Revisie der Revisie-legende
Title

Revisie der Revisie-legende

door Dr. A. Kuyper


Voorafgaat een „publyck epistel", met twee annexen aan Dr. J.J. van Toorenenbergen

Amsterdam, J.H. Kruyt. 1879

a



„Publyck epistel" aan Dr. J.J. van Toorenenbergen

Aan Dr. J.J. van Toorenenbergen.



Zeer waarde Broeder!


Reken het mij niet toe, dat ik U drie maanden op antwoord wachten liet. Om vier redenen, die uw welwillendheid ten volle billijken zal, was eerder antwoorden mij ondoenlijk. De eerste is, dat mijn arts te Vichy, na afloop der badkuur, een maand volstrekte rust noodig keurde. De tweede, dat in de maanden, die verliepen, de smartelijke keer door den minister Van Lijnden van Sandenburg in onzen politieken toestand gebracht, allen beschikbaren tijd opeischte voor journalistieken arbeid. De derde, dat ik moeilijk nogmaals een apart stuk over zoo splinterige quaestie kon uitgeven, en dus wel wachten moest, tot mijn „Revisie-artikelen" herdrukt waren. En de vierde, dat ik de laatste weken schier mijn geheele gezien uit de woon- naar de ziekenkamer zag verhuizen, en daardoor hart noch hoofd had om met spoed aan polemischen arbeid door te werken.

Denk dus, bid ik U, in de verste verte niet aan mindere wellevendheid of geringschatting van de door U opgeworpen quaestie. Er was, wat de juristen »fait de Dieu" noemen, en alleen dát toomde mijn aandrift tot onverwijlde repliek in.

Thans tot beantwoording van uw „Hoe een deel der Dordtsche nalatenschap verzaakt wierd" overgaande, begin ik met U mijn dank te bieden voor den goeden dunk, dien Gij omtrent mijn „Leidsche Professoren" woudt helpen vestigen; en nog meer voor het onverstoorbaar goede humeur, waarmeê Gij een enkelen soms wat te ondeugenden stoot van den jongeren wapenbroeder, als bedaagder strijder, hebt gepareerd.

We zijn, indien ik wel zie, door mijn „Leidsche Professoren" en door uw „Verzaking van de Dordtsche nalatenschap" metterdaad den goeden weg opgekomen. 8

Het verschil van zienswijze, dat tusschen úw en mijn vrienden omtrent de eischen van het oogenblik op theologisch, kerkrechtelijk en staatkundig gebied bestaat, wordt, sinds we ons uitspraken, over en weêr met kalmer zin en onder eerbiediging van wederzijdsche rechten, overwogen. Hiermeê valt weg wat er een oogenblik persoonlijk grievends in de wrijving der gedachten (wat het door mijn te geringe urbaniteit, of door uw te teedere gevoeligheid?) dreigde op te komen, en neemt Gij tegenover mij en ik tegenover U, als mannen van eer, positie, om, onder wederzijdsche waardeering, elkander uitsluitend met dát soort wapenen te bestrijden, waarop het keurmerk staat van den Heiligen Geest en die macht hebben om het pleit te beslissen.

Met het oog op die meer gewenschte verstandhouding, zou ik mijnerzijds U dan ook gaarne het laatste woord hebben gelaten, indien Gij, uw jongste vlugschrift ter wereld inzendende, niet in een praefatie waart vervallen, die (indien ik immers geacht wil worden den Heiligen Geest met U te aanbidden en te eeren) niet zonder tegenspraak blijven mág. Het was toch volstrekt niet uw historisch-critisch betoog, maar uitsluitend déze volzin in uw voorrede: „Het is, meen ik, verstandiger, zulk pogen over te laten aan de kritiek van den Heiligen Geest dan het tegen te spreken," die mij, terstond na de ontvangst van uw brochure, reeds uit Vichy, naar Holland deed schrijven: „Meld, bid ik u, in het eerstvolgend Heraut-nummer, dat ik Dr. Van Toorenenbergen repliceeren zal."

Laat U dit hechten van schier geen gewicht aan uw historisch-critisch tegenbetoog en zoo in heiligen ernst opkomen tegen dat m.i. fatale woord in uw voorrede, U niet onaangenaam aandoen. Er ligt toch mijnerzijds noch iets onheusch in, noch iets dat bedoelt U te prikkelen. Veeleer verzoek ik U, deze door U anders bedoelde waardemeting van „vlugschrift" en „woord ter inleiding" uitsluitend te verklaren uit mijne onwrikbare overtuiging, dat de keurigste critische studiën eenvoudig niets zijn, vergeleken bij één enkelen levenstoon uit het hart.

Daar komt bij, dat er eigenlijk geen reden of aanleiding voor mij bestaat, om U nogmaals in al de doolgangen van de kerkelijke verhoudingen der zeventiende eeuw te volgen.

Van U was de aanval uitgegaan. Met leede oogen het opkomen van een „VrijeUniversiteit" op Gereformeerden grondslag aanziende, hadt Gij tegen haar statuten het welbevestigd gezag opgeroepen van het uitstekend viertal Gereformeerde hoogleeraren, die ná de Dordtsche Synode te Leiden de Sancta Theologica bloeien deden. En Gij deedt dit, naar uw eigen voorgeven, op grond hiervan: dat deze hoogleeraren de Dordtsche onderteekeningsformule verworpen ne ze door een „ruimere, eenvoudigere, eerlijkere" vervangen hadden. Niet dus ter wille van bijkomstige oorzaken, maar overmits zij in beginsel de Dordtsche formule hielden voor afkeurenswaard. 9

Dát standpunt naamt Gij in. En Gij kóndt er geen ander innemen, wijl zonder dat noch uw betoog zou geklopt hebben, noch in dat betoog tegen onze statuten ook maar iets steekhoudends door U zou zijn gezegd.

Gij zelf hebt persoonlijk tegen de Dordtsche onderteekeningsformule een principiëel bezwaar. Gij oordeelt, dat men zulk een formule aan geen professor, onder welke omstandigheden ook, ter onderteekening voorleggen mág; en dus ook, dat geen goed-Gereformeerd hoogleeraar, om trouw aan zijn beginsel te blijven, ooit zulk een formule zou mogen onderteekenen.

Wij, Gereformeerden, houden het tegendeel staande.

En om nu in dit geschil historisch bewijs te leveren, dat úw zienswijze het echt-Gereformeerde merk droeg, riept Gij Walaeus en Rivetus, Thysius en Polyander uit hunne graven, als getuigen tegen ons, op.

Dit kón dus niet anders verstaan worden, en is door heel het wetenschappelijk en kerkelijk publiek dan ook niet anders opgevat, dan in den zin, dat, naar uw beweren, Walaeus c.s. úw standpunt innamen, úw zienswijze deelden, en alzoo principiëel tegen de Dordtsche onderteekeningsformule; en ingewikkeld dus ook tegen het door ons ingenomen standpunt; overstonden.

Uit die stelling heeft intusschen naar het oordeel van vriend en vijand, mijn „Leidsche Professoren" U, misschien wat te onzacht, maar dan toch voorgoed en onherroepelijk uitgeslagen.

Na den vloed van tegenbewijzen, die ik U geleverd heb, is eenvoudig niet meer vol te houden, wat Gij eerst volhieldt. De zoo begrijpelijke zucht, om den Gereformeerden een proces voor de rechtbank der historie aan te doen, had U parten gespeeld. Gij zaagt uw eisch U ontzeggen en gingt, veroordeeld in de kosten, mismoedig ten rechthuize uit.

Dit is niet te sterk gezegd.

Immers, afgezien ook van alle verdere tegenredenen, verloort Gij uw pleit zelfs in het oog van den vluchtigsten lezer, reeds ten eenenmale, zoodra toen de authentieke verklaring van Walaeus c.s. door mij geproduceerd was: „dat ze, mits zitting erlangende in de provinciale Synode, tot teekenen bereid waren."

Hierbij toch ontstond voor elk oprechte van zin en rechtschapene van hart aanstonds dit dilemma: Van tweeën één: Of Walaeus c.s. zijn lieden zonder karakter en eere geweest, die voor den linzenmoesschotel van een Synodalen zetel kun overtuiging verkochten; óf wel, uit deze bereidverklaring zelve blijkt daghelder, dat ze in beginsel niets op de geincrimineerde formule tegen hadden.

Een voor de hand liggende conclusie, die Gij zelf nog klem te meer hadt gegeven door uwe ver van voorzichtige uitlating over de meerdere „eerlijkheid" die uws inziens in de faculteitsformule doorschemerde. Hoe 10 Gij U toch wendt of keert, dit kan geen water van de zee afwasschen, dat indien de door henzelven opgestelde formule als een „eerlijkere" bedoeld was, in hún oog de Dordtsche dan ook eo ipso als „on- of min eerlijk" werd gebrandmerkt. Door dat hinderlijk woord „eerlijkere" aan uw pen te laten ontglippen, hebt Gij dus in een onbewaakt oogenblik den lezer een kijk in de roerselen van uw intentie gegeven, en duidelijk doen uitkomen, dat, naar úw meening, genoemde vier hoogleeraren, als eerlijke lieden, zich wel terdege uit beginsel tegen de Dordtsche formule hadden aangekant.

Toen nu derhalve, na inzake der stukken op onwraakbare wijze bleek, dat deze heeren zich bereid hadden verklaard, om ons normale omstandigheden, wel terdege hun namen te zetten onder wat, naar uw voorgeven, in hún oog „min eerlijk" zou geweest zijn, sprak het toch immers vanzelf, dat men wel in dezer voege moest concludeeren: „òf dat deze heeren stuitend karakterlooze lieden waren, òf, waar hiervan het tegendeel bleek (en ook door U erkend wordt), — dat Gij U schuldig hadt gemaakt aan min goede reconstructie van hun gevoelen."

*

Teneinde nu aan het min aangename van zulk een positie te ontkomen, hebt Gij in uw anticritiek tweeërlei middel van verweer beproefd. Gij hebt namelijk 1º. een poging gewaagd om de quaestie zich om een andere spil te laten wentelen, en 2º. getornd aan mijn betoog, of hier en daar niet een enkele steek ware los te krijgen.

Gun mij over beide een kort woord; met het laatste te beginnen.

Een bundelke noten, bij maniere van breed uitgewerkt aanhangsel aan dit „publyck epistel" toegevoegd, zal U de overtuiging schenken, dat ik voor uw schoone tegenstudie gaarne mijn tijd over heb; maar óók dunkt me, dat Gij zelfs op het voor U gunstigste punt, t.w. het omslaan der Staten van Holland ná 25 Augustus 1618, er veel minder gunstig aan toe zijt, dan Gij U inbeeldt.

Gij hebt in die anticritiek voor de eer van uw degen nogmaals een vooruit verloren uitval gewaagd, en U ook daarbij weêr den man betoond van veelzijdige kennis, schrandere opmerkensgave en behendigen tact. Die hulde breng ik U gaarne. Geen ander zou licht saâm hebben gebracht wat Gij nog wist op te sprokkelen. Slechts door uw geoorloofden toeleg, om den tegenstander te intimideeren, werd ook in dit vlugschrift uw talent geëvenaard.

Maar vorderen deedt Gij met deze poging „ter eereredding ondernomen" voor de hoofdzaak, die tusschen ons in geschil was, in de oogen van het geletterd publiek, volstrekt niets. 11

Vooruit schreef ik reeds in mijn „Leidsche Professoren," dat het wel wonder zou zijn, indien ik niet, hetzij in de vaststelling, hetzij in de groepeering van het groote aantal feiten, dat ik te ordenen had, hier en daar een fout beging, iets over het hoofd zag, of misverstond; en gaarne erken ik b.v. dat er alleszins grond bestaat voor de opmerking, mij door Professor R. Fruin per brief meêgedeeld, dat er bij het geschil, meer dan ik aanduidde, óók te rekenen viel met het collegiaal esprit de corps van de Academische heeren tegenover de Ecclesiastieken.

Maar al gelukte het zoo óók U, ongetwijfeld, om mij met goed succes op een enkel malie te wijzen, die mij scheef of gewrongen aan het harnas of den gordel zat, daarom hebt Gij mij toch het pantsier nog niet van het lijf en den helm nog niet van het hoofd gestooten; of, buiten beeldspraak, mijn positie in het hoofdgeschil nog in niets verzwakt.

Zóó weinig verzwakt, dat Gij een breede reeks van voor uw beweren doodelijke argumenten eenvoudig onbesproken liggen liet; en dáárdoor reeds alleen den indruk zóózeer tegen U kreegt, dat de deskundigen, die ik raadpleegde, eenstemmig verklaarden: „Op het hoofdpunt blijft het pleit voor Dr. Van Toorenenbergen verloren!", en er niet één enkel getuige, zelfs onder uw warmste vrienden en bewonderaars is opgestaan, die U als overwinnaar in dit geding dorst uitroepen.

Ja, zóó ongunstig bleef, wat het hoofdpunt aangaat, die indruk tegen U, dat zelfs de redacteur der Kerkelijke Courant; die heusch nooit uit partijdige voorliefde voor de Gereformeerden iets ten kwade tegen U en ten goede voor mij, zal duiden; zich ditmaal door de klare evidentie derwijs in zijn consciëntie verwonnen gevoelde, dat ook hij openlijk verklaren kwam: „Van Kuypers ongelijk op het hoofdpunt heeft Van Toorenenbergen ons nietovertuigd!"

Waartoe zou het dan dienen, zeer waarde Broeder, dat ik nog verder de aandacht van het publiek bleef vermoeien met een opnieuw oprakelen van al de bijzonderheden, in dit ingewikkeld geding voorkomende? Men schrijft toch immers om het publiek te overtuigen? Wat zou ik dan, nu het deskundig publiek ten deze een overtuiging te mijnen faveure bezit, in het „prêcher des convertis" kracht gaan verspillen, en nogmaals in breed requisitoir de namen van Walaeus c.s. voor der Gereformeerden zienswijze opeischen; nu ieder — behalve Gij natuurlijk — mij de autoriteit van hun historisch gezag laat.


En te minder nog vind ik tot dit nogmaals afwisschen van een reeds schoone lei oorzaak, nu Gij zelf in de tweede plaats de mindere voorzichtigheid begingt, om door een verzetten van de spil waarom de quaestie loopt, mij, uiteraard tégen uw bedoeling, op zoo voor mij verrassende wijze in de hand te werken.

Immers op de manier der in pleitgedingen ervarene lieden, begint Gij 12 met reeds op blz. 1 van uw vlugschrift ook van mij aan uw lezers meê te deelen: „dat ik U niet gevat, of uw bedoeling niet begrepen heb, en dus een voorstelling van de quaestie gaf, die kant noch walraakt."

Wel had ik „van woorde tot woorde" letterlijk uw eigen verklaringen en betuigingen afgedrukt en er opzettelijk drie bladzijden aan gewijd, om U den pas ter ontduiking en ter denatureering van de quaestie af te snijden.

Maar dit baatte noch hielp en zonder eenige weerlegging van mijne desbetreffende uiteenzetting, waagt Gij U aan de poging, om terstond de zenuw van mijn gansche betoog met het beweren door te snijden, dat ik eigenlijk tegen windmolens streed, want dat ik U een bedoeling heb toegedicht, die volstrekt niet bij U bestond. En alsnu er toe overgaande, om dan nu eens klaar en ondubbelzinnig, en in woorden voor geen tweeërlei uitlegging vatbaar te zeggen, wat Gij dan wèl bedoeld hadt, schrijft gij: „Ik bedoelde het beginsel der vrijheid en gehoorzaamheid aan Gods Woord, hetwelk in de Gereformeerde Kerk, vooral door hare uitnemendste dienaren, in haren bloeitijd steeds gehandhaafd is, — het beginsel naar hetwelk men onderscheid maakte tusschen letter en geest, substantie der leer en leervoorstelling, hoofdzaak en bijzaak" (p. 1, 2).

Hier nu, zeer waarde Broeder, heeft, gelijk U terstond blijken zal, uw gewonebedachtzaamheid U verlaten, en hebt Gij, meenende mij schaakmat te zetten, integendeel uw eigen positie op ongelooflijke wijze verzwakt.

Want veroorlooft Gij mij, het U te zeggen zooals het er toe ligt, dan zou ik, ware dit metterdaad uw oorspronkelijke bedoeling geweest, heusch geen boek van meer dan honderd bladzijden geschreven hebben, om U te rescontreeren, en met een halve kolom in een weekblad uitmuntend ter weêrlegging van uw dán nietszeggend betoog hebben kunnen volstaan.

Neem ik toch voor een oogenblik eens aan, dat in bovengemelde woorden „de waarheid, al de waarheid en niets dan de waarheid" van uw oorspronkelijke bedoeling metterdaad omschreven staat, zie zelf eens, met wat uiterst eenvoudige redeneering Gij dan, om niet weêr op te staan, omverligt.

Ik had; let wel, in uw voordeel; de quaestie gespecialiseerd tot de hoogleeraren van onze academiën; — maar Gij beweert dan nu, dat ze van meetaf door U gegeneraliseerd bedoeld was, en alzoo diende toegepast gelijk Gij zegt, op de kerk generaal en dus op al haar dienaren.

Het zij zoo!

Gij beweert dan nu derhalve, dat de heeren Walaeus c.s., niet enkel voor dehoogleeraren, die Staatsdienaren waren, maar ook voor de gewone dienaren der kerk, de binding aan meér dan de substantie der leer, voor oneerlijk, ongeoorloofd en ongereformeerd hebben gehouden.

Maar Gij weet dan toch, niet waar? dat de Dordtsche onderteekeningsformule; nu niet voor de hoogleeraren, maar voor de predikanten; 13 die binding niet tot de substantie beperkt, maar wel terdege tot „alle artikelen en stukken der leer" uitbreidt1.

En Ge weet ook, gelijk ieder historiekenner, dat Walaeus c.s. voor de gewone leeraren der kerk de formule „met een schroef meer er op," wel terdege hebben helpen invoeren en handhaven; laat staan dat ze die ooit zouden hebben afgekeurd.

Maar ziet Gij dan daaruit tevens zelf niet, zeer waarde Broeder, hoe de jongste omschrijving van uw bedoeling, die strekken moet om mij den voet dwars te zetten, U zelven veeleer allerongelegenst voor den klem van een hoogstpijnlijk dilemma komt plaatsen?

Voor het dilemma namelijk, dat ik — immers ook met uw goedvinden? — liefst aldus opzet:

Of Walaeus c.s. hebben aan anderen opgelegd, wat ze zelven, wijl het h.i. ongeoorloofd, oneerlijk en ongereformeerd was, weigerden met den vinger ook maar aan te roeren, — en waren dus zelven gansch eerlooze spelers, spelende met der kerke en der eeden heiligheid.

Of wel, indien zij die eerlooze spelers niet, maar integendeel lieden van onbesproken integriteit waren, dan blijkt uit hun meêgaan met de formule voor de gewone leeraren, ook op het alleronwederlegbaarst, dat ze in beginsel althans een binding aan meer dan de substantie, ja „aan alle artikelen en stukken der leer", verre van voor ongeoorloofd, veeleer voor plichtmatig hielden en noodwendig.

Volgens uw eigen zeggen, nu, komt het niet in U op, de integriteit van het karakter dezer mannen ook maar in verdenking te willen brengen.

Blijft derhalve slechts de tweede term van het dilemma: t.w., dat Walaeus c.s. in beginsel tegen een schroef meer er op niet het minste bezwaar hadden.

Waarmeê alzoo geheel uw beweren valt.

Ik kan dus niet anders, dan voor deze nadere toelichting op uw bedoelen dankbaar blijven; overmits het mij hierdoor zelfs voor den in historiën minst ervarene, uiterst gemakkelijk is gemaakt, de volstrekte onhoudbaarheid van uw beweren tot een mate van evidentie te brengen, die uw bestrijder, naar recht en naar billijkheden, van verdere inspanning ontslaat.

*

Maar hiermede, zeer waarde Broeder, kan mijn „Publyck epistel" nog niet afloopen. Want vóór uw „beetje tegenweer," gelijk Gij in 14 nederigheid uw brochure qualificeert, liet Gij ook nog die op iets anders doelende „Voorrede" drukken; en in die voorrede die hoogst bevreemdende woorden, waar ik reeds op gewezen heb, van „dat overlaten van het kerkelijk en theologisch geschil, dat tusschen ons in het licht trad, aan de kritiek van den Heiligen Geest."

Kennelijk toch moet, wat Gij met deze woorden bedoelt; naar luid de tegenstelling waarin Gij ze neêrschreeft; in dézen zin verstaan worden: „niet Gij zult critiek oefenen op mijn streven, maar Ge zult dit overlaten aan den Heiligen Geest."

In deze phrase nu spreekt; ik kan het niet anders inzien; één van deze drie: òf een laatdunkendheid, als iemand bij U gissen mag; òf een lijdelijkheid, die Ge als theoloog niet verantwoorden kunt; òf eindelijk een Gamaliëls-philosophie, die, dagelijks door de uitkomst gelogenstraft, in strijd is met de Openbaring der Schrift.

Laat mij U bij elk dezer drie hypothesen, kortelijk even zeggen mogen, dat ik daarmeê wil.


Er zijn, ja ik stem het toe, er zijn gevallen in het leven, waarin we op een kwaad stuiten van zoo onverbeterlijke, ongeneeslijke, ergerlijke en ergerende natuur, dat we, in een opwelling van hooghartigen zin, er onze handen te teer en te fijn voor achten, om het aan te vatten; en uit gebrek aan geloof; en hooger plichtsbesef in moedeloosheid onderdompelend; ons zelven aanpraten, dat we tegenover zulk een, niet langer de eere der waarheid behoeven te verdedigen.

Wie doet niet zoo tegenover den Mormoon, die, met kwetsing van de hoogere zedelijke idee, u, ja waarlijk nogmaals uit Gods heilige Schriften den plicht tot veelwijverij komt betoogen?

Zoo keert zelfs de eerzame Liberaal zich af van den cynischen grijnzert, die de petroleurs der Tuilerieën verheerlijkt wil zien als de apostelen van een gelukzaliger toekomst.

Zoo, om niet meer te noemen, duwt men met afschuw en bittere ergernis allicht een Von Hellwald van zich af, die zelfs de onnatuurlijkste zonden als natuurnoodwendigheid durft bepleiten met zijn in slijk en gif gedoopte pen.

Zeer zeker, ook in zulke gevallen, zou de ware Christen, voor zoover hij immers gelooft, nog lang niet altijd den moed mogen opgeven, maar moeten voortgaan, om óf den onwetende met oneindige liefde te vermanen, óf den zondigen denker in de strikken van Gods waarheid te vangen, óf, door zijn geloofsmoed over zijn moedeloosheid triomfeerend, toch weêr den strijd aan te binden, wetende dat het woord des menschen een macht is, alleen door de macht van het Woord te weerstaan.

Maar ik geef u toe, zóó hoog staan weinigen, en zelfs de allerheiligsten hebben in dit leven niet dan een klein begin van zúlk een 15 volkomenheid. En indien er dan ook iemand onder de broederen was, die, voor zulk of soortgelijk geval staande, van tegenredenen afzag, het zwaard opstak, den verwatene aan zichzelf overliet en zich terugtrok met een: „Alexander de kopersmid heeft ons veel kwaad gedaan. De Heere vergelde hem naar zijn werken!" het zou niet goed, het zou niet heilig, maar het zou toch menschelijk zijn; menschelijk naar die storende werking, die van onze booze natuur ook in Gods liefste kinderen nog uitgaat.

Maar . . . om nu zulk een casus-positie toe te passen op een mede-broeder, die zich veroorlooft een anderen weg in ecclesiasticis et theologicis zélf op te gaan en anderen te wijzen, dan door U werd afgebakend, zie dat zou dan toch een mate van hoonende minachting en zondige laatdunkendheid verraden, als zelfs door uw bittersten hater niet dan met de grievendste krenking van uw karakter, in U, zeer waarde Broeder, kon of mocht worden ondersteld.

Dat kúnt Gij dus niet bedoeld hebben. Een gedachte als gymnasiasten wel eens in den plompen vorm gieten van „te min om met u te spreken!" is in uw hart niet opgeklommen. Gelijk het den echten ridder betaamt, is integendeel het eeren van uw tegenstander U een tweede natuur geworden, waartegen geen „furca expellas" iets vermogen zou. Veeleer zelfs twee mijlen met een afgedoolden broeder te gaan, die tot een éénmijlsgang U opriep, ware voor uw ootmoedigheid, ware voor uw zachtmoedigheid, ware voor uw lankmoedigheid niet te veel.

Dát dus niet. Maar wat dan?


Van lijdelijkheid sprak ik in de tweede plaats. Zou het dàt misschien zijn kunnen?

Ook daartoe is, zoo vaak het ons uit anderen hoofde gelegen komt, wel zekere neiging in ons menschelijk hart. Een neiging, die zelfs bij Gods vroomste kinderen nog op verre na niet altijd overwonnen wordt. En die niet zelden, tot in het centrum van ons geloofsbestaan insluipend, vooral onder mystieke geesten, dat schaduwachtige zielsleven doet geboren worden, waar alle sap uit wegdroop en alle geurigheid en smaak van week.

Meer nog dan de lieden uit úw kring hebben vooral de Gereformeerden tegen die kranke gesteldheid der ziel op hun hoede te wezen, en het komt misschien juist van mijn veel verkeeren in zulke kringen, dat ik, meer nog dan Gij, voor dezen ziektetoestand steeds een open oog heb.

Vooral toch het Gereformeerde leven; niemand kan het ontkennen; brengt dat gevaar voor lijdelijkheid met zich.

Optimi corruptio pessima.2 16

En juist wijl de Gereformeerde belijdenis, die meer dan eenige andere, álle dingen in hemel en op aarde eeniglijk op de eere van Gods heiligen naam als zijn oogmerk richt, even deswege onder alle godsdiensten (d.i. onder alle gesystematiseerde levensuitingen die de gemeenschap met den hoogen God bedoelen) het hoogste staat, ligt het derhalve in haar natuur en wezen, dat ze, misverstaan en verkeerd opgevat, veel eerder dan zoo menige andere meer oppervlakkige belijdenis, wel ontaarden moet in wat voor het geloofsleven doodelijk is en schier noodwendig verbastert in wat de eere van den Heiligen Geest krenkt.

Immers U, zeer waarde Broeder! behoeft wel niet herinnerd, hoe de keurige oudeGereformeerde belijdenis van Gods eeuwige verkiezing en zijn particuliere genade; die onzer vaderen heul en steun was en standvastiglijk door alle theologen van naam in deze landen tot in het eerste vierde der achttiende eeuw beleden en verdedigd is; tot dit eenzijdig zielsbestaan wel moet leiden, zoodra ze af wordt gescheiden en losgerukt van die niet minder heerlijke belijdenis, die onze ouden plachten te gieten in den vorm van de verbondsleer. Zoo toch sneed men dit keurige lid onzer belijdenis niet af, of vanzelf verviel hiermeê ook de gehechtheid aan het kerkelijk wezen; kreeg de vrijheid tot profeteeren gansch ongereformeerde afmetingen; en hield ganschelijk op die tucht over leer en leven, die tot een hoede voor der kerke zuiverheid niet alleen, maar ook ter beveiliging van ons zieleleven tegen zeer bedenkelijke ontaarding, in „de macht der sleutelen" door onzen Heiland verordend was.

Tegen deze lijdelijkheid en voor weeropleving van de verbondsleer te ijveren, is dus volstrekt geen Engelsche „high-church-idé", gelijk Gij in een meesterlijken zet uw lezers tracht diets te maken, maar eenvoudig een stil geloovig drukken van de voetstappen van onzen Heer en Koning.

Want die „lijdelijkheid" is in den grond niets anders dan een valsch dualisme, dat uit het leven der verdoemenis in het leven van Gods kinderen wordt overgebracht. Het is op „den dood" blijven drijven, ook nadat door Gods wondere vrijmacht en genade „het leven" gekomen is. Het ontkent alle „gemeenschap," waar juist die gemeenschap met den eenig Geliefde de lierzang van het hart is geworden. En erger nog, het cijfert weg, of ziet voorbij althans, het met goddelijke mogendheid in en door ons werken van God, den Heiligen Geest.

En al valt het nu ook klaar in te zien, hoe de daar tegenoverstaande eigenwilligheid en inbeelding van het zélf te kunnen en het Gode toe te brengen, en dies in loopen en sloven zijn zaligheid te zoeken, als vaak het hedendaagsche Christendom kenmerkt, menige teederder ziel eerst tot zekere „teruggetrokkenheid" en voorts tot het „stille wachten," en alzoo ten slotte tot een „insluimeren op het oorkussen der lijdelijkheid" bracht, — toch zal geen Gereformeerde van hart daar ooit het Amen op kunnen uitspreken, maar moeten ijveren, om naar genezing van dit kwaad 17 te streven, in den weg; niet dien hij zich zelf verkoren had; maar die daartoe hem voor is geschreven in Gods Woord.

De kerk moet dus in ons midden weêr tot beteekenis komen, volstrekt niet om, op zijn Engelsch, eene „high-church" te spelen; maar wel omdat er zonder kerk geen tucht en zonder tucht geen reinheid des levens is, en God, de driemaal Heilige, van zijn toorn niet kàn aflaten, zoolang in de soberheid en reinheid van het leven zijner Gemeente de eere van zijn Naam niet weêr schittert.

Maar eenmaal weêr herlevend werkt dat denkbeeld van „kerk" dan ook met al de onweêrstaanbare kracht van een beginsel; van dit beginsel namelijk, dat het ook op geestelijk terrein niet naar ieders wil en goedvinden toegaat, maar integendeel naar den eisch van de door God in zijn Woord gegeven wetten, die het leven beheerschen van dat historisch organisme, hetwelk in de „Gemeente des Heeren" voor ons treedt.

Vandaar dan ook dat ik de vraag: „In welke verhouding hebben we ons tegenover de belijdenis der vaderen te plaatsen?" niet mocht noch kon overlaten aan het goedvinden van eenige heeren, die, zonder veel oog voor de rechten der historie, noch band in hun consciëntie aan de formulieren, gevoelende, eigenlijk niets anders bedoelden dan hún individueele theologische zienswijze met bindend gezag aan de Gemeente op te leggen; en ter aanbeveling alsnu die zienswijze poogden te bekleeden met de autoriteit van Ursinus of De Brès.

Dit stuitte mij tegen de borst. Dit was onrecht. Dit mocht niet.

En wijl men nu, ziende op de dingen die komende waren, niet tevreden was met zoo terloops deze valsche interpretatie der Gereformeerde belijdenis even aan te dringen, maar er zelfs derwijs een systeem van ging maken, dat er, bij het uitzicht op revisie, zelfs over verandering der belijdenis in den geest van hún theologie, als van de natuurlijkste zaak ter wereld door hen gesproken werd, schoot de overtuiging al dieper bij mij wortel, dat geen weerstand aan zulk ongeoorloofd streven te bieden, verraad aan onze historie zou zijn en ongehoorzaamheid aan den Koning der kerk.

Tot het bieden van weerstand ging ik dan ook over.

Niet door, even willekeurig, gevoelen tegenover gevoelen, en inval tegenover inval te zeggen, maar, gelijk het immers behoorde, door zóódanige beslissing van den Heiligen Geest voor te bereiden, als ten deze, naar Gods ordinantie, moest worden gezocht.

Die Geest toch werkt door organen; niet heden of gisteren pas, maar in verband met geheel de historie, die achter ons ligt; teruggaande tot op de hemelvaart Christi.

Om te weten wat in de Gemeente te belijden is en zal zijn, moest men derhalve bedacht zijn op herstel van het orgaan eener ware geestelijke Synode. Om op die Synode een ware representatie der kerke te 18 verkrijgen, moest gearbeid aan het weêr doen opleven in de Gemeente van zuiverder begrippen aangaande kerkrecht en kerkleer. Om in die begrippen den hemelschen adem des levens te blazen, moesten onze geloovigen weêr in contact gebracht met den gloed van een even heerlijk leven als eens onze vaderen gekend hadden. En om dat bezielde leven theologisch tot juister uitdrukking te laten komen, moest de wetenschap der theologie weêr met de historische gemeente in verband treden door den tusschenschakel van de doctoren der kerk.

En zie, terwijl ik nu, naar de mate mij gegeven, in zwakheid een eerste poging waag, om zulk een Synode voor te bereiden; tot zuivering dier begrippen tracht meê te werken; naar dat warmer leven de geloovigen heenroep; en een wetenschappelijk cartel over het pleit der historie aan de doctoren der kerk aanbied, — zie, nu komt een doctor der kerk mij de ongelooflijke verklaring doen: „Neen, daar willen we geen wetenschappelijk onderzoek naar instellen. Dat laten we aan den Heere over! Hij, de Heere en zijn Geest zal dat uitrichten!" Daarop toch en op niets anders komt uw „overlaten aan de kritiek des Heiligen Geestes", in de volkstaal overgezet zijnde, neder.

Het komt er op neêr, dat terwijl naar goede en zuivere begrippen, de Heilige Geest zich in de kerk van Christus ook de mannen der wetenschap tot organen kiest, om de door Hem geopenbaarde waarheid en gewrochte krachten voor het bewustzijn der geloovigen in helder verband te zetten en te vrijwaren tegen miskenning, hier door een doctor der kerk zou verklaard worden: „Dat doet de Heilige Geest buiten menschelijke tusschenkomst om!"

Er op neêr, dat het onmiddellijk werk des Geestes, hetwelk bij het werk der wedergeboorte zijn heilig recht heeft, nu ook overgebracht en toegepast zou worden op het terrein van dien wetenschappelijken strijd, waar juist het werken in en door organen tot het eigen merk van 's Geestes werken behoort.

Ja, er op neêr, dat een zonde der lijdelijkheid, die op het mystieke terrein des innerlijken levens althans nog met goede intentie gepaard kan gaan, alsnu insluipen zou juist op dat aan de mystiek tegenovergestelde terrein van het denken, waar helderheid van inzicht doel en, om daartoe te geraken, inspanning van alle ons geschonken talenten plicht is.

En nu, zeer waarde Broeder, zijt Gij er de man naar? duldt uw verleden het? gedoogt het uw naam, dat Gij ons verlokken zoudt om onze tenten op de „wetenschappelijke Veluwe" op te slaan?

Mag, kan het bij U ondersteld worden, dat Gij, der Veluwenaren meest beslistetegenvoeter, niet om U van mij af te maken, maar uit dool geraakte vroomheid van zin, wezenlijk voor God gemeend hadt, U door de pen wel op het papier te zetten, te zullen bezondigen? 19

Ik waag dit te ontkennen, en zie mij dus wel genoodzaakt, nu ik aan laatdunkendheid niet mag, en aan lijdelijkheid niet kan denken, raad te zoeken bij de eenige dàn overblijvende oplossing: dat het een vervallen is geweest in de Gamaliëls-philosophie.


Als Gamaliëls advies, zóó zou dan ook uwe redeneering zijn: „Indien dit werk uit God is, baat mijn tegenstand toch niet; en indien het niet uit God is, bloedt het wel vanzelf dood! Wat zal ik er dan tegen schrijven of zelf critiek oefenen! Veel beter immers, dat ik het overlate aan de critiek van den Heiligen Geest!"

Deze verklaring zou ten minste dit voor hebben, dat ze uw karakter geheel ongedeerd liet; uw zielsoverlegging begrijpelijk maakte; en alleen twijfel deed ontstaan, of uw philosophische levenswijsheid wel voor de „wijsheid van het leven" kon bestaan.

Want, gul gezegd, er zijn ook in mijn leven wel jaren geweest, dat ik dit zeggen van Gamaliël o, zoo prachtig vond; maar sinds ik meer uit het afgetrokkene in het leven zelf afdaalde en met de lessen der ervaring te rade ging, is die bewondering voor den ouden Jeruzalemschen hoogleeraar er heusch niet op verbeterd.

Die Gamaliëls-philosophie toch heeft vooreerst heel wat van een „afwachtende neutraliteit," die verre van u den man van karakter, van moed en enthousiasme te doen kennen, veeleer den indifferenten twijfelaar verraadt, die, gewoon om „op zien komen te spelen", nooit partij durft kiezen, eer er ene beslissing is van het succes.

Maar ten andere, er is ook eenvoudig niets aan van wat Gamaliël zei.

Het is niet waar, dat God de Heere altijd aanstonds verbreekt, wat niet uit Hem is, en daarentegen de pogingen van zijn geloovigen altijd van stonden aan bekroont met gelukken.

Niet uit God was de afgoderij, en toch heeft het den Heere behaagd en behaagt het Hem nog steeds, ze na een bloei van duizenden bij duizenden jaren in gansche werelddeelen nog te laten voortbestaan!

Niet uit God zijn de secten en ketterijen, en toch is er ooit een eeuw geweest, dat niet de dienst der ketterij vrijelijk omliep in de gemeente, en daarentegen de ware geloovigen werden gedrukt?

Niet uit God is de opiumverwoesting, en toch zie, bloeit ze niet in China en den Archipel?

Niet uit God is de drankweelde, en toch, oordeel zelf, of ze soms der verdwijning nabij is?

Niet uit God is het leven, waarvan het bordeel het middelpunt vormt, en nu, raadpleeg onze droeve statistieken!

Hoe komt men toch aan die Gamaliëlsgedachte, zoo diep onwaar en derwijs door heel het leven weêrsproken?

Of, is dan niet juist omgekeerd, geen succes hebben eer vermoeden 20 van deugdelijkheid? Het kruis merk van heiligen oorsprong? Gedrukt, vertrapt, vertreden worden, een aanduiding van wegen Gods, waarop ge wandelende zijt?

Eens ja zal de Heilige Geest zelf duidelijk critiek oefenen, en allen geest die niet uit God is, eeuwiglijk door den mond des Zoons verdoemen, maar dat zal eerst in het eind der dagen zijn!

Nu daarentegen, nu we dat einde der dagen wel tegengaan, maar er toch nog niet aan toe zijn, nu toont de historie U van de aldus bedoelde critiek des Heiligen Geestes eer vlak het tegendeel.

Of wat zegt Ge van Rome, waar onze vaderen wel terdege zelf tegen streden, maar dan men thans ook maar aan „de critiek des Heiligen Geestes" overlaat?

Verdwijnt het soms en komt het om?

Of ook zuivert het de bestanddeelen uit, wier insluiping de Hervorming in het leven riep?

Of ook in ons eigen midden, zie waarde Broeder, naar uw overtuiging zijn de Modernen en de Gereformeerden in uw eigen kerk den doolweg op, en loopt het pad, waarop het licht des Heiligen Geestes neêrvalt, midden tusschen die beiden door, langs den Irenischen mijlsteen. Maar mag ik U vragen, vindt Ge dan nu werkelijk, dat die Modernen zoo bij den dag minderen, die Gereformeerden zoo tot onkenbaar wordens toe wegslinken, en dat de Heilige Geest in de harten der geloovigen zoo blijkbaar getuigende is, voor de juistheid van het Irenische woord?

In ernst, ik vat er niets van.

Want indien Gij dan nu de bestrijding van het bedoelen der Gereformeerden aan de critiek des Heiligen Geestes wilt overlaten, om zelf inmiddels een afwachtende houding aan te nemen, mag ik dan vragen, naar welke tijdsbepaling dit dan gaat? Of er dan oorzaak is, om te gelooven, dat de Heilige Geest, die datzelfde Gereformeerde bedoelen ook in de drie vorige eeuwen waarnam, het toen niet afbrak en het nu wel zal doen doodloopen? Om aan te nemen, dat de Heilige Geest, die ditzelfde bedoelen in de nu verloopen jaren van deze eeuw, juist omgekeerd, aan kracht liet winnen, nu plotseling zich tegen datzelfde bedoelen zal stellen, om het van dezen oogenblik af geestelijk te ontledigen en te verijdelen?

Maar waartoe deze interpellatie voortgezet?

Vergis ik me toch niet, dan won ik óók U reeds als bondgenoot voor de overtuiging, dat het ophebben van veel leeken, en nog wel van een enkelen prediker, met dat ondoordachte Gamaliëls-parool, onder Christenen, die het kruis-symbool kennen, immers gestrenge afkeuring verdient, en nooit met lof mag gesteund?

Er ligt, ja, God zij lof, ook ik weet het, op den bodem, ik zeg niet van die Gamaliëls-overlegging, maar van dat Gamaliëls-woord, óók een schitterend ideale gedachte, die kort begrip van alle hooger en heiliger 21 gelooven, als star der hope, op het levenspad van elk kruisdrager zijn tintelende stralen werpt, maar dáármeê had uw uitlating in een wetenschappelijk twistgeding natuurlijk niets gemeen.


En zoo blijft U dan, zeer waarde Broeder, nu dus ook déze uitlegging U niet mag worden toegedicht, hoogstens nog één schijnbare uitvlucht over, waar ik U eerlijkheidshalve zelf op wijzen wil, maar die U toch evenmin baat.

Ik stem namelijk toe, dat er één geval is, waarin zwijgen geoorloofd en geboden kan zijn, t.w. het geval van een „persoonlijk feit."

Als onze eer gekrenkt is; als onze naam is aangerand; als ons karakter verdacht wordt gemaakt; als het niet de zaken, maar haar pleitbezorger geldt; " dàn, het spreekt vanzelf, zou aldoor spreken eer onbescheiden en onheilig kunnen worden, en is het overlaten „aan de critiek des Heiligen Geestes" vaak plicht. Let wel, plicht, volstrekt niet, omdat die Heilige Geest altijd reeds hier op aarde zijn geslagen dienaren met eere kroont; veeleer komt in verreweg de meeste gevallen de kroon niet hier beneden; maar wijl een ophouden van de overleggingen en gedachten der gemeente bij wat ons persoonlijk aangaat, haar belet met het hoogere bezig te zijn en ze aftrekt van God.

Hebt Ge U dus soms ingebeeld, dat het bij den bedoelden strijd op U persoonlijk gemunt was; kwam het U voor, dat de Gereformeerden in den lande niet voor de eere van hun God, maar slechts tegen uw naam ijverden; en leefdet Ge in de vooronderstelling, dat er geen ander belang dan van uw reputatie op het spel stond; — dan, ik stem het van harte toe, was uw besluit, om niet voort te redeneeren, maar het geding aan de critiek van den Heiligen Geest over te laten, een daad van bescheidenheid, die U tot eere mag worden aangerekend, en trekt de schrijver van dit „publyck epistel" alle aanklacht tegen die anders fatale woorden in.

Of dit zoo is? Ja, of er voor zulke een vermoeden zelfs aanleiding bestond, wil ik in het slotstuk van dezen brief nog onderzoeken. Maar liep ook dit onderzoek, gelijk ik nu reeds meen te mogen gissen, min gunstig af, dan wil het me toch voorkomen, dat Ge ook in het culminante punt van uw Voorrede niet gelukkig geïnspireerd waart, en wel zult doen, met deze aan den kring der ethischen ontleende en dáár thuis behoorende uitdrukking, van dat „overlaten aan de critiek des Heiligen Geestes" 3 22 niet langer over te laten aan de critiek van wie aan het ontleden der zinsneden gewend zijn.

*

Acht Ge dat het bij den strijd der Gereformeerden; althans voor zooverre de auteur der „Leidsche Professoren" daaraan deel nam; persoonlijk op U gemunt was?

Er bestaat oorzaak tot die vraag?

Ga, om U hiervan te overtuigen, zelf maar eens na, wat Ge in uw Voorrede aan uw lezers alzoo verhaald hebt.

