerechtige op paden van hoogmoed en zelfmisleiding.

Gods kind kan in dien toestand dan ook niet blijven en na lang her- en derwaarts slingeren komt er eindelijk een moment in zijn leven, dat hij dat draf der zwijnen leert verafschuwen, opstaat naar zijn Vader gaat en nu belijdt niets, niets in eigen hart, niets in de eigen ziel te hebben, alles slechts in Christus en hém geschonken voor en door het geloof.

Dat dit meestal saamvalt met den overgang van ons geestesleven uit de eenzijdige aanbidding van den Middelaar tot de onuitsprekelijke heerlijke gemeenschap met het Drieënig Wezen zelf, behoeft voor u geen toelichting. Het bij Christus blijven staan, zonder door Hem den toegang te vinden, is een geestelijke krankheid die gij met mij betreurt.

Laat mij er ten slotte nog bij opmerken, dat onze vaderen dit gewichtig moment in het genadeleven niet zelden met de Verzegeling in verband bragten, niet als ware deze een mechanische daad aan onze ziel, maar als de saamtrekking voor ons bewustzijn van die bevestiging, en verzekering, die de H. Geest voortgaat alle de dagen onzes levens krachtiger in ons te maken.


Hiermeê hangt saâm wat gij over de „toewijding" schreeft.

Zoo gij waant, was het H. Verbond dat in het Sacrament des Doops bezegeld ligt, daarbij onzerzijds vergeten; en die vermaant ge ons, met ootmoed te erkennen, dat het Verbond onzes Gods dat van zijn zijde wel ter dege ontstond, „nu eerst door ons geëerd wordt." 36

Voor anderen kan ik ten deze natuurlijk niet spreken, maar als ge mijne Amsterdamsche hoorders ondervraagt, zoudt gij toch, geloof ik vernemen, dat de Doopsgenade mij een heilig pand was en de leer der Verbonden een niet zelden wederkeerend bestanddeel van mijn prediking.

Waarlijk, ik heb mij nooit ingebeeld, dat het eeuwig verbond der genade, dat met den Middelaar reeds voor de grondlegging der wereld gesloten, onmiddelijk na den val geopenbaard, en in het bloed des Nieuwen Testaments als exhibitief bezegeld werd, eerst ontstaan zou door een daad van toewijding onzerzijds.

Hoe zouden wij tot een Verbond met den Eeuwige komen, als Hij het verbond niet gesticht en ons geboden had.

Zal ook het leem een Verbond aanbieden aan den Pottebakker?

Springt de zondige onwaarheid van zulk bestaan niet te klaar in het oog?

O, geloof mij, indien het Verbond der genade van onzen God niet rustte in Zijn eeuwige Ontferming en onwankelbare trouw; indien dit Verbond niet door Hem tot ons gebragt, ons bezegeld en bekrachtigd was, zelfs de gedachte van een Verbondsbetrekking met het Eeuwige Wezen zou in mijn ziel nooit zijn opgeklommen.

Maar moet daarom elke daad van toewijding uit dit Verbond zijn oorsprong hebben?

Is er niet een soort van verbonden der gelofte, die naar het zeggen onzer ouden het gemengde karakter van het genade- en het werkverbond droegen?

Een verbond der gelofte, waarbij de mensch voor den Heilige verschijnt, zich met of zonder eede verbindt, voortaan voor Hem te leven en afstand te doen van zijn ongerechtigheid, en op dien grond bidt dat de Heer zich aan hem vinden late?

Was dat zoo verkeerd van onze Vaderen gezien?

Ze beriepen zich meestal op 2 Chron. 15 : 12 enz.

Wat lezen we daar?

En zij traden in een verbond, dat zij den Heere, den God hunner vaderen, zoeken zouden met hun gansche hart en met hunne gansche ziel. En al wie den Heere, den God Israëls, niet zou zoeken, zou gedood worden, van den kleine tot den groote en van den man tot de vrouw toe. En zij zwoeren den Heere met luider stem en met gejuich, desgelijks met trompetten en met bazuinen. En gansch Juda was verblijd over dezen eed: want zij hadden met hun gansche hart gezworen, en met hunnen ganschen wil Hem gezocht; en Hij werd van hen gevonden, en de Heere gaf hun rust rondom henen.

Van een verbond in gelijken zin is in Jozua 24 : 15 en Nehemia 10 : 29 sprake. Gemeenlijk verwezen onze Vaderen ook naar Ps. 119 : 106, waar, volgens goede uitlegging, evenzeer een verbond, en wel een verbond van den enkele bedoeld wordt. 37

Op één lijn hiermeê staan de Geloften van wijderen omvang, die in onze oude dogmatieken wel ter dege een afzonderlijk leerpunt vormden, en ten deele, hoewel van Gods zijde, niet van de onze, de particuliere verbonden met het huis van Aäron, met den stam van Levi en het huis van David.