Ge doet U daar toch voor als iemand, die door „Dr. Kuyper rusteloos vervolgd wordt"; als een „van ontrouw" betichte; als een veroordeelde, die „ten toon is gesteld"; en besluit met deze zonderlinge woorden: „Ik hoop geen enkel beledigend woord tegen hem geuit te hebben."

Die laatste woorden nu vooral verraden immers de gemoedsstemming van iemand, die telkens voelde, dat hij op het punt had gestaan om een beleediging over zijn lippen te laten komen, maar ze inhield; of ook van iemand, die oordeelde, dat er eigenlijk wel terdege aanleiding om u te beleedigen bestaan had, maar er, uit overleg, van afzag.

Indien geen van deze beide in het hart zijn geweest, zegt men zoo iets niet.

Wat kon U nu tot een beleediging van mijn persoon geprikkeld hebben?

Toch niet de wijze waarop ik mij in mijn „Leidsche Professoren" te weer stelde? Immers, onverwijld na lezing hiervan beantwoorddet Ge de toezending van een present-exemplaar met een vriendelijke briefkaart, die speciaal ook hulde bracht aan „de modus quo der bestrijding."

Dat kàn het dus niet zijn geweest?

Maar, eilieve, wat dan?

Zeker niet een persoonlijke antipathie, want nog in uw Voorrede mengt Ge de heusche woorden: „Voor iedere herinnering aan vroegere welwillendheid en persoonlijke betrekking blijf ik dankbaar."

Ge ziet dus wel, dat het zijn moet, zooals ik vermoeden dorst, en dat er psychologisch geen andere oplossing overblijft, dan te onderstellen: dat Gij, in uw eigen oogen „de rusteloos vervolgde, van ontrouw betichte en tentoongestelde", als martelaar onder de onbarmhartigheden der Gereformeerde lieden bezweekt.

Veel wordt dan begrijpelijk, wat ander duister bleef.

Zoo b.v. Uw bijna onheilig zeggen, dat Uw overlaten van de critiek op mijn arbeid aan den Heiligen Geest „meer overleg, dan deugd" is, en in uw eigen oordeel een „verstandige" zet mag heeten.

Ook, hoe uitvoerige anticritiek van uw eigen hand op het ééne punt, met dat „overlaten aan de critiek van den Heiligen Geest" van nog gewichtiger pleit, zich rijmen laat.

En evenzoo, hoe uw eigen bekentenis, dat Gij „een deel der Dordtsche 23 nalatenschap verzaakt hebt," 4 overeen is te brengen met uw prijsstelling op het voortdurend behoud van den Gereformeerden naam.


Toch, ik meen er U de oprechte en ondubbelzinnige verzekering van te kunnen geven, toch, zeer waarde Broeder, zult Ge dichter aan de waarheid komen, indien Gij deze martelaarskroon U weêr van de slapen neemt. Want wat mij en mijne vrienden althans aangaat, we kunnen bewijzen, dat Gij slechts door omkeering van de feiten in hun tegendeel bij een conclusie kondt aankomen, die U als den geplaagde in handen van de Gereformeerde drijvers overlevert.

Ik zeg bewijzen.

Dit kan ik althans wat mijzelven aangaat, en wijl Gij oorzaak hebt genomen, om met name mij als „dien rusteloozen vervolger" bij het publiek aan te klagen, zal het ook in uw oog wel niet onbescheiden zijn, indien ik mij bij datzelfde publiek dan ook van schuld tracht te zuiveren.

Tweeërlei is mijn bewijs, negatief en positief.

Negatief vraag ik U met ernste, mij hetzij de daden, hetzij de gesprokene of gedrukte woorden te noemen, waarin ik tegenover U schuldig sta aan tekortkoming in honorabele bejegening.

Maar positief kan ik meer, kan ik U wijzen op daden en woorden, die zeer honorabel voor uw persoon waren en mij wellicht aanspraak hadden kunnen geven op eenige meerdere welwillendheid Uwerzijds.

Gij leest de Standaard, Gij leest de Heraut, niet.

De hoogleeraar Van Oosterzee ook niet.

Gij begrijpt wat het Christelijk publiek van dit er op nahouden van zulk een Index juist voor Christelijke persorganen denkt.

Maar laat mij U dan eens verhalen mogen, zeer waarde Broeder, dat diezelfde Standaard en diezelfde Heraut juist de bladen zijn geweest, die het warmst voor U geijverd hebben en het voor U opnamen, zoo dikwijls aan uw talent werd te kort gedaan.

Waarom niet gezegd, wat ik bedoel?

Gij weet, ik had U reeds zoolang van heeler harte een leerstoel gegund voor de kerkhistorie. Ik wist uit vroegere gesprekken, hoe een „rustig leven voor de studie alleen" u toelacht. En persoonlijke omgang had mij geleerd, wat het U kostte, altijd de zorgen der practijk met uw critische studiën te moeten verbinden.

Daarom had ik U professor te Utrecht willen zien worden, toen Ter Haar wegviel.

Dit heb ik niet onder stoelen of banken gestoken, maar openlijk als 24 mijn overtuiging uitgesproken, en voor U gevraagd, niet als een gunst, maar als eene eer, waar uwe studiën U recht op gaven.

Ik heb meer gedaan. Destijds, lid der Tweede Kamer, heb ik mijn invloed, hoe gering dan ook, aangewend, om U benoemd te krijgen.

Niet dat ik tegen Beets was.

Ge weet, hoe hoog ik dezen vaderlandschen zanger en belletrist en Salomonischen redenaar waardeer.

Maar Beets, dit wist iets, had geen studie van de kerkhistorie gemaakt. En nu te Leiden de vaderlandsche kerkhistorie destijds nog braak lag, en Groningen geen hope bood, was het m.i. een onvergeeflijke fout, zoowel van de faculteit als van de curatoren en van den Minister van Binnenlandsche Zaken, dat ze U passeerden en voor de kerkhistorie de kracht van een man vergden, die op drie andere terreinen tegelijk schitteren, maar in deze bepaalde provincie der wetenschappen nooit lauweren winnen kon.

Mag ik vragen: verried dit soms mindere welwillendheid?

Maar daar liet ik het niet bij.

Toen later het Kabinet U aan den Koning voordroeg, om U een ridderorde aan te bieden, ben ik nogmaals op de zaak teruggekomen, en heb nog uit Nice openlijk aan de Ministers verklaard, dat dit eereteeken U nooit vergoeding kon zijn voor het passeeren te Utrecht.

Toen men U bij de kerkelijke benoemingen nogmaals voorbijging, heeft de trouwe wachter voor uw eere niet nagelaten even beslist tegenover de Synode, als eertijds tegen den Minister, op dit tekort van eerbetoon te wijzen.

En indien ik bij de Amsterdamsche vacature zweeg, dan was het waarlijk niet uit mindere welwillendheid, maar overmits het betalen uit stedelijke fondsen van geld voor iemand die Irenische theologie komt doceeren, mij een te stuitend onrecht dunkt, dan dat ik, van mijn standpunt, voor U zulk een doteering mocht wenschen.

Zoo dikwijls ik mij overigens in het publiek over U heb uitgelaten, meen ik steeds eer aanleiding te hebben gegeven, om U aan te uitbundigen lof te doen denken, dan dat ik afdong op uw verdiensten. Dankbaar zijn uw uitnemende studiën steeds met eere door mij vermeld; uw talent heeft lof ontvangen; uw scherpzinnigheid alle eer.

En acht Gij soms, dat ik, aldus in het publiek sprekende, in vertrouwelijker kring mij ongunstiger zou hebben uitgelaten, dan noodig ik U uit, buiten mij om, bij mijn intieme vrienden een verhoor in te stellen, en ik ben overtuigd, dat de uitkomst elke achterdocht zal beschamen.


Er bestond voor de booze bedoeling, die Gij mij ten uwent toedicht, dan ook geen aanleiding.

Eer integendeel moest én persoonlijke herinnering én de aard uwer 25 studiën saâmwerken, om U een plaats der eere in mijn schatting te geven.

Sprak toch die persoonlijke herinnering van menig teeder uur te zaâm doorleefd, van menig blijk van liefde mij betoond en van menige studievrucht, die we zaâm het aanzijn gaven; niet minder moest het kenmerkende van uw studiën mij verlokken tot warme sympathie.

Dit toch onderscheidde van meet af Uw studiën van die der Utrechtsche Heeren, dat Gij meer oog voor de rechten der historie hadt.

De réveil had uw genegenheid maar de oude historie de liefde van uw hart.

Gij zijt het, die lang eer de nieuwere Gereformeerde school opkwam, de oudebibliotheken doorsnuffeld, onze wormstekige kwartijnen weêr voor den dag gehaald en van het historisch recht onzer kerk en van haar belijdenis gejubeld hadt.

Ik zeg niet, dat er daarom geen verschil bestond; ik ontken niet, dat er ook wegen waren, waarop onze sympathieën van den aanbeginne, naar den tweesprong joegen; maar dit beweer ik toch en houd ik vol, dat van de dertien jaren, dat ik nu de eer heb U persoonlijk te kennen, er minstens elf voorbij zijn gegaan, zonder dat ooit min vriendelijke gewaarwordingen in mijn hart ten uwen opzichte opkwamen.


En vraagt Ge, hoe we, indien deze dingen alzoo zijn, dan niettemin in de tegenwoordige min toeschietelijke verhouding zijn geraakt, — zeer waarde Broeder, laat mij U dan beantwoorden mogen met deze eenvoudige wedervraag: Kan het van één kant komen?

Gij noemdet uzelven „den rusteloos vervolgde;" maar hierin steekt dan toch iets wonders, dat „de rusteloos vervolgde" zelf met den aanval begon.

Heugt het U niet meer?

Het was in het Gebouw van Kunsten en Wetenschappen te Utrecht op dePredikantenvergadering van het jaar 1868. Ik was pas in Utrecht, en had het voorrecht gesmaakt in uw intiemer omgeving op de vriendelijkste wijze te worden toegelaten. Het was één vertrouwen tusschen ons van den lieven morgen tot den laten avond. Er was geen wolkje tusschen ons aan de lucht. En zie, zonder een woord van waarschuwing, zonder een wenk, om er mij op voor te bereiden, moest ik daar opeens, U in het publiek, temidden mijner nieuwe collega's, de heusch toch niet zeer kiesche fout hooren begaan, dat Ge aan het slot van een ingrijpende uiteenzetting, waarin heel uw theorie over de Confessioneele quaestie was uitgestald, de wijze, waarop ik te Utrecht als predikant, het Sacrament van den H. Doop bediende, tot mikpunt koost voor een ver van malsche critiek.

Uitgedaagd, verweerde ik mij zoo goed ik kon; niet slechts door te verdedigen wat Gij in mij gebrandmerkt hadt, maar tevens door thans 26 op mijne beurt een aanval te wagen op Uwe m.i. volstrekt onhoudbare theorie.

Dit trof doel. Althans de toenmalige Predikantenvergadering had de vriendelijkheid mijn oppositie op zeer marquante wijze toe te juichen, en mij zelfs in het middaguur eene plaats aan te bieden in het moderamen.

Eerst van achteren heb ik begrepen, hoe dit voorval U gehinderd heeft en waarschijnlijk niet weinig er toe bijdroeg, om uw genegenheid te mijwaarts aanmerkelijk te bekoelen.

Kort daarop gaaft Gij uw referaat in het licht, met weglating (waar ik U erkentelijk voor was) van de voor mij insidieuse zinsneê. Dit gaf mij ongezochte aanleiding, om op de volgende Predikantenvergadering uw opstel aan een nadere critiek te onderwerpen en een andere theorie, behoorlijk met historische argumenten ondersteund, tegen de uwe over te plaatsen.

Het stuk, waarin ik dit deed, volgt hier achter als tweede annexe, om Uzelven te overtuigen, dat, bij alle beslistheid van keuze, de broederlijke gezindheid te Uwaarts in het minst bij mij geen schade had geleden; en tevens om U te doen zien, dat ik in hoofdzaak reeds destijds in dezelfde antithese als thans tegen U over stond, en indien ik op vervolgen zoo belust ware geweest als Gij U inbeeldt, reeds tien jaren en langer den drijver had kunnen spelen.

Het onloochenbare feit, dat ik desniettemin deze tien lange jaren nooit of nimmer uw naam in het publiek anders dan met eere noemde en het gebleken verschil geheel rusten liet, kan, in verband met dit stuk, dan aan wien lust doen beoordeelen, hoe gansch ingebeeld en geheel uit de lucht gegrepen dit „rusteloos vervolgen" mijnerzijds was.


Maar zie, zeer waarde Broeder, noch wetenschappelijke argumentatie, noch onthouding van alle scherpheid, noch zelfs het laten rusten der quaestie, kon mij, eylacen, in úw oog ten goede komen.

Ik had het nu eenmaal verkoren, en in dienzelfden raad der orthodoxe broederschap, die mij twee jaren vroeger met een „dignus, dignus est intrare" eer te vriendelijk ontvangen had, begon men thans weder plannen te beramen, om mijn streven te dwarsboomen, mijn bedoeling te verijdelen en mij uit te werpen uit de Synagoge der toongevende orthodoxie.

Dr. Hoedemaker gaf; niet in zijn schoon stuk voor den Hervormingsdag, maar in een inleidend woord daarop; een kort verhaal van de vergadering van dezen raad, ten huize van den toenmaligen predikant, den heer Chantepie de la Saussaye, te Rotterdam gehouden, waarin tot deze oorlogsverklaring tegen mijn persoon besloten werd.

Dit scheen saâm te hangen met iets anders.

In het jaar 1869 had zich toch een uitgever met het verzoek bij mij 27 aangemeld, om bij een platenbijbel tekst te leveren. Dit denkbeeld lachte mij toe, en ik ontwierp het plan, om een „geschiedenis der openbaring" te doen bewerken door de voornaamste orthodoxe geleerden. In wijden kring verzond ik de aanvrage daartoe en zoo hoogleeraren als leeraren hadden de vriendelijkheid mij hun medewerking toe te zeggen, mits, en daar kwam het op aan, de denkbeelden van den redacteur over de Heilige Schrift niet te eng waren.

Om dit tot beslissing te brengen schreef ik daarom een inleiding, die de stelling bepleitte, dat „de Schrift IS Gods Woord," als eenig adaequate uitdrukking behoort te gelden voor de waarheid omtrent den Bijbel. Het stukje is later apart uitgegeven en valt dus nog onder ieders beoordeeling. Inzage zal doen zien, dat het eer te ruim dan te eng genomen was.

En toch, na lezing van déze inleiding brak de storm opeens los en ontving ik van verreweg de meeste heeren kortaf bericht, dat ze hun toezegging introkken. Alleen Gunning en de streng confessioneelen bleven. Maar heel de Utrechtsche orthodoxie, als ik zoo zeggen mag, zond mij den scheidbrief.

Zoo bedierf ik het al erger en dieper. Van de Zeister Conferentie behoef ik niet meer te spreken. En het eindresultaat was dan ook dat de heerschende wetenschappelijke orthodoxie mij in den ban deed en op maatregelen begon te zinnen om mijn „woelen en drijven" onschadelijk te maken. De ethische, critische en irenische theologen, anders nog al eens onder elkander aan het plukharen, stemden in dezen zeer ernstig bedoelden toeleg (Dr. Gunning altijd uitgezonderd, die niet afliet mij zeer broederlijk te bejegenen) hoe weet ik niet, overeen.


Moest ik een psychologische oplossing van dit raadsel, voor zooveel U aangaat, geven, dan zou ik op tweeërlei wijzen: op mijn verhouding tot Dr. Kohlbrugge en mijn doen in politiek.

Vooral Gij immers, zeer waarde Broeder, kondt het mij maar nooit vergeven, dat ik niet instemde met uw harde veroordeeling van Dr. Kohlbrugges persoon en werk. En toch ik kon, ik mocht dat niet. Naar mijn vaste overtuiging, die niets sinds wankelen deed, was Dr. Kohlbrugge indertijd schandelijk hard door de Hervormde kerk om zijn belijdenis van den Christus bejegend en hadden de orthodoxe broeders van dien tijd hem niet trouw, gelijk het behoord had, bijgestaan. Dit reeds won hem mijn sympathie. Maar toen ik bovendien, vooral met de werken uit zijn eerste periode kennis makende, daarin meesterstukken van den eersten rang ontdekte; predicatien, zooals ik er uit deze eeuw geen betere ken, vol gloed en spierkracht, rijk aan geestesbezieling en vertroosting: en meer nog, bij persoonlijke kennismaking, in den vriendelijken, eerwaarden grijsaard een vrome, apostolische figuur vond; toen heb ik mij, 28 ja, afgevraagd of er geen schuld bij ons volk lag, dat het zúlk een man had uitgebannen? of het niet kleingeestig van onze toongevers was, om zúlk een figuur te blijven ignoreeren? en of het verlangen van Dr. Kohlbrugge, om vóór zijn sterven nog eens op den kansel van onze kerk te Amsterdam te mogen staan, niet wel het allerminste was, wat men uit deernis en liefde voor dezen getrouwen prediker doen kon? En zoo is het dan geschied, dat ik met Dr. Kohlbrugge, tot op zijn dood toe, meê door dat afstaan van mijn preêkstoel, in liefelijke betrekking heb gestaan en de gedachtenis van dezen rechtvaardige mij onder de vriendelijkste herinneringen uit mijn verleden blijft verkwikken.

Maar bij dat „Kohlbrugge in eere herstellen", gelijk dit in uw kring heette, kwam erger nog mijn „doen in politiek", waar; al getuigt ook heel de historie te mijnen faveure, dat de toongevende theologen op Gereformeerd terrein, Calvijn en Knox voorop, van geen uitbannen der politiek wisten; toch schier al de heeren uit uw kring aanstoot aan namen.

Dit kwam ik te weten uit een hoogst opmerkelijke uitlating van den ontslapen De la Saussaye, die in een ernstig gesprek over de toekomst van ons land, mij eens dit zonderling verwijt deed: „Als gij niet waart opgetreden, zouden wij de partij van Groen geheel in onze macht hebben gehad, maar door u richt ze zich weêr op; gij bezielt ze met nieuw leven!" Dit was niet als compliment, maar als scherp verwijt bedoeld, en mag dus, zonder blozen, door mijzelven worden meêgedeeld. En moet meêgedeeld, overmits men daaruit eerst raden kan, wat felle antipathie in deze kringen tegen elke politieke beweging heerschte. Zelfs toen toch was De la Saussaye mij verre van ongenegen. Mijn eerste schriftuur had hij met veel lof aangekondigd. Eens liet hij mij voor zich optreden en bewees mij gulle gastvrijheid. En zoo dikwijls ik tot hem kwam, boeide hij mij steeds door de openheid van toon en hart.

Maar ná dien tijd bleef dat zoo niet. Dat weêropbloeien der antirevolutionairen scheen hem in zijn dunk te doen veranderen. En toen op de vergadering van Christelijk-nationaal de harde woorden van Beets gevallen waren, en ik me in dat geschil aan de zijde van Groen dorst te scharen, verloor ik allengs al zijn sympathie.

En niet de zijne alleen.

Want uw onverhoedsche uitval over mijn lezen van het Doopsformulier was niet de eenige min aangename verrassing, die mij op de Predikantenvereeniging bereid werd. Gij herinnert u immers nog wel hoe de hoogleeraar Van Oosterzee kort daarop uw verleidelijk voorbeeld volgde, en er geen been in zag, om op een oogenblik, dat we nog in de vriendschappelijkste verhouding tot elkander stonden, mij onverhoeds op de Predikantenvereeniging te komen ten toon stellen en havenen als een „politieke tinnegieter", met wien een loopje nemen nog het veiligst was.

Die smadelijke bejegening trof mij diep, en ik kon mij maar niet 29 verklaren, hoe een zoo vredelievend man als Van Oosterzee de verregaande onkieschheid kon hebben, om 1º. een stichtelijk inleidingswoord door zulk een persoonlijke aanval te ontheiligen; 2º. een lid van het moderamen, dat hem uitgenoodigd had, aldus te havenen; en 3º. een vriend, zonder waarschuwen, derwijs op den kaak te stellen bij het publiek.

Intusschen geleerd door de ervaring, die ik bij uw uitval in '68 had opgedaan, ging ik nu voorzichtiger te werk en zweeg. Zweeg, hoewel Gij van achteren wel gelooven zult, dat het mij niet zoo gansch onmogelijk ware geweest, om den hoogleeraar van tegenredenen te dienen. Ik zweeg, wat meer nog zegt, hoewel ik als lid van het moderamen tot spreken jure meo recht had.

Ik wilde geen oppositie maken, omdat ik den hoogleeraar nog privaat meende te kunnen winnen, en ook wijl ik aan het wisselen der blikken bij velen iets merkte, als wilden ze Van Oosterzee toewenken: „Dát, lieve broeder, hebt ge nu eens kostelijk gedaan!" ik bedoel: er was blijkbaar verstandhouding.

Ik deed daarom iets anders. Ik begaf mij namelijk den avond van dienzelfden dag naar het huis van den hoogleeraar, en, op zijn studeervertrek toegelaten, deelde ik hem onder vier oogen mijn billijk beklag mede, hem verzoekende nogmaals het gesprokene te willen herlezen; en mij bereid verklarende, om van verweer en zelfverdediging af te zien, indien de hoogleeraar zoo heusch wilde zijn, bij uitgave van zijn stuk de voor mij insidieuse zinsneden en qualificatien weg te laten.

Maar ook met zelfbeheersching bleek ik bij de toongevende schriftgeleerden niet verder te komen. Althans Van Oosterzee ontving me zeer heel en stijf; zei, dat hij eens zien zou; en zond toch naderhand zijn carricatuur van „den politieken tinnegieter" onverwaterd in het licht. Niet heel vriendelijk, niet waar? En toch . . . nu van achteren komt diezelfde hoogleeraar mijaanklagen, als wierd hij door mij, om met zijn eigen uitdrukking te spreken, „gedeclineerd." Behoefde het mij dan nog duidelijk te worden, zeer waarde Broeder, dat in uwe kringen, waarin men zich het monopolie van wetenschappelijke orthodoxie toeschreef, het kwaad ten volle tegen mij besloten was, en dat men reeds voor de executie van den weerspannigen Broeder tot het nemen van de voorloopige maatregelen voortschreed.


En toen het er dan alzoo met mij aan toe stond, hebt Gij toen in dien kring voor mij gepleit? Heeft oude vriendschap, heeft de herinnering van geestelijke banden, of heeft het sodalitium studiorum ten minste, toen zóóveel op U vermocht, dat Gij het in den kring dezer harde rechters voor den afwezigen vriend opnaamt?

Och, mocht ik de wetenschap maar toedekken, mijn Broeder, die ik desaangaande van alle kanten opving! 30

„Ik U rusteloos vervolgd!!" En wat hebt Gij dan deze laatste acht jaren gedaan tegenover mij? Gij, die mijn voorspraak hadt moeten zijn, werdt Gij niet mijn aanklager? Hebt Ge niet in en buiten dien raad, tot voor de ooren van Groningers en modernen in het Rotterdamsche ministerie, U onuitputtelijk getoond in een „declineeren" en „ten toon stellen", soms eenbelachelijk maken van mijn arbeid en mijn bedoelen?

Gij dwingt mij nu om het te zeggen, Gij die U thans aanstelt als de op alle manier door mij verongelijkte; maar op hetzelfde oogenblik, dat Ge wist, hoe ik openlijk voor uw professoraat ijverde, liept Ge rond, om altijd over „die Kuyper" te klagen. Soms met veel medelijdend liefs voor mijn persoon erbij! o, ik weet het, maar dan toch aldoor voor een iegelijk duidelijk makend, dat ik ganschelijk aan het dolen was en de schare verleidde en men op weerstand bedacht moest zijn. Ja, zóóver gingt Ge in uw antipathie, dat mijn warm woord ten uwen behoeve, dat ik uit Nice tegen het Ministerie schreef, door U beantwoord werd met een advertentie in de anders zoo door U geminachte Standaard, om, wat anders nooit iemand deed, publiek te bedanken voor den vriendengroet aan den nieuw geslagen ridder.


En toch, ook hierdoor zou ik mij nog niet tot een optreden tegen U hebben laten verleiden. Maar zie, het grievendste wat ik tegen U heb, komt nog.

Toen namelijk door de onvoorzichtige gedragslijn van de heeren uit den orthodox-modernen kring de theologie gevaar liep aan onze academiën ontwee gescheurd en in modernen vorm omgegoten te worden, heb ik van meet af, het zijn nu negen jaren, aangedrongen op de stichting van een vrije universiteit, als eenig redmiddel om het seminarie te ontloopen en toch een theologie te behouden, die niet afging van onzen God.

In de Kamer hoorde ik uit den mond der radicaalste atheïsten, hoe men met opzet voor het behoud van een theologische faculteit ijveren zou, om den Christelijken invloed op het volk te breken.

Toch gingt Gij en uw vrienden maar aldoor voort petitiën bij die Kamer in te zenden, „dat toch vooral het behoud dier theologische faculteit mocht verzekerd worden!"

De loochenaars van den Christus in de Kamer lachten in hun vuistje, om zooveel onnoozelheid, maar ik zon op redding.

Ik zei tot mijzelf: „Dat kúnnen Van Toorenenbergen en zijn vrienden toch niet bedoelen! Als ze maar wisten hoe de zaken stonden! o, Geen twijfel of ze zouden omslaan!" En uit die overwegingen, vloeide in verband met Gunnings schrijven, het plan voort, om door Gunning U en uwe vrienden te laten uitnoodigen . . . tot . . . niets ergers . . . dan een conferentie om over de zaak eens te spreken.

En hoe hebt Gij die óók U gezondene uitnoodiging beantwoord? 31 Zeer waarde Broeder, uw brief ligt bij Gunning, maar zóóveel mag en moet ik er toch van zeggen, dat Gij zelfs dat meêdoen aan een broederlijke saâmspreking absoluut geweigerd hebt, en dat deze uwe weigering in zulk een onliefelijk kleed was gehuld, dat Gunning zelf er leed over droeg, en liefst had, dat ik er maar niet verder naar vraagde!

Hoeveel goeds en heilrijks voor vaderland en kerk door deze onvriendelijke weigering te loor ging, laat ik U zelf gissen. Een vrije universiteit door geheel de orthodoxie in den lande gedragen, ware toen nog mogelijk geweest. En voor de ellende, die ons nu is overkomen, moet ik dus U wel mede aansprakelijk stellen.


En toch, ook de zoo noodlottige uitkomst van uw toenmalig streven, neêrgelegd in de wet van '75 en in de Synodale keuzen van '78, was nog onmachtig, om U tot aflegging van uw tegenzin te brengen, en in steê van te keeren op uw pad, gingt Ge rusteloos met uw tegenwerking van de Gereformeerden voort.

Uw „aanvullingsplan" kwam toen op, waar ik als tegenover een halven en onprincipiëelen maatregel, zoo vrij was nogmaals het denkbeeld van een vrije universiteit over te stellen. En het was in de wrijving over die beide plannen, dat „de tijd der verbittering" zijn oorsprong neemt.

Toen toch liep het gerucht, dat men op U het oog had voor „een professoraat ter aanvulling" . . . in de dogmatiek?

Hiertegen nu waagde ik een korte opmerking, strekkende om de overtuiging te vestigen, dat uit mijn herhaalde aanbeveling van uw persoon voor een professoraat in de kerkhistorie, geenszins mocht worden afgeleid, dat ik mijn nu ook zou kunnen verheugen in het overgeven aan uw leiding van de ontwikkeling onzer dogmatiek.

Dit heeft, ik heb het best gemerkt, kwaad bloed gezet, en bij U het achterdochtig vermoeden gevestigd van dat „rusteloos vervolgen".

Toch zweeg ik daarna weêr, en wilt Ge nu weten, zal ik U oprechtelijk zeggen, wat mij dan eindelijk tot de droeve overtuiging bracht, dat optreden tegen U niet langer uit kón blijven? Ik zal het U zeggen, nu Gij spreken komt van „een overlaten aan de critiek van den Heiligen Geest!"

Het was dit, dat Gij, om geen anderen te noemen, tot zelfs bij wijlen mevrouwe de douairière Groen van Prinsterer bezoeken gingt brengen, om den kring mijner meervermogende vrienden toch vooral elke gave en elken geldelijken steun aan de vrije universiteit te ontraden.

Die bezoeken hebben doel getroffen; want toen, om weêr van anderen te zwijgen, mevrouw Groen van Prinsterer, die eerst gesproken had van een „iets van haar kapitaal voor ons te zullen losmaken", kort daarop liggen ging, heeft ze, aan haar mondelinge beschikkingen toekomende, slechts een betrekkelijk kleine som ons vermaakt. 32

Dit laatste vermeld ik met stillen dank. Immers, er blijkt dan toch uit, dat het U niet gelukt was de edele vrouw te overtuigen, dat haar gemaal eigenlijk aan uw kant stond. Dan toch had ze niets mógen geven. Maar het enthousiasme hadt Ge gebluscht; de kracht tot offervaardigheid gebroken; het doel van uw reis was gelukt.

En toen de nu overledene Donatrice onzer stichting mij dit zelve had meêgedeeld, zonder dat haar vermoeidheid van geest mij weêrlegging van uw grieven gedoogde, toen, zeer waarde Broeder, heb ik me toch afgevraagd, of Ge nu niet te ver gingt? of dat nog fair play was? of op die wijs de plannen der Gereformeerden tegen te werken, nog bestaanbaar was met vriendschappelijke verhouding? Zie, op dát punt ware een „overlaten aan de critiek des Heiligen Geestes" nu, naar ik het op zou vatten, kiescher, meer dan den zin des Heeren geweest.

Althans hier kom ik vooruit, dat Ge door die daad mij de tong los hebt gemaakt en mij hebt doen gevoelen, dat ik U niet langer sparen mocht.

Niet langer sparen! Ik leg nadruk op die woorden. Want in alle oprechtheid herhaal ik hier, wat ik voor mijn „Leidsche Professoren" schreef: ik had het door U verdedigd standpunt liefst niet bestreden in uw persoon. Oude herinneringen waren mij daar te heilig voor. U te overtuigen, wist ik toch dat niet gaan zou. En daarom dacht ik altijd: „Laat Van Toorenenbergen maar ongemoeid blijven. Waartoe hem nog bij zijn leven het verdriet aan te doen, om de zwakheid van zijn stelling te doen blijken."

Maar dit had nu uit.

Dat kon, dat mocht niet meer.

En toch ook toen zelfs heb ik den aanval nog niet begonnen, maar hebt Gij U onvoorzichtiglijk aan de Gereformeerden gewaagd in uw historisch beroep op Walaeus c.s., die Ge exploiteeren woudt tegen ons.

Toen ik dat las, stond mijn besluit vast. Dááraan, zoo nam ik mij voor, zou eens klaar en duidelijk de zwakheid van uw historische positie getoetst worden.

Vandaar eerst een kleine weerlegging van uw beweren in de Heraut; en toen Ge, onbedacht daar uit de hoogte in de Haarlemsche Courant op neerzaagt, mijn besluit, om U in een afzonderlijk geschrift te woord te staan.

Vandaar mijn Verweerschrift! Zoo ontstonden mijn „Leidsche Professoren!" Een stuk, waaraan déswege zulk een moeite werd besteed, omdat het er hier op aan kwam, bres te schieten in uwe positie.


Of iemand, die dit alles weet en dan dit boekske nog eens opslaat, misschien van oordeel zal zijn, dat er zelfbeheersching toe noodig is geweest, om na al het gebeurde zóó gracieus U te bejegenen, staan aan mij niet ter beoordeeling. 33

Maar wel weet ik, dat na een gevallen slag van zulk een beteekenis en de uit uw tegenstudie gebleken onmogelijkheid om hem af te weren, dat spreken in uw voorrede van een „rusteloos vervolgen" en dat „verstandige" beleid om het nu verder aan „de critiek des Heiligen Geestes over te laten," mij derwijs tegen de borst stuitte en hinderde, dat het mij te zweemen scheen naar een schennis van wat bij het noemen van den Heiligen Geest steeds heilig dient te blijven aan ons hart.

En wijl ik nu van open spel houd en liefst de stukken zelven getuigen laat, zend ik de „Revisie-artikelen," waarover Gij U zoo bitterlijk beklaagd hebt, met dit protest tegen uw „overlaten aan de critiek van den Heiligen Geest", gelijktijdig de wereld in, om leek en klerk beiden te laten oordeelen, of een strijd als ik ook in die artikelen tegen U aanbond, al dan niethet merk draagt van ridderlijken zin en aanspraak mag maken op wetenschappelijk karakter?

Dat oordeel zie ik met kalmte tegemoet van een iegelijk, die b.v. kennis zal gelieven te nemen van dit in die artikelen voorkomend portret.


„De Irenischen vonden ten dezen hun „man van wapenen" en pleitbezorger in den zeldzaam kundigen Rotterdamschen predikant Dr. J.J. van Toorenenbergen, een historiekenner van zoo degelijke studie, omvattende kennis en helderen blik, dat ge schier vast op de juistheid van zijn resultaten af kunt gaan, zoolang ten minste zijn theologische zienswijze hem het zien van de historische waarheid niet onmogelijk maakt.

Zoo groot is dan ook dusver het schier onbetwist gezag van 's heeren Van Toorenenbergens woord in zake de Belijdenisquaestie geweest, dat men, nagenoeg zonder critiek, elke zijner uitspraken voor echte munt van hand tot hand rondgegeven, en tot voor korte jaren zelfs aan de mogelijkheid van eene andere voorstelling dan de door hem in schets gebrachte niet dacht.

Een goedgeefsch vertrouwen, dat zij bij ontstentenis van eigen studie en de jammerlijke onwetendheid, waarin de meeste predikanten en ouderlingen, ten opzichte van de historie onzer kerk verkeerden, nog te gereeder verklaren liet door den ernstigen toeleg, die in Dr. Van Toorenenbergens studiën doorstraalde, om de eere onzer Belijdenisschriften, èn tegenover de Modernen èn tegenover de Reveil-mannen te handhaven. Eenigszins ook uit zijn verzekerden toon.

Indien we dan ook in deze artikelen een misschien niet geheel onmerkbaren stoot aan Dr. Van Toorenenbergens autoriteit ten deze mochten toebrengen, zoo zij men niettemin verzekerd van de ongeveinsde waardeering, die zijn onbetwistbare verdiensten duurzaam bij ons vinden zullen, en zal, naar we hopen, onze uiteenzetting de blijken dragen, dat in niets te kort te doen aan de eischen eener ernstige discussie, in ons opzet en onzen toeleg lei.

Alle eere en hulde zijn we bereid dezen uitstekenden schrijver van heeler harte te blijven bieden, en in weerwil van sommige min-vriendelijke uitlatingen zijnerzijds en onnauwkeurigheden, waarop wij hem gedurig betrapten, hem al het voordeel blijven gunnen van wat broederzin onder Christenen ten eisch stelt. Mits men slechts niet van ons verge, dat we ter wille van dezen gevierden naam het onhoudbare toedekken wat er in 's heeren Van Toorenenbergens voorstelling van de waarheid Gods schuilt.

Althans hijzelf is van te edel en te hoog karakter, om een onomwonden strijd voor de waarheid Gods niet in elken tegenstander te eerbiedigen, en we rekenen dan ook vastelijk op zijn onverdeelde goedkeuring, indien we onverbloemd en onverholen de historische misvattingen in het licht brengen, waartoe hij, zijns ondanks, door zijn eigenaardige theologische denkbeelden moest verleid worden." 34

Zoo schreef dan, zeer waarde Broeder, de man, in wien Ge een „rusteloozen vervolger" zaagt.

In trouwe, zoudt Gij er iets hebben naast te leggen, waarmeê Ge, bij manier van over en weêr believen, uw eereschuld te mijwaart kwijten kondt?


Wat ik hier gezegd heb, moest mij eens van het hart.

Het omnes contra unum toch heeft men te mijnen opzichte met zóó uitnemend succes in toepassing gebracht, dat, heusch, half het publiek haast denken ging, dat ik een wolf onder de schapen, een twister onder de inschikkelijken, een zoeker van krakeel onder gansch zachtmoedigen van gemoede was.

En wijl ik er nu prijs op stel, dat om mijnentwil de Gereformeerde naam niet onder laster doorga, scheen mij de tijd gekomen, om aan de buitenstaanders óók eens het dessous de la carte te laten zien.

In uw kring, Gij weet het beter dan iemand, zeer waarde Broeder, heb ik mij niet ingedrongen, maar had men den pas opgetreden auteur met een gretigheid, die ik eerst niet begreep, opgenomen.

Buiten alle afmeting was zelfs de consideratie waarmeê men aanvankelijk den novus homo in dien kring der toongevers tegentrad.

Toch heb ik, hoewel ietwes verbluft over zóóveel onverdiende sympathie, mij nooit onder de uwen anders voorgedaan dan ik was. Een wolf op mijn hart te smoren, ligt in mijn aard niet. Wel wat disputax van nature, bekroop mij veeleer ook in dien kring van meet af tot het voorleggen van tegenredenen de lust.

En verre van ooit een sycophant onder uwe medestanders te hebben gespeeld, bood ik veeleer ernstigen weerstand aan de poging, beurtelings door elk der schakeeringen onder U aangewend, om mij in den assimilatie-toestel van hun waarschuwingen en vermaanbetoogen te conformeeren naar een onder de uwen gangbaar model.

Ik bleef prijs stellen op zekere mate van zelfstandigheid. Vandaar mijn zacht verweer.

Maar ook, en dit kan U meer interesseeren, er was in de kennismaking met uw kring van den beginne aan iets, dat mij te leur stelde, aarzelen deed, afstiet.

In mijn stille Geldersche dorpje getrokken naar het Hooger Licht, had ik het schijnsel van dat licht zoo teeder en zoo zuiver zien glanzen in kringen, die nog van de vaderen erfden, en die deswege de liefde wonnen van mijn hart.

En zie, toen ik nu in uw kringen mijn oor te luisteren leî, trof het me alleronaangenaamst, dat ik van die goede, eenvoudige Gereformeerden altijd kwaad hoorde spreken.

Dat heette die „nachtschool!" Dat waren die „Veluwsche menschen!" 35 Ook wel die „wijsneuzen" of „stijfkoppen" genaamd. „Ultra's"! „Onverzettelijke lieden"!

Vergelijkenderwijs werd zelfs over Modernen en Groningers nog met genegenheden gesproken. Maar als het gesprek op die ultra's aankwam, dan mengde zich in de stem iets bitters; dan zag men in de uitdrukking van het oog iets onlieflijks; dan kreeg men den indruk „dat dát eensoort menschen waren, die men onder u niet kon zetten!"

Het meest bevreemdde mij dat van U, zeer waarde Broeder, daar ik op grond van uw historische studie bij U immers op sympathie voor dat volkje had mogen rekenen.

Wat aan Van Oosterzee en ander min-historische geesten ontgaan kon, wist Gij.

Gij wist, dat de Gereformeerde kerk altijd de particuliere genade beleden had. Gij wist, dat het Gereformeerde type in de moderne orthodoxie geheel te loor ging. Gij wist óók, dat juist in die nachtschoolkringen de oude, schoone, edele gelaatstrekken, hoe verrimpeld ook,nog het zuiverst waren bewaard.

Bovendien, Gij schreeft altijd over „Gereformeerd!"

Hoe kon het anders, of ik keek vreemd op, toen ik bij verdere kennismaking met uw kring, uw stem meest boven die van anderen uit hoorde, als het op veroordeeling van die ultra's aankwam, en in de particuliere gesprekken met een broederlijke liefde, die ik waardeerde, en met een à plomb, dat mij een oogenblik verbijsterde, altijd weêr tegen die„repristinateurs" gewaarschuwd werd.

Was het vreemd, dat ik een oogenblik aarzelde, of ik wellicht te Beest door een kwaad glas had gekeken en naar uw rijper oordeel mij te conformeeren had?

Althans ik heb een jaar doorleefd, dat ik neigde om de laatste keuze te doen en af te glijden op den wonderlijk betooverenden stroom van Baade's theosophische golven, voortgestuwd door den adem van een „ethisch" bedoelen, dat zoo licht het zielsoog verblindt.


Maar lang duurde die aarzeling toch niet, en ze week meest voor deze drie allengs gerijpte inzichten:

Vooreerst namelijk vond ik de manier, waarop men onder u te werk ging, nietwetenschappelijk, maar willekeurig.

}+"< . . . <@:4:fH schreeft Ge eens, met keurige keus, voor een uwer werken als motto. Welnu, zeer waarde Broeder, dát drukt nu juist uit, wat ik tegen U en de uwen had.

Het ging bij u niet „naar een wet;" niet naar een billijken regel; niet naar „wettige methode;" maar op den tast af.

Er gold onder u een zeker geijkt type.

Wie dat type droeg mocht meêdoen. Zoo niet, dan wierp men u uit. 36

En wat mij hierbij vooral hinderde, was de ervaring, dat het onder u er nog even door kon als men iets minder; maar er nooit door kon, bijaldien men het ongeluk had van nog iets meer te gelooven, dan eisch van dit uw type was.

Geloofde iemand van de Heilige Schrift b.v., dat er verhalen van legendarischen inhoud in voorkwamen, nu, dan was dat wel bedenkelijk, maar liet men zoo iemand toch door.

Maar had iemand de onvoorzichtigheid om iets meer, iets krasser, iets meer volop aan te nemen dan onder de uwen gangbaar was, dan geen pardon. Zulk een verwees men naar de nachtschool.


Een tweede hindernis was mij het volslagen ontbreken in uw kring van de nationale levensgedachte, die eens onze kerk bezield had.

Het was alles Duitsch of Fransch. Het Engelsch of Amerikaansche minde men minder.

En Duitsch niet alleen naar vorm, maar ook naar inhoud.

Een Luthersche levensopvatting in een nuchter Zwingliaansch kader.

Vandaar dat gemis aan karakter, aan tint, aan nerf in uw moderne orthodoxie. Gladhout meubelstukken, met het gekorven eikenhout uit vroeger eeuwen, geen oogenblik zelfs, voor vergelijking bestand.


Maar het zwaarst wegende lag toch hierin, dat ik in uw kringen wel een beslist anti-modernisme vond, dat met de uitwendige quaestiën zich bezig hield, van wonderen en der boeken echtheid en het voorwerpelijke dat in Christi persoon geboden was, maar dat de Bunyan, om het nu zoo eens uit te drukken, er ontbrak.

Er wás wel mystiek; er was wel ernst; er was wel zin tot vermanen, maar „de genadige wegen, die God met een mensch houdt," en de weg dien eens menschen ziel op de erve des heils langs komt, — zie, die stond meest maar met een potloodstreep zeer vagelijk aangeduid, en onder elkander hoorde ik uwe geleerde vrienden daar schier nooit van reppen.

Men versta dit niet mis; en wijl het een zoo teeder punt raakt, stel ik er prijs op, mijn bedoeling tegen misverstand te vrijwaren.

Er worde niet uit mijn zeggen afgeleid, dat ik de mannen uit uw kring verdenk of aanklaag, van minder op heiligheid des levens en een leven des gebeds te dringen. Verre van mij daarin boven U te verheffen, belijd ik liever mijn eigen geringheid en zwakheid voor God.

Maar wat ik bedoel is dit, dat de geschiedenis van eens menschen ziel ná de wedergeboorte tot aan zijn sterven geen plaats in uw theorie vond, en de stand der ziel in het genadewerk geen plaats in uwe gesprekken.

Ook hier weêr echt Luthersch; maar niet naar den trant onzer Gereformeerde vaderen, voor wie het objectieve heilsgoed eenmaal vaststond, 37 en die daarom misschien te onvermoeid met den subjectieven heilsweg bezig waren.

Zoo ontwikkelde zich van lieverleê een antithese, die ik practisch niet op kon lossen, en tot wier uiteenwarring ik daarom den eenigen weg insloeg, die mij <@:4:ÎH scheen: de studie der ouden.

Eerst, zoo veroorloofd ik mij te oordeelen, moest weêr teruggegaan naar de oorsprongen van ons kerkelijk leven; dan de wet der ontwikkeling van dat leven opgespoord; om alzoo ten leste tot dat ware gezuiverde type te geraken, dat dáárom bloeien kan, wijl ze dus wortelen zou in een geestelijk rijk verleden.

Maar zie, nauwelijks werd dat onder U en de uwen ruchtbaar, of het omnes contra unum 5 begon, en de overvloeiende sympathie van het eerste begroeten bleek al spoedig door de stadiën van beleefde koelheid, stug terugtrekken en opzettelijk voorbijloopen, bij meer dan één zelfs in een gezindheid van wrevel en boosheid verkeerd.

De één voor, de ander na, uit uw geleerden kring zei mij toen, onder allerlei chicanerieën, de vriendschap op, en een enkele, die onder u aan dat ostracisme weigerde meê te doen, werd er gedurig over geïnterpelleerd, had er heel wat om te verduren, en werd telkens aangevallen, alsof hij, met mij ook niet van zich te stooten, een ergerlijk vergrijp beging.

Er werd, om het plastisch uit te drukken, door den hygiënischen officiant in uw kring een biljet voor mijn glasruit gezet, dat den voorbijganger waarschuwde voor besmettelijke invloeden, en wie desniettemin het waagde bij mij in te keeren, werd, zoodra hij weêr in uw kring verscheen, eerst behoorlijk door berisping en waarschuwing gedesinfecteerd.

Dát waren de ervaringen, die ik opdeed van de macht der Christelijke liefde, waarvan men mij eerst geloofd en geroemd had, „dat ze alle dingen draagt!"


En nu is het niet goed, eer is het zeer afkeurenswaard in mij geweest, dat ik deze bejegening niet altijd met stille onderwerping droeg; soms zelfs met de uitingen van een bitter gemoed beantwoordde. Maar mag ik U niet vragen, zeer waarde Broeder, of er naast die ongeveinsde belijdenis van schuld toch ook geen oorzaak was, die soms mijn heftigheid verklaarde?

Door allen aangevallen; langen tijd door niemand in het publiek gesteund; overal uitgebannen; en dan, overkropt met arbeid; de zenuwen overprikkeld; telkens tot spreken over alles en allen geroepen! Wat 38 dunkt uzelven; U wien een zooveel bezadigder natuur geschonken werd; moest dit in oogenblikken van geestelijke inzinking, vooral bij den pas beginnende, niet schier met noodwendigheid tot het oefenen van repressaille leiden?

Zekerlijk, ik had zeventigmaal zevenmaal moeten vergeven.

Maar sta ik dan in het tekortschieten voor dien zoo goddelijken eisch alleen?

Doch hoe dit ook zij, ik vraag aan U, zeer waarde Broeder, dat Ge met wederzijdsch vergeten en vergeven van wat achter ons ligt, van nu voortaan meê de hand wilt toesteken, om in den kring uwer vrienden aan dezen voor God niet goeden toestand een einde te maken.

Een positie, hoe gering ook, is dan nu toch eenmaal door mij veroverd. Een *`H :@4 B@Ø FJä heb ik. Waarom zou dan nu voortaan over en weer het recht van elkanders positie niet erkend kunnen worden?

Accentueer Gij en de lieden uit úw kring úw streven, úw bedoelen, úw ideaal voor de toekomst, mits ge er de voorstelling van uw methode niet bij vergeet.

Vergun mij en hun wien gelijke liefde voor het Gereformeerde leven in de ziel werd gestort, óns standpunt allengs zuiverder af te bakenen; ónze methode U voor te stellen; en U een blik te geven in het ideaal waar óns het trekken van het hart naar uitgaat.

En laat er dan zoo Gij wilt, tusschen die beide groepen een theologisch duel worden geleverd, waarin de „groote woorden" heel weinig worden en streng betoog beslist.

Dan zullen we verder komen! Dan zal de gemeente weêr adem scheppen! En zal aan kerkelijk en buitenkerkelijke publiek een nieuwe opvoering gespaard worden van het odium theologicum in al zijn stuitende bedrijven.

Wil het U niet meer uit de pen mij daarbij als „broeder" toe te spreken, zooals ik een oogenblik tot mijn leedwezen van U, maar bovendien, o, zoo dikwijls van anderen bespeuren moest, het zij zoo, ik heb met nederiger titel vrede. Desnoods een „amice"; door sommigen uwer zelfs tot minder nog ingekrompen; zal ik honoreeren.

En opdat Gij bij deze poging om in den kring der uwen weêr aan gunstiger stemming den boventoon te geven, aan elke „misrepresentation" van mijn gevoelen terstond den bodem in kunt slaan, besluit ik dit epistel met U dit kort summier van mijn bedoelen voor te leggen:


„1º. De klove die op dit oogenblik bestaat tusschen de orthodoxie van het overgroote deel der gemeente en de moderne orthodoxie die op den kansel praevaleert, is ontstaan doordien de orthodoxie onder het volk nog uit den ouden Calvinistischen stroom komt, en de orthodoxie van den kansel geïmporteerd is uit anti-Calvinistische, meest Duitsche academiën. 39

Dit brengt het drieledig kwaad met zich: a. dat het Calvinisme onder het volk, verstoken van godgeleerde ontwikkeling, kankert; b. dat de moderne orthodoxie het nationale type derft; en 3º, dat de zoo gewenschte aaneensluiting tusschen theologie en gemeente blijft ontbreken.


2º. Om aan dezen ongewenschten toestand een einde te maken, is noodig dat deorthodoxe theologie haar buitenlandsch en anti-Calvinistisch karakter prijsgeve en weer worde een in hart en ader Gereformeerde theologie.

Hiertoe kan niet strekken een naspreken van de versteende orthodoxie uit het midden der vorige eeuw, maar moet teruggegaan tot de periode van Dordt, om van daaruit den stroom weêr te leiden in de wettige bedding.


3º. Om nu te beslissen wat Gereformeerd is, volstaat niet een historisch onderzoek, wijl in een kerk een geestelijke macht tot uiting komt, die bevoegdheid heeft om te binden en los te maken. De beslissing moet dus gevraagd aan de oude wettige Synoden, vooral aan die van 1618/9.

Ook de levensgeschiedenis, de theologische en practische litteratuur voor en na Dordt kan mede daarbij als bouwstof dienen, maar bindend voor den Gereformeerden naam op kerkelijk terrein is alleen het officiëele woord.


4º. De aard van het Gereformeerde leven brengt met zich, dat ook in deze officiëele stukken onderscheiden moet tusschen vorm en inhoud, en dat het eens vastgestelde, onder vaste bedingen, voor verbetering en aanvulling en uitwerking vatbaar blijve.

Beide echter, zoo deze onderscheiding als ontwikkeling bij het Gereformeerde type, hangt aan de werking van Gods Geest in de wettige organen der Gemeente, en heeft zich dus te regelen naar een wet, die niet door eenig theoloog uit de verschijnselen mag worden opgemaakt, maar alleen door een wettige Synode kan vastgesteld en toegepast.

Geeft men dit prijs, dan verheft elk theoloog zijn bijzondere zienswijze tot wet der kerk; noemt µµ wat slechts een gieten van zijn eigen denkbeelden in antieken vorm is; en laat, erger nog, aan intellectualisme in steê van aan den Heiligen Geest de beslissing voor de gemeente.


5º. Er behoort diensvolgens naar tweeërlei gestreefd te worden: a. naar een juiste kennis van de materieele en formeele bedoelingen der wettige Gereformeerde Synoden, die van 1618/9 ingesloten; en b. naar 40 de wederoprichting van een nieuwe geestelijke Synode, die, staande op de schouders van de Dordtsche vaderen, door den Heiligen Geest bekwaamd en gemachtigd wordt, om over den Gereformeerden naam te beslissen.

Eerst dan zal het oogenblik gekomen zijn voor hen die deze beslissing wraken, om een eigen weg te gaan. Tot zoolang blijft elk definitief uiteengaan van Exotische en Gereformeerde orthodoxen praematuur.


6º. In afwachting hiervan is echter thans reeds een iegelijk, wien God daartoe lust en kracht schenkt, bevoegd en verplicht, om zonder aanzien des persoons tegen verbastering van den Gereformeerden naam te aken; kennis van de Gereformeerde waarheid aan te kweeken; en den invloed der Gereformeerde beginselen, in gemeente, kerkbestuur en theologie te bevorderen.

Dit brengt met zich, dat deze voorloopige daden geen andere dan zedelijke werking kunnen hebben; als zoodanig niemand consciëntie binden; en zelfs als golden het uitspraken van de meest bevoegde personen, kerkelijk juridieke en bindend-geestelijke waarde missen.


7º. De eenige eisch die iemand voorshands kan gesteld worden, is, dat hij de drie formulieren van eenigheid onderteekene.

Of hij dit kan; of hij daartoe recht heeft; of zijn belijdenis en zijn theologie dit al dan niet gedoogen, kan slechts door twee machten beoordeeld worden: canoniek door een wettige Synode; zedelijk door zijn eigen consciëntie.

Wel blijft iedere corporatie vrij, om de waarde dier onderteekening, naar het karakter van den persoon; zijn gedrukte schriften, en zijn gebleken opinie over onderteekeningen; hooger of later aan te slaan; maar de onderteekening blijft daarbij intact.

Mits, en dat worde wel verstaan, mits er bij die onderteekening niet gezegd worde: „ten minste naar de substantie!" of „in hoofdzaak," of „generaal;" maar dat die onderteekening zij „puur en simpel."

Terwijl alsdan op de vraag, wat deze „onderteekening puur en simpel" bedoelt en inhoudt, geantwoord moet worden: „Ze laat u persoonlijk die volle, maar ook geen andere mate van vrijheid, dan bedoeld was door de Synode van Dordrecht."

Dat is altijd sous entendu.

Elke andere onderteekening, ook dus zulk eene die meer wou binden dan Dordt bond, is weêr niet <@:4:ÎH, maar even willekeurig als de tactiek die lostornt wat Dordt vastreeg.


8º. Bij dit weeropbouwen van het Gereformeerde huis onzer vaderen, moet tweeërlei onverbloemd en onverholen uitgesproken, en wel a. dat 41 het Calvinisme gelijk dit thans onder ons leeft, in meer dan één opzicht krank is en van die krankheid met Gods hulp, door sympathetische geloofskracht, moet genezen; b. dat de positie waarin de Gereformeerde kerk zich thans tegenover de dwaling bevindt dermate van 1618 verschilt, dat er meer in onze belijdenis dient beleden dan destijds, en dat ook de uitdrukkingsmanier en betoogwijs van het toen reeds beledene door herziening verhelderd kan en versterkt.

Maar ook tweeërlei met hand en tand vastgehouden, t.w. a. dat geen der eigenaardige grondtrekken van de Gereformeerde belijdenis goeden prijs mogen verklaard worden, en alzoo de eeuwige verkiezing „cor ecclesiae" moet blijven; en b. dat ze, ook na zoodanige herziening, altijd weêr, mits bij den wettigen rechter, examinabel blijve aan Gods Woord.

Weshalve de toeleg, om het Synergisme of verdunde Arminianisme van vele moderne orthodoxen, bij manier van revisie, in onze belijdenis te brengen, met ernst weerstaan dient en zonder uitdrijving der „issus de Calvin" nooit zou kunnen noch mogen gelukken." 6

*

Dit weinige is mij voor ditmaal genoeg. De hiermeê getrokken lijnen duiden overduidelijk de grenzen aan van het glacis, waarop de Gereformeerden hun tente opsloegen. Zeg zelf, waarde Broeder, is het in dit achttal punten afgebakend standpunt niet sterk in zijn beginsel, vast in zijn begrenzing, wetenschappelijk in methode, en, wat ook in uw oog immers het meeste afdoet? geheel hangende aan de werking van den Heiligen Geest in zijn wettigeorganen?

Maar ook al mocht ik er met dit breed epistel niet in slagen, U gunstiger gedachten in te boezemen omtrent hen, die, de groepeering naar namen en personen moede, naar geen der mannen uit ons geslacht zich ooit noemen zullen, maar vasthouden aan den, historisch hun van God gegeven, Gereformeerden naam, — zooveel zal U dan toch gebleken zijn, dat ik uw „overlaten aan de critiek van den Heiligen Geest" dáárom niet accepteeren kon, wijl Gij aldus van den Heiligen Geest sprekende, dien Geest van zijn natuurlijke en wettige organen, zoo in het organisme als bij het instituut der kerk, berooft.

Dieper dan Gij van verre vermoed hebt, is dat „overlaten aan de critiek des Heiligen Geestes" mij onder elk gezichtspunt, een onchristelijke en even deswege anti-Gereformeerde gedachte. 42

En hiermeê een niet-overlaten uwerzijds van de critiek op mijn streven aan een Geest zonder organen tegemoetziende, zij U de betuiging der hoogachting, met heilbede over uw persoon en arbied, simpático, gelijk de Italianen zeggen, geboden


's Gravenhage, den 23 Oct. 1879.

door Uw Dw. Dienaar
Kuyper.


P.S. Tot zóóver schreef ik den 23en October; den 29en waren ook de beide annexen voor de pers gereed; en reeds den 4en November ontving ik het geheel in proef, toen tot mijn diepleedwezen, een eindelijk inzinken na een huiselijk tobben en lijden van twee lange maanden, mij sterker aantastte dan ik eerst vermoedde, en voor weken lang zelfs de correctie van drukproeven onmogelijk maakte.

Vergeef mij dit oponthoud, en sta mij toe, eer ik oorlof neem, thans te doen wat ik op 23 October nog niet kon, en U thans ook openlijk geluk te wenschen met uw eindelijk komen tot het professoraat.

Privaat zond ik U dien gelukwensch reeds den avond zelf van uw benoeming, en in den Heraut schreef ik er van:


„De benoeming van Dr. J.J. van Toorenenbergen tot hoogleeraar in de „geschiedenis van het Christendom" aan de stedelijke Universiteit te Amsterdam is ons een oorzaak van groote vreugde om zijne persoons wille.

De zoo dikwijls op grievende wijs voorbijgegane man komt dan nu toch eindelijk tot zijne natuurlijke bestemming.

Dit zal hem het hart verkwikken; hem, zoo we hopen durven, ook ten onzen opzichte zachter stemmen; en, mits Dordt buiten spel blijve, aanmerkelijke winste voor de wetenschap zijn.

Van Moll op Van Toorenenbergen is eene schrede, die al den klimmenden invloed toont der orthodoxie.

Immers, men weet dat de bijna geheel uit modernen en Joden bestaande Raad van Amsterdam Dr. Van Toorenenbergen uitsluitend benoemd heeft om orthodoxe studenten naar de Stads Universiteit te trekken.

Doch al keuren we dit in den Raad ook als min principieel en min moreel af; áf vooral in den Raad, dat er op kosten van Roomschen, Joden, Gereformeerden en Lutherschen een hoogleeraar wordt aangesteld om in den trant der Irenisten de „geschiedenis van het Christendom" te doceeren, toch zijn we onpartijdig genoeg, om ook ten deze personen van zaken af te scheiden en, zonder prijsgeving van ons beginsel, hulde en gelukwensch te bieden aan den man, die, in zoo menig opzicht onze wederpartijder, toch ook in den grooten strijd onzer dagen op zoo uitgebreid terrein onze medestrijder en medeijveraar is."

Dit eischt nog een kort woord ter toelichting.

Om U persoonlijk heb ik mij van harte in uw benoeming verblijd, en verblijd ook over den meerderen tijd, dien Ge van nu af aan historische studiën zoudt kunnen besteden.

Maar eerlijkheidshalve moet er bij gevoegd, dat er ook in deze benoeming is, wat mij én om Uwentwil én ter wille der zaak smart.

Ik wijs op vierderlei: 43

a. In een theologische faculteit te zitten met twee Lutheranen en twee Mennonieten, en onder deze met drie modernen; en voorts met een zoo ver afgewekene als De la Saussaye Jr., zou het U niet hard voor uw Gereformeerde praedilectie zijn?

b. In een faculteit op te treden, die geheel op moderne leest geschoeid is en zelfs geen geschiedenis „der Christelijke Kerk" meer kent, moet het U niet zeer doen?

c. In een theologische faculteit te doceeren, die uit de stadskas van Roomsche, Joodsche en moderne ingezetenen betaald wordt, zou het U niet een schaduw op uw weg zijn?

en d. Benoemd te zijn, niet wijl men op U bij voorkeur het oog had, maar uit Universiteits-speculatie, moet U immers zelf een dier pijnlijke bij-omstandigheden wezen, waar al de ellende van onzen toestand zich weder in uitdrukt?

Met die benoeming objectief beschouwd heb ik dan ook volstrekt geen vrede. En het is alleen uit persoonlijke waardeering; om de kans op nieuwe studiën van Uwe hand; en het uitzicht van U onze stadgenoot te zien worden, dat ik, ondanks mijn zeer wichtige bezwaren, mij ongeveinsdelijk met den blijde verblijden kon en kan.


K.

Amsterdam, 10 December 1879.




1 Hoe weinig Ge dit oorspronkelijk bedoeldet, blijkt wel het duidelijkst uit de tegenspraak met deze omschrijving van het geschil, waarin Gij U nog in ditzelfde boekske verwikkelt. Verderop toch spreekt Ge weêr alleen van hoogleeraren, d.i. van Staatsdienaren, en zondert juist de kerkedienaren uit.

2 Het beste ontaardt, indien het bedorven wordt, gemeenlijk in het slechtste.

3 In den kring der gemeenlijk „ethisch" genoemden wordt principiëel de verplichting der kerk tot het oefenen van tucht, in kerkrechtelijken weg, weggecijferd. Het „overlaten aan de critiek van den Heiligen Geest", in de consciëntie namelijk, bedoelt men in dien kring dan als staande tegenover de „critiek van den Heiligen Geest" door de wettige organen der kerkelijke overheid, gelijk de Gereformeerde kerk dit wil. Lijdelijkheid daarentegen op wetenschappelijk gebied, gelijk Gij het thans in zwang wilt brengen, is in dien kring, naar ik weet, dusver nooit met dat zeggen verdedigd.

4 Dit zegt ge van Walaeus, dien Ge als historisch getuige voor uw eigen gevoelen opriept. Zijn gevoelen en het uwe vallen dus in uw voorstelling saâm.

5 Allen tegen één.

6 Uit deze verklaring, den 23en oktober geschreven, zal aan Dr. Gunning blijken, hoe ten eenenmale hij zich in zijn jongste geschrift, bij al de welwillendheid van zijn bedoelen, in ons bedoelen vergist.




a .


Eerste annexe

Anticritiek op Dr. Van Toorenenbergens tweeden aanval

Uw anticritiek bespreekt tweeërlei zaken: quaestiën die het geschil tusschen ons wel, en quaestiën die het tusschen ons gerezen different volstrekt niet raken. Qui bene distinguit, bene docet. Sta mij daarom toe, U over deze beide geheel verschillende stoffen afzonderlijk te woord te staan.

Eerst dus, toets ik de door U gebezigde verweermiddelen, die met het tusschen ons gerezen geschil niets uitstaande hebben, en die U derhalve geen stroobreed verder zouden brengen, ook al kon ik ze U niet uit de hand slaan.

Ze zijn drie in aantal. Ik wijd aan elk dezer drie een afzonderlijke paragraaf.


§ 1. De inwilliging der Dordtsche Synode door Hollands Staten.


Hier staat het tusschen ons zóó, dat Gij beweerd hadt: „Pas na het verzetten der wet, maar toen ook terstond, hebben de Staten van Holland, en dat wel onvoorwaardelijk, de Synode ingewilligd." Ik daarentegen: „Niet het verzetten der Staten, maar reeds het afdanken der waardgelders, heeft de Staten op den 25 Augustus, lang voor het verzetten der wet, genoopt, edoch voorwaardelijk, de Synode toe te staan." Tegenover dit mijn gevoelen handhaaft Ge thans uw oorspronkelijk schrijven, dit nader in dier voege bepalende, dat met die „inwilliging" door U gedoeld is, niet op het besluit der Staten van 25 Augustus, maar op dat van 27 October.

Te dien opzichte nu ben ik bereid, na uw meer ampele verklaring gehoord te hebben, terug te nemen, wat ik als door U bedoeld ondersteld had, met inbegrip van de redeneering, die op dat misopvatten van uw meening rustte. Te erkennen alzoo, dat Wagenaar X deel, p. 309, en niet gelijk ik giste p. 239, door U geciteerd was; en U toe te geven, dat metterdaad de op 27 October aan de Generale Staten verleende acte onvoorwaardelijker was dan de inwilliging van 25 Augustus, waarvan die acte heette gegeven te worden.

Naar Ge wel merkt is uw tegenpartij in het cedeeren van wat geconcedeerd moet worden, bij lange na niet kruimelachtig, maar eer grif en gul.

Dit geeft mij evenwel hoop, dat Gij dan nu ook Uwerzijds even grif en gul zult zijn met de erkentenis van datgene, waarin ik U ga aantoonen, dat Gij ook nu weêr dwaalt. 45

En dan begin ik met een klein foutje, maar waar schier alles in schuilt. Gij laast Wagenaar niet goed, of schreeft hem althans niet goed over, en bracht daardoor uw lezer in de war.

Wagenaar had op p. 239 in zijn Xe deel, tamelijk juist, geschreven: „Op 25 Augustus bewilligden de Edelen en alle de steden, op Gouda na, in de Sinode; edoch met eenige bepalingen," d.i. niet onvoorwaardelijk. En, als nu toekomende aan het verleenen der acte van dit besluit op 27 October, schreef dezelfde Wagenaar, evenzeer bijna juist: „de nieuwe Staaten van Holland bewilligden terstond in de Sinode zonder eenige voorwaarde."

Dit laat zich hooren, niet waar? Op 25 Augustus bewillig ik, maar conditioneel. Op 27 October daarentegen bewillig ik, edoch zonder conditie. Dat is verstaanbaar; dat is logisch; dat is taal.

Maar wat deedt Gij? Wat maaktet Gij van deze woorden?

Zie, overnemende wat Wagenaar op p. 309 schreef, hebt Gij er het woordeke „en" ingevoegd en daardoor Uw lezer op het dwaalspoor geholpen. Gij liet toch drukken, en merktet ook nu de fout nog niet: „De nieuwe Staten hadden terstond en onvoorwaardelijk in de Synode bewilligd." Dit nu is heel iets anders. Dat kondt Gij alleen zeggen, doordien Ge in de dwaling verkeerdet, dat er vroeger nog niet bewilligd was; dat men, alvorens de wet verzet was, had geweigerd, en nu, als nieuwe Staten saâmkomend, in de eerste vergadering de beste een besluit nam, om wel in te willigen.

Heb ik dus in mijn „Leidsche Professoren" op dit punt te hard over U geoordeeld, weet dan wel, dat Gij dit grootendeels aan Uzelven hebt te wijten, en erger nog er zelf schuld aan zijt, dat ik U, nadat Ge thans accuraat van de quaestie kennis naamt, nogmaals tot mijn leedwezen moet komen aantoonen, dat het verloop der zaak ook nu nog gansch verkeerdelijk door U wordt voorgesteld.

Dat beloop viel namelijk uiteen in drie perioden: Eerste periode, De oude Staten zitten nog; van 25 Augustus tot 14 September. Tweede periode, De Staten zijn op weg van oud naar nieuw; van 14 September tot 6 November. En Derde periode, De Staten zijn nieuw geworden; van af 6 November en vervolgens.

Door op het onderscheid tusschen deze drie stadiën niet te letten, zijt Gij op het dwaalspoor gebracht en zaagt blijkbaar voorbij, dat de Staten van Holland, krachtens het decreet van 12 Maart 1585, geen besluit kouden nemen zonder eenstemmigheid, en dat dit gold voor alle zaken van aanbelang. Of de Staten dus al ten deele vernieuwd waren hielp niet; of de meerderheid al vernieuwd was evenmin; om, in den door U bedoelden zin, „nieuwe Staten in hun besluit te zijn", moest de vernieuwing uiteraard geheel zijn afgeloopen. Overmits nu het verzetten van de wet op 3 September te Schoonhoven begon, en de nieuwe gedeputeerden van Schoonhoven eerst den 14 September opdaagden, bleven de Staten tot op dien dag geheel oud. En evenzoo, overmits eerst den 3 November het verzetten van de wet in de stemhebbende steden was afgeloopen, was ook de nieuwwording der Staten, wat het stemmencijfer betreft, eerst voldongen op de vergadering van 6 November, toen de h.h. Vlacq en Werff zitting namen.

Door ook nu weêr te verhalen, dat de nieuwe Staten reeds van den 21 September af besluiten konden, hebt Gij dus, òf abusievelijk gemeend dat de Staten evenals onze Kamers bij meerderheid van stemmen besloten, òf wel voorbijgezien dat het „verzetten der wet" eerst in November afliep.


Gaan we nu ordelijk te werk, en catalogiseeren we in drie rubrieken, wat in elk dezer drie perioden ten opzichte der Sijnode geschied is, dan zal èn Wagenaars onjuistheid èn uw dubbele, ook nu weêr begane, vergissing openbaar worden. 46


Eerste periode van 25 Augustus tot 14 September. Nog geheel oude Staten.


a. Op 25 Augustus besloten, om de Synode in te willigen, edoch conditioneel. Gouda bleef difficulteeren. Hoorn was ongelast (zonder bericht) Res. 2 Holl. p. 746).

b. Op 30 Augustus de Synoden-Provinciaal toegestaan, om het houden der Nationale te praepareeren. (Cf. „mits de tijt seer begon te becorten" p. 755). De ongelaste steden zouden na verloop van vijf dagen gehouden worden é silentio te hebben geconsenteerd (p. 755).

c. Op 31 Augustus. Schriftelijk consent voor de Provinciale Synoden vastgesteld „om alles jegens de aanstaande Sinode Nationaal tijdelye ende behoorlye te praepareeren"; onder gelijk beding als op 30 Augustus (p. 758).

d. Op 4 September. Ook Hoorn consenteert in de Nationale Sinode. De op 30 en 31 Augustus nog ongelasten consenteeren in de Provinciale (p. 761).

e. Op 12 September komt in bericht van de Classen van Dordt en Enkhuysen, dat, naar der Staten last, de gravamina opgevraagd en alle maatregelen genomen zijn, om de Sinode Nationaal te praepareeren (p. 763).

f. Op 13 September. Verzoek der Remonstranten om garantie tegen de komende Nationale Synode. Aangehouden (p. 765).


Resultaat. Toen op 13 September de oude Staten nog geheel en al in hun vorigen doen waren, was: 1º. de Synode-Nationaal reeds (conditioneel) gehouden voor ingewilligd, en 2º. de Provinciale Synode, als voorbereidend voor de Nationale, op laat van de Staten van Holland saamgeroepen. Korter gezegd: Er was conditioneele inwilliging met . . . merkelijk begin van executie.


Tweede periode van 14 September tot 6 November. De Staten zijn op weg van oud naar nieuw.

a. Op 20 September (toen pas 4 van de 19 leden vernieuwd waren), Benoeming van Commissarissen voor de Synode Provinciaal (p. 780). Voorts „dewijl nu alle de leden in het houden van een Synode Nationaal hadden geconsenteert" aan den Koning van Frankrijk vragen om deputatie (p. 781). En Episcopius en Polyander gelast om de Synode-Nationaal te assisteeren (p. 781). (N.B. Episcopins zou nooit door de nieuwe Staten gecommitteerd zijn).

b. Op 3 October. Vast- en biddag voor de Synode-Nationaal uitgeschreven (p. 784).

c. Op 13 October. Twee commissarissen naar Dordt gezonden, om de Synode-Nationaal te praepareeren. Crediet van f 100,000 voor de Synode toegestaan (p. 788).

d. Op 18 October. Extra vacatie-gelden voor de uitheemsche theologen toegestaan (p. 794).

e. Op 25 October. Besloten, alsnu, evenals de andere provinciën, acte aan de Generaliteit te verleenen van het reeds voorlang genomen besluit tot inwilliging der Synode-Nationaal. („Dat, hoewel de Synode-Nationaal van weegen den lande van Holland en Westfrieslant waren gehouden voor ingewilligt op de acte van non-prejuditie en in achtervolg van de uitschrijving van de Staten-Generaal daar van gedaan . . . daartoe Acta te concipiëren." (p. 809.)

f. Op 27 October. De Acte vastgesteld, met reserve van Gouda, waarin verklaard wordt dat men: 1º. in de Synode heeft bewilligd op Acte van non-praejuditie, en 2º. de Synode-Provinciaal daartoe dienende heeft uitgeschreven; onder verzoek dat 3º. aan Holland overwicht zou gegeven worden in den raad der Politieken. (Nieuw bewijs dat de oude Staten nog den boventoon hielden) (p. 812). 47

g. Op 30 en 31 October. Instructie voor de politieke commissarissen der Synode-Nationaal geconcipiëerd (p. 814, 6).

h. Op 1 November. Nader besluit over deze instructie en de meerdere stem voor Holland (p. 816).

i. Op 3 November. Deputatie der Politieken (p. 812).

k. Op 5 en 6 November. Vaststelling der instructie (p. 824).


Resultaat. In de periode van overgang is door de Staten van Holland geen nieuw besluit tot inwilliging genomen, maar wel van het vroeger genomene besluit, met weglating van vele conditiën, acte verleend. En voorts, op gelijken voet als in de eerste periode, met de executie van het besluit van 25 Augustus voortgegaan.


Derde Periode. Na 6 November. De nieuwe Staten.

Op 12 November. De inhibitie aan Ds. Smout opgelegd, opgeheven enz. zonder dat in de volgende acten iets meer van deze zaak gerept wordt.

Blijkbaar is alzoo ten onrechte door U beweerd: 1º. Dat pas de nieuwe Staten hadden ingewilligd, overmits de inwilliging, conditioneel, reeds op 25 Augustus verleend was, en er daarna nooit eenig ander of nader besluit over de inwilliging qua talis was gevallen. 2º. Dat er hier sprake kan zijn van een „terstond", wijl dit op een bepaalden datum ziet en die datum niet vóór 6 November kan vallen; terwijl toen reeds alles was afgedaan. 3º. Dat de feitelijke executie pas ná 21 September door de ten deele vernieuwde Staten zou zijn begonnen, overmits het voornaamste stuk van deze execittie, bestaande in de saâmroeping der Provinciale Synoden reeds door de nog geheel oude Staten was tot stand gebracht. En 4º. Dat de acte op 27 October verleend, geweest zou zijn onvoorwaardelijk. Eenige voorwaarden toch stelde men ook toen. De Acte van praejuditie bleef.

Feitelijk komt de toedracht der zaak dus hierop neêr: Op 25 Augustus, onder den schrik van het afdanken der waardgelders, gaf men zijn verzet op, maar hing er onvervulbare conditiën aan, zonder die evenwel aan de Generaliteit meê te deelen, en ging inmiddels, wel ziende dat er toch niets meer aan te doen viel, tot de executie over. Naarmate er in de Staten meer nieuw bloed kwam, maakte men met die executie meer spoed en ernst. Toen de nieuwe elementen het overwicht kregen, zond men een acte van inwilliging aan de Generaliteit, waarin slechts de geoorloofde conditiën vermeld werden. En toen eindelijk op 6 November de Staten werkelijk geheel „nieuw" waren en de wet in alle steden verzet was, bleef er niets te doen over, wijl reeds alles gedaan was.

Op uw vraag: Wie heeft zich hier vergist? dient dus geantwoord: In het opslaan van Wagenaars register verzag Kuyper zich; maar in de feiten der historie, in het raadplegen der resolutiën en ia het referaat over der Staten handelwijs, vergiste zich ten deele Wagenaar, maar erger nog Van Toorenenbergen.

Althans deze quaestie zal nu hoop ik uit zijn. 48

*

§ 2. De onderteekening der doctoren.


Dr. Van Toorenenbergen is het niet eens met mijn stelling, dat iemand die doctor geslagen werd door een academie, als zoodanig niet in den dienst der kerk trad.

Hij acht het tegendeel ontwijfelbaar.

Na dat staat gelijk. Hij acht zus, ik zoo. Het komt maar op het bewijs aan. Affirmanti incumbit probatio.

Nu zegt Dr. Van Toorenenbergen wel, dat dit bewijs ligt in de „onderwerping aan kerkelijke rechtspraak" te Utrecht door doctoren geteekend. Maar dit zegt natuurlijk niets. Want, vooreerst handelen we van Leiden en niet van Utrecht; en ten tweede is onderwerping aan een rechtbank nog volstrekt niet het minste bewijs van ambtelijke bediening. Subject is ook de ambtelooze.

Of er ambt al dan niet is, volgt uitsluitend uit de aanstelling en instructie.

En laat Dr. Van Toorenenbergen die maar eens voor doctoren van kerkezij opdelven.

*

§ 3. De kerkorde.


Door mij is aangetoond uit de stukken, dat de Dordteche kerkorde in Holland noch door de Staten noch door de Synoden-Provinciaal, ooit definitief is ingevoerd.

Om toch aan alles te tornen, komt Dr. Van Toorenenbergen intusschen ook hier tegen op, en brengt eenige overbekende gezegden bij, waaruit blijkt, dat deze kerkorde in de 18de eeuw usuëel niettemin in vele harer bepalingen gegolden heeft.

Nu, dat is door mij niet weêrsproken, en ontkenning hiervan behoeft dus door mij ook niet gemainteneerd.

Wat ik beweerde, en nog beweer, laat Dr. Van Toorenenbergen onaangevochten.

Waarom weêrspreekt bij het dan?

*

Thans kom ik aan de punten, die het geschil wel raken en die ik onder vier paragrafen rubriceer.


§ 1. Weigerden Walaeus c.s. te teekenen, uit hoofde van eigen bezwaartegen de formule?


Gij beweert dit. Ik ga de gronden, die Gij er voor aanvoert, boeken.

a. Gij zegt: het is een feit, dat toen Polyander c.s. de verhouding van het academisch onderwijs tot de kerkelijke formulieren wilden regelen, zij bezwaar getoond hebben tegen het schroevende: in alles.

Ge zegt dit, maar bewijst het niet; terwijl ik omgekeerd U met de stukken aangetoond heb, dat ze in hun eigen verklaring het „in alles" even goed en wel terdege opnamen.

b. Gij stelt het voor als weigerden zij zich te sisteeren als subjecten. Wel als „medeleden", niet als „subjecten" wilden zij tegenover de kerk staan.

Het ongereformeerde van deze gansche tegenstelling laat ik voor uwe rekening. Mij gaat alleen dit aan, dat Gij U ook hier vergist. Door, op welke conditie 49 ook, zich onder de censuur der Provinciale Synode te zetten, had er wel terdege subjectie, eerst aan háár oordeel, en ter tweede instantie aan dat der Synode-Nationaal plaats.

Uwe tegenstelling gaat dus niet op.


c. Het was, zegt Gij, wel degelijk hún bezwaar, dat zij deden gelden; de interdictie der Staten betrof alleen de subjectie.

Ook deze tegenstelling fantaseert Gij in het geding in. Van een ánder bezwaar toch dan van die „subjectie" is in gansch het geschil door niemand spoor noch schaduw ontdekt, eer Gij in den jare 1878 er in de Stemmen meê te berde kwaamt.

Maar stel al; wat ik op den aangegeven grond (zie boven § 1 a) bepaald ontken; stel, dat zij tegen het „in alles" ernstig bezwaar hadden geopperd en dit als hún bezwaar hadden doen gelden, dan moest dit uiteraard met even zoo vele woorden door ben zijn gezegd.

Zoo dikwijls toch een ondergeschikte (en de faculteit was de ondergeschikte van Curatoren en Staten) een officieel bescheid aan derden overbrengt, ontstaat de zekerheid, dat hij niet slechts een ontvangen last overbrengt, maar ook uit eigen hoofde handelt, dán eerst, als ik òf van elders weet dat de inhoud van dit besluit zijn subjectief gevoelen uitdrukt, òf dat zijn meester er zich niet in gemengd heeft, òf dat die meester er tegen was, òf eindelijk, dat er een particuliere adhaesie op het officieel bescheid volgde.

Zonder één dezer vier is dat kort en goed niet plausibel te maken; laat staan te bewijzen.

Gij nu levert er van deze vier geen één.

Gij herhaalt, wat ik zelf schreef, dat hun door de Staten verboden was in de subjectie te bewilligen (p. 3), en dat over die subjectie reeds dispute was gevallen te Dordt; maar zoekt U dan sterk te maken door te wijzen op de woorden: „dat de facultas theologica, met goedvinden van Curatoren" niet beeft willen toestaan" (p. 4).

Dat schijnt nu heel wat. De faculteit wilde niet, en de Curatoren hebben dit verzet der faculteit niet uitgelokt, maar er slechts in bewilligd. Atgui ergo ging het verzet wel terdege van Walaena c.s. uit.

Maar met uw welnemen, wist Ge dan niet dat het stuk, waar dit in voorkwam, uit de Staten afkomstig is; dat het interdict der Staten door Uzelf erkend is; dat de faculteit als lasthebber handelde; en dat het goedvinden van Curatoren niet op een zich schikken naar de faculteit zag, maar op een meêgaan met de Staten?

En wat nog het ergst van alles is, moogt Gij, zeer waarde Broeder, als er in het stuk staat, dat deze woorden op vroegere disputen, en niet op Walaeus slaan, deze woorden dan toch uwen lezers voorstellen, als op Walaeus doelende? Komt dit uw eer en uw waarheidsliefde niet te na?

En toch dat doet Ge. Want er staat uitdrukkelijk in Walaei Opera, p, 422: „Alsoo in de letste Nationale Synode, ende voor desen meermalen voorghevallen is . . . dat de facultas theologica haar dezen opzicht, met goedvinden ook der Curatoren, niet heeft willen toestaan."

De woorden, waarop Gij U beroept, slaan dus volstrekt niet op het geschil over de onderteekeningsformule, maar op de disputen met Arminius en Episcopius.

Natuurlijk wantrouw ik ook hier geen oogenblik uwe eerlijkheid. Maar, lieve Broeder, de fout is toch anders al vrij erg en grof, en verraadt wel de zwakheid van een positie, die in zulk een anachronisme heil zoekt.

Zelf de nietigheid van dit stroohalmpje gevoelende, zegt Ge er dan ook bij „het stuk ging door Walaeus' handen!" 50

Nota bene! Alsof in die jaren een professor zich veroorloofd zou hebben, een stuk van de Staten te vervalschen of niet door te zenden aan zijn adres!


d. Gij beroept U op hun verklaring op de Haagsche Synode van 1624, en schrijft die aldus uit: „dat zij de correspondentie ende comparitie op de Synodale vergadering hadden verzocht, omdat zij meenden, dattet den kercken soude dienstigh en profijtelick zijn."

Hiertegen: geldt 1º. dat Gij ook hier weêr den tekst abusief meêdeelt. Er staat toch heel wat anders, t.w.: „dat sijlieden de correspondentie ende comparitie op de Synodale vergaderinghe niet en hadden versoght om haar eighen zelfs wille, als die met haeren staet ende conditie wel te vreden waren, maer omdat ze meenden dattet den Kercken soude dienstigh ende profijtelijck wezen" (Leidsche Professoren p. 72).

Reeds uit de taal bleek, dat Gij den tekst willekeurig veranderd hadt in bijna zijn tegendeel. Gij woudt er toch in zoeken iets dat hén zelf, hún vrijheid als professoren betrof; en er staat juist dat se het om „harer eighen zelfs wil" niet zochten. Bovendien is uw veranderen van het niet geaccentueerde „se" in „zij", en dan dat „zij" nog al te cursiveeren, een vergrijp aan de stukken, en eer verzwakkend dan versterkend voor uw pleidooi.

Wat dunkt u, amice, dat is na tweemaal achtereen, dat men op uw citaten niet aan kan. Waar moet dat heen, in zulk een omvangrijke quaestie?


Dan „neemt Ge eenige dingen aan" en „vermoedt eenige andere", waaraan Ge intusschen zelf weinig waarde hecht blijkens, uw overgangsphrase: „doch laat dit zijn zoo het wil". p. 5, en waarbij ook ik mij dus niet ophoud.


e. Daarna stelt Ge de vraag: waarom de professoren dan een eigen formulier opstelden en niet eenvoudig de Dordtsche overnamen met afsnijding van den staart (subjectie aan de Synode)!

Dat weet Gij zoo min als ik. Wie zal dat zeggen? De reden die Gij opgeeft: „dat ze deze formule, te streng vonden" intusschen is stellig onhoudbaar. Dán toch zouden ze dit moeten gezegd hebben; en niet hebben kunnen verklaren, dat ze c.q. bereid waren dit stuk toch te teekenen.

Wilt Gij een verklaring, zie er hier ééne, die althans hout snijdt.

De Dordtsche formule eischt adhaesie aan drie stukken: 1. de Confessio Belgica, 2. den Catechismus Heidelb. en 3. de Canones Dordracenae.

De academische formule daarentegen vraagt bovendien onderteekening van de Confessio Gallica, of Fransche Confessie!

Nu was de Fransche predikant Rivet juist tot hoogleeraar benoemd.

Eilieve, wat dunkt van deze combinatie Uzelven?


f. Voorts denkt Ge een geheel plan uit, waardoor Walaeus' aanbod, om c.q. zelf wél te teekenen, toch te rijmen zou zijn met zijn opstellen van een andere formule.

Gij schrijft er van: „Zij konden voor zichzelven en mochten vanwege hunne superieuren de synodale formule overnemen met eenvoudige uitlating van hetgeen de subjectie aan de Synode betrof — anders hadden zij de onderteekening niet mogen aanbieden — maar zij hebben haar niet overgenomen. Dát is het punt, waarop ik wees, en waaruit ik meen te mogen afleiden, dat zij de verhouding tot de Symbolische Schriften der kerk niet voor alle omstandigheden — en tijden — dezelfde achtten en bepaaldelijk meenden, dat die verhouding eene andere is voor de betrekking van den academischen leeraar en eene andere voor die van den onmiddellijken dienaar der kerk. Hun aanbod van persoonlijke onderfeekening onder bepaalde omstandigheden werd, blijkens hun gedrag en 51 handelwijs, door hen onderscheiden van hunne verplichting, waar zij zelven de betrekking tusschen de Kerk en de Faculteit hadden te regelen. Wat zij persoonlijk konden, na eene pas gehouden Nationale Synode, hebben zij niet als regel willen stellen voor anderen en voor de nakomelingschap (p. 7)."

Daar hebt ge weer den vindingrijken man. Nooit verlegen. Steeds heel zijn phantasie tot zijn dienst.

Intusschen voelt Gij zelf, dat Ge tegenover mij daarmeê niet afkunt.

Gij geeft hier toch allerlei bedoelingen en bewegingen des harten en overleggingen van Walaeus op.