Van het verbond met Pinehas lezen we Numeri 25 : 12 en 13.

Daarom spreek: Zie, Ik geef hem mijn verbond des vredes. En hij zal hebben, en zijn zaad na hem, het verbond des eeuwigen priesterdoms, daarom dat hij voor Zijnen God geijverd, en verzoening gedaan heeft voor de kinderen Israëls.

Van dat met Levi in Maleachi 2 : 4-7.

Dan zult gij weten, dat Ik dit gebod tot u gezonden heb; opdat mijn verbond met Levi zij, zegt de Heere der héirscharen. Mijn verbond met hem was het leven, en de vrede; en Ik gaf hem die tot eene vreeze; en hij vreesde Mij, en hij werd om mijns naams wil verschrikt. De wet der waarheid was in zijnen mond, en er werd geen onregt in zijne lippen gevonden; hij wandelde met Mij in vrede en in regtmatigheid, en hij bekeerde er velen van ongeregtigheid. Want de lippen des priesters zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijnen mond de wet zoeken: want hij is een engel des Heeren der heirscharen.

En van dat met Davids huis Jeremia 33 : 20, 21.

Alzoo zegt de Heere: Indien gijlieden mijn verbond van den dag, en mijn verbond van den nacht kondet vernietigen, zoodat dag en nacht niet zijn op hunnen tijd: zoo zal ook vernietigd kunnen worden mijn verbond met mijnen knecht David, dat hij geenen zoon hebbe, die op zijnen troon regeere; en met de Levieten, de priesteren, mijne dienaren.

Bij al deze verbonden, zoo van Gods zijde als van 's menschen zijde is sprake van particuliere verbonden, bijzondere betrekkingen, die op het terrein van het genadeverbond, tusschen God en zijn volk of sommigen uit Zijn volk gesloten werden.

Nu geef ik van heeler harte toe, dat het Avondmaal de meest gereede aanleiding voor zulk een verbond der gelofte zijn zal; maar dat 't zonder dit onbestaanbaar zou zijn, leert de Schrift niet.

Integendeel, want 1º. het Sacrament des Avondmaals keert telkens weder (mocht het naar Calvijns wensch, elken Zondag in onze bedehuizen gevierd worden!) en zulk een gelofte der toewijding is een daad die geheel het daarna volgende leven moet beheerschen: en 2º. het H. Avondmaal staat zuiver in het Genade verbond, terwijl deze particuliere verbonden steeds een gemengd karakter dragen.

Moet de gelofte, die eertijds voor onze Vaderen zulk een kracht bezat, geweerd blijven?

Wat is „consecration" anders dan wat onze vaderen met gelofte bedoelden?

En ook al hield Gij vol, dat ook 38 deze Verbonden slechts afschaduwingen van het Genadeverbond zijn, waarom kan er dan geen Verbondsvernieuwing zijn?

En kan dat, moet dit in elks leven zoo zijn, waarom oordeelt ge dan, dat wij het bestaande Verbond nu eerst van onze zijde beginnen te eeren?

Het is ons geweest alsof we een oogenblik in aanraking waren geweest met een levenskracht en levensvolheid als in de eerste Christenen en de helden der hervorming uitblonk. In dat oogenblik hebben we gevoeld, dat onze heiligmaking nog te veel ons werk was, dat ons geloof nog niet eenvoudig, en dies ook ons verbond met de Heer niet vurig en teeder genoeg was. Is het vreemd, dat er in die ure iets van 2 Chron. 15 : 12 door onze ziel ging?


Kunt Gij een oogenblik vinden, lieve Broeder, om mij te zeggen, waar het misverstand ligt, doe het dan.

Onze broeder de Bel verleent U gaarne gastvrijheid.

Uw waardeerend woord voor ons streven deed mij goed aan het hart. Zeker ook hem.

Juist daarom hoorden we u zoo gaarne nader.

Blijf met Uwen arbeid onzen Heer bevolen door


Uwen U zoo nauw verbonden broeder,

Kuyper.




a Niet eerder opnieuw gepubliceerd. Vgl. Rullmann.

b Vgl. Johannes Hermanus Gunning Jr., Lijden en heerlijkheid, Amsterdam (Van der Land) 1875.

c Vgl. Johannes Hermanus Gunning Jr., Lijden en heerlijkheid, 54v.


x
This website is using cookies. Accept