Maar eilieve, hoe komt Ge aan die wetenschap van hunne intentiën? Geef ons Bijlagen! Ontsluit ons uw archief. Stel ons in staat U na te rekenen. Tot zoolang toch wordt U natuurlijk ook deze wissel op ons goed geloof zeer nadrukkelijk geprotesteerd.

Geprotesteerd: 1º. omdat elk bewijs pro door U is weggelaten; 2º. overmits of de heeren in de Synode-Provinciaal zaten of niet zaten, dit aan de fixiteit der leervoorstelling niets toe of afdeed, en zij door, werd slechts die zetel hun ingeruimd, tot afschaffing van de academische en overneming van de Dordtsche formulieren zich bereid te verklaren, de onjuistheid van uw gissing in het helderst licht hebben geplaatst; en 3º. wijl door henzelven nooit dit, maar wel constant een ánder motief van hun handelen wordt opgegeven, t.w. der Staten interdict.


g. Onderteekening der Dordtsche formule zou de hoogleeraren nog van erger conditie hebben gemaakt dan de predikanten.

Natuurlijk.

Een minister kan harder worden aangetast dan een eenvoudig referendaris. Hoe hooger de positie, des te zwaarder ook de strafrechtelijke verantwoordelijkheid.

Uw interpellant zelf wees reeds op dit punt.

Maar mag ik U vragen: Indien de correspondentie na eens ware toegestaan, niet waar, dan zouden, ook volgens U, de hoogleeraren hun eigen matje hebben opgerold en de Dordtsche formule op hun faculteitstafel ontrold hebben. En dan? Zou er dan aan die strenge censuur, aan dat citatierecht zelf, ook maar iets veranderd zijn?

Niets immers.

Nu, wat wint Ge dan?

Wat anders dan de twijfelachtige eere van nogmaals geproduceerd te hebben een niet steekhoudend argument?

*

§ 2. De medevaststelling der Dordtsche formule van de hoogleeraren zelven.


Alsnu dan toch toegevende, dat de hoogleeraren te Dordt wél een „definitieve stemme" hadden, houdt Ge niettemin staande, dat zij te Dordt tegen de formule geageerd, niet er toe meêgewerkt hebben.

Laat mij ook hier uw argumenten één voor één mogen wikken.

a. In de 175e zitting is Ds. Rodingenius van Hoorn verschenen met nog een suppliant. Voor hun zaak was een commissie benoemd, waarin o.a. Polyander zat. Nu werd deze Commissie verzocht terstond in een zijkamer deze zaak af te doen. En daarop volgt dat het formulier der Synode voorgelezen en goedgekeurd is. Dus, zegt Gij, was Polyander er niet bij en kón alzou niet voorstemmen.

Natuurlijk beteekent dit niets. Wie de acten dezer Synode ook maar even 52 kent, weet, dat er van procès verbal geen de minste sprake is, en dus uit de successie van momenten niets hoegenaamd mag of kan worden afgeleid.

Alsof men in de 17e eeuw tegen tien uren zijn kop koffie niet ging drinken, en juist in de pauze dan gelegenheid voor korte Commissiën had.

Maar, goed, ik neem dan nu eens aan, dat Gij juist hebt gegist; edoch, zeer waarde Broeder, dan komt dit vermoeden mij uitnemend te pas, U allerongelegendst.

Want 1º. waren dan Walaeus en Thysius er wél bij, wat mij volkomen voldoende is; en 2º. zou Polyander indien hij er niet meê eens ware geweest, juist plichtshalve hebben moeten blijven en opponeeren . . . tegen een voorstel dat bijna zeker doorging.

Wegblijven is geoorloofd als de zaak toch loopen zal, gelijk ze naar uw overtuiging moet loopen; maar plichtsverzaking, als er tot contraactie naar uw overtuiging oorzaak is.


b. De politieke gedelegeerden zullen de professoren genoeg geïntimideerd hebben, om hen van medewerking tot vaststelling van zulk een formulier af te houden.

Al aanstonds zondert Gij hierbij zelf Thysius uit. Valt ook af Rivet. Blijven dus alleen Polyander en Walaeus. Maar overmits Walaeus toen nog geen hoogleeraar te Leiden was, kon die intimidatie van de Staten van Holland (anderen hadden met Leiden niets te maken) ook hem niet deren.

Bovendien, nu we weten dat èn professoren èn Staten in de onderteekening der formule zouden bewilligd hebben, indien maar de correspondentie met de Provinciale Synode werd toegestaan, en er van deze correspondentie bij de onderteekeningsformule zelve geen sprake was, vervalt elke grond voor het vermoeden, dat de formule op zichzelf aan de Staten mishaagde.


c. Niet Walaeus maar de Zuyt-Hollandsche deputatie zal het formulier in concept hebben gebracht.

Het stuk is wel gewis, zegt ge, uit dien hoek!"

„Wel gewis!" waar uw gissing puur en simpel op een door niets gestaafd vermoeden rust. Zoo komt men ver.

Dat Walaeus auteur zou zijn geweest, gaf ik zeer bescheidenlijk slechts als „vermoeden" aan. Beaamt Gij dit niet, laat het dan glippen. Daar steekt niets in, en ik eisch allerminst dat mijn vermoeden door U mij gegund zal worden. Eer komt het mij recht en billijk voor, dat Gij al aanstonds begint, met door al wat ik slechts „vermoed" een schrap te halen. Maar wat U niet vrijstaat en wat ik niet mag laten doorgaan, is, dat Gij nu, op Uw beurt, Uw vermoeden merkt met het merk van „wel gewis"! Certum et verisimile a se invicem compellendi vi in argumentatione distant.


d. Ondenkbaar, onmogelijk is het uws erachtens dat de hoogleeraren meêgewerkt hebben „aan de politieke artikelen over hooger onderwijs."

Het zij zoo.

Ik zal daarover niet met u twisten. Maak zoo iets eens uit!

Maar wat doet dit tot ons onderhavig geschil af? Immers de onderteekeningsformule liet alle politieke bepalingen uit deze artikelen, die de macht der Staten raken, ter zijde, en gaf slechts „lichaam en vorm" aan de relatie van „hoogleeraren en kerk."

Gesteld dus al, Gij kondt bewijzen, wat Gij niet kunt, dat de hoogleeraren deze artikelen hebben bestreden, dan valt hieruit nog geende minste conclusie te trekken ten opzichte van de formule, waarbij juist de kritieke punten onaangeroerd bleven. 53

Hier komt nog bij, dat ook hier uw argumentatie, stel, ze ging door, alleen op Polyander zon slaan, en niet op Walaeus, noch op Thysius; dus slechts op één van de drie. Immers Polyander alleen was subject aan Hollands Staten.

*

Tegenover deze aldus wegvallende argumenten in contra, handhaaf ik alsnu de argumenten pro, die ik in mijn verweerschrift leverde; en sla den aanval, dien Gij op twee dezer argumenten deedt, aldus af:

1º. Gij zegt dat é silentio niet mag geredeneerd.

Dat betwist ik ten stelligste.

Als iemand in een proces gewikkeld, door verwijzing naar zeker feit zich op eens uit alle moeilijkheid kon helpen, en hij noemt dat feit niet, — dan is steeds door alle lieden van gezonden zin geoordeeld, dat zulk een persoon van dit feit geen kennis droeg, wijl hij het anders had moeten releveeren.

In dat bepaalde geval is een argumentum é silentio volkomen even sterk als een argumentum é concessis.

Waar alzoo hier de Staten, de curatoren en de hoogleeraren in hun proces tegenover de kerk onmiddellijk gewonnen spel zouden gehad hebben, indien ze er op hadden kunnen wijzen, dat de formule tegen den zin der hoogleeraren en in weerwil van hun oppositie was doorgezet; zoo is het feit, dat noch door de Staten, noch door curatoren, noch door de hoogleeraren ook maar met één enkel woord hiervan gerept is, volkomen voldingend bewijs voor het beweren, dat òf zulk een oppositie niet gevoerd is, òf dat zij bij de stemming is opgegeven.

En 2º. Weglatende wat ik schreef en alleen op den klank af de woorden van de Brielsche Synode citeerend: dat de formule „in tegenwoordigheid van de hoogleeraren" te Dordt was vastgesteld, zegt Gij, dat dit volstrekt niet beteekent: „met hun medewerking".

Vooreerst merk ik hiertegen op, dat Ge hier na zelf weêr uw beroep op Polyanders absentie in de zijkamer schieten laat; want nu geeft Gij weêr toe, dat hij er althans bij was.

Maar ook ten tweede, dat het zeggen: „Gij waart er bij toen we de formule vaststelden", gebezigd ten opzichte van stemhebbende leden, elk denkbeeld van oppositie uitsluit; daar zij, in geval van oppositie, natuurlijk zouden geantwoord hebben: „er bij, ja, maar om tegen te stemmen; dat bindt ons dus volstrekt niet."

En ten derde, dat ik uit de taal zelve der Acta U heb aangetoond, dat „presentibus" destijds zeer bepaaldelijk werd opgevat, als „met medewerking van".

*

§ 3. De verzaking van een deel der nalatenschap.


Te dien opzichte redeneert Gij aldus: „De nalatenschap bestond uit de artikelen voor hooger onderwijs, vastgesteld in de 163ste zitting der Dordtsche Synode. In hun definitief request aan de Staten zijn niet déze artikelen, maar zijn de oude Delftsche gepresenteerd. Volgens uw eigen toegeven was de onderteekeningsformule een belichaming van de Dordtsche artikelen over hooger onderwijs. Blijkt derhalve dat de Dordtsche vaderen zelven de onderteekeningsformule hebben verzaakt."

Zeer waarde Broeder! bij het lezen van zulk een betoogwijs heb ik metterdaad moeite om ernstig te blijven.

Ei zoo, hebben nu weêr de kerkelijken (Festus Hommius en de zijnen) de onderteekeningsformule laten glippen? En heel het geschil loopt er over, dat ze 54 die formule juist tegen het interdiet der Staten verdedigd en gehandhaafd hebben.

Maar bovendien, als ik schreef, dat de onderteekeningsformule „lichaam en vorm" gaf aan het standpunt, in de artikelen aangeduid, wil dat dan zeggen, dat in die formule juist die punten werden aangevoerd, die in deze jongere artikelen boven die van Delft uitgingen?

Och, immers niets er van.

Geen enkel punt, dat wel te Dordt, maar niet te Delft was behandeld, komt in die formule voor. En gelijk boven reeds gezegd: met dat „lichaam en vorm" is wel gedoeld op de relatie van hoogleeraren in de theologie tot de kerk, maar volstrekt niet op de samenstelling van het collegie van curatoren en andere politieke bepalingen.

In verband hiermeê legt Gij nog de zonderlinge verklaring af, „dat uw brein niet bevroeden kan" wat de optreding van Polyander bij de aanbieding van het request aan de Staten voor U nadeeligs in zich houdt.

Gun mij van „uw brein" betere gedachten te hebben.

Althans indien er een commissie moet benoemd worden om naar de Staten van Holland een verzoek rakende de academiën over te brengen, en de Synode benoemt daarin heel het moderamen, met uitzondering van één lid; voor wiens niet-benoeming geen enkele reden bestond; en benoemt in diens plaats den eenigen hoogleeraar, die uit Holland ter Synode aanwezig was; en deze neemt die benoeming aan, en leent er zich toe, om die wenschen, inclusive de onderteekeningsformule, bij de Staten aan te dringen, — dan dunkt mij toch, zeer waarde Broeder, dat hierin een zeldzaam sterk bewijs ligt voor mijn beweren: „dat de hoogleeraren te Dordt niet met de Staten opponeerden tegen de kerkelijken, maar moeds genoeg bezaten, om aan de zij der kerkelijken op te treden bij en tegen H. Ed. Mogenden."

*

En nu eindelijk

§ 4. De normale verhouding van hoogleeraren en kerk.


Op dit punt staan twee beweringen naast of tegenover elkander.

Volgens U was het in normale overeenstemming met de Calvinistische beginselen, dat het Hooger Onderwijs, zonder medezeggenschap of ingerentie van de kerk, geregeld en gegeven werd door den Staat; was er dus niets op aan te merken, dat de Staten de onderteekening der subjectie verboden; en kon op geen minder beding, dan hun suo jure zitten in de Provinciale 8ynode, aan onderteekening der formule gedacht worden.

Naar mijn beecheiden meening daarentegen is het eisch der Gereformeerde beginselen in een Staat die, gelijk destijds, Gereformeerd was: 1º. dat aan de kerk en niet aan den Staat de beslissing bleef van wat voor Gereformeerd zou gelden; 2º. dat het Hooger Onderwijs van Staatswege, edoch op zulk een wijze zou geregeld worden, dat voor geheel het onderwijs en met name voor de theologie, waarborg voor overeenstemmig met die beginselen, geboden werd, ten genoegen en ter heoordeeling van de kerk; 3º. dat de theologische professoren, als college van „doctores Ecclesiae" in die Synode zitting hadden, waar de beslissing over de leer viel; d.i. niet in de provinciale maar in de nationale; en 4º. konden niet, dan door gedeeltelijke afwijking van het normale, de academische personen onttrokken worden aan de jurisdictie van den localen kerkeraad, om als classis sui generis te deputeeren op de Synode-Provinciaal.

Te gelegener tijd ben ik gaarne bereid, ook over dit gewichtig punt met U 55 te disputeeren. Voorshands echter laat ik dit liggen, omdat ik na al de verdrietelijkheid, die U deze quaestie reeds berokkende, liefst eindig met U een kleine verrassing te bieden, die U genoegen zal doen.

Niet in geheel de zooeven geschetste tegenstelling, maar toch in een consequentie ervan kom ik U namelijk het bondgenootschap aanbieden van den hoogleeraar R. Fruin.

Ook hij toch kon zich niet vereenigen met mijn voorstelling, dat het heenwerken op een provinciale kerk met een eigen leerbeslissing er bij de Staten onderstak.

Ik voor mij laat dit punt, ook na zoo gewaardeerde tegenspraak, nog niet los.

Voor mij blijft het vast staan, dat de Calvinistische partij met Oranje steeds geijverd beeft voor de eenheid van het land, wijl ze beleed de lotgemeenschap van alle kerken dezer landen; terwijl de Arminianen met Oldenbarnevelt steeds geijverd hebben, voor separate provinciale kerken, om dusdoende de autonomie der afzonderlijke Staten te beter te mainteneeren.

Dit verschil nu teekende zich bij de leerbeslissing.

Waar in de kerk de leerbeslissing rust, dáár is de kerkelijke eenheid.

Derhalve voor de Calvinisten op de Synode-Nationaal; voor de Remonstranten op den Synode-Provinciaal.

En overmits nu de „doctores Ecclesiae" geen localen, maar alleen een generalen dienst, bij de kerk hadden te vervullen, lag het m.i. in den aard der zaak, dat ze slechts dáár en dán qualitate qua optraden, waar en wanneer de generale kerk in haar Synode verzameld was.

Ook de hoogleeraar Fruin zal moeielijk ontkennen kunnen, dat vooral Oldebarnevelt en de Arminiaansche kerkorde op die zitting van hoogleeraren in de Synode-Provinciaal steeds ten ernstigste als hoofdzaak gedrongen hebben, en dat de Calvinistische kerkorden haar als regel uitsluiten.

Doch hoe dit historisch gewichtig, maar hier bijkomstig, geschil zich ook later ontwikkele, mij is het aangenaam het „zonder sparen maar met gracie" ook aan het slot van deze „examinatie uwer verweergronden" in practijk te kunnen brengen, door U als een lang niet te versmaden bondgenoot op dit ondergeschikte punt, een dier bij uitnemendheid deskundigen te kunnen bieden, die mijn bondgenoot tegen U is in de hoofdzaak.


Tweede annexe

Referaat over de belijdenis

1


Op onze voorlaatste samenkomst leverde onze hooggeschatte Broeder, Dr. Van Toorenenbergen, een zeer wichtige studie over de belijdeniskwestie, waartegen ik het waagde eenige bedenkingen te opperen. Tot afdoende oppositie was ik echter destijds buiten staat. Historisch was het vraagstuk gesteld. Alleen met historische wapenen mocht dus gestreden, en, die bijeen te zoeken, vereischte tijd. Een vorig jaar was de doorwrochte studie van onzen toenmaligen referent nog niet uitgegeven. Daarom zweeg ik toen, om thans, met zijn gulden boekske in handen, op meer afdoende wijze den grond te kunnen leggen voor een ernstig en broederlijk debat. Door hierbij meer de resultaten van eigen onderzoek meê te deelen, dan die van anderen te bestrijden, zal, zoo ik hoop, én tijd gewonnen worden, én elke aanleiding zijn afgesneden, voor wat een broederlijk overleg storen kon. Zoo maar de vrijheid van gedachtenwisseling niet belemmerd wordt, mag er van strijdende partijen hier vooralsnog geen sprake zijn. En mits die voorwaarde vaststa, weet ik zeker dat hij, van wien ik het waag te verschillen, de eerste zal zijn, om mij tot die rondborstige uiting van gedachten op te wekken, waarin hij mij zelf is voorgegaan.

Immers, zijdelings, maar toch doorzichtig genoeg, meende hij aan het slot van zijn referaat zijn censuur te moeten uitspreken, over wat ik bij mijn komst te Utrecht over de belijdenis gezegd, en sinds als leeraar dezer gemeente met opzicht tot het doopsformulier gedaan had. Welnu, die door hem gewraakte overtuiging: „vastheid maar geen onveranderlijkheid van vorm voor liturgie en voor confessie beide," was toen en is nog mijn leuze gebleven. De vraag is maar naar het historisch recht, waarop deze mijn afwijkende overtuiging steunt.

*

Ik stel mij daarbij op den voorgrond, dat de kerk noch uitsluitend een instituut, noch alleen een organisme is, maar beide. Ze deelt met alle zedelijke organismen de noodzakelijkheid, om haar rechtsbetrekkingen te regelen, die organisch voor definitie onvatbaar zijn, en dus het recht verkrachten, zoolang de vorm van instituut geweerd blijft. Het recht, hoewel uit de levensnorma van het 57 organisme geboren, moet niettemin formeel geïnstitueerd, d. i. als instituut openbaar worden, om recht te kunnen zijn. Wie dit miskent, doet òf de kerk van Christus in de maatschappij doorvloeien, òf jaagt ze in de enghartigheid van het Donatisme terug.

Hieruit volgt derhalve, dat elke levensuiting der kerk, en dus ook haar belijdenis, een dubbel karakter draagt. Ze heeft een belijdenis als organisme, maar ook een belijdenis als instituut. Als organisme belijdt ze, ook al is er geen letter dier belijdenis gedrukt. De belijdenis in dien zin, leeft in haar hart, spreekt in haar leven en kan nooit stationair, kan nooit vast van vorm zijn, maar maakt de rustelooze beweging van haar leven in al zijn slingeringen meê. Als instituut daarentegen heeft ze geen belijdenis, zoolang die niet in woorden is geformuleerd. Keurig afgerond moet dan zelfs haar vorm zijn, die wel wisselen, maar nooit zijn vastheid verliezen kan. Zij rust bij elke mijlpaal, om eerst dán in beweging te komen, als de organische belijdenis in haar ontwikkeling weêr een nieuwe mijlpaal heeft bereikt.

Nooit straffeloos wordt beider samenhang geloochend of verward. Wie alleen een organische belijdenis erkent, wischt de grenslijn der zichtbare kerk uit en brengt haar zedelijke schade toe, door het rechtsbewustzijn te vernietigen. En evenzoo wie alleen de belijdenis kent van het instituut, is schuldig aan haar ondergang, zoo ze wegsterft in versteening. Wie eindelijk beide, zonder verband, naast elkander plaatst, verstoort haar proces door vorm en wezen te scheiden. Eerst waar men de organische belijdenis als den stroom beschouwt, die de institutioneele belijdenis draagt en verder brengt, is de weg tot oplossing der belijdenisquaestie gebaand.

Bij het historisch onderzoek geldt natuurlijk dezelfde regel. Men sticht een eindelooze verwarring door de geschiedenis der organische belijdenis tot richtsnoer voor ons oordeel bij de belijdenis van het instituut te nemen. Dan vindt men allerwegen bij onze vaderen strijd. Dan is er bouwstof in overvloed voor den confessionalist, die u onder het juk van menschelijke inzettingen wil brengen. Een bouwstof evenzeer voor wie het modernisme bepleiten wil, als de onze vaderen bedoeld. Maar ieder gevoeld dan ook, dat zulk een gebruik der geschiedkundige feiten geen raadplegen der geschiedenis mag heeten, en meer het netelig vraagstuk verwart, dan ons de geestelijke vrijheid onzer vaderen waarborgt.

*

Na dit op den voorgrond geplaatst te hebben, geef ik U zoo beknopt mogelijk deadstructie van deze acht stellingen:


1. De kerk behoeft een Confessie.

2. De kerk plaatst zich bij het uitspreken van haar Confessie op den bodem der Schrift.

3. De kerk wijzigt haar Confessie bij wijziging van haar overtuiging.

4. Het recht hiertoe staat uitsluitend aan een wettige generale Synode.

5. De adhaesie aan de belijdenis der kerk geschiedt niet aan haar substantie, maar aan haar geheel, behoudens het jus discretionis.

6. De Harmonia Confessionum bewijst niets voor het recht van het syncretisme.

7. De Canones van Dordt zijn geen soort Apocryfen.

8. Vastheid der belijdenis is juist een protest tegen haar onveranderlijkheid.

*

Mijn eerste stelling was: de kerk behoeft een confessie.

Dit blijkt uit het feit, dat alle Gereformeerde kerken een confessie hebben opgesteld; en juist daardoor zich van het confessionslose anabaptisme hebben 58 onderscheiden. Het aanvaarden van de Schrift als Gods Woord, werd op zichzelf onvoldoende gekeurd. Toen derhalve op de N. Syn. van Dordt in 1578 werd gevraagd: „Of het geoorlooft is tot het Avondmaal toe te laten, die wel den Bijbel voor Gods Woord houden, maar de gewone vragen niet bewilligen", luidde het antwoord: „Neen, de kerken zullen haar gewone wijze van belydinghe des geloofs afeischen, onderhouden" 2. En in gelijken geest werd door de Nat. Syn. van Middelb. in 1581 gelast, dat „men by stichting van nieuwe ghemeenten sou uitghaan van hen, die de Belydenisse des gheloofs voor goed en oprecht bekenden" 3. Zonder Confessie was er geen „eenicheyt der kerken", want om met de Overijselsche Deputatie van1618 te spreken: „Zo daer eenighe kwestie gemaakt wierd, van de eenigheyt der Kerke, dat dezelve uyt deze formulieren moest geoordeeld worden" 4. Wel beweerden de Remonstranten: „formulas scriptarum confessionum non esse ad bene esse ecclesia praecise necessarias", maar terecht voerde men hun tegen: „Non quaeritur a te, quae sint verba scripturae, sed quae sit mens tua de his aliisque scripturae verbis" 5. Geheel in gelijken zin, als waarin Schleiermacher zoo juist opmerkt: „Die Berufung auf die Schrift thut an und für sich nur das allgemein Christliche dar, und nicht das protestantische" 6.

*

Nog korter vertoef ik bij mijn tweede stelling: dat de Kerk bij het uitspreken harer confessie zich op den bodem der Schrift plaatst," d.w.z., niet in den zin van een bodem dien men legt, maar als de bodem waarop de gemeente staat.

Het is onwaar dat in den zin der Vaderen de autoriteit der Schrift formeel op de confessie zou hebben gerust. Wie de Schrift verwierp was de facto exlex. „De Heilighe Schrifture," zoo zegt Gomarus, „behoeft om haarszelfswille niemands bevestiginghe, maar bestaat in eeuwigheyt door haar eygen vastigheydt. D'overeencominghe oft eendrachtig ghevoelen der Kerke is niet anders dan een bedienster ende ghetuighe der Schrift" 7. Van een staan boven, van een staan naast de Schrift, kan hier voor het Gereformeerde hart nooit quaestie zijn. Niet de belijdenis, alleen Gods Woord mag de consciëntie binden. De Schrift is de bodem waarin de confessie der gemeente wortelt, waaraan ze haar geestelijke autoriteit ontleent, en waaraan ze voor elk hart en elken dag „examinabel blijven moeten" 8, gelijk steeds door onze vaderen werd beleden.

*

Gewichtiger is vooral in onzen tijd wat ik ten derde beweerde: de confessie der kerk moet gewijzigd worden bij wijziging harer overtuiging.

Hierbij nu geldt de onderscheiding tusschen substantie en uitwerking der confessie. De goddelijke substantie is onschendbaar, alleen de wijze waarop die substantie beleden wordt, d.i. de „maniere der confessie", is voor wijziging vatbaar.

Onschendbaar de substantie. Derhalve lezen we in de Bazelsche confessie van 1547: „Deum vero pacis oramus, ut hoc confessionis depositum in Ecclesia Bazileensi intemeratum proporro conservet" 9, en drukten de buitenlandsche deputaten te Dordt, „rogati de doctrina in confessione Belgica comprehensa," hun wensch uit: „ut nostrates in pia hac et orthodoxa fidei confessione constanter perseverarent eamque intemeratam in adventum Domini conservarent" 10. Mocht 't 59 daarentegen iemand gelusten, hieruit af te leiden, dat crystallisatie der belijdenis en afsnijding van ontwikkeling door onze vaderen waren bedoeld, hem zouden we weerleggen met het feit, dat diezelfde Synode haar confessie in kleine dingen veranderd heeft; hem dat beteekenisvolle woord van à Lasco toeroepen: „dat hij de ontwikkeling van volgende eeuwen niet wilde afsnijden bij het meerder licht, dat het God believen zou te ontsteken" 11; hem weerstaan met wat Gomarus zoo schoon heeft gezegd: „dat de Kercke ghelyck de mane haer wasdom heeft" 12, of wat hij elders oordeelde dat „So men in de maniere van leere wat veranderde, nadien men ze in beter veranderde, so sal men dit niet haten, maar loven en beminnen" 13. Door dien vrijen geest werd deels ook ons kerkelijk organisme bezield, toen het reeds in 1565 in de Synode de la Vigne bepaalde, dat men op elke Synode „ait à faire lecture de la confession de la foy, pour adviser s'il n'y a rien à changer ou à amender" 14, op de ZuydHollandsche Synode van 1660 te Gorinchem uitsprak: Confessionem more modoque ante hoc consueto in Syn. Nat. recognoscendam esse 15, en op de Synode van Dordt in 1618 die herziening ten aanzien der confessie wel terdege 16 ten uitvoer bracht, en den Heydelberger alleen spaarde om verwikkelingen met den keurvorst te mijden, daar de Palzische deputaten bepaaldelijk in last hadden, de Synode te dringen, „dat zy neerstichlyk souden toezien, dat er tot vooroordeel van den Paltz niet en wierde besloten — 't Welck haar is toegezeyt" 17. Wat Ursinus schreef, „dat wat verbetering van doen had verbeterd moest werden" 18, is steeds de leus onzer oude kerk geweest, en vraagt ge wat men destijds onder wijziging verstond, laat dan Voetius u antwoorden, dat die wijziging noodig was, in een dezer drie gevallen: Si quid ambigue scriptum, si quid in confessione augendum, aut denique si novae exortae essent haereses" 19.

*

Het recht tot die wijziging echter verblijft, gelijk ik in mijn vierde thesis uitdrukte, uitsluitend aan een wettige generale Synode.

Reeds de zooeven medegedeelde citaten bevestigen dit, daar allerwegen naar de Synode verwezen werd. Ursinus zegt nadrukkelijk, dat „so er verbetering van doen is, die geschieden moet door dezelfde autoriteyt die de Belijdenis invoerde" 20. „De Synodi sententia", meldt Junius in zijn autobiographie, is de Confessie in '66 te Antwerpen herzien 21. Die van Amsterdam verklaarden in 1616 op officiëele wijze: „judicare vel minimam eius mutationem Reipublicae noxiam, nisi illa prius per legitimam Synodum mature examinata esset" 22. Het waren de Remonstranten, die het „referre ad Synodum" 23 stelselmatig ontweken, en daarentegen onze gereformeerde vaderen, die reeds in Mei 1564 op de Synode de la Vigne omtrent het veranderen van wat eenmaal in de kerk aangenomen was, bepaalden: „Mais ce ne sera en la puissance d'un particulier sans l'advis et consentement d'un Synode" 24.

*

De vijfde stelling moet ik splitsen, en bespreek daarom 1. de onderscheiding tusschen „substantie" en „maniere van leeren"; dan 2. het recht tot afwijking; en eindelijk 3. de beperking steeds aan dit recht gesteld.

1. Eerst komt dan de vraag, of in het kerkelijk instituut, door aanvaarding 60 der confessie bedoeld wordt, adhaesie aan haar substantie of aan haar geheelen inhoud. Mijn antwoord luidt bevestigend in den laatsten zin, en rust allereerst op een argument a minori, ontleend aan de geschiedenis der Liturgie. Daarin meenen zelfs zij vrij te zijn, die hun gebondenheid aan de confessie nog belijden. Blijkt dus, dat onze vaderen zelfs de letter der Liturgie hebben gehandhaafd, dan geldt dit van de Belijdenis nog veel te sterker.

Hieromtrent nu blijkt, dat vastheid van Liturgie van meet af door onze vaderen is bedoeld. Hun eerste artikel van Wezel zegt: dat men een eenparigen voet van leer, ceremoniën en discipline berame en onderhouden sal 25. Op de Synode van Dordt in 1574 werd hieraanvoldaan en tot in het kleinste toe de vorm van eeredienst geregeld, zelfs een vast votum voorgeschreven en zegenbede aan het slot uit Num. 6 bepaald 26; gelast dat eenerlei form van kerkgebeden zou gevolgd 27, en zelfs op vast- en biddagen eenerlei form van bidden zou gehouden worden, op de wijze als volgt 28. Op de Synode van Gouda (1620) werd de vraag: Of het niet goet ware datter een eenparich formulier gebruikt wierde in Doop en Avondmaal, dus beantwoord: Wort gansch noodig en nuttig geacht tot opbouwing van het huis des Heeren 29; en op de Synode te Rotterdam in 1621 is door F. Hommius een accuraat gereviseerde copie ter tafel gebracht, waarop besloten werd: dat alle Kerckedienaren zich hiernaar hebben te reguleeren 30. Hoe scherp men op de letter toezag blijkt voorts uit de minutieuse correctie, waaraan deze Liturgie, op last der Dordtsche Synode onderworpen werd 31, alsook uit de lijst van drukfouten, die in de Classicale en oud-Synodale archieven, onder anderen hier te Utrecht bewaard wordt 32. Wel openbaarde zich reeds vroeg de zucht tot afwijking, maar de Synoden gingen dit steeds te keer, en bepaalden daarom in 1574 te Dordt, dat men het formulier lezen zou, „sooals ze staat" 33, en vooral de dankzegging na den Doop niet zou weglaten 34; en iets later, dat men bij de kerkvisitatie onderzoeken zou, of wel het Doopsformulier gebruikt werd 35. Geen kerkorde of ze schrijft het gebruik uitdrukkelijk voor; en vraagt men in welken zin dit gemeend was, men zie dan hoe kerkelijke procedures gevoerd zijn over de geringste afwijkingen. In de eerste vraag van het Doopsformulier over het weglaten van „zijn" achter „geheyligt" 36 in de tweede vraag over het „alhier geleert wordt," waar men het woordeke „diensvolgens" voorvoegde 37; in de derde vraag over de uitlating van „uw" in „dit uw kind" 38; in het gebed voor den Doop over de verandering van: „hun kruis hen dagelijks navolgend," in „hem dagelijks navolgend" 39. Zoo ook, om niet meer te noemen, over de weglating van „Gel. i.d. H.Ch." in het Doops- en de vervanging van „genade" door „voorzienigheid" in het huwelijksformulier 40. De geschillen hierover liepen te Utrecht zelfs zóó hoog, dat de Staten er zich in mengden, en ter Synode en Classis niet alleen besloten werd, dat men de formulieren „stipt sonder eenighe verandering lezen zoude" 41, maar zelfs in de eerstgenoemde vergadering bepaald werd, dat de nieuwe te bevestigen predikanten vooraf beloven moesten, „ze stipt te zullen lezen" 42, en dat de divergeerenden tot conformiteit zouden worden genoopt43. Wie op onveranderde lezing der formulieren dringt, doet dus althans te Utrecht niets nieuws, en behoeft allerminst zijn historisch geweten te verkrachten.

Dat nu ook met opzicht tot de Belijdenis dezelfde zienswijze gold, blijkt zonneklaar uit de revisie, waaraan ze herhaaldelijk is onderworpen. Deze toch ging over den letterlijken, niet over den substantiëelen inhoud. De exteri Theologi 61 hadden te Dordt alleen over den globalen inhoud te oordeelen, maar voor de kerk als instituut, werd uitdrukkelijk bepaald, dat ze ook „quod ad methodum et phraseologiam" zou herzien worden 44. En wil men oordeelen over de nauwgezetheid waarmeê ook zelfs het kleine overwogen werd, men herinnere dan, dat voorgesteld werd in art. 22 voor Xi sancta opera te lezen Xi obediëntia en dat door een commissie hierop een zeer ongunstig rapport is uitgebracht, zoodat na een uitvoerige discussie van twee zittingen tot behoud der oorspronkelijke lezing besloten werd 45. Waartoe vraag ik zoo scrupuleuse nauwkeurigheid, zoo alleen handhaving van het Credo was bedoeld? Evenzoo. De zoo accuraat gerevideerde confessie kon desnoods in elke Synode weêr herzien worden. En wederom vraag ik, waartoe die gestadige revisie zoo alleen het nooit veranderend Credo was bedoeld? Vandaar ook die zorg voor zuivere afdrukken, waarom reeds de Synode van 's Hage in '86 bepaalde: „dat men ze drukken soude sonder iets toe of af te doen" 46, en uitdrukkelijk de verandering wraakte van „in 3 personen verscheiden" in plaats van „onderscheiden" 47. En nu, dit notarieel bewerkte stuk werd den lieden ter teekening voorgelegd, opdat ze verklaren zouden te erkennen, dat het in alle artikelen en stukken in alles met Gods Woord overeenkwam 48, en wie dit weigerde, werd verklaard, de facto van zijnen dienste gesuspendeert te wezen 49, niet eerst te Dordt, maar reeds te 's Hage in '86 50 en te Midd. in '91 51. We hoorden het straks „vel minima mutatio" werd door die van Amsterdam „schadelijk gehouden", en dat een onderteekening met volle bewustheid werd geëischt blijkt uit het woord van een tijdgenoot: subscriptio fieri non potest, nisi formulae illae actae lectae, relectae, explicatae et perspectae essent 52. Of wil men nog sterker bewijs, dan vraag ik of de „substantie der leer" over de verkiezing niet in art. 16 en vv. van onze confessie is uitgedrukt. Ware dus met de onderteekening slechts het Credo bedoeld geweest, dan had subscriptie der Belijdenis volstaan. Maar neen, onze vaderen wisten wel, om met Rothe te spreken, „dass Gedanken und Worte unzertrennlich sind" 53 en eischten dus niet slechts onderteekening van „alle artikelen ende sententiën" 54 der Belijdenis op dit stuk, maar bovendien van de 5 artikelen tegen de Remonstranten 55.

In de rechtstheorie waren onze vaderen streng, al waren ze mild in hun rechtspraak. Hun grondgedachte was, wat in de Ordon. Eccl. van Genève aldus is uitgedrukt: „s'il y a quelqu'un qui dogmatise contra la doctrine reçue, qu'il soit appelé; s'il se renge, qu'on le reçoive sans scandale ni diffame, mais s'il est opiniatre, il sera mestier de la plus grande sévérité" 56. Dien indruk maakte ze ook op hun tegenstanders. Daarom schreef Hermen Herberts in zijn Schilt der waarheyt tegen de Zuidhollandsche Synode: „De oorsake van alle twisten, die huydendaechs in religioenssaken vallen, zyn dese: dat de eene party de andere wil doen gelooven, ende ghevoele, ghelyk sy ghevoelen 57. Neen, niet slechts het Credo is bedoeld, als in de praefatie der Schotsche Confessie wordt gezegd: si quis in hac confessione articulum sive sententiam Dei verbo repugnantes notaverit, nos illi aut satisfacturos aut correcturos promittimus 58. Ook Calvijn begreep het, dat een generale professie van het Credo veel lichter was, maar zegt hij: „generalis illa professio frigeret, nisi distincte quisque tam haereticis quam perversis dogmatibus renunciet" 59. En daarom, toen hij een hem toegezonden confessie eener naburige kerk terugzond, betuigde hij wel zijn generale adhaesie, maar niet dan onder nadrukkelijk protest tegen de opneming van den brief aan de 62 Hebreën onder Paulus' zendbrieven, en brandmerkte hij het als een infirmitas, en dus als iets verkeerds, si quis verbum aliquod durius vel locutionem in Confessione amplecti nequeat, — een infirmitas, die volstrekt niet normaal mocht zijn, maar hoogstens voor een tijdlang forte tolerari poterit 60.

Bovendien de woorden eener verklaring van haar inhoud te scheiden, zou bij elk ander stuk althans in onze dagen naar ieders oordeel ongeoorloofd zijn, daar die woorden juist de vorm zijn, waardoor die inhoud waarneembaar wordt. Het had echter kunnen zijn, dat men dit in de eeuw der Hervorming minder streng opnam, meer speelruimte liet. Maar ook hier bewijst de historie het tegendeel. Wil men een officiëel advies, welnu, de Nationale Synode te Dordt in 1586 gehouden, schreef in haar advies over Herman Herberts: Dat 't kennelick is, dat de woorden en letteren daartoe werden ghebruyct, opdat men zijn meyninghe daerdoor zoude openbaren 61; die van 1618 betichtte juist de Remonstranten van een ambigue loquendi modus 62, en legde zichzelve met volle borst ook op de phraseologie der confessie toe 63. Voetius die in denzelfden tijd leefde, stelde den eisch, ut confessio quam fieri potest maxime perspicuis, distinctis et ab omni ambiguitate libris conciperetur loquutionibus 64. Nemo potest excusari a haeresi, zegt Streso, qui quemcumque errorem, Ecclesiae definitioni contrarium, defendit 65. En hoe nauw de ontwikkeling van vorm en inhoud saâm moest gaan, toont de vooral in Gomarus opmerkelijke uitdrukking, dat er niet alleen een vordering in het inzicht der waarheid, maar ook voortgang in de maniere van spreken was 66.

Of zegt men, niet de scheiding tusschen vorm en inhoud, maar tusschen hoofd- en bijzaak is bedoeld, ook dan is mijn antwoord gereed. Buiten kijf onderscheidden onze vaderen tusschen articuli fundamentales et non fundamentales. „Necessaria a non necessariis et probabilia a minus probabilibus distinguenda esse," leerden reeds de Dordtsche vaderen, en ze voegden er bij: qua sine aequitate numquam vel in Ecclesiis, vel in scholis ulla spectari potest pax 67. Ondervraagt men hen echter, wat ze met de non necessaria bedoelden, dan zegt Zanchius ons: diversitas doctrinae erit in rebus non essentialibus, qualis esset, siquis (citra pertinaciam) assereret, Christum, non vi tantum et virtute, sed praesentialiter ad inferos descendisse: vel, Animas non statim solutas a corporibus evolare in coelum; item animas non esse ex traduce sed creari de novo. Aut siquis negat perpetuam Mariae virginitatem 68. Aut etiam haec diversitas erit in quotidiana scripturae interpretatione et accomodatione ad nostra tempora 69. De niet fundamenteele artikelen lagen dus niet in, maar buiten de confessie. Wat ze in hun confessie gaven, werd dus almeer de substantia doctrinae zelve. „Harumb, zoo lezen we in de Bazelsche Confessie, habend wir die substanz unsers heijligen Glaubens in dits volgend Bekanntniss begriffen 70. Ze waren mannen uit één stuk, en beseften, zooals Trigland zegt, dat „als maar eenen artikel van de Leer der salicheijt verloochent of verduystert werd, de andere mede moeten opgelost of geloochent worden 71. De confessie was een minimum, waarbij men zelfs niet altijd berustte. Reeds te Wezel werd bepaald, dat men soms, ook na onderteekening der Confessie, van alle voorname stukken der Lere onderzoeken zoude 72. En evenzoo werd door de Dordtsche vaderen in zake Welsingii besloten, dat men ook, na onderteekening der confessie „insuper zijn rechtzinnigheid volkomener onderzoeken zal" 73. Vraagt men eindelijk, of dan de Schriftcitaten en argumentatiën mede in de aanvaarding der confessie begrepen waren, dan antwoord ik in principiëelen bevestigend, zoo men ook 63 daarbij het jus discretionis niet uit het oog verliest, dat een ieder gegund bleef, die maar, zooals Limborch terecht aanmerkt, het jus definitivum Ecclesiae eerbiedigde 74. Ze moesten er wel aan hechten, want hun strijd met Rome had hun te goed geleerd, hoe verkeerde adstructie, hun strijd met het anabaptisme, hoe valsche Schriftciteering, verre van onschuldig te zijn, ten leste de „doctrina salvifica" zelve „in abyssum erroris" meêsleepten.

De syncretistische verschijnselen waarop men zich beroept, missen hier tegenover alle bewijskracht. Die raken de kerk als organisme, niet de kerken als instituut. Vandaar het verzet tegen invoering eener generale confessie voor alle kercken der Hervormden, zooals Voetius zegt 75. Het nationaal element, en daarmeê de eigenheid van iedere kerk, is nooit door onze vaderen voorbij gezien. Zeer zeker, niets was gewoner dan dat ze weêrkeerig elkaârs confessies goedkeurden. Bovendien de consensus Tigurinus en Genevensis zijn te zeer bekend, om vermelding te behoeven. Maar de verklaring, waarvan zoodanige goedkeuring, meest verzeld ging, nihil istiusmodi confessione contineri, quod non sacrae Script. et orthodoxae doctrinae consentaneum, zooals Calvijn schreef 76, doelde uitsluitend op de gewetensquaestie, en had met de belijdenis der kerk als instituut niets gemeen. Zelfs dan, als bij groote affiniteit van confessie, de belijdenis eener andere kerk, ook in het instituut, aanneembaar werd verklaard, bewijst dit tegen de volledige aanvaarding van inhoud en vorm niets. Aangenomen, wat de Syncretisten zeiden, omnia in his confessionibus dogmata, ita aliis aliis verbis fuisse exposita, ut semper tamen eadem maneat veritas 77, dan nog pleit dit eer tegen de distinctie, dan er voor. Immers men kan eenzelfde bekentenis in twee geheel verschillende vormen uitdrukken, die geen woord zelfs gemeen hebben, zóódat het volmaakt 'tzelfde is, welke dier beide ge teekent, maar zonder dat voor u daaruit 't minste recht voortvloeit, ook maar één eenig woord daarin als niet geschreven te beschouwen. Het is volmaakt een, of ik een stuk teeken, waarin staat: „Ik beken hiermede aan N.N. 100 Gulden schuldig te zijn," of wel een ander, waarop ik lees: „Ik verklaar bij deze u veertig Rijksdaalders te zullen betalen," want al hebben ze geen woord gemeen, toch zijn ze van gelijken inhoud, maar een recht tot afwijking van wat ik geteekend heb, vloeit daaruit in het minst niet voort. Neen, dezelfde mannen, die de geestelijke „consensus der Ecclesia oecomenica" zoo hoog hielden, handhaafden voor de kerken als instituut even krachtig haar „diversitas". Varietas in diversis Ecclesiis, zooals we in de Helv. posteria lezen, in Ecclesia materiam dissensionibus non visa est suppeditare, maar verre van indifferent te zijn, is die varietas veeleer recepta pro Ecclesiarum diversarum ratione, opportunitate et aedificatione 78.

Op geestelijk terrein stond de Nederlandsche geloofsbelijdenis gelijk met die der andere hervormde kerken, maar in de kerk als instituut wordt de onderteekening der Belgica „fiirnoemplickenen" zelfs door de Synode van 1595 geëischt, noemplicken van hen die alreede in de reformeerde Kercken gedient hebben 79. Zoover gingen ze zelfs, dat de streng gereformeerde Davenantius aan den Syncretist Duraeus kort na de Dordtsche Synode schreef: Satius esse, ut privatissima doctoris opinio, quamvis vera, in tenebris lateat, quam ut publica Ecclesiae authoritas ipsa luce palam conculcetur. Sin minus, aut in aliam Ecclesiam divertere oportet, aut pro bono animarum Ecclesiae cui subest, censuram subire 80. Of wil men een getuigenis van een uit het syncretistische kamp zelve, men hoore dan hoe scherp Joannes Crocius reeds doorzag, dat er vrijheid van belijdenis in de maatschappij, maar niet in een bepaalde kerk kan zijn, en dat dus het oordeel der kerk wel de 64 orde, maar niet de conscientiën bindt. Waarom zoo vraagt hij zijn de Remonstranten uitgeworpen? Quia erant in ministerio Ecclesiae reformatae. Susceperant confessionem Belgicum. Inter reformatos censeri volebant. Nec dubium subjectos fuisse Ecclesiae Reformatae Belgicae in qua vivebant. Nulla vis igitur inferebatur conscientiae, non imponebatur necessitas manendi in Ecclesia reformata. Et dictum factum. Nam hodie jam Arminiani sua Ecclesia gaudent 81. Geheel het standpunt der vrijheid dus, wat reeds op de Synode te Dordt in deze woorden was uitgesproken: Synodum in nullius conscientiam jus sibi usurpaturam 82, etiamdum e sua conscientia jus dicat 83. De gewetensvrijheid is ten volle geëerbiedigd, maar niettemin de orde van het instituut gehandhaafd, en daarom door de Synode het rapport van J. Latius aangenomen, die toen sommigen van een „obedientia Xi imputata", in plaats van een „sanctitate imputata" lezen wilden, oordeelde, dat soodanighen zich veeleer het gemein oordeel behoorden te onderwerpen en hun particulier gevoelen voor zich houden." 84 Neen, ook bij den uitbundigsten lof voor andere confessiën bleef Voetius niettemin oordeelen, dat de Confessio Belgica hooger stond, en dat een afslijpen van deze dus gelijk zou staan met een „ab integro ad mutilum, a perfectiore ad imperfectius, a clariori ad obscurius redire" 85. Ja zelfs de uitgevers der Harmonia verklaren uitdrukkelijk, dat het hun in 't minst niet te doen is om de scherpte der diversitates in hac opiniorum miscella af te spitsen. Quia omnia potius integra reliquimus, ut sua quisque verba, cum aliorum dictis comparata, ita possit agnoscere, ut nihil effictum deprehendat, nihil detractum, nihil additum, aut detortum 86.

Bovendien ook hier zijn algemeene rechtsbeginselen in het spel, die men nimmerschenden mag. De beroemde jurisconsult dier dagen Josephus Averianus zegt in zijn leer der contracten: Generalia verba generaliter accipienda esse tradunt omnes 87, waar dus van teekening eener acte sprake is in alle stukken en artikelen, moet het verbum generale „onderteekenen" generaliter worden opgevat, wijl zulk een distinctie bij teekening van acten ongeoorloofd is. Maar toegegeven, dat het dubieus was, dan nog gold reeds in de pandecten het beginsel, dat in elk wetboek, ook in het onze, overging, „ubi est verborum ambiguitas valet quod acti est 88, quo res magis valeat quam pereat 89. Welnu dit geldt ook hier, want laat men in de kerk als instituut, de distinctie tusschen vorm en inhoud toe, dan sorteert de acte geen effect. Dan verklaart ieder, dat wat hij belijdt de substantie, wat hij negeert slechts de vorm is. Dan is elke handhaving der belijdenis illusoir. Dan heeft het „quatenus" weêr in kwaden zin het „quia" vervangen, en wordt de objectiviteit der kerk in den stroom van het subjectivisme verzwolgen. Dat is het wat we thans zoo schriklijk gebeuren zagen, en dat is het wat men in de dagen van Dordt zag. De Remonstranten althans waren in het oog der oude kerk dan toch „onsuyver van leere" — en toch ook zij beweerden te Dordt, dat ze aan de substantie der leer zich hielden. „Neque ullum catholicum dogma in dubium vocabant" 90, en verklaarden in hun kerkorde van Utrecht 1612, te midden der felste oneenigheyt, dat zij de waarheid der confessie beleden: gelijk die tegenwoordig van allen gehouden wort 91.

De Remonstrantsche beweging zelve bewijst ten slotte de waarheid mijner bewering. Van meet af waren er verschillende stroomingen in ons kerkelijk leven, eerst gelijk in kracht, maar waarin allengs de Geneefsche toongevend werd en de richting van ons kerkelijke leven bepaalde. En wat vinden we nu? dat de laksere opvatting der confessie juist door de divergeerende fractiën is 65 voorgestaan en door de macht der Staten gesteund. Het was Duifhuis, die 't eerst den Utrechtschen Staten adviseerde geen teekening der Confessie te eischen; „dat meetkoordeke, zooals hij zeî, van een deel articulen, uit de Schrift bij den anderen geraapt, die gij u confessie ofte catechismus noemt, en daerna gij alle menschen oordeelen wilt of zij gesont zijn in de leer of niet" 92. Het waren de politieken, die in hun wetten van 1590 het eerst de „subscriptio confessionis" weglieten. Het was dezelfde richting, waarvan Uytenbogaert eerst het slachtoffer was, maar waaraan hij zich later aansloot 93, die, lijnrecht tegen de Gereformeerde ingaande, de vervaardiging van een gezangboek reeds in 1612 beval 94, het gebruik van den Catechismus op de scholen ophief 95 en de inrichting van Staatsscholen bevorderde. Zooveel de scholen aangaat, dus luiden hun bepalingen, dezelve zal staan ter dispositie en ordonnantie van de magistraat in iedere stad, . . . en zoo eenige van de ministers begeeren des Zondags den catechismus te leeren, dat zij 't zelve mogen doen en zullen de magistraten hen daartoe bekwame plaatse verleenen, om die te leeren den genen die des begeeren en daer gelieven sal te verschijnen 96. Men ziet als uit onze schoolwet geknipt. Welnu, van deze Staten-richting, waarvan Bor zoo naar waarheid zegt, dat „goet voor de regeering en goet voor de religie niet wel scheen saam te gaan" 97, en waaraan straks de Remonstranten zich aansloten, is onder Uytenbogaerts leiding, de eenige kerkorde uitgegaan, die de scheiding van Credo en Confessie kent en uitdrukkelijk ook voor het instituut naar de Harmonia Confessionum verwijst. Te Dordt heette het „alle stukken en artikelen van der kercke Confessie in alles" onderschrijven, maar hier „zich houden aan de hoofdstucken der Christelijke religie gelijk ze uit Gods Woord in het symbolo apostolorum vervatet zijn, en wijders in 't boekske, geintituleert: Belijdenisse des geloofs, genomen in schriftmatige verstande, ook acht nemende op de Harmonia Confessionum" 98; schier woordelijk Dr. Van Toorenenbergens beweren! En wat vindt men nu? Dat in Art. 9 die hoofdstukken der Christelijke religie worden opgesomd, maar met uitsnijding van het „cor ecclesiae" en opzettelijke verzwijging van de eeuwige verkiezing, ja zelfs dat in Art. III, 5 verboden wordt hierover anders van den kansel te spreken dan in den zin der Remonstrantsche artikelen. Genoeg dunkt mij, om u te doen zien, in welk droef gezelschap deze distinctie Dr. Van Toorenenbergen historisch brengen zou, en waartoe ze destijds heeft geleid. Dit blijkt althans zeer zeker: uit den historisch Gereformeerden stroom is ze niet.


2. Maar geheel ongereformeerd zou deze strenge handhaving der formulieren worden, zoo het jus discretionis daarbij werd geïgnoreerd. Onze Gereformeerde kerk wilde altijd het recht, als de spier van alle leven ongeschonden handhaven. Daarom was ze streng, maar juist in die strengheid billijk. Wat bij ieder contract geldt, dat afwijking geoorloofd is, mits op eigen risico en onder erkenning van het jus definitivum van den medecontractant, is door onze vaderen ook bij de kerk als instituut gehuldigd. Van gewetensbinding kan hier reeds op zichzelf nimmer sprake zijn, want gelijk ze beleden: necessitas manendi in Ecclesia non imponebatur. Maar ook binnen de grenzen van het instituut was bezwaar, was bedenking, was afwijking ten volle geoorloofd, mits onder de bedingen door den mede-contractant, d.i. het kerkbestuur erkend, en onder reserveering zijner rechten. Daarom schreef reeds de Synode van Dordt; „in Synodis Nationalibus permissum semper fuisse, si quis adversum aliquem horum 66 scriptorum articulum quidquam se habere existimavit, libera id ac debite proponeret 99. Evenzoo verklaart de Paltzische kerkorde van 1564: Dar aber ein Zweifel in einigen puncten der Lehr fürzuträgen habe, der soll freundlich sollchen anzuzeigen gemahnet, freundlich gehört, und mit ihm davon conferirt werden 100. Verre van despotisme te beoogen, verklaarde de Helvetica prior veeleer in haar inscriptie: „In hoc aeditam esse, ut de ea existimare piis omnibus liceat" 101. Geen kerkorde is ooit op Gereformeerden bodem uitgevaardigd, of dit recht is niet enkel voor de leden, maar ook voor de leeraars uitdrukkelijk erkend. Ja, zóóver ging de kerk, dat ze zelve door de instelling der profetie het vrije leven des geestes zocht op te wekken. Want de dusgenaamde profetie, die allerwegen in zwang was, is, naar de definitie van den alles definiëerenden Voetius: licentia ecclesiastica diversum quid ab aliis in theologia sentiendi, docendi seu dogmatizandi.


3. Dit hoogstgewichtig recht was echter aan vaste bedingen gebonden. a. Elk pleit tegen de confessie moest gevoerd worden op den bodem der Schrift. Alleen dan was men tot afwijking gerechtigd, zoo men iets bewijzen konde „met den Woorde Gods te strijden" 102. Zoo schier bepaalde elke Synode. Dit behoeft geen nader betoog. Maar b. was alleen geoorloofd, zoolang de officiëele afwijking niet door de Synode gewraakt werd. Ná de canones van Dordt werd niemand toegelaten, dan die de heretisch gekeurde dwaling afzwoer. Zelfs met de onderteekening der canones nam men niet altijd vrede, maar eischte bovendien, sinds de Utrechtsche Synode van 1626, subscriptie van een acte tot nadere verbintenis tegen alle accomodatie met de Remonstranten 103. In de Classe van Utrecht werd nog bovendien bepaald, dat op de classe ante-Synodaal ieder telkenmale zou worden afgevraagd of hij bij deze acte persisteerde" 104. Ja, wil men de beperking van dit recht uit de authentycke bron vernemen, men leze dan wat er door de Dordtsche Synode in het onderteekeningsformulier op deze wijze bepaald werd: Indien het zou mogen gebeuren dat wij na dezen eenig bedenken ofte ander gevoelen tegen deze leer kregen, beloven wij het nog openlijk, nog heymelyck te leeren, alvorens wij het den Kerkeraad, classis of Synodum geopenbaart hebben, om daar geëxamineert te worden; bereid synde alle tyt ons het oordeel . . . des Synodi gewillich te onderwerpen 105.

*

Bij de inleiding mijner drie laatste stellingen kan ik kort zijn.

Zoo de gemaakte distinctie historische argumenten voor zich kan inroepen, zullen ze onze broeder van Toorenenbergen niet ontgaan zijn. Daarom over de door hem gebezigde argumenten slechts een vluchtig woord. Allereerst dan beroept hij zich op de uitgave der Harmonia Confessionum; maar zoo ik, na het straks reeds gemoveerde, over het onderscheid tusschen de kerk als geestelijk organisme en de kerk als instituut, u herinner dat ook de Augustana, de Saxonica en zelfs de Wurtembergsche belijdenis daarin opgenomen is, zal ieder, die het antipapistisch doel van dit syncretisme kent, mij toestemmen, dat hieruit allerminst een norma voor speciaal Gereformeerde kerken is te ontleenen. Voorts beroept hij zich op de „crux interpretum" uit de Wezelsche kerkorde, de gelijkstelling van de Gallica en de Belgica. Het artikel zegt, dat de Belgica een vertaling van de Gallica is. Hoe men dit ook wringe, hier schuilt een vergissing. Een vertaling is het niet. Drukt men daarentegen, op wat er zeer zeker in ligt, de gelijkstelling van beide, dan valt dit in geestelijken zin onder den 67 regel van den consensus, en is voor de kerk als instituut zoo straks reeds verklaard. Het citaat van Sartorius, waarop hij in de derde plaats wijst, is slechts het oordeel van een Lutheraan uit onze dagen, en is dus als historisch argument niet bedoeld. Hetzelfde geldt van de verwijzing naar Doop en Avondmaal, als de symbolen onzes Heeren. Alsmede eindelijk van een beroep op wat vroeger door hem zelven, in zijn uitnemende Bijdragen geschreven werd. Andere argumenten vond ik in het desbetreffend betoog van bladzij 30 zijner inleiding af niet. Met het oog op de zeldzame historiekennis van hem, die deze inleiding schreef, meen ik dus, bij zoo pover resultaat, als waarvoor hij staan bleef, van verdere bestrijding zijner bewering te kunnen afzien.

*

Mijn voorlaatste stelling eindelijk komt op tegen de benaming van Apocryfen aan de leerregels van Dordt gegeven. Staat 't toch vast, dat de apocryfe boeken der Schrift slechts aan den buitensten zoom van de ontwikkeling der openbaring staan, en dus op een afsluiting van die ontwikkeling wijzen, dan acht ik het min juist, van symbolische apocryfen te spreken, waardoor de dus betitelde schriften buiten de energie van de leerontwikkeling zouden geplaatst zijn, en de leerontwikkeling der kerk als gesloten worden beschouwd. De uitdrukking van paraphrase scheen mij daarom de voorkeur te verdienen, wijl ze niet door deze bezwaren gedrukt wordt, en geheel de signatuur weergeeft, die deze leerregels van de Synode zelve ontvingen. Zij toch noemde ze uberior explicatio aliquot articulorum confessionis 106. Dat hier intusschen geen woordenspel meê bedoeld wordt, blijkt uit wat door onzen Broeder Van Toorenenbergen hier werd bijgevoegd: „dat ze wel tegen eenige vijanden gekeerd waren, maar niet voor alle vrienden een band van gemeenschap zijn". Dat de historie hier niet meê instemt, is onloochenbaar. Zoo straks wees ik er reeds op, hoe elk dienaar der kerk gehouden was, ze te teekenen; toch wel niet als vijand, toch wel als dragende band van gemeenschap. Er zal echter, zoo ik vermoed, mede bedoeld zijn „slechts een negatieve band van gemeenschap", en dan geldt dit zeker ook hier, evengoed als bij de confessie. Maar anders moet ik, niet voor dekerk als organisme, maar voor de kerk als instituut, het recht ontkennen, om in éénzelfde acte met verschillende maat te meten. De Confessie, de Catechismus en de Dordtsche leerregels worden in eenzelfde acte, in eenzelfde verklaring, zonder eenig beding of eenige exceptie begrepen, en dan zal, dunkt mij, toch ook hier wel de nog nimmer gewraakte rechtsregel gelden: Verbum plura determinans aeque determinat omnia 107!

*

Mijn laatste stelling voert mij vanzelf tot een besluit voor den actuëelen toestand. En dan schaar ik mij geheel aan de zijde van Broeder Van Toorenenbergen, waar het aankomt op de bestrijding van dat valsche confessionalisme, dat de gewetens binden, de belijdenis crystalliseeren en de leerontwikkeling sluiten wil. Waar het geloof der ziele in het spel komt, waar het recht des gewetens en het geestelijk leven der organische kerk besproken wordt, heeft, evenals op elk punt van het Christelijk terrein, alleen het Woord van God afdoende macht ter beslissing. Voor de fides salvifica beslist zelfs het eenparig getuigenis der kerk nooit. Terecht schreef daarom Gomarus: „Het gebeurt somwijlen dat haar eendrachtig gevoelen in veelen, niet altijd van God, maar ook somwijlen van menschelijke blintheit herkompt" 108. En waar ge ook in de werken onzer 68 vaderen, hun betoog over de Ecclesia, vooral in hun hardnekkige worsteling met Rome, opslaat, steeds zult ge vinden dat ze door dit geestelijk beginsel werden beheerscht. Maar ook dan, als er niet van de ecclesia, maar van de ecclesiae particulares, en dus van de kerk als instituut sprake is, heeft zijn strijd èn tegen de juxtapositie van Confessie en Schrift, èn tegen de onveranderlijkheid van Belijdenis en Liturgie mijn volle sympathie, en schijnt hij mij door den eisch der historie geboden. Waar ik tegen opkom, het is slechts de miskenning van het juridisch-confessioneele standpunt in zijn onvervreemdbaar recht. Dit brengt allerminst de onbeweeglijkheid van het recht mede. Veeleer moet het jus, om geen injuria te worden, wisselen met de wisselingen van het leven, dat het regelen wil. Maar evenzeer wordt het recht in willekeur veranderd, zoo men daarbij de littera scripta minacht. Dit leidt òf tot supersedeering van rechtspraak gelijk thans, òf tot schending van het recht des beklaagden, gelijk weleer. Ja, ik ga verder, de bate van het geestelijk beginsel der leerontwikkeling gaat voor de kerk als instituut door Dr. Van Toorenenbergens distinctie juist geheel te loor. Zij toch maakt, dat revisie der belijdenis onnoodig wordt, wijl onder beneficie dier distinctie de revisie door elk die afwijkt, eer gemeden dan gezocht wordt. Ik aarzel dan ook geen oogenblik, om het bedroevend feit, dat de gelegenheid, door onze vaderen tot revisie gelaten, nog steeds ongebruikt bleef, vooral daaruit te verklaren, dat men de gespierde beginselen onzer vaderen verlaten heeft en syncretistisch in kwaden zin ook op kerkrechtelijk terrein geworden is.

*

De gevolgen van deze Theses voor het heden liggen voor de hand.

De belijdenis van Dordt geldt nog met volle kracht, onder beding van het inhaerente recht op revisie, waartoe alleen een wettig, naar Gereformeerde beginselen verkoren kerkbestuur, gerechtigd is. Het decreet van leervrijheid is òf een incompetent besluit, òf wel de feitelijke ontbinding onzer Hervormde kerk. Anderzijds blijft echter ook voor de leden en leeraars het natuurlijk recht van contractanten onverkort. D.w.z. dat men tegenover de kerk als instituut juridisch door niets gebonden is, zoolang de kerk op zijn recht feitelijk supersedeert. En ten andere, dat de confessie nooit door eenig kerkbestuur tegen wien ook kan gekeerd worden, dan onder beneficie van het jus discretionis en den eisch tot revisie, mits het jus definitivum verblijve aan wie het behoort, d.i. aan de Gereformeerde Synode. M.a.w. niemand mag het voor de gemeente verbloemen, indien hij van de confessie afwijkt. Maar de rijming van dit feit met de aanvaarding dier confessie, mag niet in het quatenus, noch in de door Dr. Van Toorenenbergen aanbevolen distinctie gezocht worden, maar vloeit vanzelf voort uit de licentia ecclesiastica en het jus revisionis, dat als aan de confessie inhaerent, in haar aanvaarding begrepen is. Dáárom; niet om die distinctie; was Scholtens polemiek een miskenning van het confessioneele recht, wijl het de stipulatie van dat recht voorbijzag. Dáárom, niet wijl ze die distinctie niet toelaten, dreigt een deel onzer Gereformeerde broeders het kerkelijk bewustzijn in repristinatie te doen wegkwijnen. Dáárom eindelijk, niet wijl die distinctie niet gevoeld wordt, verloopt zulk een belangrijk deel der geloovige gemeente zich in kerkontbindende overgeestelijkheid.




1 Dit opstel was een referaat voor de Predikanten-vereeniging van 1869.

2 Hooyer p. 164.

3 Ib. p. 210.

4 Eus. p. 7.

5 Voetius IIIa. p. 9.

6 Christ. Gl. 1. 145.

7 Gomarus p. 107, 8.

8 Trigland K.G. f. 169.

9 Bas. Conf. Niemeier 86.

10 Sny. Dordt. f. 146. p. 298.

11 De Sacrament. proem.

12 Gomarus 185.

13 Ib. 125.

14 Hooijer 20.

15 Act. S. Dordt. proef 5.

16 Postacta.

17 39 Sessie. Eus. 34.

18 Van Toorenenbergen p. 27.

19 Voetius IIIa. 21.

20 Van Toorenenbergen p. 27.

21 Gerdesius 1, 245.

22 Acta Dordt. proef 22.

23 Ib. p. 3.

24 Hooyer 19. Cf. ib. Wezel 68 p. 76. Midd. 81 p. 203. Dordt 18 p. 459.

25 Hooyer 34.

26 Hooyer 102.

27 Hooyer 103.

28 Hooyer 104.

29 Eus. 176.

30 Eus. 177.

31 Eus. 178.

32 Closs. 4, 94. Synod. 63.

33 Hooyer 106. Cf. 47, 48.

34 Hooyer 106.

35 Hooyer 280.

36 Syn. Handb. 93.

37 Hooyer 211, 344. Eus. 155, 218.

38 Eus. 211.

39 Eus. 210.

40 Syn. Handb. 93, 4.

41 Ib. 93.

42 Ib. 93.

43 Ib. 6. Ib. 62.

44 Acta Syn. 297.

45 Voetius 3a. 54.

46 Hooyer 264.

47 Ib. 215.

48 Hooyer 444.

49 H. 444.

50 Ib. 276.

51 Ib. 314. Cf. Gron. 364.

52 Voetius 3a. 23.

53 Rothe Chr. Dogm. 327.

54 Niemeier 341.

55 Hooyer 444.

56 Richter. 1. 351.

57 Herberts. p. 56.

58 Niem. 341.

59 Calv.-Op. IX. 210b.

60 Ib.

61 Herberts 20b.

62 Acta 7.

63 Ib. 297.

64 Voetius 3a. 18.

65 Wallenberg 366a.

66 Gomarus p. 125.

67 Wallenberg 371. Act. D. 310.

68 Zanchius, de Eccl. 4. 74.

69 Ib.

70 Niemeier p. 79.

71 Hooyer 383.

72 Hooyer 40.

73 Postacta Sessio 176.

74 Limb., Theol. Chr. Lib. XI 12. Amsterd. 1735. 41.

75 Voetius 3a. 30, 31.

76 Op. IX. 210b.

77 Harmonia praef. 6.

78 Niemeier 464.

79 Hooyer 364.

80 Wallenberg 293a.

81 Wallenberg 305.

82 Ib. 305. Brem. judicium.

83 Acta Dordr. 105.

84 Voetius IIIa. p. 56.

85 Ib. 31.

86 Harmonia proef. 10 ed. 1581.

87 Jos. Averianus. Interpr. jur. 1. v. p. 326.

88 Pandectende rebus dubiis 34, 5. f. 12.

89 Ib. f. 22.

90 Dordtsche acte p. 126.

91 Hooyer 396.

92 Wiarda bl. 42. Hooyer 292.

93 Hooyer 286 en 381.

94 Hooyer 405.

95 Hooyer 420, 1.

96 Hooyer 295.

97 Bor XXII. 978. Hooyer 285.

98 Hooyer p. 394

99 Dordt Acta f. 4.

100 Richter. 11. 280b.

101 Niemeier 115.

102 Hooyer 203.

103 Syn. Pandb. p. 92.

104 Cl. handb. 107.

105 Hooyer 444.

106 Hooyer 444. Voetius 3a. p. 53.

107 Jos. Averanus 266.

108 Gomarus 185.


I. De Revisie naar irenisch en orthodoxistisch bedoelen.

a


Met klimmenden aandrang komt de vraag aan de orde naar de Revisie van onzeFormulieren van eenigheid.

Men wil weten, wat onze vaderen hiervan hielden, en weten wat wij hiervan te houden hebben; om niet langer in het duister rond te tasten, nu het blijkbaar, door de gunste Gods, weêr naar herstel in deze landen van de Gereformeerde kerken toe gaat.

Dit uiterst gewichtig punt willen ook wij daarom in ons weekblad (de Heraut) ter sprake brengen, niet om het uit te putten of af te doen, maar om, met overlating van wijdloopiger studie aan bekwamer handen, hier slechts zóóveel te bieden, als voor ónze lezers in omvang voldoende zal blijken, en, als op expresselijk onderzoek steunend, toch niet korter kon, om het merk te toonen van wetenschappelijken ernst.

Drie meeningen, die we gemakshalve als de Irenische, de Orthodoxistische en deGereformeerde opiniën onderscheiden zullen, staan bij dit onderzoek lijnrecht, en o.i. buiten mogelijkheid van verzoening, tegenover elkander.


De Irenischen vonden ten dezen hun „man van wapenen" en pleitbezorger in den zeldzaam kundigen Rotterdamschen predikant Dr. J.J. van Toorenenbergen, een historiekenner van zoo degelijke studie, omvattende kennis en helderen blik, dat ge schier vast op de juistheid van zijn resultaten af kunt gaan, zoolang ten minste zijn theologische zienswijze hem het zien van de historische waarheid niet onmogelijk maakt.

Zoo groot is dan ook dusver het schier onbetwist gezag van 's heeren Van Toorenenbergens woord in zake de Belijdenisquaestie geweest, dat men, nagenoeg zonder critiek, elke zijner uitspraken voor echte munt van hand tot hand rondgegeven, en tot voor korte jaren zelfs aan de mogelijkheid van eene andere voorstelling dan de door hem in schets gebrachte niet dacht.

Een goedgeefsch vertrouwen, dat zij bij ontstentenis van eigen studie en de jammerlijke onwetendheid, waarin de meeste predikanten en ouderlingen, ten opzichte van de historie onzer kerk verkeerden, nog te gereeder verklaren liet door den ernstigen toeleg, die in 72 Dr. Van Toorenenbergens studiën doorstraalde, om de eere onzer Belijdenisschriften, èn tegenover de Modernen èn tegenover de Reveil-mannen te handhaven. Eenigszins ook uit zijn verzekerden toon.

Indien we dan ook in deze artikelen een misschien niet geheel onmerkbaren stoot aan Dr. Van Toorenenbergens autoriteit ten deze mochten toebrengen, zoo zij men niettemin verzekerd van de ongeveinsde waardeering, die zijn onbetwistbare verdiensten duurzaam bij ons vinden zullen, en zal, naar we hopen, onze uiteenzetting de blijken dragen, dat in niets te kort te doen aan de eischen eener ernstige discussie, in ons opzet en onzen toeleg lei.

Alle eere en hulde zijn we bereid dezen uitstekenden schrijver van heeler harte te blijven bieden, en in weerwil van sommige min-vriendelijke uitlatingen zijnerzijds en onnauwkeurigheden, waarop wij hem gedurig betrapten, hem al het voordeel blijven gunnen van wat broederzin onder Christenen ten eisch stelt. Mits men slechts niet van ons verge, dat we ter wille van dezen gevierden naam het onhoudbare toedekken wat er in 's heeren Van Toorenenbergens voorstelling van de waarheid Gods schuilt.

Althans hijzelf is van te edel en te hoog karakter, om een onomwonden strijd voor de waarheid Gods niet in elken tegenstander te eerbiedigen, en we rekenen dan ook vastelijk op zijn onverdeelde goedkeuring, indien we onverbloemd en onverholen de historische misvattingen in het licht brengen, waartoe hij, zijns ondanks, door zijn eigenaardige theologische denkbeelden moest verleid worden.


Immers ook Dr. J.J. van Toorenenbergen ontkent met ons de mogelijkheid, om bij zulk een onderzoek de waarheid der dingen te zien, tenzij men er òf koel-neutraal tegenover sta, òf wel er door sympathie en liefde meê in geestelijke gemeenschap zij geraakt. En wijl nu Dr. Van Toorenenbergen ten deze noch de neutraliteit van een Fruin of Acquoy bezit, noch ooit in de practijk van het heden zijn tegenzin tegen de belijders, van wat de Dordtsche vaderen beleden, af kon leggen, kon het wel niet anders, of hij moest in weerwil van zijn tamelijk gestrenge studie, en zijn toeleg om de ware toedracht der zaken weêr te geven, desniettemin door zijn studie een voorstelling in omloop brengen, die met het feitelijk gebeurde streed.

Zijne door ons in meer dan één opzicht gewraakte voorstelling nu komt op het volgende neder.

De eigenlijke Belijdenisschriften der kerk zijn haar Confessie en de Heidelbergsche Catechismus, terwijl de Canones van Dordt een soort apocryfen vormen, die in strenger zin niet tot de Formulieren van eenigheid behooren en slechts een tijdelijk karakter dragen. „Een wapen tegen sommige vijanden gekeerd, maar niet voor alle vrienden evengoed een band van gemeenschap" (De Symb. Schriften der Ned. Herv. Kerk, p. XXIV).

Deze Belijdenisschriften behooren niet als „formulieren van eenigheid", maar slechts als „geloofsleuzen" te gelden.

In die Belijdenisschriften bindt dus niet „elk stuk" noch „elk artikel der leer", veel min „elk articuul in alles", maar uitsluitend de „substantie" er van, ook wel als „wezen en hoofdzaak" aangeduid.

Onder welken term „substantie" alsdan z.i. te verstaan is het 73 fundamenteele in de leer in tegenstelling met het minder gewichtige, terwijl de heer Van Toorenenbergen, nader naar dit substantiëele ondervraagd, ons als maatstaf een uitspraak van den Lutheraan Sartorius biedt, die „Doop en Avondmaal" als toetssteen nam, en dit dan aan de hand van denzelfden schrijver in dier voege uitwerkt, dat de Praedestinatie onder de substantiëele stukken der Gereformeerde kerkbelijdenis zelfs niet genoemd wordt.

De desbetreffende uitspraak toch luidt aldus: Substantie is ten deze „de leer der dingen, die onmiddellijk met onze behoudenis in verband staan, de leer van God den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest, tot wiens erkentenis wij allen werden gedoopt; van den eenigen Middelaar, in wiens dood wij gedoopt zijn, en van den weg der behoudenis in de offerande zijns lichaams en in het bloed der verzoening, dien wij verkondigen aan het avondmaal" (ib. p. XXXV).

Belijdenisschriften nu, in dien zin opgevat en onder dit beding aangenomen, kunnen door de wettige Synode eener kerk tot haar „Symbolen" worden gestempeld.

Dit echter doet ze, zoolang ze wel loopt, niet dan onder de drie navolgende restrictiën:

1. dat ze van deze Belijdenisschriften slechts zooveel ijkt als er in overeenstemming komt met de belijdenisschriften van andere Gereformeerde kerken, met dewelke ze gezamenlijk een harmonia, een corpus of syntagma confesisonum onderteekent;

2. dat ze de haar voorgelegde teksten op het nauwkeurigst examineere en voor zooveel noodig corrigeere;

en 3. dat deze Belijdenisschriften op elke nieuwe Synode-nationaal aan revisieonderworpen blijven.

Wat nu deze revisie zelve aanbelangt zoo stelt de heer Van Toorenenbergen het voor, als gold desaangaande het navolgende:

1. dat op tal van Synoden-nationaal en provinciaal vóór 1618 zulk een revisie heeft plaats gehad;

2. dat op de Synode van Dordt de Formulieren vooraf slechts herlezen zijn, en eerst na het vertrek der buitenlandsche theologen aan revisie zijn onderworpen, naar uitwijzen van de dusgenaamde postacta. „De Dordtsche Synode heeft den Calvijn slechts herlezen, maar aan een Revisie is niet gedacht" (p. XXVIII); in verband met wat we p. XXVI lezen: „Toen de gedelegeerden der Staten-Generaal te Dordrecht in 1619 de Synode opwekten om de geloofsbelijdenis te herzien"; en vooral p. XXV: „Men heeft elkander steeds nagezegd dat die Revisiën (vooral van 1566 en 1619) nietsbeteekenend waren en zich hier en daar tot een enkel woord bepaalden. Welnu, het zij voortaan uitgemaakt, dat men zoo alleen spreken kon, omdat men de moeite niet nam het naar eisch te onderzoeken;" 74

3. dat om de drie jaren zulk een Revisie moest plaats hebben. Immers uitdrukkelijk verklaart Dr. Van Toorenenbergen dat de vaststelling der onderteekeningsformule voor de predikanten in 1618 slechts plaats greep „in de onderstelling dat de nationale Synode ordinaarlijk alle drie jaar eens gehouden zou worden, ten ware er eenighe dringhende noodt ware om den tijd korter te nemen;" en „dat daarbij de gewoonte van kracht bleef, om in elkezoodanige Synode de belijdenis te herzien" (ib. p. XXXVII.);

4. dat tijdens zulk een Synode-nationaal de Belijdenisschriften moesten „stilstaan." „Werkelijk heeft het gezag van de Belijdenisschriften gedurende de Synode (van 1618, 19) stilgestaan" (Geref. Briev. in St. v. W. en Vr. 1879 p. 162);

en 5. dat men te Dordt niet anders zich heeft voorgesteld, dan dat van lieverleê deze achtereenvolgende Revisiën tot wijzigingen van articulen en stukken der leer zouden leiden. „Zij (de Synode van Dordt) heeft niet gedacht aan de mogelijkheid dat de kerk zonder eene voortdurende herziening of toetsing van al de „articulen der Leer in alles" eeuwenlang zou voortbestaan." (Zie Geref. Brieven p. 159. Om het bijna ongelooflijke van zulk een uitspraak hier letterlijk afgeschreven).

Terwijl eindelijk uit het feit dat de negentig Revisiën, die in dit stelsel sinds 1618, 19 geëischt waren geweest, uitbleven alsnu de conclusie wordt getrokken, dat ieder voor zich te onderscheiden heeft in onze Belijdenisschriften, tusschen „haar onveranderlijk credo en haar aan verandering onderworpen dogmatisch samenstel" (De Symb. Schr. p. 38). Een splitsing en onderscheiding die er Dr. Van Toorenenbergen toe verleidt, om als kenmerkend credo, let wel, niet van eenige algemeen Christelijke, maar van de Gereformeerde kerken dezer landen, ons te verwijzen naar de drie stukken van „zonde, verlossing en dankbaarheid", zonder eenige de minste nadere omschrijving van de diepte waarop die verdorvenheid gepeild moet, van de oorzakelijke beweging waardoor de verlossing ons toekomt, noch van de bedingen van doel en kracht en mate waaraan het betoon van die dankbaarheid gebonden ligt. Immers we lezen p. 36: „En de Gereformeerde kerk heeft door de genade, aan haar geschonken, eene belijdenis, die ook op dit hoofdpunt (het credo) geen onzeker geluid geeft. Zij wijst ons den „eenigen troost," in de erkentenis van de ellende der (?) zonde, de volkomenheid der verlossing en de dankbaarheid voor haar bezit met klaarheid aan. Daarin ligt hetgeen in de Confessie niet veranderen kan, omdat het naar het eeuwig Evangelie is. Dat staat altijd vast." Eene bepaling van het credo die natuurlijk in Dr. Van Toorenenbergens redebeleid niet mag opgevat als omvatte deze trilogie ook de uitwerking dezer stukken, wijl dan toch elk profijt van zijne onderscheiding hem zou ontgaan. Ook hier dus is in zijn credo van de Gereformeerde 75 kerken, zoomin van de Praedestinatie als van het formeele Schriftbeginsel gerept.

Uit deze schier allerwegen met Dr. Van Toorenenbergens eigen woorden gegevenvoorstelling blijkt alzoo, dat deze geleerde, ten opzichte van de Revisie bijna geheel het standpunt inneemt, dat in de 17de eeuw, gelijk we zullen aantoonen, werd ingenomen door de Arminianen; dat voor het heden aan onze Formulieren alle kerkrechtelijke geldigheid door hem wordt ontzegd; en dat als nóg geldend, onveranderlijk en blijvend credo uit deze Belijdenisschriften alleen zoodanige algemeene en onbepaalde stukken worden geijkt, als ook in de symbolische geschriften van de Luthersche, Remonstrantsche, Roomsche en Grieksche kerken, mede „in uitgedrukte woorden" beleden worden; terwijl omgekeerd alle stukken der leer die de Gereformeerde kerken in heur eigendommelijkheid als zoodanig kenmerken, gerekend worden tot het dogmatisch samenstel, buiten het credo vallen, en dus over worden gelaten aan de manipulatiën van de heeren reviseurs.


Vlak tegenover dit standpunt der Irenischen staat dat der lieden van het petrefact, of gelijk we het boven in juister bewoording noemden, het Orthodoxistische.

Dit standpunt ligt nog achter dat der Roomsche kerk, en hoort alleen thuis in de kerk van den Czaar, die zich deswege dan ook de orthodoxe kerk bij uitnemendheid noemt.

Bij Rome blijft onbeweeglijk en onveranderlijk wat eenmaal dogmatisch in den wettigen kerkelijken weg bepaald werd, maar staat althans de mogelijkheid nog open om nieuwe dogma's aan de reeds wettig uitgevaardigde toe te voegen.

In de Grieksche kerk daarentegen is zelfs deze laatste pas afgesneden en is elke leerontwikkeling ondenkbaar.

De „orthodoxie", d.i. de orthodoxe belijdenis der waarheid wordt in die kerk derhalve voor eensluidend gekeurd met de geopenbaarde waarheid zelve, en gaat hiermeê over in den vorm van versteening en vergoding tevens. Ze houdt dus op „orthodoxie" te zijn en wordt orthodoxisme.

Let wel: orthodoxisme! niet doordien de gewone leden der kerk de Confessie tot petrefact maken. Dit doet de gemeente, en moet ze doen, in elke kerk. Eenvoudig wijl niet in den twijfel, maar in de onderwerping des geloofs de kracht steekt.

Maar orthodoxisme wordt dit dàn, als de leiders en ambtsdragers en geestelijke hoofden eener kerk deze voorstelling systematiseeren gaan en al wat er tegenover staat verwerpen. 76

Uit dien hoofde kan ten onzent dan ook ternauwernood van zulk een orthodoxisme gesproken worden.

Immers, dat de eenvoudige lieden zich zalig in hun belijdenis gevoelen en dus van angst opvliegen, zoodra ze hooren dat men aan hun belijdenis ook maar tornen wil, waarlijk daar heeft de leeraarsstand nu deze vijftig jaren wel oorzaak toe gegeven.

De groote menigte kan zich met zulke een quaestie van Revisie dan ook alleen inlaten, als ze gelijk in 1606 door de Remonstranten, en nu door de Irenischen, op onjuiste en de eere der kerk te na komende wijze aan de orde wordt gesteld.

Maar onder de leiders en toongevers zijn deze Orthodoxisten zou uiterst schaars gezaaid, dat men niet dan met moeite een auteur zou kunnen noemen, die gelijk Dr. Van Toorenenbergen voor de Irenischen, zoo voor deze Orthodoxisten als tolk kon doorgaan.

Slechts bij benadering valt hun systeem dan ook in de volgende stellingen te resumeeren:

1. de drie Formulieren van eenigheid zijn zoo naar inhoud als naar vorm onverbeterlijk. Elke wijziging er in aangebracht zou bederf der waarheid zijn. Herziening zou zelfs wat de leermethode en woordenkeus betrof, overtollig en schadelijk zijn. Ze moeten blijven wat ze zijn, en gelijk ze daar zijn, den omvang van hetgeen de kerk bindt, duurzaam blijven aanwijzen;

2. het opstellen van breedere verklaringen of canones tegenover de sinds 1619ingeslopen ketterijen en den nu uitgebroken afval van het Christendom, is onnoodig en bedenkelijk;

en 3. het belijden van wat in het hart der kinderen Gods meer bijzonderlijk door den druk en den nood der tijden op den voorgrond trad, is, als kunnende slechts tot vervalsching der leer leiden, onraadzaam.

Van een groeien en zich ontwikkelen, verfijnen en afpunten der Belijdenis is hier dus geen sprake.

Alles blijft eenvoudig wat en zooals het is, als „een heilige steen" in Mecca's tempel.

Het standpunt der „onbeweeglijkheid" dus! Maar daarom dan ook tot bezieling van een kerk die leeft en belijdt en een levende tempel des Heiligen Geestes zal zijn, algeheellijk onbekwaam.


Welke zienswijze nu, tegenover deze Irenische en Orthodoxistische opiniën, door de Gereformeerden van Dordt en van nu werd beleden, kunnen we eerst in ons volgend artikel aangeven, om daarna het onjuiste in de Irenische voorstelling en de juistheid der onze met deactestukken der historie te bewijzen.




a Eerder gepubliceerd als ‘Revisie der Formulieren van eenigheid' I, De Heraut No. 68 (30 maart 1879).


II. Gereformeerd program van revisie.

a


Om nu in de derde plaats het standpunt der Gereformeerden ten opzichte van de Revisiequaestie te schetsen, sta in ondubbelzinnige taal, helder en duidelijk op den voorgrond, dat een Gereformeerd mensch voor zijner ziele zaligheid niet het minste gezag hoegenaamd aan eenige Confessie, eenigen Catechismus of Canon, van wat oudheid of achtbaarheid die ook zijn moge, toekent.

Wie Gereformeerd is, is van den mensch af, en steunt op God alleen.

Zijn lijden en worstelen is zoomin voor een substantie of een letter van eenigConfessioneel document, hoe gevierd en innerlijk waar ook, maar alleen en eeniglijk, om voor den hoogen God, dien Heilige en Eeuwige, te kunnen bestaan, en Diens onuitsprekelijken naam te doen triomfeeren in heerlijkheid en glorie over alle naampjes en hoogheden van menschen, en dus van zijn eigen ik allereerst.

Van letterzifterij en boekengewurm heeft een met hysop ontzondigd kind van God den diepsten afkeer. Een afkeer dien hij dàn slechts overwint, als hij in de consciëntie geperst werd, dat het tegenover anderer letterversnijding en boekenreconstructie op een ziften en pluizen gaan moet.

Maar van nature, neen, komt hij er waarlijk niet toe.

Naar zijn geestelijke natuur toch dorst hij naar gemeenschap met den levenden God, naar zalving met den Heiligen Geest, naar bedeelingen van genade, naar gaven, krachten, werkingen; en verre van op eigen gereformeerdheid van ziel en zinnen te stoffen, is veeleer al zijn worstelen, of God Almachtig hem, weêrbarstig en onvolgzaam als hij is, toch ondanks zichzelf niet alle drie jaren, maar elken dag en elk uur in de ziel aan revisie onderwerpe en in de nieren reformeere.

Jezus is hem Koning geworden; hij koning-af! Dat is al zijn Confessie!

Zijn Confessie is één doorloopende biecht.

Eén belijden, niet alleen van de diepte van eigen schuld en zonde, maar evenzeer van zijn volstrekte machteloosheid, om zelf weêr het leven te maken, te vinden of ook maar aan te grijpen; en dus daartegen overstaande, van de hoogheid van Gods heilig Wezen, en de volstrekte almacht van die Liefde om wèl heil te scheppen, tot ons te brengen en het ons te doen aannemen.

„Ik klein, niets, ónder het niet weggezonken, en mijn God groot, alles, 78 ja, in alles groot oneindiglijk!" — ziedaar het kort begrip van elk Gereformeerd belijder.

Dienovereenkomstig staat het dan ook als een muur vast, dat een Gereformeerde den mensch in niets gelooft en zijn God gelooft in alles.

„God waarachtig en alle menschen leugenachtig," dat wil hem niet zeggen, dat alle mensch steeds met opzet liegt, maar dat er niets uit zijn wezen op kan komen, dat vertrouwbaar is of borgschap biedt van wezenlijke, eeuwig-blijvende waarheid.

Vandaar dat er voor den Gereformeerde dan ook maar één gezag geldt, t.w. het gezag van de Heilige Schrifture.

Dat is, kort en bondig gezegd, het één en al.

„Dei sacrosanctissimum Verbum praetereaque nihil!" 1

Laat men dus wel toezien, dat men de Gereformeerde kerken op het uiterste en zeer zorgvuldiglijk van het lijf blijve met al wat ook maar nijgen of zweemen kon naar een stellen van een tweede autoriteit naast, laat staan boven dat Woord.

Grove laster en ergerlijke miskenning is het dan ook, zoo dikwijls nijd of onkunde den Gereformeerden, van voorheen of thans, verweten heeft, dat ze (God beter 't!) hun „Formulieren van eenigheid" naast Gods Woord ooit zouden durven of willen stellen.

Zie, zoo verre een vergeten dorpsveldwachter beneden de majesteit van den koning op zijn troon staat, zoo diep en nog oneindig veel dieper staat alle „formulier" beneden de onvergelijkelijke majesteit van het Woord onzes Gods.

Gods Woord is de Bron die u laven, de Fontein welker wateren u genezen zullen, en het Formulier is niet eenmaal een kruik uit die Bron gevuld of een beker uit die Fontein opgevangen, maar slechts de enthousiaste analyse, die men door het scheikundig proces der geestelijke ervaring van heur wateren heeft opgemaakt.

Dát sta dus ook in deze uiteenzetting, in voor vriend en vijand leesbaar schrift, op het onbewimpeldst en alleronomwondenst uitgesproken: dat bron van onze Godskennis en regel van ons geloof nooit ofte nimmer iets anders zijn of heeten mag dan de Heilige Schriftuur.

En deze, elk ander gezag uitsluitende, autoriteit kent een Gereformeerd man aan Gods Woord toe, niet ómdat de Confessie dit gezag aan Gods Woord toeschrijft, maar krachtens het testimonium Spiritus sancti (inwendig getuigenis des Heiligen Geestes) in de uitverkorenen aller eeuwen en in zijn eigen hart. 79

Zie, wat de Ethische heeren, zoo onwaar, valsch gedacht en in lijnrechten strijd met de Gereformeerde beginselen, van de dogmatiek leeren: „dat ze beschrijving van het waargenomene leven Christi in de gemeente zou zijn", dat zou bijna volkomen juist, naar Gereformeerden maatstaf gesproken zijn, indien ze het beleden van de Confessie.

Want de Confessie, ja die is wel waarlijk en mag nooit anders zijn dan: „belijding, omschrijving en verdediging van wat de uitverkoren ziel naar Gods Woord uit den Borg en Middelaar ervoer."

Terecht merkte de heer Wielinga dan ook de vorige week in de Wekstem op, dat eene Belijdenis niet noodzakelijk tot het wezen der kerk behoort 2.

In de kerk, naar heur wezen is slechts een elken morgen en avond op de knieën vallen, om schuld te belijden voor God.

Maar wijl nu de feitelijke toestand eenmaal zoo is, dat ze wat vreemd aan haar wezen is, nóch uit eigen boezem volkomen verwijderen, nóch buiten zich weren kan, zoo kan daadwerkelijk geen kerk zonder Belijdenis bestaan.

Er is naar De Moors schoone uitspraak tweeërlei forum, tweeërlei rechtbank: de ééne van den Heiligen Geest in uw consciëntie, en de andere eveneens van den Heiligen Geest, maar in de kerkelijke vierschaar 3.

Bij die eerste nu staat de Christen altijd boven, en alleen bij de tweede onder zijn Confessie.

*

Komt ge dus op het eeuwige, op wat der ziele zaligheid raakt, op wat u het Brood zal zijn des levens, dan is een Gereformeerde zoogoed als vergeten, dat zijn kerk een Confessie heeft, en drinkt hij maar aldoor met volle teugen uit de zuivere wateren des Woords. En eerst als ge op kerkrechtelijk terrrein komt en schiften wilt, wat wel en wat niet bij uw kerk hoort, eerst dan leest hij u voor uit zijn Confessie.

De Formulieren van eenigheid zijn dus nooit voor de vrienden, maar alleen en uitsluitend voor de heele, halve en kwart vijanden.

Indien er niets dan vrienden waren, zou men God loven, zou men saâm klagen en dan weêr jubelen en met alle macht des Woords de groote werken Gods verkondigen, maar aan het opstellen van een Belijdenis zou niemand denken.

Maar nu er vijanden buiten zijn die lasteren, en vijanden van binnen die de levenswateren der kerk telkens onzuiver maken en vergiftigen, nu moet 80 de kerk wel tot den vijand van buiten opgestaan en zeggen: „Wat gij mij toedicht is niet mijn belijden; maar wilt ge weten wat ik belijd, zie het hier!" en voorts tot den vijand van binnen er bijvoegen: „Zie toe, dat ge mijn schapen niet van den Sprinkader des levenden Waters naar uw gebroken waterbakken toelokt, want dan zal ik de trouwe Herder zijn, die u als wolven in de lammerenvacht, aan mijnConfessie openbaar!"

Vandaar dat zulk een Confessie alleen in den nood wordt geboren, en in haar kern nooit een theologisch opstel, maar een noodkreet der ziel en een kreet van verrukking over de grootheid van Gods ontfermingen is.

Men gaat daar niet zoo eens voor zitten; men benoemt daar geen Commissie voor; men pluist dat niet uit.

Neen, zulk een Confessie is voor den Gereformeerde poëzie, een lied der ziele, een kunststuk, product van Geestes-genie in de ziel van een daartoe door God bereid instrument.

Er is niet zekere heer De Bres, die zeker opstel van artikelen samenlijmt en dit nu aan een Synode toezendt, om het te laten keuren. Neen, maar er is de levende God, die zich ontfermt over zijn wegzinkende kerk, en nu een De Bres doet geboren worden en hem tot een instrument bereidt en met zijn Geest in hem werkt, en er het geloofslied in artikelen-strophen uit doet komen, en het nu aan zijn kerk brengt en tot haar spreekt: „Ziehier het woord van uw hart!"

*

Heel anders is een Catechismus.

Dat is een boek niet van Belijdenis, maar van Onderwijzing, niet tegen den lasteraar, maar voor den weetgierige, geschreven.

Een Catechismus dient niet voor de vijanden, maar alleen voor de vrienden en de kinderen der vrienden, om ze de beginselen te leeren van den weg.

Daar spreekt niet het heroïsme des geloofs tegenover den tegenstander, maar de teederheid der zoekende, der ondersteunende, der onderwijzende liefde in.

En nu maken we ook van dien Catechismus geen geheim, en als de laster ons beticht, dat we onzen kinderen onware beginselen inprenten, kan dus ook die Catechismus als verweermiddel dienst doen, doordien we hem den benijder dan voorleggen, hem vragend: „Wijs ons nu aan, wat daarin onrecht is!" — maar opgesteld en bestemd is hij daarvoor niet.

*

En wat nu eindelijk de Dordtsche of Walchersche artikelen enz. aangaat, d.w.z. later expresselijk ter wering van giftmengers en dwaalleeraars, 81 uitgestalde uithangborden, neen, die zijn heusch niet een soort van apocryfen, maar wel terdege, quo ad forum externum, van volmaakt gelijke autoriteit met de Confessie zelve, ja in kracht van beslissing eer boven haar staande.

Of liever, laat ons, ter voorkoming van misverstand, de zaak maar onverwijld bij haar rechten naam noemen: Zulke artikelen staan niet naast de Confessie, maar er in.

Nooit ofte nimmer zijn de Canones van Dordt bedoeld als een tweede Confessie, die nu bij de eerste bijkwam, maar eeniglijk en uitsluitend als een verbreeding, uitweiding en nadere omschrijving, van wat in de Confessie zelve beleden was.

Had het zoo gekund, dan zou men wat men te zeggen had als nieuwe zinsneê aan de bestaande artikelen der Confessie hebben toegevoegd.

Steeds en onveranderlijk noemen de Gereformeerden deze Canones daarom: „de breedere verklaring tegenover de Remonstranten"; in het Latijn: declarationes quinquarticulanae; en in zooverre Dr. Van Toorenenbergen er krachtig toe heeft medegewerkt, om de naast-elkander-stelling van Belijdenis en Canones uit de wereld te helpen, heeft hij aanspraak op onzen dank.

Maar te beweren, dat nu deswege deze Canones, geringer in gezag zouden gelden, is toch een al te tastelijke dwaling.

Want immers, deze Canones zijn precies evengoed als de oorspronkelijkeConfessieartikelen, het product van een bange, hachlijke worsteling, waardoor de kerk Christi in deze landen op den rand van den ondergang was gebracht. En ze zijn te Dordt volstrekt niet schools geredigeerd, maar door Bogerman c.s. slechts overgeboekt uit het leven waarin ze, lang eer de Synode saâmkwam, reeds vorm en gestalte bezaten.

Dordt heeft niets gemaakt, maar slechts in het licht getrokken, wat God de Heere in den nijpenden nood van zijn kerk had laten groeien.

Causa Dei defensa contra hominem!" d.i. „de saecke Gods verdedigt teghen den mensche!" gelijk Abr. van der Heyden zijn dikke kwartijn tegen Episcopius en Batelier betitelde, dát en dat alleen was het werk dat te Dordt ondernomen is, en dat, met stilling der ultra's in de beroemde Canones geleid heeft tot de triomf der gerijpten, voor wie het vroed envroom nog samenging.

Bovendien zijn die Canones geboekt met al de prudentie, de grondige kennis en het rijpe doorzicht, waarover een convent van door en door kundige theologen uit alle landen van Europa, als voor noch na in de nieuwere geschiedenis ooit samenkwam, na opzettelijk en langdurig onderzoek, kon beschikken.

Redenen waarom dan ook alleen een tegenzin aan eigen verhoudingen in 82 het heden ontleend, er zoo menig prediker en kerklid toe verleiden kan, om in vergelijking van Confessie en Catechismus, min reverentelijk van deze zeldzaam schoone Canones te denken.

Welbezien zijn er dus slechts twee Formulieren van eenigheid: 1. de Confessie met haar appendix in de Canones, en 2. de Catechismus.

*

En van deze Formulieren nu leert voorts de Gereformeerde:

a. Dat ze zonder dwang, langs den natuurlijken weg der overtuiging, als vanzelf allereerst door de Gereformeerde Christenen in deze landen zijn beaamd en aangenomen.

b. Dat ze daarna van lieverleê eerst door Provinciale en heimelijke, en toen door Nationale en openbare Synoden zijn aangenomen als kerkelijke Belijdenis en Catechismus.

c. Dat de Confessie, eer men hiertoe op de nationale Synoden overging, te Antwerpen in 1566 accuratelijk is nagezien, en in kerkelijken vorm is geredigeerd, niet door eenige ultra's, maar door bekwame en bezadigde mannen.

d. Dat ze op de Nationale Synoden van 1568, 71, 78, 81 en 86 niet door revisie gewijzigd is.

e. Dat ze reeds voor de Synode van 1618 een gedeeltelijke approbatie had ontvangen van de Gereformeerde kerken buitenslands, in Frankrijk, Genève en Duitschland.

f. Dat de Dordt in 1618 drieërlei is geschied:

1. een revisie van de Confessie, wat haar leerinhoud betreft, die tot resultaat had, dat ze door alle binnen- en buitenlandsche kerken onveranderd werd bekrachtigd;

2. een vaststelling van een officieelen tekst, die tot kleine emendaties in de uitdrukkingswijs leidde; en

3. een eenparige uiting der geesten, zoo van binnens- als buitenslands, dat men deze Belijdenis tot op 's Heeren wederkomst onvervalscht te bewaren had.

g. Dat te Dordt van een revisie die telken drie jaren plaats zou hebben, niets is besloten.

h. Dat de Catechismus de approbatie van alle Gereformeerde kerken reeds bezat, eer hij hier officieel werd; op geen enkele Synode gewijzigd is; te Dordt in 1618 aan revisie is onderworpen, maar onveranderd is goedgekeurd; en bij de recognitie, op aandrang der Palzische deputatie, evenmin verandering onderging.

i. En dat eindelijk de Canones, eveneens de volledige approbatie van alle 83 binnen- en buitenlandse Gereformeerde kerken ontvingen, en nooit aan revisie onderworpen, nochte veranderd zijn.

*

En nu voorts, wat de zaak der revisie in beginsel geldt:

j. Dat te dien opzichte onderscheiden moet tusschen het tijdperk waarin een Confessie geboren wordt en het tijdperk waarin ze volwassen, gerijpt en gezuiverd is.

k. Dat in dit tweede tijdperk, dat voor ons het alleen geldende is, de Formulieren van eenigheid niet op één lijn mogen gesteld worden met gewone menschelijke geschriften.

l. Dat een iegelijk, die in de kerk leert of regeert, gehouden is zich naar deze formulieren te reguleeren.

m. Dat zoo iemand iets anders gevoelt en acht dat dit afwijkend gevoel Gods Woorde conform is, hij dit zijn classis openbaren zal, en zoo deze hem geen contentement doet, alsdan de zaak brengen kan voor de Synode-Provinciaal, hebbende deze macht, om, schikt het geschil zich niet, gravamen in te dienen bij de Synode-Nationaal.

n. Dat leden der Synode-Nationaal, die voor zichzelf persoonlijk eenige bedenking hebben, gerechtigd zijn, deze, naast het gravamen, te berde te brengen.

o. Dat ook niet-leden der Synode het recht moeten hebben, zoo zij bedienaars des goddelijken Woords zijn, mondeling ter Synodale zitting hun klacht in te brengen.

p. Dat echter van een revisie, om te zuiveren, niet dan in zeer exceptioneele omstandigheden sprake mag wezen, en nooit dan onder deze drie bedingen:

1. dat allen die in de Synode zitting nemen als rechters, èn voor, èn gedurende de zittingen, gebonden blijven aan hun onderteekening van de Formulieren;

2. dat ieder die bedenking inbrengt het recht der Synode erkenne om te beslissen en ook hem, klager, op grond van die beslissing te veroordeelen; en

3. dat de Formulieren gelden blijven en voor goed gehouden worden, tot op het oogenblik, dat ze in den wettigen weg mochten bevonden worden in eenig punt te strijden met Gods Woord.

*

q. Dat onder deze bedingen elke Synode-Nationaal gerechtigd en verplicht is tot tweeërlei:

1. om onverwijld alles uit deze Formulieren te verwijderen of in hun 84 artikelen te verbeteren, wat wettiglijk als boven, bewezen mocht zijn den Woorde Gods niet conform te zijn; en

2. om door breedere declaratiën de waarheid naar den Woorde Gods te formuleeren, die, in de Confessie nog niet of niet genoegzaam mocht zijn uiteengezet, tegenover den afval, de ketterijen en secten, die na 1618 zich hebben geopenbaard.

En wat derhalve de toekomst aangaat:

r. Dat geen Synode recht tot revisie der Formulieren zal hebben, tenzij:

1. haar leden bij en gedurende deze Synode beginnen met zich als vanouds aan deze Formulieren door onderteekening te binden, niet voor wat aangaat „de methode of phraseologie" of ook de „pointen van kerkregiment", maar aan „alle stukken en articulen der leer in alles";

2. dat elke klager die ter Synode tegen deze formulieren, uit haar midden of van buiten mocht opkomen, aan de Synode recht van beslissing toekenne, en persoonlijk het risico van zijn klacht aanvaarde;

3. dat over eventueel ingediende klacht niet geoordeeld worde dan uitsluitend naar den Woorde Gods;

4. dat uit dien hoofde bedenkingen tegen de onveranderlijke autoriteit van Gods Woord zelf, als zijnde norma decisionis, niet worden toegelaten; en

5. dat alzoo Christus zelf alleen Rechter zij, door zijn Woord, in de consciëntie, zoo bij vonnis als bij vrijspraak.

s. Dat, komt zulk een Synode saâm, het haar roeping zal zijn om, ook al leidde deze revisie tot geen enkele verandering in een der Formulieren, nochtans een nieuwe declaratie op te stellen, waarin de waarheid Gods wordt uiteengezet tegenover, en de dwaling verworpen van den afval, de ketterij en scheuring die thans de kerk beroert.

En t. dat ook deze Synode zoo mogelijk de medewerking zou behooren in te roepen van Gereformeerde kerken buitenslands, die één geloof met onze kerk deelachtig zijn en één lijden met haar lijden.

Zietdaar onze stellingen.

Nu volge het historisch bewijs.




1 Gods hoogheilig Woord, en dat alleen!

2 Hij zal billijken, dat we zijn artikelen voorts liggen laten tot deze reeks afliep.

3 Comm. in à Marck. V. 458.




a Eerder gepubliceerd als ‘Revisie der Formulieren van eenigheid' II, De Heraut No. 69 (6 april 1879).


III. Groot interest der Revisie-quaestie.

a


Het punt, waarover bij de revisie-quaestie het geschil loopt, is heusch geen splinterig vraagstuk van ondergeschikt belang. 85

Niets meer noch minder toch staat bij dit punt op het spel, dan de groote vraag: op welke wijze de Heilige Geest de gemeente van Christus in de waarheid leidt.

Daarover nu oordeelde en beleed de Gereformeerde kerk in alle landen, dat de Heilige Geest daartoe twee zeer onderscheidene manieren van werking gevolgd heeft naar den aard van de twee zeer onderscheidene bedeelingen van vóór 18 eeuwen en nu.

De Heilige Geest heeft namelijk eerst ons het Woord geschonken, en is daarna bezig om aan de gemeente van den Christus dat Woord uit te leggen.

Alle vroegere Godsopenbaring, eer het Woord voltooid was, diende om voor dat Woord een bijdrage te leveren, dat Woord vol te maken, dat Woord af te werken.

Daarom is alles wat vroeger geschreven is, geschreven niet voor hen, die het te boek stelden, maar om onzentwil. Wat natuurlijk zeggen wil: dat het óók wel voor hen persoonlijk een vrucht afwierp, maar dat het toch niet geopenbaard was met het hoofddoel om deze schrijvers te troosten, maar wel om door deze schrijvers een schat op te leggen voor de gemeente van alle eeuwen.

Neemt men nu aan dat nu achttienhonderd jaren geleden dit grondleggende werk des Heiligen Geestes zijn voltooiing had bereikt, dat het Woord er dus was, en de schat en rijkdom van Gods genade volledig in dat Woord aangeduid, omschreven en uitgewerkt neêrlei, — dan ontstond alsnu deze andere vraag: Is het hier nu meê uit? Of doet de Heilige Geest voor dekennisse der waarheid nu nóg iets?

En op die vraag nu antwoordt de geheele Christenheid nogmaals: Neen, met devoltooiing van het Woord is het niet uit, maar ook na die voltooiing is de Heilige Geest voortgegaan, waarheid te openbaren.

Maar, en hier stuit men al aanstonds op een hemelsbreed verschil: over den aard van dit Geesteswerk, deze achttien eeuwen, leert Rome vlakuit, wat wij even vlakuit loochenen en bestrijden.

Rome toch zegt: „Ook na dien tijd voegt de Heilige Geest nog nieuwen inhoud aan den in het Woord reeds neêrgelegden schat toe;" terwijl al wat Protestant is dit ontkent, en volhoudt dat de Heilige Geest al zijn verder onderwijs aan dat Woord bindt.

Er komt, zoo belijden wij, sinds het Woord voltooid werd, niets bij, en de werking des Heiligen Geestes bepaalt zich tot deze drie stukken: 1º. om uit te maken wat al dan niet tot het Woord hoort; 2º. om in de harten getuigenis aan dat Woord te geven; en 3º. om den inhoud van dat Woord steeds helderder en vollediger uit te leggen.

Dienovereenkomstig plaatst Rome naast het Woord een onfeilbare kerk 86 als orgaan des Heiligen Geestes, waardoor het 1º. de overleveringsschriften en het echte deel waarmerken laat; 2º. de uitlegging van het Woord eens voorgoed vaststelt; en 3º. nieuwe openbaring geeftvan nog niet dogmatisch vastgestelde waarheid.

Door te beweren en te belijden dat Gods heilig Woord èn volkomen genoegzaam is tot zaligheid èn alleen onfeilbaar, nemen wij dus een van Rome principiëel verschillend standpunt in, naardien we èn de overlevering verwerpen èn loochenen dat de kerk ooit onfeilbaar zouzijn.

Overmits nu Confessiën, Catechismussen en Canones voortbrengselen van de kerk zijn, zoo is hiermeê reeds vanzelf uitgesproken, dat zoo iemand deze schrifturen voor onfeilbaar wilde verklaren, hij hiermeê Rome weêr zou binnensluiken en afstand doen van den Protestantschen of Gereformeerden naam.

En dat derhalve alle formulieren of belijdenisschriften van de kerk van Christus op aarde steeds en immer examinabel blijven aan den Woorde Gods dit, mijn lezer, spreekt zoo vanzelf, is zoo stelliglijk uitgemaakt en mag op Gereformeerd terrein zoo nooit betwijfeld worden, dat alle discussie onmogelijk zou worden met wie dit niet gaafweg en voetstoots beleed.

Steeds hebben onze vaderen dan ook met verontwaardiging als verzonnen en booslijk uitgedachten laster op de Remonstranten zelven de aanklacht teruggeworpen, alsof zij, Gereformeerden, de Confessie ook maar in „comparatie van autoriteyt" lieten komen met Gods Woord. En het is op even denzelfden grond dat wij met heiligen toorn de Irenischen van schending van broedertrouw en onderdrukking van hun waarheidszin voor hun eigenconsciëntie beschuldigen, zoo dikwijls ze ons nu weêr de oude verzinselen oprakelen, als gold Godes heilig Woord ook óns niet als „eenige en algenoegzame regel van ons geloof en onzen wandel."

Wilt ge hooren, hoe de ouden zich hierover uitlieten, lees dan wat ze in de acte van hun Synoden documenteerden.

Daar schreven ze toch:

„Het tiende gravamen heeft de Syn.: geoordeelt te wesen niet alleen onnoodich, maer oock streckende tot beswaringe der kercken, der dienaren, der evangely, ende der Gedepe der Syn: even alsoff sy de confessie ende den catechismum wilden stellen in eenen graet met Goodes woort (twelck verre van daer is) ende de woorden revisie ende examinabel in haeren behoorl: sin niet en wilden toelaten, daar nochtans niemant voortgebraght en can werden, selffs niet by die van der Gouda die dit grayamen hebben gestelt, die dese woorden van revisie ende examinabel verder heeft verworpen, dan soo verre daermede de confessie ende catechismus in reatu als verbeteringe van doen hebbende gestelt werden, derhalven alsoo die van der Gouda dit gravamen gestelt hebben sonder fundament op bloote 87 geruchten die sy seyden die onse kercke ende leeraeren nagingen van de confessie ende catechismum te willen stellen in gelycke weerdicheyt met Goodes woort.

„Zoo ist dat de vergaederinge verclaert heefft niet alleenlyck dat noeyt imant onder de contra remonstranten de confessie ende catechismum gestelt heeft noch oock tegenwoordichlycken stelt in eenen graet met Goodes woort, jae ter contrarie ten oordeele des Goddelycken woorts onderwerpt, maer oock dat dit tiende gravamen te niete gedaen werde, ende dat de classis van der Gouda voorsichtelycker int stellen desselvigen hadde behooren te handelen" 1.

Dat was sober. Dat was waar. Dat was mannentaal. Mannentaal die ook ons nogweêrklinkt uit het hart.

Daarover dus geen woord meer.

*

Zoodra we nu echter wat nader aan het fijne der zaak toekomen en alsnu vragen: Hoe werkt dan nu de Heilige Geest bij dit uitleggen van de waarheid in Christi kerk? dan komt het al spoedig aan den dag, dat er ten deze tusschen de Gereformeerden en de Irenischen van toen en nu een zeer aanmerkelijk verschil bestaat. Een verschil dat kort samengevat hierop neêrkomt: dat de „Gereformeerden" aan een objectief werk des Heiligen Geestes in het organisch geheel der kerk gelooven, terwijl de „Irenischen" alles reduceeren tot een subjectief werk van den Heiligen Geest in „het hart der individueele leeraars en leeken."

Dit verschil komt uit in drie zeer onderscheidene opzichten. En wel:

1. In de belijdenis vanGods Woord." Leerende namelijk de Gereformeerden, dat Gods Woord de basis zelve is waarop men staat, zoodat wie aan dat Woord twijfelt, of ook dat Woord niet meer onvoorwaardelijk als „eenige en algenoegzame regel van het geloof" aanvaardt, voorts alle recht verloor van meêspreken op kerkelijk terrein. D.w.z. dat met zulk een nog zeer zeker te spreken is; dat hij ook een in twijfel gezonken kind Gods kan zijn; maar dat hij in en namens de kerk niet meer kan optreden als medeconstitueerend orgaan der waarheid; en derhalve geen zitting nemen kan in een ten deze met macht bekleede Synode.

Terwijl in strijd hiermeê de Irenischen ook omtrent de onfeilbaarheid van Gods heilig Woord allerlei twijfelingen en exceptiën toelaten; zichzelven het oordeel voorbehoudende wat in dat Woord waar of niet waar zal zijn; en ook de twijfelaars aan de onfeilbaarheid van het ons geopenbaarde gerechtigd achten, om meê te oordeelen over de Belijdenis der kerk. 88

Ten bewijze van het Gereformeerde gevoelen, kiezen we op dit punt de volgende zinsneê uit het bekende Teghenvertoogh der Gereformeerde leiders van die dagen p. 91, dus luidend:

„De tiende nieuwicheyt, die ons wordt opghedicht, soude syn, dat wij de confessie ende catechismum, die beyde menschelycke schriften zijn, den predicanten willen doen onderteyckenen niet alleen als formulieren van eenicheyt, naer 't eerste oude ghebruyck, maer om de ghesontheyt in de leere te betuyghen. Dat de confessie ende catechismus menschelycke schriften zijn, weten, bekennen ende leeren wy mede alsoo wel als de remonstranten. Want wy houden alleen de boecken des Ouden ende des Nieuwen Testaments, de prophetische ende Apostolische schriften, voor schriften van God also inghegheven, dat die Heylighe mannen Godts deselve hebben ghesproken ende geschreven, ghedreven zyndevan den H. Gheest, die haer in alle waerheydt heeft geleydt. Ende oversulcks dat dese schriften gheen dwalinghe en connen onderworpen zijn.

„Maer alle andere schriften, buyten deselve, van hoe Heylighe ende gheleerde mannen deselve oock souden moghen zyn gheschreven, alsoo se gheschreven zyn van sulcke luyden, die den H. Gheest in sulcken mate niet en hebben ontfanghen, als de H. Propheten ende Apostelen, ende die oversulcks in de leere souden connen dwalen volghens dien oock dwalinghe connen onderworpen zyn, ende altyd na de Godtlycke schriften des Ouden ende Nieuwen Testaments moeten worden gheexamineert. Voor soodanighe menschelycke schriften houden wy oock de confessie ende de catechismum, dewelcke hoewel se gestelt zyn van menschen, die dwalen konden, soo ist nochtans, dat wy tot noch toe in deselve gheen dwalinghe hebben connen vinden, die daer strydigh soude syn teghen de Godtlycke schriften."

*

2. In de belijdenis van de continuiteit van het werk des Heiligen Geestes in de kerk aller eeuwen. Teweten voor de Gereformeerden staat het vast, dat de Heilige Geest met zijn leidingen in de kerk een geregelde taak afwerkt, zoodat in de eerste eeuwen de cardinale en principieele en centrale stukken der leer zijn toegelicht, van de Schrift als Gods Woord en den persoon van den Verlosser; dat daarna en als bij voortzetting meerder licht is verspreid over de kennis van den mensch, van de diepte der zonde en den weg des heils; en dat, nadien de Heilige Geest, onder beroeringen van volkeren en natiën, en in het bloed der martelaren deze diepten ontbloot had, er alsnu een nieuw werk des Heiligen Geestes begonnen is, dat in onze dagen tot weêr nieuwe vastheid en meerder licht leidt ten opzichte van de sfeer des zedelijken levens, en daarmeê saâmhangend over de leer van Sathan, van den staat en van de wederkomst des Heeren. Alzoo echter, dat er alsnu een voortbouwen zij, en wij, ons verheugende in de 89 vrucht van vroeger openbaring en staande op de schouders onzer vaderen, juist door in te leven in wat zij gewonnen, tot nieuwe instrumenten des Geestes mogen bekwaamd worden.

Terwijl omgekeerd de Irenischen, toen als nu weêr beginnen willen met alle vroeger beleden waarheid onvast te maken, en als begon de kerk pas, aan alles tornen en allerlei veranderen willen, èn aan de leer der Schrift, èn aan die van Jezus' persoon, en aan die van den mensch en de zonde, èn aan die van den weg en de oorzaak des heils, om dit alles, in gedeeltelijke afwijking van het belijden van vroeger eeuwen, alsnu te conformeeren aan wat ze achten het nieuwe licht onzer eeuw te zijn.


Vergelijk hierbij voor het Gereformeerde gevoelen uit die dagen: J. Triglandius, Kerkelijke Geschiedenissen en Aanmerkingen op J. Wtenbogaerts Derde deel p. 381 b.

„Men moet de Nederlandsche belijdenisse niet simpelyck aenmercken als een menschelyck schrift, maer als een geschrift, bij Godvruchtighe ende ghetrouwe leeraers der warer kercke onses Heeren Jesu Christi, uyt den woorde Godes ghestelt, om te dienen voor een ghesonde ende schriftmatighe belydenisse des geloofs, by de vrome martelaren in ghevanckenissen, op pynbancken, in de vyeren, onder sweert ende galgh stantvastelyck bekent, om de welcke vele duysenden, haer goet ende bloet in perijckel hebben ghestelt, naeckt ende bloot, uyt (pag. 382a) haer vaderlant, nae andere landen in ballinckschap zyn getrocken, dewelcke alle de gereformeerde kercken in de Nederlanden ende in Vranckryck, voor gesont ende Godes woord conform hebben erkent, op dewelcke als soodanich zy haer tegen papisten ende allerley sectarissen hebben beroepen, dewelck zy oock tegen alle tegenspreeckeren verstandelyck ende vrymoedelyck als soodanich hebben verdedicht, ende door dewelke de Gereformeerde kercken van de antichristische Roomsche kercke ende van allerley vreemde ende verwarrede secten zijn afghesondert. Dat is wat meer als sympelyck een gheschrift by menschen ghestelt.

En sterker nog en duidelijker; wat R. Acronius schrijft in zijn Nootwendich Vertoogh pag. 65:

„Whant in gheval openbaer is, dat een oude ketterije, die eertyds rechtveerdich van de ghemeynte Godts verworpen is, wederom vernieut wordt, hetzy belanghende de meyninghe samosateni Arry, Macedony, Nestory, Eutichetis, Pelagy ofte dierghelijcke: zoo wort er gheen nieuwe sententie wtghesproken, maer de oude, die al over langhen tyt wtghesproken is, wordt vernieut, ende voor bondich verklaert: ende deghene, die zulcke oude dwalinghen vernieuwen ende voorstaen, die moghen ghecondemneerd gheacht worden, inzonderhcyt zo d' andere 90 conditien van rechte ketters daer by komen, namelyck, zo se int fondament dwalen, in haer voornemen volherden, ofte andersins de waerheyt, den woorde Godts ende de confessie der ghemeynten conform, zonder ophouden teghenspreken."

*

En 3. In de belijdenis, dat de kerk over de particuliere gevoelens oordeelt; niet de particulier over de belijdenis der kerk. De subordinatie onder het gezag der kerk alzoo. Te weten de Gereformeerden binden iemands consciëntie nooit aan iets anders dan aan het Woord, maar eischen dat hij, in de kerk zijn en verkeeren willende, zich voor wat dien band betreft, ook strengelijk binden zal aan de geestelijke basis en de orde dier kerk. H.i. staat het hem derhalve vrij zelfs als predikant een gevoelen te koesteren, dat van de aangenomen leer der kerk afwijkt, maar staat het hem niet vrij, dat maar al vast in geschrifte, op den kansel of in de catechisatie te gaan leeren. Dan toch, zoo leeren onze vaderen, pleegt iemand verraad, schendt hij zijn eed en is hij ontrouw. Dat is het subjectieve individu laten heerschen over de objectieve kerk. Weshalve ze willen, dat zulk een a. zijn gevoelen binnen besloten muren openbaren zal aan zijn classis; b. kunnen die zijn twijfel niet wegnemen, dat hij zijn bezwaar dan brengen zal bij de Synode-Provinciaal, en inmiddels stil zitten, d.w.z. zich vrijwillig schorsen in zijn ambt; c. dat, lost ook de Synode-Provinciaal zijn bezwaar niet op, het alsdan door deze als gravamen worde ingediend op de Synode-Nationaal; en d. doet ook die hem geen contentement, dat hij dan òf zelf uittrede òf door de Synode uit worde gezet.


Ten bewijze waarvan dit volgende strekke:

„Dat wij evenwel niet na der papisten wyse de belijdinge onser kercken ende den catechismum in onsen tyd by menschen gestelt, van gelycker weerde en houden met Godes woort, is hier te voren opt eerste point des verschils tusschen ons ende onse broederen genochsaem bewesen, daeromme is dit een kranck fondament daerop onse verschillende broeders haer gevoelen bouwen, so lange als sy niet en hebben bewesen, datter in de belijdinge der Nederlantsche kercken iet is dat met den regel van Gots woort niet overeen en komt.

„Ende so iemant meynt datselve te konnen bewysen, hy en behoirt hem vooreerst niet te beroepen op een Synode-Nationael, maer eenmael verklaert hebbende, dat hy een ander gevoelen heeft als de bekentenisse der gemeene kercken medebrengt, behoirt hy synen collegis oft classi oft immers particulieren Synodo daerover hy staet te openbaren, wat het sy, om te sien, of men hem daerinne niet en soude konnen bejegenen ende gerust stellen met goede redenen wt Godes woort.

„Ende so hy hem derselver syner medebroederen oordeel niet en begeert te onderwerpen, so behoirt hy so lange in syn leerampt stille te staen ter tyd toe 91 hy met synen collegis die haer aen de gemeene belydinge der kercken houden hem hebben verdragen, ofte de sake by meerdere vergaderinge sy geoordeelt, oft zo verre oock syn gevoele verdragelyck ware, niet stridende tegen 't fondament der gemeene belydinge der kercken, immers behoirt men te weten, wat syn gevoelen sy, om te konnen oordeelen, of hij daerin mach geduldet worden ende hoe verre; want laet men dit eens inbreken, dat degene die iet heeft tegen de gemeene belijdinge der kercken, evenwel niet gehouden en sal syn 't selve te openbaren, al heeft hy oock laten blijcken ende verluyden dat hy iet daer tegen heeft, so en sal daer nimmer meer ruste wesen in de kercke, want genomen, de voorgaende belydinge der Nederlantsche kercken worde bij den aenstaenden Synodus Nationael geapprobeert, oft sy worde verbetert, so sal terstont daerna iemant mogen opstaen, die wat nieuwt sal hebben ende sal evenwel pretendeeren ongehouden te syn voor den naevolgenden Synodum hemselvente openbaren."

Deze verklaring is van de officiëele Commissie van advies der Geformeerden in die dagen te vinden in hun schrijven aan de Staten (zie Synod. Archief, VI. 1) van 1607, in welke Commissie zitting hadden de heeren predikanten: D. Johannes Fontanus, van Arnhem; Johannes Leo, van Bommel; Hermanus Faukelius, van Middelburg; Henricus Brand Willemsen, te Zierikzee; Johannes Becius, te Dordrecht; Franciscus Gomarus, te Leiden; Wernerus Helmichius, te Amsterdam; Hermanus Gerardi, te Enkhuizen; Sibrandus Lubbertus, te Franeker; Johannes Bogerman, te Leeuwarden; Johannis Acronius, te Groningen, en Johannes Nicasius, te Middelstum, die al te zaâm dit stuk eigenhandig onderteekenden.

Terwijl geheel in strijd hiermeê de Irenischen leeren, dat ieder maar alvast zijn afwijkende gevoelens onder het volk mag brengen, en op den kansel en door de pers en door de catechisatie. Dat iemand niet verplicht is, zijn afwijkende gevoelens door het kerkelijk kader van Classis, Synode-provinciaal en nationaal te laten loopen. En dat iemand, die toevallig in de Synode gedeputeerd wordt, daar zoo maar eens allerlei bedenkingen tegen „articulen en stukken der leer" zal mogen voortbrengen. Ja zelfs dat een herziening der Confessie zou mogen ondernomen worden door een Synode, waarin misschien geen enkel lid zitting had, die het nog met die Confessie hield.

*

Hebben we hierbij nu de gevoelens onzer wederpartijders onjuist weêrgegeven, welnu, laat hunnerzijds dit ridderlijk verklaard worden, en wij zullen niets liever doen dan hun correctie opnemen. Mits, en dat is toch niet te veel gevergd, mits men dan niet volsta, met te zeggen wat men niet wil, maar uitkome, onbewimpeld uitkome voor wat men 92 wel wil, en even gedetailleerd als wij het deden, gevoelen tegenover gevoelen plaatse.

Onze Irenische broederen moeten tot de overtuiging komen, dat het ons om het vinden van een pad naar betere toestanden te doen is, en dat onzerzijds alle schrapheid uit het debat verdwijnen zal, zoodra zij zich maar eens collegialiter gezuiverd zullen hebben van de verdenking waaronder ze liggen, van nogmaals hetzelfde op dit stuk te drijven, wat de Socinianen en Arminianen en Coornhertisten voorheen dreven.

Ze hebben er nu al den schijn van, en zelfs Dr. Van Toorenenbergen, die als zaakkundige zich natuurlijk uiterst omzichtig pleegt uit te drukken, heeft door revisie „ter zuivering" van de Confessie te eischen, een nog harder uitdrukking gebezigd dan de Remonstranten der 17de eeuw voor hun rekening namen.

Bedoelde uitdrukking komt voor in de Geformeerde Brieven van December pag. 639, in deze zinsneê:


„Wij zijn tevreden wanneer de Belijdenisschriften maar niet buiten haar verband met de levensgeschiedenis der kerk worden beschouwd en behandeld.

„Zij zullen dan aanwijzen wat als ontwikkeling en wat als afwijking en verbastering zij aan te merken. Maar de ontwikkeling moet worden aanvaard, de zuivering toegelaten en beide eerlijk erkend.

Hierop staan wij en wij kunnen niet anders!"


Hiermeê is dus gezegd: dat er onzuivere bestanddeelen in zijn.

Niet alleen dat men onderzoeken zal of er ook aan te veranderen is, maar à priori beweerd en volgehouden, dat er aan veranderd worden zal en moet.

En hoor nu daartegenover eens, niet wat de Gereformeerden, neen, maar wat deRemonstranten in 1607 beweerden, toen het ook hunnerzijds op revisie ging:

"Dat de Heeren Staten-Generael, overmits alle Provinciën verstonden, dat het houden des Synodi Nationael een nootwendig middel was, om de suyverheyt der Leere ende goede Kerckenordre te onderhouden des selven geconsenteert, ende daerom nu teghenwoordelijck gheneghen en gheresolveert waren den Kercken daervan Acte te verleenen. Belangende restrictie van het resumeren der Nederlantsche confessie, alsoo deselve van eenige Provincie ghestelt was dat deselve, sonder prejudicie der selver Provincie, niet en konde nagelaten worden: dat Resumtie niet altoos mede en bracht veranderinghe, maer oock wel bevestiginge. Dat de Heeren Staten de clausule alsoo niet en verstonden, ghelijck of aen de waerheydt 93 der Leere in de Confessie begrepen eenichsins ghetwijffelt werde, of getwijffelt behoorde te worden, ofte datter van noode soude zijn eenighe verbeteringhe. Geensins. Ende dat daerom in de clausule gheen groote swaricheidt te maecken ware."

Ziet men nu wel, dat de Remonstranten indertijd op dit formeele punt van kerkrecht nog vrijwat rechter liepen en nog heelwat minder afweken dan de Irenischen thans?




1 Acta Syn. Delf. 1618. Art. 21, fol. 9, verso (Rijks-archief).




a Eerder gepubliceerd als ‘Revisie der Formulieren van eenigheid' III, De Heraut No. 71 (20 april 1879).


IV. Revisie een geding in rechten.

a


„Maar kunt ge, zoo vroeg men ons vaak, dan niet eens in een enkelen frisschen scherpen trek, het verschil tusschen Gereformeerden en Irenischen ten opzichte van de Revisie teekenen?"

„In al die fijne onderscheidingen u te volgen, kunnen we niet!"

„Geef ons toch één klare, één doorzichtige, één afdoende voorstelling, die we vanzelf en voorgoed in het geheugen kunnen prenten!"

„Maak dat ook de eenvoudigste u vat!"

Welnu ook aan dat verzoek willen en kunnen we voldoen.

En wel zóó voldoen, dat wij er „die afdoende voorstelling van de zaak" niet voor verzinnen, maar ze eenvoudig overnemen uit de oude documenten onzer vaderen.

Want natuurlijk onder onze vaderen heeft men eens veertien jaren lang over die revisie-quaestie gezonnen en gepeinsd. En aan dat zinnen en peinzen hebben destijds meêgedaan de knapste koppen, die er in Holland zaten. En ze hebben er over gepeinsd, niet voor een „debat op een Predikanten-vereeniging," maar als over een levensquaestie voor land en kerk.

En nu begrijpt men dan toch, dat het de onnoozelheid zelve van sommige Irenische tolken is, om over zulk een quaestie in half ingeslikte, zwevende, ganschelijk onbepaalde termen te spreken, en dat het nog onnoozeler is, er ook maar een oogenblik aan te twijfelen, of uit de gisting van zulk een debat destijds, ten leste wel ook een zeer frissche en klare voorstelling naar de oppervlakte zou zijn gekomen.

Zonder verder verwijl willen we er dan nu ook toe overgaan, om deze scherpbelijnde, voor ieder bevattelijke, overduidelijke en geheel ter zake doende voorstelling voor onze lezers in schets te brengen.

*

94 Onze vaderen namelijk waren nog helderziende genoeg, om te begrijpen, dat een kerk geen kransje is, noch een disputeergezelschap, noch een mengelmoes van grillen en zonderlingheden; maar dat een kerk is en moet zijn een geordend lichaam, een instelling, een stichting, een wel in elkaâr zittend geheel, of wil men een corporatie.

En even uit dien hoofde stelden ze dan ook den hoogen eisch, dat zulk een kerk minstens evengoed als elk ander geordend lichaam, waarborg zou opleveren voor recht en voor gerechtigheid.

Er mocht h.i. in de kerk, veel minder nog dan in eenige andere instelling, met de wederzijdsche plichten niet gespeeld, noch geknoeid, noch gebeuzeld worden, maar het moest naar recht gaan.

Zóó naar recht, dat er een wet bestond, die het recht bepaalde, en er een rechter was, die naar onverwrikbare billijkheden, dat recht toepaste.

Dat moest zoo, niet omdat er anders verwarring kwam, maar overmits elk geordend lichaam van Godswege en om den Naam zijner gerechtigheid verplicht, geroepen en gehouden is, recht te durven bepalen en recht te durven handhaven.

En dat moest nog zooveel te meer in het geordende lichaam der kerk, naar gelang de belangen, die op haar terrein om rechtspraak vroegen, zooveel fijner, zooveel teederder, zooveel heiliger waren van aard.

Onze ouden konden er niet in komen, hoe men keurige wetten en keurigenrechtswaarborg bood en zocht voor een haas, die over het veld loopt, of een servituut, dat op uw erfpachtgrond rust, terwijl men de vraag, of de Christus in zijn eigen kerk geloofd, dan wel gelasterd zou worden, overliet aan willekeur, toeval en spel.

Ze voelden, dat dit voor God niet goed was.

Ja, dat daarin een krenking, een minachting, een geringschatting, een niet meêvoelen en niet meêlijden voor zijn heilige eer lag.

En deswege weêrstonden zij toen fier en kras en onverbiddelijk de zwevende vrienden van die dagen, gelijk het onze plicht is, nog veel getrouwer en principiëeler dan ooit te voren, den „zwevenden" onder de vrienden het hoofd te bieden ook in onzen tijd.

Zij eischten dientengevolge, dat ook zulk een kostbaar en gewichtig stuk als „de Confessie" in de kerk niet van den noodigen rechtswaarborg zou ontbloot liggen.

Die Confessie toch was een stuk, dat aan meer dan één geslacht toebehoorde; waar, in de kerk, allen belang bij hadden; waar het mandaat van die kerk, als geordend lichaam, zich in uitsprak.

En overmits het nu volkomen natuurlijk was, dat ook hier het „kostelijkste en dierbaarste kleinood" het meest de begeerlijkheid der 95 muntsnoeiers prikkelen zou, zoo oordeelden ze, dat vooral voor dit overkostelijkste kleinood de waarborgen zoo fiks en sluitend afdoende moesten genomen worden, dat de Confessie metterdaad veilig was.

En dit zoo veel te meer, naardien de muntslag der Confessie, naar den eigen aard der Gereformeerde kerk, niet voor altijd als onveranderlijk gold.

Nu immers moest er zooveel te beter, zooveel te ernstiger en zooveel te nauwkeuriger gezorgd, dat deze opengehouden mogelijkheid tot verandering de muntsnoeiers nooit verlokte, om zich in het kleed van den muntmeester te verstoppen, en alzoo wederrechtelijk en met schennende hand te doen, wat alleen de officiëele muntmeester, in de muntzaal, naar eisch van het muntreglement, doen kon en mocht.

Ter aanbieding en uitwerking van dien rechtswaarborg nu stelden de oude vaderen zich onze Confessie voor als een persoon. Ze zagen in haar eene, de geslachten overlevende, vriendelijke Leidsvrouw, die, door aller liefde en toewijding gedragen, in aller naam, met schier zuivere lippen de diepten beleed van de erbarmingen Gods.

En nu willen ze wel toegeven, dat desniettemin toch ook deze vriendelijke Leidsvrouw zich op een enkel punt in de opvatting van de woorden Gods vergissen kon, en dat ze dus, als dit waarlijk bleek, ook voortaan anders moest gaan spreken. Maar zeiden ze, op goed geluk af, zonder rechtswaarborg, bij manier van Babylonische spraakverwarring mag dat niet.

Ook die „vriendelijke Leidsvrouw" onzer kerk zou, zoo wilden zij het, ten minste op een niet minderen rechtswaarborg rekenen kunnen, dan waarop zelfs elke slet of bravo nog bij den wereldlijken rechter kan rekenen: t. w. dat ze voor onberispelijk blijve gelden, tot zoolang in behoorlijken vorm haar ongelijk bewezen is.

Heeft iemand dus iets tegen haar, dan moet hij dat bewijzen; dat waar maken; dat met de stukken aantoonen.

En kan hij dat niet, dan mag hij het ook niet zeggen. Of zegt hij het dan toch, dan beloopt hij het gevaar van zelf als lasteraar te worden aangeklaagd.

Ook de Confessie heeft „een goeden naam" te verspelen, die haar, en om haar de kerk, iets waard is.

Daar moet niet maar zoo ieder een lak op durven leggen.

Die naam moet veilig en heilig zijn onder het schild van het recht.

Wie dus met het beweren voor den dag komt, dat die goede naam onzer Confessie niet ongerept meer is, die moet dat niet maar zoo in een boek of op de markt zeggen, maar die moet zijn aanklacht tegen haar indienen ter plaatse waar zulks behoort, d.i. bij den kerkelijken rechter.

Niet opeens bij den Hoogen Raad, maar eerst bij de Classis. Dan hooger op. En zoo eindelijk bij de Synode. 96

En nu moet iemand, komende tot den kerkelijken rechter, niet zeggen:

„Lieve rechter, ik kom beschuldiging inbrengen tegen uw Confessie; dus maak, bid ik u, een plaatsje voor mij naast u, dat ik met u als rechter ga zitten;" want dan zou men, onder menschen van gezonde zinnen, zeggen: „Vriendlief, uw onzinnige vraag toont, dat ge zelfs tot het instellen van een actie onbevoegd zijt!"

Neen maar, dan moet de kerkelijke overheid rechter zijn, de Confessie de aangeklaagde, de ontevreden broeder beschuldiger, en de Schrift regel van beslissing.

Weet nu ieder, dat volgens de onwrikbare rechtsbeginselen, die in het wezen van het recht zelf gegrond zijn, en dus altijd en bij alle recht gelden, de rechter de onschuld van den aangeklaagde moet beschermen, zoo tegenover het openbaar ministerie, als tegenover den particulieren aanklager, zoolang de schuld niet bewezen is, — dan volgt hieruit, dat ook de kerkelijke rechter in casu de Synode, de onschuld, d.i. de ongereptheid en zuiverheid der Confessie, te maintineeren heeft, tot tijd en wijle wettiglijk haar onzuiverheid zal zijn bewezen.

Een fiksch, doorzichtig, helder, en flink in elkaâr zittend stelsel dus, waar alzoo vierderlei in steekt.

1. De Confessie geldt voor zuiver, tot tijd en wijle haar onzuiverheid voor den rechter bewezen en door dien rechter erkend zij.

2. Wie haar van onzuiverheid beschuldigt, moet deze beschuldiging indienen bij den rechter, op risico van zijn eigen positie.

3. Als de Confessie aangeklaagd wordt, moet ze in den rechter een beschermer vinden, tot tijd en wijle ze in den rechtstrijd bezwijkt.

En 4. de aanklager kan geen rechter zijn.


Aldus is dit stelsel in 1607 in korte trekken saâmgevat door de patronen van het Gereformeerde standpunt, toen zij, op de tegenwerping: „Nochtans isset kennelijck, dat de Confessie en de Catechismus, bij menschen in onzen tijden te samen ghestelt niet en is van gelijcker waerde met Godes Woordt; ende moet daerom aen den Toetssteen van Godes Woord beproeft worden," antwoorden:

„Een ander dinck is ter proeve te stellen, een ander dinck in twijffel te trecken. Sij kan wel ter proeve ghestelt worden, al en wordt se niet in twijffel ghetroeken; 't welk nochtans nootsaeckelijck sal gheschieden door sulcke ontslaginghe van de verbintenisse, als dit advys mede brenght. Want die ghene die dese leere niet in twyffel en treckt, maer houdt se voor de waerheijdt, die en sal niet begeeren van de verbintenisse aen de selve leere ontslagen te worden: gelijck ter contrarien niemant en kan hem selven, ofte andere, daer van ontslaen, sonder de selven, in twijffel te trecken. Even-wel en wordt daerom de selve leere der 97 Nederlantscher Kercken niet te min ter proeve ghestelt, dewijl eenen yegelijcken vrij sal staen de selve tegen te spreecken, in 't ghene daer in hij meijnt datse den Woorde Godts contrarieert. Maer de quaestie is of se sal ter proeve ghestelt worden, gelijck sommige willen datse voor suspect gehouden werde, ende Rea sal zijn, sonder dat yemandt actionem teghen haer sal institueren, ofte dat de gene, die tot noch toe dese leere en de bekentenisse hebben ghepredickt, nu sullen moeten gaen institueren unanimiter actionem tegen den Catechismum ende Confessionem ten appetijte van eenighe, die 't zelve voorgheven. Wil yemandt de selve naerder geapprobeert ende ondersocht hebben nae den gront der H. Schrifture, dat hij zijn actionem instituere, dat hij van de Synode-Nationael Revisie versoecke; maer en laet de Confessie ende Catechesin niet reas maecken eerder Actores zijn diese beschuldigen" 1.

Voor wie geen Latijn kent voegen we hieraan toe, dat „actionem instituere" beteekent: bij den rechter aanklagen; dat „rea" zeggen wil: aangeklaagde, en dat „actores" zijn de beschuldigers.

*

En daartegenover nu stond het zonderling gevoelen der toenmalige en huidendaagsche „vrienden van de reklijkheid", gelijk een epigrammatist op Arminius de opheffers van „dezen rechtswaarborg voor de Confessie" placht te noemen.

Dit nu kwam hierop neêr.

Er is altijd studie. Studie van „wetenschappelijke" predikanten. Een „wetenschappelijke studie", die al voortgaande tot telkens nieuwe ontdekking komt van nieuwe onzuiverheden in wat de min-verlichte en min-wetenschappelijke vaderen eens beleden.

In een Synode nu komen deze „mannen van studie" saâm, en eer ze nu aan den verderen arbeid tijgen, nemen deze heeren dan de Confessie eens onder handen. Met eerbied, dat spreekt vanzelf. Ook plechtig. Maar onder handen dan toch. En als zaten ze in een „koninklijke academie van wetenschappen" of in een faculteits-vergadering, toetsen ze dan die Confessie eens aan wat zij van Gods Woord houden. Wat nu h. i. niet conform met de Schrift is, dat veranderen ze. Wat wel conform blijkt, blijft alvast weêr voor drie jaar. En na drie andere jaren komen de heeren dan weêr saâm, om te zien, of hun voortgezette studiën misschien weêr iets zuiverder aan de waarheid toe zijn gekomen, en dan wordt de Confessie weêr veranderd. En zoo gaat het voort, drie en dertig maal in één eeuw!

Daarmeê waagt men dan niets. Want wordt een door u voorgestelde 98 wijziging verworpen, welnu, dan belijdt gij voor de eerstkomende drie jaren de „substantie", en neemt er als protest tegen het per omnia 2, alvast uw wijziging toch maar bij.

En wat nog het prachtigste van de zaak is.

Deze heeren, die zelven al vooruit weten te zeggen, dat de Confessie zoo niet blijven kán, want dat ze gezuiverd moet worden, eischen dan dat ze zelven over die wijziging, als rechter, zullen meêstemmen.

Zelfs liet het geval zich dus denken, dat er niet één lid in de Synode zat, die bijv. artikel 16 nog als waarheid beleed of onder de Canones zijn naam wou zetten, en dan zou toch zulk een vergadering maar het recht moeten hebben, om de Confessie naar hartelust te revideeren!

*

En nu weten we uitnemend goed, dat men aan dit „zwevende" revisie- wezen, o, zulk een schoonen glimp kan geven. Dat men spreken kan van „den Heiligen Geest die in alle waarheid leidt," en van „Godes heilig Woord", waaraan allen toch zouden gebonden zijn. Dat men protesteeren kan tegen het denkbeeld van een kransje, daar men toch „beginnen zou met den gebede" en „met den heiligsten ernst" heel de zaak drijven zou. Ja, dat toch niemand stem in het kapittel zou krijgen, dan die met ons „het wezen en de hoofdzaak" der belijdenis vasthield.

Maar ronduit gezegd, snijdt dit alles voor den Gereformeerde geen hout. Och, als het op zúlke verzekeringen aan komt, geloof mij, dan, waren de Remonstranten nog vrijwat guller met gewilde phrases. En, ik ga verder en zeg, dat men de Remonstranten totaal miskennen zou, indien men onderstellen dorst, dat zij die schoone phrases ook maar een haar minder oprecht hadden gemeend dan de Irenische heeren thans.

Och, de Remonstranten waren naar den tegenwoordigen maatstaf gemeten, nog zóó overvroom en overorthodox, dat heel wat van wat thans voor orthodox versleten wordt, b.v. een Philippus à Limborch, stillekens als een hyperorthodox in den hoek zou zetten.

Neen waarlijk daarop komt het niet aan.

Die phrases toch zijn het gemeengoed van rechtzinnigen en van ketters beî.

Vraag maar eens wat in deze laatste twintig jaren al met die phrase van den Heiligen Geest die in „alle waarheid leidt" getooverd is.

Wie spreekt niet al van „Gods heilig Woord" al ziet hij er volstrekt 99 geen been in, om gelijk het aan de academiën toegaat, stuk na stuk in dat Woord zijn merk van echtheid teontnemen?

Wordt niet ook nog in den Amsterdamschen Gemeenteraad „gebeden?"

Is „heilige ernst" niet nog haast eer een moderne dan een orthodoxe phrase.

Ja, zijt ge zélf dat gehaspel over „wezen en hoofdzaak" en wat sesquipedalia verba 3 er meer zijn, nu dan toch heusch niet eindelijk met heel uw ziel zat?

En daarom van ieders „oprechtheid," van ieders „ernst," van ieders „bidden" blijven we af, en komen dood-nuchteren en uiterst bezadigd maar op den rechtswaarborg.

In een Synode moet gesproken en besloten.

Om nu elkaâr te kunnen verstaan, moet men dus uit die zwevende declamatiën afdalen tot bepaalde, verstaanbare begrippen en voor die begrippen scherp gekozen uitdrukkingen vinden.

En om dan te kunnen besluiten, moet ik natuurlijk precies weten, wie meê zal stemmen. Of óók de aanklager, of de aanklager niet?

Ja, om dan eindelijk aan die uitspraak iets te hebben, dien ik te weten, wat er nu verder, als die uitspraak er is, zal worden gedaan.

Welnu, dáárom en daarom alleen vat ik deze dingen wat praeciser en juister dan mijn tegenstanders op.

Ten slotte zullen we het wel eens worden.

Maar om tot eenheid te komen, moeten ook zij eerst doen, wat ik doe, en spreken zich tot in de kleinste bijzonderheid, helder en behoorlijk uit.

Dan eerst weet ik, en weten zij, wat we aan elkaâr hebben.




1 Trigland p. 359.

2 „In alles."

3 Groote woorden.




a Eerder gepubliceerd als ‘Revisie der Formulieren van eenigheid' IV, De Heraut No. 72 (27 april 1879).


V. De legende van een revisie „om de drie jaren."

a


Is het waar of niet waar, ziehier de vraag, waaraan we thans toe zijn, dat te Dordt besloten is, de Formulieren van eenigheid om de drie jaren aan revisie te onderwerpen?

Aan de hand der historie antwoorden we hierop: 1. te Dordt is desaangaande niets besloten; maar wel is 2. te Dordt een kerkorde aangenomen, waarin op zijn minst telken derden jare een Synode wierd geëischt; 3. is te Dordt „naar gewoonlijker wijze", more usitato, met de Confessie gehandeld; 4. heeft men te Dordt de Belijdenis door de Gereformeerde wereldkerk 100 laten confirmeeren; 5. heeft men te Dordt den ernstigen toeleg uitgesproken, om tot op Jezus' wederkomst bij de beleden leer te blijven; en 6. is te Dordt een officieele tekst voor de Belijdenis vastgesteld, en die Belijdenis geamplieerd.

Het eerste van deze zes punten is spoedig afgedaan.

Daartoe volsta de verklaring, dat desaangaande geen woord, geen syllabe, geen letter in de Acten of Post-acten voorkomt, en dat het desaangaande loopend gerucht niets is dan een puur verzinsel.

Voor het tweede punt verwijzen we naar art. 50 der Dordtsche kerkorde, aldus luidend: „De Nationale Synode zal ordinaarlijk alle drie jaren eens gehouden worden, ten ware dat er eenige dringende noodt ware, om den tijd korter te nemen."

Eene bepaling, die intusschen niet van de Synode van 1618 herkomstig is, maar slechts werd overgenomen van die van 1586 art. 44.

Maar breeder dient stilgestaan bij het derde punt: „het gewoonlijker wijze met de Confessie handelen" of op zijn Latijnsch: het „more usitato."

Gelijk namelijk bekend is, werd in de 144e zitting door de politieke gedelegeerden, in naam der Staten-Generaal verlangd, dat de Confessie „ex more in Synodis nationalibus usitato," ten overstaan van de uitheemsche theologen, vrijelijk zou worden onderzocht.

De woorden: „ex more in Synodis nationalibus usitato&3148;, beteekenen mïet, „gelijk dit op alle vroegere Synoden gebruikelijk was"; maar slechts dit: „op zulk een wijze als waarop men dit in Nationale Synoden placht te doen." Een klein, hoewel niet onbelangrijk verschil van opvatting.

Hier nu doen zich tal van vragen voor, die achtereenvolgens moeten afgehandeld, als: „Wat placht op vroegere Nationale Synoden te geschieden?"; „Wat eischten de voorstanders der revisie in strijd met vroegere usantie?"; „Hoe is deze onhebbelijke eisch weêrstaan?"; „En wat is te Dordt onder dezen hoofde geschied?"

De eerste dezer vier vragen is dusver nog het minste toegelicht en is toch het gewichtigst.

Daarom geef ik hierover nu reeds wat ik vond.

En dan stip ik nog slechts ten overvloede het overbekende aan, dat op de Antwerpsche Synode van 10 Juni 1565 besloten is in art. 1: „In den aenbeghinne van elcke Synode sal men voorlesinghe doen van de Belydenisse der kercken van dit land, so ter betuyghinghe onser eenheyt, als tot veranderinghe ende verbeteringhe so sulckx van noode waare."

Reeds Hooyer teekende hierbij zeer terecht aan, dat op geen enkele Hollandsche Synode ooit dergelijk besluit is genomen. Hij had er kunnen bijvoegen, „noch op eenige andere Waalsche"; en sterker nog, dat de 101 niet-overneming van deze zonderlinge bepaling in de latere kerkorden zeer duidelijk toont, dat al spoedig de onhoudbaarheid van zulk een bepaling werd ingezien.

Zulk een bepaling toch, hoe begrijpelijk en verstaanbaar ook vóór 1566, toen de Confessie nog niet onder Junius' en Saravia's auspiciën vastgesteld was, droeg een te onvast, te twijfelzuchtig en revolutionair karakter, om als duurzame uitdrukking te kunnen gelden van het Gereformeerde kerkrecht.

Deze bepaling is buitendien niet in een „nationale," maar in een kleine, ongeregelde Synode van eenige Antwerpsche kruiskerken gemaakt; voor de kerken niet „van deze landen," maar „van dit land" (de ce pays) d.i. van Antwerpen, en alzoo zonder eenige bindende beteekenis voor de kerken der Noordelijke gewesten.

Insteê met door de verwijzing naar deze bepaling iets te winnen, verliezen de voorstanders der „vaste revisie" er dus zeer aanmerkelijk terrein mede, daar het verder wegvallen er van, in alle volgende acten, met een veroordeeling van haar inhoud, tamelijk wel gelijk staat.

De zaak waarop men doelt, is dan ook geheel iets anders, en ziet op de godvruchtige gewoonte van onze vaderen, om aan hun Synodale samenkomsten een geestelijk karakter te geven. Gelijk nog in onze eeuw de gemeente aan den Heiligen Disch en bij haar samenkomsten in het huis des gebeds, de „twaalf artikelen des algemeenen geloofs" placht te belijden als daad van bekentenis, — zoo ook waren de Synoden gewoon zich op geestelijken grondslag te plaatsen, door, eer ze haar werkzaamheden aanvingen, de geloofsartikelen nogmaals saâm te belijden. En kwam het nu voor, dat de gedeputeerden bedenkingen tegen de Belijdenis in hun lastbrieven hadden, dan moesten die natuurlijk bij die lezing worden ingediend, zou de acte van praelectuur geen huichelachtige daad zijn.

Doel der voorlezing was dus oudtijds niet revisie, ook niet confirmatie òf revisie, maar zeer beslist „confirmatie alleen", en slechts zeer secundair het bieden van gelegenheid, om mogelijke gravamina in te dienen.

Dit blijkt voor de Fransche kerken uit een schrijven van de Fransche Synode van 1603 aan de Hollandsche Synode van 23 Oct. 1603 (nog voorhanden in het. Syn. Archief, VI, Nº. 1), waar we lezen:

„We zenden u hierbij een afdruk van onze confessie, die we gewoon zijn in onze nationale Synoden, „als nieuwe daad van bekentenisse" telkens weêr voor te lezen, en die we dus ook op deze Synode weêr opnieuw bevestigd hebben met aller volmondige instemming; nu zelfs met bijvoeging van een artikel, waarin met zoovele woorden als stuk van kerkelijke belijdenis beleden wordt, dat de Paus is de Antichrist."

De Latijnsche uitdrukkingen zijn:

„Quam ut in singulis Synodis relegimus et profitemur, ita in hac ecclesiarum nostrarum 102 Synodo confirmavimus rursus et ratam habuimus omnium nostrorum nomine; addito quoque atque inserto nunc primum articulo de anti-Christo."

Maar blijkt beter nog uit deze breedvoerige mededeeling in het bekende Teghenvertoogh der Contra-Remonstranten, p. 97. vv.

„De Remonstranten willen dat dese Schriften op sodanighe wyse sullen gherevideert worden, dat men niet en sal sien, wat te voren gheleert is gheweest, maer wat men voortaen sal leeren, dat de ghene die yet soude mogen voorstellen tegen de aengenomene leere, selve over dese hare voorstellinghen sullen moghen oordeelen: het welcke strijt niet alleen teghen alle recht ende billyckheydt, dat yemant in zijne eyghene saecke sal oordeelen, ofte aenclagher ende rechter te samen zijn, maer oock tegen het gebruik der Apostolische Kercke, in welcke der propheten twee ofte dry spraken, ende de andere oordeelden: Ende de geesten der propheten waren den propheten onderworpen. 1 Cor. 14, 29, 32. Hiertegen seggen wy dat de revisie behoort te gheschieden na gewoonlycke wyse, ghelyck uytdruckelyck gheresolveert is in de voornoemde Synode van Gorinchem. De ghewoonlycke wyse, die in voortyden in de Synoden-Nationael ghebruyckelyk is gheweest, in het revideren van de confessie, was dese. Als de Synodus was geseten, heeft men altydt eerst aenghevanghen te handelen van de leere, men heeft de confessie opghelesen van artyckel tot artyckel, ende nae het lesen van elcke artyckel heeft men omgevraecht, of in eenighe provincie in dien artyckel eenighe swaricheydt by yemant sonde mogen ghemaekt worden. Indien daer niemandt hem en openbaerde, soo heeft men dien artyckel gehouden als van alle kercken voor schriftmatigh, erkent, ende is voortgheghaen tot de andere op ghelycker wyse. Soo daer yemandt verschene, die yet sonde moghen hebben tegend' een of d'ander artyckel, men heeft hem ghehoort, wat hy daer teghen hadde, ende syne redenen afgheeyscht, de welcke volcomenlyck voorghestelt zynde, hebben de andere broeders in de Synode vergadert zynde, dese redenen in de vreese des Heeren, nae Gods woort rypelyck gheëxamineert, ende oordeel daer over uitgesproken. So men syne redenen soude bevinden in Godts woordt ghegrondet, men soude veranderen den artyckel, die te vooren qualyk stonde. Indien se daer teghen soude worden gheoordeelt onghefondeert, men sonde den artyckel laten blyven, ghelyck se te vooren wel ghestelt was. Tegen dese gewoonlicke wyse van revideren en hebben wy ganschelyck niet, maar houden, dat dit behoort het allereerste ende voornaemste werck te wesen des Synodi Nationalis. Soo dattet dan een mercklycke calumnie is, als de Remonstranten seggen, dat wy dese schriften nijet en willen gherevideert hebben ende noch grooter, alse daerby seggen, dat wy daerom sulcks niet en willen, omdat wy dese schriften souden stellen neffens Gods H. woort."

Hierbij lette men nu wel op, dat er geen sprake is van de private opinie der Synodale heeren, maar van hun last als gedeputeerden. Er staat toch: „heeft men omgevraagd of in eenighe provincie in dien artyckel eenighe swaricheydt by yemant soude moghen ghemaeckt worden."

Het woord „revideeren" in dit belangrijk stuk is natuurlijk in terugslag op de pretentie der Remonstranten gebezigd, en beperkt door de bijvoeging: „soodanigh revideeren." Een ander „revideeren," een „revideeren" gelijk de voorstanders der „Revisie" het bedoelden, wilden zij dus niet.

En evenzoo blijkt deze gewoonte ten opzichte der Hollandsche kerken uit het rapport door de Synode-Nationael van 1619 aan H. Hoogmogende Heeren Staten-Generaal gezonden, dat in originali met de onderteekeningen 103 van Bogerman, Faukelius, Rolandus, Hommius en Damman, nog in het Rijksarchief aanwezig is, en aldus luidt:

„Alsoo, de Hooch Mogende Heeren Staten-Generael van de Vereenichde Nederlanden, door de Welgeborene ende Edele Heeren hare Gecommitteerde op de Synode-Nationael binnen Dordrecht, de Synode hebben voorgestelt, harer Hooch Mog. wille ende believen te zyn, dat de voorz. Synode, volgens de ordre in de Synoden-Nationael gebruycklyck, de confessie deser Nederlandscher kercken ende de Heydelbergsche catechismum in deselve aengenomen, naerstelyck sonde willen oversien, ende deselve na den regel van Gods Heyligh woort getoetst ende ondersocht hebbende, verclaren, off in de hooftstucken der leere in de voorsz. confessie ende catechismo begrepen yet sonde zyn, dat den woorde Godts niet en soude conform wesen, ende oversulcks nootelyck soude moeten verandert worden, syn tot dien eynde de voorz. schriften opentlyck in de Synode voorgelesen, ende alle leden des synodi vermaent ende gebeden, so wel de uytheemsche theologen, als de inlandsche gedeputeerde predicanten ende ouderlinghen, dat sy overslaende de poincten die van de regeeringe der kercke handelen alle de andere hooftstucken der leere, so veel derzelve substantie aengaet rypelyck ende scherpelyck souden willen ondersoecken, ende daerna rondelyck ende vryelyck verclaren, off sy yet in deselve schriften souden moghen gevonden ofte waergenomen hebben, dat sy verstaen souden met den woorde Godts niet overeen te comen.

„Nadat deze saecke in des Heeren vrese rypelyck was bedacht ende overwoghen, hebben alle de collegien, so wel van de uytheemsche theologen, als van de inlandsche gedeputeerde professoren, predicanten ende ouderlinghen eendrachtelyck ende eenstemmelyck verclaert, dat sy bevonden hebben ende verstaen dat alle de hooftstucken der voorsz. leere in Godes heyligh woort gegrondet zyn, met hetselve overeencomen, ende dat by haer in de voorsz. schriften niet een poinct der leere en is gevonden, dat teghen de waerheyt in Godts woord geopenbaert soude stryden, ende oversulcks verandert sonde behooren te worden, maer dat in de voorsz. schriften de somma ende gronden van de ware salichmakende leere schriftmatelyck, grondelyck ende zeer bequamelyck begrepen ende verclaert worden; dat ook de voorsz. schriften overeen comen met de belydenissen van alle de ware gereformeerde kercken, die in dese tyden de suyverheyt der evangelische leere belyden, ende dat daeromme de voorsz. leere in de gereformeerde kercken van Nederlandt behoort onverandert ende ongeschent behouden ende den nacomelingen overgelevert te worden. Waertoe beyde so de uytheemsche theologen, als insonderheyt de gedeputeerde der Nederlandsche kercken de Hooch Mogende Heeren Staten Generael der Vereenichde Nederlanden als ware voedsterheeren derselve kercken gansch dienstelyck ende oock zeer onderdanichlyck versoecken ende bidden, dat hare Hooch Mogende gelieve dese rechtsinnige leere in de voorseyde confessie ende catechismo begrepen, met hare autoriteyt so langher so meer in hare landen te handthaven, voortplanten, bevestighen ende beschermen, ende niet te gedooghen, dat in deselve leere eenighe inbreuck ofte vervalschinge gedaen en worde, noch dat eenighe andere leere in de publycke kercken harer landen sonde geleert ofte gedreven worden."

Over het ten deele exceptioneel karakter van wat te Dordt in 1619 blijkens dit stuk plaats had kan eerst later gehandeld.

Om den lezer den weg te wijzen tot recht verstand van dit stuk, verwijzen we voorshands naar een ander stuk, insgelijks door denzelfden Bogerman, Hommius, Faukelius en Damman onderteekend, t.w. de eerlang in ons Feuilleton volledig meê te deelen remonstrantie der toenmalige Gereformeerde Commissie van advies aan de Staten, en waaruit we nu slechts deze twee zinsneden aan het publiek voorleggen: 104


1. een protest tegen het denkbeeld en tegen het woord van „revisie."

Er was hun tegengeworpen:

„Dat hem niemant over deselve clausule en hebben te beswaren, diewijl revisie so wel confirmatie als correctie veroorsaect."

En hierop nu luidde hun antwoord:

„Daer op is de antwoorde,dat even daeromme alle vrome liefhebbers der waerheyt met rechte haer over sulcke clausule beswaren, diewijl revisie so wel het eene beteeckent als het andere, ende oversulcx met dit woort van revisie (als 't al ten besten genomen sal worden) ten minsten in twijfel gestelt wort of se gecorrigeert sal worden. Is de meyninge, dat de revisie sal strecken tot confirmatie, waeromme en gebruyct men dan niet liever dat woort confirmatie, daeraen hem niemant en sal stooten, als het woort „revisie" daer alle kercken hen aen stooten. Men weet immers wel hoe dat woordeken van „revisie" ordinaerlijck in de practijcke verstaen wort ende dat niemant revisie en versoeckt, dan die hem beclaegt van onrechte sententie, ende tot geenen anderen eynde, dan opdat deselve sententie soude mogen gecorrigeert worden; sodat byaldien daer confirmatie van de voorgaande sententie nae volgt, sulcx dat eenemael buyten ende tegen de meyninge ende hope des klagende geschiet; so en kan oock den Synodi Nationael niet opgeleydt worden revisie te doen van de bekentenisse der kercken ende van den catechismo, voor ende aleer iemant hem daertegen openbaerlyck opposeert, oft daermede moet de waerheydt derselver by de kercke selve in twyfel getrocken worden.

„Nu isset wel waer, datter (Godt beters) niet dan te veele in den landen syn, die aen de waerheyt derselver confessie twyfelen, maer de vrage is of de kercken daeromme sulcke wtschryvinge sullen toestaen, daermede deselve publycklyck, door autoriteyt der hooge overigheyt ende door de eigene beweginge der kercken, sonder openbare ende wettelycke tegensprake van buyten in twyfel wort getrocken voor ende aleer, dat denselven kercken eenighe redenen blycken, waeromme men te rechte aen de waerheyt derselve soude mogen twijfelen."

En 2. een hoogst merkwaardige verklaring over hetgeen vroeger op de Nationale Synode voorviel:

„Ende alhoewel dat sulc herlesen ende oversien in eenighe voorgaende Synoden-nationael deser landen geschiet is, so is het nochtans onseker, of het in allen geschiet is, oftschoon in eenige geschiet is, so isset geschiet ten aensien van de verbeteringe der druckfauten ende niet der leere."

Dit stuk vindt men in het Synodaal Archief VI. 1 nº. 20.

En let er nu wel op, dat dit stuk door al de hoofden der Dordtsche Synode onderteekend is, en wat nog meer, afdoet ook door Wernerus Helmichius, die zelf op de laatstvoorgaande Synode-Nationaal van 1586 als scriba was opgetreden, en dus een volkomen bevoegd getuige was, om te berichten, wat op die vroegere Synode was geschied.

Ook staat er de handteekening onder van Ds. Henricus Brandt van Zierikzee, die insgelijks als vroeger lid van de Synode van 1586 de waarheid van Helmichius' getuigenis bevestigen kon. En, wat nóg sterker spreekt, die van Jonnnes Fontanus van Arnhem, die de Synode van 1581 te Middelburg bijwoonde. En zelfs, wat de zaak nóg gewichtiger maakt, die 105 van Ds. Joaunes Leo van Zalt-Bommel, die op de Synode-Nationaal van 1578 was verschenen.

Houdt men nu in het oog, dat er slechts vier publieke Synoden-Nationaal hier te lande gehouden zijn (behalve nog die van Emden in 1571 en het voorloopig Convent van Wezel in 1568), t.w.:

de Synode van Dordrecht in 1578;

de Synode van Middelburg in 1581;

de Synode van 's-Gravenhage in 1586;

en de Synode van Dordrecht in 1618.

Alsmede, dat we in Helmichius en Brandt zegslieden hebben voor de eerste, in Fontanus voor de tweede en in Leo voor de derde Synode die aan „Dordt 1618" voorafging, en dat deze heeren alzoo voor alle voorafgaande Synoden-Nationaal die hier te lande gehouden zijn, wettig en stellig getuigenis afleggen, dat:

1. het woord „revisie" aan de kerken altijd zeer gehaat is geweest;

2. dat alle vrome liefhebbers der waarheid er zich aan stootten;

en 3. dat er op die voorafgaande Synoden slechts sprake was van verandering van drukfouten.

Mij dunkt dan is hiermeê de zaak in quaestie eigenlijk reeds voldingend uitgemaakt, en dan zinken de voorstanders „der revisie," althans wat het oud gebruik aangaat, erger dan ik oorspronkelijk zelf dacht, voor schakel.




a Eerder gepubliceerd als ‘Revisie der Formulieren van eenigheid' V, De Heraut No. 73 (4 mei 1879).


VI. Historie der revisie van 1586-1618.

a


Nu ons gebleken is, dat op alle in Holland gehouden Nationale Synoden, die aan Dordt voorafgingen, van revisie geen sprake was; dat het woord „revisie" zelfs als aan „alle vrome liefhebbers der waarheid" aanstootelijk gold, en er eertijds niets anders plaats greep dan a. oplezing der Confessie om ze te confirmeeren, b. gelegenheid aanbieden tot het indienen van gravamina der deputaten van de Provinciale Synoden, en c. verbetering van eenige drukfouten; en we alzoo nu weten wat onder revisie „ex more usitato" d.i. „naar gebruikelijke wijze" niet, en wat er wel onder te verstaan zij, moet thans onderzocht: wat tusschen 1586 en 1618, d.w.z. in het tijdperk tusschen de laatstgehouden Nationale Synode en de Dordtsche Nationale van 1618 over de revisie-quaestie voorviel.

Gemeenlijk stelt men zich de zaak zoo voor alsof tot op 1605 alles in 106 deze landen in stille ruste op kerkelijk gebied verkeerde en alsof eerst door Arminius' disputatiën het denkbeeld om een Synode-Nationaal te houden en tegelijk daarmeê de noodzakelijkheid van „revisie" der Formulieren op het tapijt ware gekomen.

Niets is intusschen minder waar.

Reeds in 1588 heeft de classis van Amsterdam ingevolge den last van de Nationale Synode van 1586 pogingen aangewend, om in 1589 de gewone driejaarlijksche Nationale Synode te doen saâmkomen, en van 1588 tot in het jaar 1605 is er geen zomer voorbijgegaan, dat niet door bijna alle Provinciale Synoden sterke aandrang op de Generale Staten eerst, en sedert 1602 op de Provinciale Staten, is uitgeoefend, om een Synode-Nationaal bijeen te doen komen.

Van 1588 tot 1598 ijverde men daarvoor alleen met het oog op de bepaling der kerkorde van 1586, en alzoo voor de hoogheid der kerkelijke wet; maar sedert dat jaar begon men geheel andere motieven bij te brengen, wijzende op het afscheuren van particuliere kerken, op het slagen der Jezuïetische propaganda, het opkomen van Arianen enz. (Zie Acte Syn. Dordr. ai. 1598. Art. l).

„Als dat men daegelyckx siet verscheyde particuliere kercken haer van de gemeyne kercken afscheuren, in verscheyde provincien nieuwe kercken-ordeningen op haer eygen handt ingevoert, ende voornamentlyck in de veroverde provincien alsulcken ellendigen staet sigh laet blycken, dat hen alle vromen dies grootelyckx beclagen: sulckx dat hier in tijdts in alle gemeyne niet en wierde voorsien, de gemeynte Godts niet alleene geschapen is een onverbeterlycke schaede te lyden, maer oock een oorsake soude wesen, dat de jesuiten, ende alle andere ketters, jae oock die Arianen selve (soo alreede d'ervarentheyt leert) langs hoe meer inbreken sullen."

Doch reeds destijds was de wedijver tusschen kerkmacht en Statenmacht derwijs welig opgeschoten, dat de kerkelijke wetten van 1591 als verweermiddel tegen de kerkorde van 1586 waren overgesteld, en wat meer nog zegt, het plan om de Calvinistische leer in deze landen voor de Remonstrantsche te doen plaats maken, bij Oldenbarnevelt en zijn complicen reeds tot rijpheid was gekomen. Immers reeds in 1597 had Oldenbarnevelt zeer stelliglijk uitgesproken, dat er geen Synode-Nationaal bijeen zou komen, of het moest dan zijn met den uitdrukkelijken last om de Formulieren van eenigheid om te gieten naar het door hem geliefde model (Cf. Trigland, p. 350b en Uytenbogaart, p. 329a).

Halsstarrig en hardnekkig bleef men dan ook het consent voor de Nationale Synode weigeren en openbaarde maar alte merkbaar den toeleg, om eerst de Academie Remonstrantsch te maken, daardoor het corps predikanten 107 van het Calvinisme af te trekken, en, ware door die mutatie eenmaal uitzicht op een Remonstrantsche Synode geopend, alsdan die Synode met de clausule van resumtie der Belijdenis toe te staan.

Vooral had men daarbij zijn hoop op den vèrreikenden invloed vanhet machtige Holland gevestigd, gesteund door Utrecht, en naar men vertrouwen mocht, welhaast ook door Overijsel. Maar overmits toch ook zoo de kans nog hachelijk kon staan, verzon de Remonstranfische fractie er nog de dubbele nieuwigheid bij, 1. dat Holland een dubbel getal leden zou afvaardigen, die dan niet collegiaal maar hoofdelijk zouden stemmen, en 2. dat de stedelijke besturen de Calvinistische predikanten, desnoods door afzetting zouden uitzuiveren gelijk dan ook te Leiden, Rotterdam en elders geschied is.

Eerst door dien achtergrond nu verkreeg het optreden van Arminius de uiterst gewichtige beteekenis, die er plotseling door voor- en tegenstanders aan werd toegeschreven, en die op eenmaal alle kerken van ons goede land in opschudding en beroering bracht.

Er was oud ijs, en op dat oude ijs vroor het met ongelooflijke snelheid in een enkelen nacht duimdik aan.

Over en weêr kreeg men besef, dat men door veel langer te talmen terrein verliezen zou, en dit maakte dat in 1605 èn bij de Staten èn bij de kerkelijken metterdaad genegenheid bestond, om voetstoots de Synode saâm te roepen.

Oldenbarnevelt bleek daartoe niet ongenegen, wijl hij kans meende te hebben, op een hem gunstigen afloop, dien hij voornemens was bovenal door Staatsinmenging, naar zijn zin te dwingen, en de kerkelijken drongen er even sterk op aan, wijl ze vreesden dat langer talmen heel het kerkverband zou doen springen en ze zich bovendien door Frieslands zeer beslisten steun tegen overrompeling veilig achtten.

En zoo kwam het er dan toe, dat metterdaad den 30sten November 1605 door Oldenbarnevelt aan de Synodale deputaten verklaard werd: „dat de Staten-Generaal tot het verleenen van consent bereid waren, mits in dat consent de uitdrukkelijke bepaling werd opgenomen, „dat de Belijdenis en de Catechismus zou worden geresumeerd." Niet van de Synode, maar van de Staten van Holland was deze restrictie uitgegaan, die ten deele ook door de Staten van Utrecht gesteund werd, en waartegenover het krast en meest beslist de Staten van Friesland stonden, die bij geheime instructie (nóg in het synodaal archief aanwezig) aan hun gedelegeerde zelfs in last gaven, ten slotte alle onderhandeling af te breken, indien ondanks hun protest tot doorzetten van de resumtie mocht worden besloten.

*

108 Hoogst opmerkelijk is het bovendien, dat in al de desbetreffende stukken tot op het jaar 1605 nog steeds van resumtie, en nog nimmer van revisie, wordt gesproken. Toch is het verschil verre van gering. „Resumeeren" toch beteekent in den stijl dier dagen, een stuk dat slechts voorloopig aangenomen wierd, nogmaals aan zeer ernstig onderzoek onderwerpen, eer het definitief wordt voorgesteld. Terwijl „revideeren" daarentegen op een nooit afgedanen arbeid duidt, en doelt op een telkens weêr toetsen; vooral waar het gelijk door de Remonstranten van toen en nu, genomen wordt in den zin van „vaste revisie."

Maar zelfs in dien getemperden zin gaf de clausule van „resumtie der formulieren" aan de kerken Christi in deze landen dadelijk aanstoot, en de gedeputeerden van de zij der kerk dienden dan ook aanstonds hun remonstrantie in, om den Staten te verzoeken dat deze aanstootelijke woorden toch uit de brieven van consent mochten worden uitgelaten.

Niet alsof men weigeren zou, wettig ingekomene gravamina langs kerkelijken weg, met allen ernst aan den Woorde dods te toetsen. Maar men kon niet gedoogen, dat door zulk een clausule de indruk zou gewekt worden, als stond de Belijdenis en dus met haar de kerk, op een altijd kruiend oeverzand. De Formulieren mochten niet aldus op losse schroeven gezet. En toch, laschte men zulk een clausule in, dan ware alle vastheid betwijfeld.

Oldenbarnevelt week voor dezen tegenstand niet, maar zocht de kerkelijken met fraaie woorden te paaien. Hij antwoordde:

Belangende de restrictie van het resumeren der Nederlandtsche confessie, alsoo deselve van eenige provincie ghestelt was, dat deselve, sonder prejudicie der selver provincie, niet en konde nagelaten worden; dat resumtie niet altoos mede en bracht veranderinghe, maer oock wel bevestiginge. Dat de heeren Staten de clausule alsoo niet en verstonden, ghelyck of aen de waerheydt der leere in de confessie begrepen enichsins ghetwyffelt werde of ghetwyffelt behoorde te worden, ofte datter van noode soudee syn eenighe verbeteringhe. Geensins. Ende dat daerom in de clausule gheen groote swaricheydt te maecken ware."

Zelfs dorst bij nog zoo weinig met het plan van vrije revisie voor den dag komen, dat hij zelf toegaf, alleen als gravamina door het kanaal der Provinciale Synode de bedenkingen te laten inkomen.

Want (seyde hy) indien de selve (nam. revisie] van geene kercken onder de gravamina uytgheschreven mochte werden, dat men alsdan by de provincie, die de selve clausule ghestelt hadde, soude bequamelyck arbeyden konnen, dat zy wilden verstaen tot nalatinghe van deselve, het welcke dan lichtelyck soude konnen geschieden. Indien by eenighe kercken dit gravamen inghebracht wierde, dat alsdan alle swaricheydt daermede wegh ghenonen ware, ende dat men daerom seer wel soude doen, ende de saeck van 't houden des Synodi nationalis, op de resolutie soo deselve ghegheven was, in den name des Heeren aenvanghen, ende in alle manieren bevorderen." 109

Maar, en hier knelde de wreef, hij zou toch zoo vrij zijn één beding te maken, dat tegen alle kerkelijke usantie inging, t.w.: dat de gravamina eerst zouden worden ingezonden aan de Staten.

Ende wat belanght de vordere beleydinge der saecke, dat de Staten-Generael verstonden, dat de gravamina der kercken, waerover het Synodus sal ghehouden worden, den heeren Staten-Generael eerst sullen moeten werden geëxhibeert, al eer se aen allen kercken uytgheschreven worden. Ende aengaende uytschrijvinge des Synodi nationalis dat de heeren Staten-Generael verstonden, dat deselve soude behooren te geschieden van de H.H. Staten-Generael, als voedsterheeren ende voorstanders der kercken in dese landen. Doch dat dit niet en ware een volkomen resolutie der heeren Staten voorsz., overmits eenige provinciën absent waren, die hierover niet en waren ghehoort, opdat alsoo 't aenstaende Synodus met meerder vrucht mochte ghehouden worden."

Men ziet ook hier weêr, hoe uitgeslapen de Advocaat was.

Op alles gaf hij toe, maar wat „de beleidinge der saecke" aanging hield hij zelf het heft in handen; en wat men met „die beleidinghe der saecke" alzoo tooveren kou, zou al spoedig te 's-Hage, eerst in het praeparatoire convent en daarna in de Staten blijken.

*

Den 15den Maart 1606 daaraanvolgende is op grond dezer nadere explicaties dan ook werkelijk het consent voor een Synode-Nationaal verleend, maar nu met inlassching niet van de clausule van resumtie, maar van de clausule van revisie, en wel, wat Oldenbarnevelt er dieflijk inslook, oock van den Catechismus. Er staat toch letterlijk:

„Ten eynde de voorsz. Synodus nationael, met revisie van de confessie ende catechismus der voom kereken, mitsgaders de kercken-ordeningh in deselve tot noch toe ghepleeght, gelyck men tot allen tyden in soodanighe vergaderingen gewoonlyck is gheweest te doen, in den name ende vreese des Heeren, der maten aengheleght ende gehouden werde, dat de ghewenschte vruchten daar uyt moghen volgen, namelyck bevestigingh ende voortplantinghe van de waerheit Godts, onderhoudinghe van goede ruste ende vrede in Godes huys, mitsgaders bevorderingh van de ware Godsalicheyt onder der voorsz. landen ingesetenen; alles nae den regel ende voorschrift van Gods H. woordt, tot zyner eeren, ende welstant der landen ende kercken."

Dit zette kwaad bloed. Zoo zelfs dat de Zuidhollandsche Synode, waarop Oldenbarnevelt nog het vast meende te kunnen bouwen, er op aandrong, dat de Staten alsnog op deze ongelukkige clausule zouden terugkomen. Tegen een „herzien en overwegen" van de belijdenis, op zulk een wijs en in zoodanige manier als dit meer gebruikelijk was, had men op zichzelf niet tegen, maar „revisie" was een hard, onbekwaam en kwetsend woord, dat zeer goed „versoet en door andere bequame en minst quetselycke woorden" kon vervangen worden. 110

„Dat deselve gelieven wille de woorden, Revisie der confessie ende des catechismi (alhoewel dat de kercken verstaen, dat in den Synodo Generali, de confessie nae ghewoonlycke wyse behoort hersien ende overwogen te worden) te versoeten, ende andere bequame ende minst quetselycke woorden, in de acte of brieven van uytschryvinge des Generalen Synodi, aen alle kercken in de respective provincien te stellen, om den wederspreeckeren geen oorsaecke van novatie, als of men aen de leere selfs twijffelde, noch oock den swacken eenich nadenken of argernisse dien aengaende te geven."

En zoo sprak een Synode, die nog wel Uytenboogaert in de Commissie benoemde, wier mandaat zou zijn, de samenkomst der Nationale Synode voor te bereiden.

*

Deze Commissie opende hare vergadering te 's-Gravenhage den 22sten Mei 1607, en ontving van Oldenbarnevelt een lijst van acht schriftelijke vragen, waarop ze zou te dienen hebben van consideratie en advies.

In den boezem dezer vergadering echter was men niet eenstemmig en kwamen dus de twee reeksen van denkbeelden, die zich van lieverleê over de revisie-quaestie gevormd hadden, al spoedig scherp tegenover elkaâr te staan.

Van Remonstrantsche zij waren Arminius en Uytenboogaert met Bootius en Janssen aanwezig, terwijl alle overige leden, dertien in aantal, de zij der Contra-Remonstranten kozen.

Het is daarom van het uiterste gewicht, om de denkbeelden, zooals ze in den boezem dezer Commissie tegenover elkaâr stonden, wel te vatten, omdat ons hierin, beter dan in eenig ander stuk, de zekerste maatstaf is geboden, om de Remonstrantsche en Gereformeerde denkbeelden over revisie uiteen te warren.

Immers mocht dan van achteren blijken, dat ook de Irenischen van onze dagen, in hoofdzaak dezelfde eischen en bedingen stelden, waarmeê de Remonstranten in 1607 voor den dag kwamen, dan is hiermeê uitgemaakt en voldingend bewezen, dat wij slechts een eereplicht jegens de historie van onze kerk vervullen, zoo dikwijls we tegen de Irenischen op dit stuk in verzet komen.

De twee vragen van Oldenbarnevelts lijstje, waarop het voor ons aankomt, waren: 1. Of de leden der Synode niet van hun verbintenis aan de Formulieren van eenigheid, voor zoo lang de Synode zit, behoorden ontslagen te worden? en 2. Of de beschrijvingsbrief al dan niet van revisie zou reppen? En op deze beide vragen nu is èn door de vier Remonstranten èn door de dertien Gereformeerden een separaat advies ingediend, dat overwaard is door ons publiek herlezen te worden.

De Gereformeerden antwoordden, wat de eerste vraag betreft: a. dat 111 het oordeel der Synode alleen op Gods Woord zal mogen steunen; b. dat elk lid gebonden blijft aan de Formulieren, behoudens zijn recht om gravamina of dubia in te dienen; en c. dat hij zich aan het eindoordeel van de Synode onderwerpe.

„De predikanten, die op den aenstaenden Synodum, met last van hare Kercken, verschynen, sullen over alle swaricheden de leere aengaende, die, teghen den catechismum ofte confessie der Nederlantsche kercken, souden mogen voortghebracht worden, alleen uyt Godes woort uytspraecke doen, sonder op yet anders als op Godts woordt, so veele het oordeel over de swaricheden der leere aengaet, acht te nemen. Het sal oock een yegelyck, die op den Synodum verschynen sal, ende eenige swaricheyt op de leere heeft, vry staen, syne, ofte der Kercken daervan hy wort gesonden, meyninge voort te brengen; mits dat hy in alle saecken, de leere ende kercken-ordeninge aengaende, hem den oordeel des voornoemden Synodi onderwerpe; ende dat alle 't gene van den Synodo in 't gemeyn, ofte by de meeste stemmen besloten wort, voor een eyndelycke ende definitive sententie sal gehouden worden."

Waartegenover de Remonstranten staande hielden: a. dat de leden der Synode van den band der Formulieren zouden ontslagen zijn; b. dat revisie moest verordend; en c. dat de classen en niet de synodale leden definitief zouden beslissen.

En op de tweede vraag verstonden de Gereformeerden: a. dat de clausule van revisie dient weggelaten; b. dat een min kwetsende uitdrukking dan die van „revisie" mocht gebezigd worden; en c. dat een „overlezen der Confessie mag, maar niet moet plaats hebben, indien de Synode dit noodig oordeelt.

Terwijl de Remonstranten staande hielden: a. dat revisie behoort te geschieden; b. dat de ergernis genomen, niet gegeven is; en c. dat „insonderheyt in dezen tyt" revisie niet kan, noch mag worden afgewezen.

Voorts zij hierbij nog opgemerkt, dat zelfs Arminius toegaf, dat men, welbezien, eigenlijk elk recht tot revisie van den Catechismus, waarover men als van Heidelbergschen oorsprong, elk zeggenschap dierf, miste; maar dat de leepe vos hieruit de niet onaardige conclusie trok, dat men derhalve het best deed, met den Heidelberger maar geheel af te schaffen, en een nationalen catechismus, dien men dan wel revideeren kon, in te voeren:

„D. Arminius, dese resolutie der vergaderinge tegensprekende, seyde wel te verstaen dat de revisie des catechismi ons werck niet en was, dewyl deselve catechismus van ons niet en was ghestelt, maer van andere. Dat evenwel te bedenken stont, of wy niet sulck eenen catechismum en behooren te hebben, die de onse ware, dat is, van wegen den Nederlandschen kercken, ende met hare gemeene toestemminge ghestelt, om by deselve Nederlantsche kercken, des noot zynde, wederom verandert te mogen werden."

Hiermeê was het geschil in quaestie dus tot zijn juiste afmetingen herleid. 112

De Gereformeerden stonden pal voor het dusver beledene, voor de vastheid der Belijdenis, voor de Schriftmatigheid van het geloof, waarin de martelaren gestorven waren; en konden noch wilden daarom iets anders toegeven, dan dat de Confessie aan den Woorde Gods examinabel zou blijven, zoo dikwijls langs kerkelijken weg en onder behoorlijken rechtswaarborg een aanklacht tegen haar mocht worden ingediend.

Terwijl omgekeerd de Remonstranten het er op toelegden om den Calvinistischen hoofdtrek van onze Belijdenis, gelijk die in het stuk der verkiezing ligt uitgesproken, te verzachten, te wijzigen, om te zetten en te vervangen door de leer der „algemeene" niet „particuliere" genade. En om dit doel te bereiken maakten ze de banden der Confessie los; wilden dat in de Synode ook dezulken zitting zouden hebben, die de Formulieren niet teekenen wilden; dat voorts revisie verplicht zou worden gesteld; en dat eindelijk een afwijzend oordeel der Synode hen nog niet schaakmat zou zetten.

Het was er hier dus maar om te doen, om te zorgen, dat ze niet door de Gereformeerden overstemd worden. Een doel waarvoor Oldenbarnevelt bovendien nog deze drie huismiddeltjes had uitgedacht: 1. dat Holland een dubbeltal leden zou deputeeren; 2. dat men hoofdelijk stemmen zou; en 3. dat provinciaal zou beslist worden of de besluiten der Synode zouden doorgaan.

Omgekeerd was het den Gereformeerden er maar om te doen: dat het Calvinisme niet ter poorte onzer kerk werd uitgewezen. Vandaar dat ze, gelijk ons later blijken zal, toen door Maurits' optreden alle vrees voor overrompeling geweken was, op het stuk van revisie veel rekkelijker werden en uitdrukkingen bezigden, die hun vroeger niet licht zouden ontsnapt zijn.

En dat is natuurlijk.

Want dit vergete toch niemand, men voert heusch zulk een strijd niet voor een formeele rechtsquaestie van revisie, maar alleen voor de waarheid van zijn levensopvatting, en naar gelang die gevaar loopt of veilig is, houdt men zich strak of geeft men toe.

En dat de Remonstrant hierin evenzoo dacht, blijkt wel het sterkst uit een stuk, dat nog over is en niets minder inhoudt dan een voorstel aan de Staten, hoe men op het ongemerktst de kerken dezer landen geheel naar de leere van Arminius zou kunnen omzetten.




a Eerder gepubliceerd als ‘Revisie der Formulieren van eenigheid' VI, De Heraut No. 74 (11 mei 1879).


VII. Gereformeerd verzet tegen Arminiaansche stoutigheden.

a


Op welke gronden hebben nu de Gereformeerden in den aanvang der XVIIe eeuw deze buitensporigheden weêrstaan?

Om dit zoo officiëel mogelijk aan te toonen, zullen we op den voet het authentieke stuk zelf volgen, waarin de Gereformeerde predikanten, die op het Preparatoire Convent in den Haag tegenwoordig waren, hun verzet tegen deze Remonstrantsche onhoudbaarheden in den breede hebben bepleit.

Ze beginnen dan met te verklaren, dat ze het uiterste gedaan hebben, om „sovele hun conscientie halver mogelijk was" de broederen tegemoet te gaan, maar dat ze op de punten, die de Remonstranten staande hielden, om Gods wil niet toegeven mochten.

Met name gold dit van deze drie punten: 1. dat men op de Synode zitting zou kunnen nemen zonder vooraf zijn instemming met „alle stukken" en articulen der leer, door middel van onderteekening der Formulieren te betuigen; 2. dat de uitspraak der Synode niet bindend en beslissend zou zijn; en 3. dat de „vaste revisie" van de Formulieren zou worden doorgedreven.

Op die punten moesten ze hun broederen in het aangezicht weêrstaan en deden ze dat dan ook mits dezen op de hier navolgende gronden.

*

A. Bestrijding van het gevoelen, dat men op de Synode zitting kon hebben zonder aan de Formulieren gebonden te zijn.

In den aanvang beginnen de Gereformeerden met te verklaren, dat alle Orthodoxe leeraars, na en immer, en dus ook zij, „het geschreven Woord van God als den eenigen regel des geloofs" erkennen, waaraan men „simpelyc" d.i. onvoorwaardelijk, gebonden behoort te zijn.

Dat echter, overmits de ketters dat heilig Woord van God misbruiken, van oudsher symbola of Confessiën zijn opgesteld, om de ketters van de geloovigen te onderkennen.

Dat deze Formulieren hierin van Gods Woord verschillen, dat „Gods Woort syn autoriteyt van hem selven heeft"; de Formulieren daarentegen „niet van hun selven, maar van den Woorde Gods." Zoo echter, dat ook deze Formulieren binnen de kerk als norma kunnen en moeten gelden: „als wt Godes Woort genomen en opt selve gegront."

Dat op dien voet ook onze kerken zoodanige Formulieren hadden 114 ingevoerd; evenals alle andere Gereformeerde kerken buitenaf; en dat deze Formulieren tot nog toe (1607) „sonder tegenspreken van alle de kerken deser landen waren gebruikt."

Uit welk gebruik voorts dit veelzijdig goed was voortgekomen.

1. dat de belastering van de kerk merkbaar afnam;

2. dat de secten op zijn geruimd en de geloovigen op vaste paden zijn geraakt;

3. dat aan het twisten en krakeelen onder de predikanten een eind is gekomen.

En dat derhalve, indien men deze bindende en verbindende kracht der Formulieren voor de leden der Synode, al ware het ook slechts gedurende de zittingen, ophief, uit deze onbezonnen daad deze drieledige misstand zou geboren worden:

1. dat de waarheid der Confessie, waarop onze kerk gebouwd is, waarvoor de martelaren hun bloed vergoten hebben, en die duizenden uit vreemde landen herwaarts trok, door zulk een opheffing van den band, in twijfel zal komen;

2. dat de predikanten weêr onderling aan het twisten zullen slaan;

3. dat de Nederlandsche kerken den historischen band zullen doorsnijden, die haar met de Gereformeerde wereldkerk verbindt;

4. dat de kerk op zal houden een belijdeniskerk te zijn en worden zal de draagster van een wisselende meening;

5. dat de woelzieke geesten weêr vrij spel zullen krijgen, om allerlei quaesties op te werpen en telkens alle reeds vroeger afgedane ketterijen te hernieuwen;

6. dat de ware kinderen Gods diep geërgerd en bedroefd zullen worden;

en 7. dat hiermeê alle vaste band van kerkregeering vervallen zal, daar toch de Synode geen bevoegdheid voor zich mag nemen, die niet ook de kerkeraden bezitten, en aldus ook de kerkeraden van elken band aan de Formulieren los zouden komen.

Wat hiertegen aan wordt gevoerd, houdt h.i. in geen enkel opzicht steek.

Want wat men in de eerste plaats tegenwerpt: „dat de Formulieren menschelijke geschriften zijn en dus altijd aan den Woorde Gods examinabel blijven, en dat derhalve die daarover oordeelen zullen, zelven aan geen Confessie kunnen gebonden zijn," heeft weinig meer dan een schijn van recht.

Immers, dewijl deze verbintenis aan de Formulieren, op grond van haar conformiteit aan den Woorde Gods geschiedt, moet die van kracht blijven tot tijd en wijle bewezen is, dat ze in die conformiteit mank gaat. En 115 mocht dat op eenig punt worden aangetoond, welnu dan „behoeft geene ontslaginge van verbintenisse versocht ofte gegeven te worden in sulcke pointen als niet hebbende het fondament harer verbintenisse."

Wat men ten tweede beweert, dat het oordeel over de Belijdenis of de Formulieren dan toch onvrij en dus geen onpartijdig oordeel zou zijn, houdt al evenmin steek.

Dan toch zou een gedoopt persoon, die door zijn Doop aan de waarheid Gods verbonden ligt, nooit over differenten tusschen de verdedigers en de bestrijders der Christelijke religie oordeelen kunnen, tenzij men hem vooraf van zijn Doopsverband ontsloeg. Deze eisch zou neêrkomen op het beweren, dat over religiezaken alleen oordeelen kan wie zelf „neutraal, d.i. zonder religie en zonder geloove is." „Ooc wordt die verbintenisse te verre getrocken, wanneer men daerwt soude willen besluyten dat men niet vrylyck en soude mogen oordeelen over de verschillen in de religie ende of de belydinge die men eenmael heeft onderteekent, den woorde Godes gelycformich sy ofte niet; Want de onderteeekeninge der confessie ende des catechismi sulcke verbintenisse niet mede en brengt dat men eenmael sulcke belydinge onderteekent hebbende namaels niet onpartidich en soude moge oordeelen (wanneer daer quaestie valt over deselve belydinge) of sy met Godes woort overeenkomt ofte niet, want dewyl Godes woort d'eenige regelmate des geloofs is, waeraen men onverbrekelyck ende ten hoochsten verbonden is, zoo en is daer geene verbintenisse van eenige belydinge so vast, dat men daerdoor verhindert soude werden vrylyk in goede conscientie te mogen oordeelen of deselve belydinge die men eenmael heeft onderteekent met den woorde Godes overeenkome ofte niet, ende 't gene bevonden wierde niet overeen te komen met Godes woort te verwerpen."

Geheel hetzelfde heeft plaats bij de politieke wetgeving, die ten allen tijde „examinabel blijft aan de gerechtigheit." Maar wien zou daarom ooit op de gedachte komen, dat men geen recht van meêspreken over wetsverandering zou kunnen krijgen, zonder zelf eerst met eede aan die wet als wet verbonden te zijn? Of ook, wien zou het in den zin komen, uit dien eed op de wet ooit af te leiden, dat men derhalve tegen die wet niet reageeren mocht? Of ook om er tegen te kunnen reageeren, vol kon houden, dat men zijn eed slechts op „het wezen en de hoofdzaak" der wet, en niet „op alle articulen en stukken der wet" had afgelegd?

Aan hem die aldus in het „politycke" oordeelde, zou men toevoegen, dat hij dan liever zelf ontslag uit zijn dienst moest nemen, dan aan de Overheid ontslag van zijn eed te vragen. Overmits toch op dat ongelukkig standpunt alle vastheid en bewind en rechtspleging in raadzalen en hoven ten eenemale zou verloren gaan. „Gelijk derhalve een goet politicus, niettegenstaende 116 synen eet wel can in des gemeenen lants saken oordelen ende spreken nae de gerechticheyt ende billicheyt, diewyl hy bevindende, dat synen eet dien hy te vooren gedaen hadde, tegen de gerechticheyt soude striden, soude 'tselve mogen remonstreren daer 't behoort ende versoecken van sulcken eet ontslagen te syn, al soude hy ooc daerover synen dienst moeten resigneren ende opseggen, — also kan ooc een kerckendienaer oft leeraer niettegenstaende syne verbintenisse aen de onderteeekende bekentenisse wel oordeelen onpartydelyck ende in goeder conscientie in alle voorvallende quaestien over de religie, wat den Woorde Gots conform is ofte niet ende indien hy bevindt datter iet is in de belydinge die hy onderteekent heeft dat met Gots woort niet overeen en komt, soo kan hy als dan tyts genoech versoecken van sulcke verbintenisse ontslagen te syn. Want alsoo hebben oock de recht gevoelende leeraers der oude kercke niet tegenstaende hare verbintenisse aen de voorgaende symbolen geoordeelt van de leere, die ketters tegen deselve symbolen bevochten hebben."

1. Weshalve zij concludeeren dat ook bij streng verbindende onderteekening „het een iegelyken geoorloft en vry blyve, eenich point tot naeder ondersoekinghe voor te stellen, sonder daardoor verstaen ofte gehouden te worden te breken sijn verbintenisse."

Even weinig beteekent naar zij meenen, de derde uitvlucht (die men ook nu weêr telkens hoort): „dat namelijk de waarheid hierdoor niet in twijfel zou komen, daar de substantie der Christelijke religie evenwel toch onverbrekelijk is en vaststaat."

Dit toch weêrspreekt zichzelf.

Immers, wie niet met een bepaalde aanklacht komt, maar heel de Confessie zoo eens door een vergadering wil laten onderzoeken, of ze wel goed is, verdenkt uiteraard haar deugdelijkheid.

Maar bovendien, men komt met zulke vage woorden niet verder; men kan er niet op aan; men mág ze zelfs niet vertrouwen.

Want wat, zoo vragen ze, geeft ons waarborg, dat de broeders, die nu nog beweren „de substantie der Christelijke religie" te belijden en althans aan het Woord vast te houden, van achteren niet wel terdege blijken zullen, ook van die substantie reeds een merkelijk deel over boord te hebben geworpen, en het gezag van Gods Woord, vrij kras te ondermijnen?

Iets wat h.i. te meer klemt, overmits indien deze broeders het fundament der leere willen laten staan, en slechts wenschen op te komen tegen enkele „manieren van spreeken ende diergelyke dingen" een formeele „ontslaginghe van de verbintenisse" nog veel meer onnoodig is; mits maar vaststa, dat men uitsluitend „van mindere dingen zal handelen, het fondament niet raeckende", en dus niets voort te brengen heeft, dat "tegen de Confessie en 117 den Catechismus stryden zou, gelyc dit alles by de verschillende broeders bekent en verclaert wordt."

Het vierde beweren: dat alleen de Synodale leden vrij zouden zijn van de Confesssie, baat evenmin.

Want immers, wordt hiermeê in beginsel eenmaal het standpunt ingenomen, dat de Confessie niet strikt bindt, dan werkt dit ongelukkig beginsel vanzelf in alle kerkelijke geledingen door; en men weet nu eenmaal „wat los is dat is los ende niet gebonden, ende over sulck d' wtkompsten van een losse ende ongebonden dinck onderworpen!" En zoo stort alle kerkorde ineen!

Wat men ten vijfde dan nog toegeeft: „dat men daarom zijn afwijkende gevoelens voorshands niet rond zou bazuinen!" heft deze bedenking niet op.

Zulk een vrijstelling toch: „treckt altijd een steert nae sich, daer sulcke conditie met woorden besproken oft in 't papier ghestelt, swaerlick betoent kan worden!"

Wij zouden zeggen, aan die vage beloften heeft men niets. Dat is een paaien met woorden; maar snijdt geen hout.

*

B. Bestrijding van het gevoelen: dat de Synode geen macht zou hebben om definitief te beslissen, wat in de kerk als leer der waarheid zal moeten beleden en gepredikt worden.

Dit deel slaan we over, als rakende de revisiequaestie minder van nabij.

*

C. Bestrijding van het gevoelen: dat revisie behoort te geschieden, en dat niemand zich over die revisie beklagen mag, wijl hierin zoowel confirmatie als correctie ligt.

Met alle mogelijke beslistheid ontkennen de Gereformeerden, dat „de revisie der Formulieren" tot de vaste taak van alle Synoden-Nationaal behoort. En dat wel op de navolgende gronden:

1. dat in de 16 eeuwen, die de kerk toen oud was, nooit één eenig Concilie of Synode, ooit ofte immer met zulk een ongehoord mandaat was saâmgeroepen;

2. dat een kerk, die zich hiertoe leende, daarmeê op zou houden de draagster van de Goddelijke waarheid te zijn en ontaarden zou in een genootschap met wisselende meeningen;

3. dat de „kittelachtige en woelzieke" geesten hierdoor geprikkeld zullen worden in steê van bedwongen; 118

4. dat men hierdoor een weg op zou komen, die er toe leiden moest, om op elke komende Nationale Synode weêr te tornen aan de vastigheid der Confessie;

en 5. dat de hoogescholen hierdoor om haar eere zullen komen, en kerk en school beide maar al te zeer gelijken zullen op instellingen „die altijd weêr van nieuws over haer eighen leere door disputeeren," zoodat men aldoor met onnoodige geschillen en quaestiën sal beladen zijn, „gelyck (Godt betert) de ervarentheyt alrede bewijst."

Dit neemt intusschen niet weg, dat ook h.i. „de Confessie en Catechismus, geheel of ten deele, mag overgelezen en overgezien worden, indien wettige oorsake daertoe in de Synode voorvalt."

Zulk een „herlesinge" behoort niet, maar kan plaats hebben. Dáárin ligt het verschil.

En de fabel, de legende, de pure verzinning, alsof naar de intentie onzer vaderen, de Synode van Dordt in 1619 een driejaarlijksche revisie verordend had, ligt hiermeê dus reeds in al haar naaktheid en onwaarheid voor den grond.

Neen, tot zúlk een „vaste revisie" wilden ze zich onder geen voorwaarden leenen, en konden er zoomin als wij toe bewogen worden, door de schijnredenen, die ook in hun tijd reeds te berde kwamen.

De eerste hiervan was: Dan zijt gij Roomsch!

Juist zooals nu dus!

Maar kloek en juist antwoordden de Gereformeerden hierop: Geenszins! Want van een onfeilbaarverklaring der Confessie is bij ons geen sprake. Slechts hier staan we op, dat gij ze niet in kwade reuke zult brengen, ze niet verdacht zult maken en buitenaf van haar goeden naam berooven, indien ge den moed niet hebt als aanklager, met perikel van uw eigen kerkelijke positie, tegen haar op te treden. Gij kunt in het afgetrokkene diefstal plegen, maar daarom heb ik nog het recht niet u voor een dief op de tong te brengen, tenzij ik eerst bewezen heb, dat ge staalt. En zoo ook, al geven wij van harte toe, dat de Confessie kan dwalen daaruit volgt nog volstrekt niet, dat ze dwaalt en daaraan kunt gij dus schijn noch schaduw van recht ontleenen, om ze als „onjuist" te doen verdenken.

Wie iets tegen de Confessie heeft, moet daarom beginnen met het in zijn classis terstond te openbaren. Doet hij dat, dan moet de classis verder weten hoe te handelen. Dan is van hem de verantwoordelijkheid af. Maar spreekt bij tegen de Confessie, eer bij zijn bedenking op de classis inbracht, om ze later op zekere komende Synode, eens, als het hem gelegen komt, al disputeerende en examiueerende te pas te brengen, dan, het spreekt vanzelf, verbreekt hij alle kerkorde en komt hij de eere der Formulieren te na. 119

De tweede schijnreden was: „De Zuythollantsche Synode heeft toch more usitato d.i. gebruikelijkerwijs, revisie verlangd!"

Zeer waar, antwoordden hierop onze Gereformeerden, maar „more usitato," d.i. gebruikelijkerwijs, wil volstrekt niet zeggen „overmits het houden van revisie op alle Synoden gebruikelijk was;" o, neen, niets er van, maar integendeel, dat de Synode die stond saâm te komen, beveiligd zou worden tegen elke nieuwigheid en tot niets meer of anders zou gehouden zijn, ten opzichte van de Formulieren, dan door het oude en wettige gebruik in zwang was gekomen.

„Daer by is gesteld, namelyck na gewoonlycke wyse, omme daermede uytdruckelijck verstaen te geven dat de voorsz. Suythollantsche Synode hierinne niet en begeerde te praejudiceren den Synode-nationaal ende denselven eene nieuwe wet voor te schriven, maer dat daerinne gevolgt soude werden sulcx als voor desen dien aengaende in Synodis-nationalibus is gebruickelyk geweest."

Deze woorden zijn alleropmerkelijkst, en bewijzen eens voorgoed, dat het beroep van Irenische zijde op het more usitato, als bleek hieruit, dat men altijd vroeger revisie had gehouden, geheel faliekant uitkomt.

Bovendien ze konden, wijl enkelen hunner de vroegere Synoden hadden bijgewoond, stellig verzekeren, dat eertijds alles zich tot een „verbetering van drukfouten" had bepaald, en dat er niet aan een „verbetering der leere" was gedacht.

En eindelijk de derde schijnreden was: „Al gaan we tot revisie over, toch keuren we misschien goed wat er staat!"

Maar ook door deze goedgeefsche verzekering liet men zich niet gerust stellen.

Men begreep uitnemend wel, dat de broederen, die zoo sterk op revisie drongen, dan ook wel terdege „een verandering van de Formulieren" in het zin hadden, en die dan ook gewisselijk zouden doordrijven, indien men hun de teugels in handen gaf.

Juist daarom ging er zulk een kreet van verzet tegen „dit drijven van revisie bij alle vrome liefhebbers der waerheyt op" en was zelfs „dit woort van revisie", dat door sommige broederen met zulk een voorliefde gebezigd werd, bij alle kerken dezer landen gehaat.

Men tastte en rook, dat het den voorstanders der revisie er eenvoudig om te doen was, om van onze Gereformeerde kerk een „Arminiaansche kerk" te maken, en dát juist, zie dát wilden de kerken dezer landen niet.


P.S. Van geachte zijde is gevraagd: of gedeputeerden op de Synode, behalve de gravamina van hun provincie, ook zelf persoonlijke dubia tegen de Confessie mochten inbrengen?

Het antwoord hierop is geen oogenblik twijfelachtig, en luidt: Ja, 120 gewisselijk. Te weten, in één van deze gevallen: 1. indien de provincie, die hen deputeerde, een wettig door hen ingediende bedenking, niet als gravamen had opgezonden; 2. indien zij zelven van een uitspraak der deputeerende provincie wilden apelleeren bij de Synode-Nationaal; en 3. indien na hun afvaardiging bedenkingen bij hen waren opgekomen.

In deze drie gevallen, wel.

Anders niet.




a Eerder gepubliceerd als ‘Revisie der Formulieren van eenigheid' VII, De Heraut No. 75 (18 mei 1879).


VIII. De revisie der Dordtsche vaderen.

a


En nu dan de Dordtsche Synode zelve?

Welke positie heeft zij in de quaestie der revisie ingenomen?

Wat was het standpunt, waarop zij zich plaatste?

Hierop kortweg te antwoorden, dat ze eenvoudig copieerde wat de Contra-Remonstranten in 1607 tegenover de Remonstranten staande hielden, zou uiterst oppervlakkig en bezijden de waarheid zijn.

Neen, de beschreven vaderen te Dordt deden ten deele iets anders, ten deele iets meer.

Iets anders in zooverre zeker compromis in hun wijze van doen niet te ontkennen valt; en iets meer, in zooverre ze, voor het eerst en het laatst een Synode-Generaal bijeen hebbend, zeer kennelijk een buitengewone approbatie voor hun Formulieren van eenigheid zochten te verwerven.

Iets toegeven en alzoo ten deele in een compromis treden, konden ze natuurlijk zonder schijn van aarzeling, zoodra ze eenmaal wisten dat Oldenbarnevelt uit had gediend, en het beleid der zaken was overgegaan in de handen van Maurits.

Nu toch wisten ze dat het oordeel der Synode vrij zou zijn; dat vrijelijk door de Classe zou gedeputeerd worden; en dat alle beduchtheid geweken was voor „de huismiddeltjes", die de Advocaat in het zin had, om tegen den zin der kerk, nochtans door de kerk, de kerk Arminiaansch te laten maken.

Meer dan vrijheid hadden ze niet noodig.

Want dát wisten ze zeker en volkomen stellig, dat, kon de kerk zich maar vrijelijk uitspreken, de Gereformeerde partij het zeer zekerlijk won.

Hoogstens twee tienden van leeraars en leeken waren Remonstrantsch. En het groote lichaam der kerk, zoo leeraars als leeken in massa genomen, waren ongetwijfeld óf besliste Calvinisten óf tot het Calvinisme neigend. 121

Nu dus Maurits' autoriteit hun vrije deputatie naar de Synode, en op die Synode vrije discussie waarborgde, nu bestond er bij hen geen vrees meer voor de triomf van het Arminianisme, en kónden ze dus rekkelijker zijn.

Vandaar hun ten deele treden in een compromis.

Maar ook, nu van lieverleę heel de beschaafde wereld zich met onze kerkelijke worsteling was gaan bemoeien, en de aangelegenheden in den Haag met de buitenlandsche ambassadeurs bediscussieerd werden, en koningen er zich in mengden, en men van weęrszij de kerken uit den vreemde er bij geďnteresseerd had, en het vaststond, dat ook de buitenlandsche kerken ter Synode verschijnen zouden, — nu veranderde natuurlijk door dit gewichtige feit de beteekenis der vergadering die zou samenkomen geheel; voor zoover men immers nu niet meer met een nationale, maar met een internationale Synode te doen had.

De Synode van Dordt toch, en daar vooral lette men op, was door dezen ongezochten keer van zaken een Wereld-Synode geworden; een Generale bijeenkomst aller Gereformeerde kerken; een Concilie op Gereformeerd terrein.

Dit moest er vanzelf toe nopen, om op deze Synode voor zijn Fomulieren van eenigheid te zoeken, wat ze dusver nog nimmer hadden ontvangen: t.w. de sanctie der Christenheid.

De Gereformeerde kerk heeft nooit de kerk van een enkele natie of een enkel volk willen zijn, maar steeds bedoeld, de hoogste, zuiverste, edelste openbaring van de Bruid Christi op aarde te wezen.

Niet of iets voor Holland goed en voor Rusland min bruikbaar was, maar wat, naar luid den Woorde Gods, de volkomenste belijdenis van den Raad Gods tot zaliging van zondaren was, zweefde onzen Gereformeerden helden als belijdenis-ideaal voor den geest.

Vandaar reeds bij Calvijn dat sterk dringen op een Concilie. Vandaar die rustelooze pogingen van ŕ Lasco en anderen, om één grooten Rijksdag van het Koninkrijk Christi op aarde saâm te roepen.

Vandaar dat meędeelen en over en weęr onderteekenen van elkaârs Confessiën.

Vandaar die uitgaven der „Harmonie van belijdenissen."

En vandaar eindelijk die sterk gevoelde drang, om tusschen Calvinist en Arminiaan niet door een enkele landskerk maar door de wereldkerk uitspraak te laten doen.

Maar nu men dan ook eenmaal zulk een Concilie bijeen had, kon het wel niet anders, of tevens moest zich dan ook op dien Rijksdag van Christi kerke, het machtig verlangen openbaren, om op heel de Confessie en heel 122 den Catechismus tevens het zegel der goedkeuring van alle kerken te ontvangen.

Niet alleen de kerken dezer landen drongen daarop, maar minstens evenzeer de Staten, die zich volkomen bewust waren van hun roeping, om, als de meest invloedrijke mogendheid, de Gereformeerden in alle landen te beschermen; maar die dan ook juist daarom eens voorgoed wilden uitgemaakt hebben, of hún landskerk al dan niet het geestelijk standpunt innam, dat op aller instemming rekenen kon.

En vandaar, en vandáár alleen, dan ook de gansch buitengewone en buiten den regel gaande manier, waarop men te Dordrecht met de Formulieren van eenigheid is te werk gegaan.

Ze waren op de eerste Waalsche Synoden reeds in eere gekomen. Kerkelijk geëxamineerd te Antwerpen in 1565 door Junius en Saravia. Voor deze landen geapprobeerd te Wezel en te Emden. Van drukfouten gezuiverd op de Synoden die Fontanus, Leo en Helmichius bijwoonden. Maar wat hun nog ontbrak was de approbatie van een Gereformeerd Concilie.

En zoo laat het zich dus uitnemend wel verklaren, wat bij oppervlakkiger opvatting schijnbaar strijdt, t.w. dat men te Dordt 1. geheel de Confessie in den smeltkroes heeft geworpen, en 2. nadat ze die vuurproef had doorgestaan, elkaâr wederkeerig beloofde „deze belijdenis alsnu ongeschonden te zullen bewaren tot op Christi wederkomst op de wolken."

Dit ongerijmde en elkaâr uitsluitende toch, zoolang men denkt aan een soort revisie, die op alle gewone Synoden plaats greep, wordt doorzichtig en volkomen begrijpelijk, zoodra men in het oog houdt dat de Dordtsche vergadering een gansch exceptioneel karakter droeg, en dat in 1618 voor eenmaal, bij wijze van fundamentlegging, geschied is, wat juist ómdat men een fundament slechts eenmaal legt, het denkbeeld van herhaling eer buitensluit dan onderstelt.

*

Het compromis, het punt waarin de Gereformeerden toegaven, school in den last, dien ze zich door de Staten-Generaal lieten opleggen, om de Confessie en den Catechismus aan een opzettelijk onderzoek te onderwerpen.

Tot op 1617 hadden ze dit standvastelijk, gelijk we zagen, geweigerd.

Wel ontkenden ze niet, dat de Synode recht had tot zoodanige „toetsing en proeving" van de Formulieren over te gaan, maar onverzettelijk bleven ze er op staan, dat dit niet aan de Synode zou worden opgelegd.

Dat de Formulieren konden, maar niet behoefden herzien te worden, was hun leus en keus. 123

Maar daarvan nu gingen ze in 1619 af.

Let wel, niet in 1618, zelfs nog niet op 13 November 1618, toen de Synode saâmkwam; want in de instructie komt de last er toe niet voor.

Maar wel, toen op 29 April 1619 de vijf artikelen vastgesteld en de Remonstranten veroordeeld waren, en er dus geen de minste vreeze meer voor vervalsching van de Gereformeerde leer bestond.

Wel hadden ze reeds voor het openen der Synode de bepaling beaamd, dat men alleen „naar den Woorde Gods oordeelen zou"; maar wie hierin ook maar een zweem van concessie ziet, beleedigt onze vaderen. Dat toch was hun geen „concessie", maar confessie!

Dat was hun het woord uit hun hart.

Iets wat op het allerduidelijkst bleek bij het voorgevallene met de Overijselsche predikanten, toen er in de 6de zitting geopponeerd werd tegen de zinsneę in hun credentiebrief: dat men oordeelen zou naar den Woorde Gods en de analogie des geloofs, volgens uitwijzen van Confessie en Catechismus.

Toen toch is door de Overijselaren in volkomen overeenstemming met het gevoelen van gansch de Synode uitgesproken: 1. dat Gods Woord alleen regel en norma was, zoo dikwijls moest uitgemaakt wat waarheid was; maar 2. dat de Formulieren van eenigheid regel en norma waren, zoo dikwijls moest uitgemaakt wat het leerverband was van de kerk.

Een uitspraak, zoo diep en innig Gereformeerd, dat ze bijna letterlijk in het stuk der zeven Haagsche heeren herhaald werd, toen ze schreven: „Gods Woord regel van geloof, maar de Formulieren regel van onderwijs en prediking!"

Maar wel deden ze een concessie op den 29 April 1619, toen de politieke gedelegeerden ter Synode aandienden: „Dat aldus de wil der Generale Staten was, dat de Confessie (en Catechismus) der Nederlandsche kerken, op de wijze in Nationale Synoden gebruikelijk, ten overstaan van de afgevaardigden der buitenlandsche kerken herlezen en getoetst zou worden, en dat door de leden van de Synode, zoo van de buitenlandsche als van de vaderlandsche kerken, vrijelijk zou verklaard worden, of ze in bedoelde Confessie en Catechismus, iets hadden aan te merken, dat h.i. met Gods Woord of de Belijdenissen der overige Gereformeerde kerken streed. Dat ze voorts wenschten dat men zich bij dit onderzoek alleen bezig zou houden met de leerstukken en den leerinhoud van de Confessie enz., want dat de leermethode en uitdrukkingswijs later door de Synode, als ze weer nationaal in eigenlijken zin was geworden, d.i. na het vertrek der buitenlandsche broeders, stond onderzocht te worden. En dat het eindelijk der Staten wille was, dat de onderzoekers niet zouden handelen van de „poincten der 124 kerkregeering, en met name niet over Artikel 31 en 32," overmits het bekend was dat „sommige Gereformeerde kerken daarin van ons verschilden."

Over deze uiterst merkwaardige verklaring, die nog nooit behoorlijk ontleed is, gleed men dusver steeds oppervlakkig heen, en het is vooral aan deze verklaring dat de voorstanders der revisie het historisch bewijs trachten te ontleenen ter rechtvaardiging van hun standpunt.

Het is daarom van het uiterste belang dat we deze declaratie eens wat naderbij onder de oogen zien, en als mannen van ernst en wetenschap ons afvragen: wat we hier hebben?

En dan veroorloof ik mij, ten opzichte van deze gewichtige verklaring, vierderlei opmerking.

1. Valt hier aan te merken, dat deze verklaring niet van de kerkelijken, maar van de politieken afkomstig is: van het Binnenhof in den Haag en niet van de Dordtsche Doelen.

Onhistorisch, onwetenschappelijk en zonder geest des onderscheids handelt dus, wie zich op deze verklaring beroept, om daaruit nu eens op te maken, wat de Gereformeerde kerk over de quaestie van revisie oordeelt.

Het is waar, dat de kerkelijken niet tegenspraken, en zich schikten naar der Staten wensch. Maar wie weet hoe het later met het Jus patronatus toeging, zal erkennen, dat uit dit zwijgen niets ter wereld voor hun eigenlijke gevoelens was af te leiden; en dat ze, om voor de uitvoering van hun decreten van den steun der Overheid zeker te zijn, niets anders dan toegeven konden.

2. Al staat er honderdmaal bij: „op de wijze in Synoden-Nationaal gebruikelijk", zoo staat het niettemin onwedersprekelijk vast, dat men te Dordt op andere wijze, dan vroeger, is te werk gegaan.

De verschilpunten zijn klaar als de dag.

Vooreerst toch werd vroeger de Synode met de „overlesinge" der Confessie begonnen, en had ze hier eerst plaats toen de Synode zoogoed als was afgeloopen.

Ten tweede had men eertijds nooit anders dan de Confessie „herlesen", terwijl men er nu in de 147ste zitting expresselijk „den Catechismus" bij voegde.

Ten derde had er vroeger alleen een toetsing „aan den Woorde Gods plaats", terwijl er nu getoetst werd aan Gods Woord čn aan alle buitenlandsche Confessiën.

Ten vierde had er vroeger slechts één onderzoek plaats, terwijl te Dordt eerst een generale examinatie door alle leden in de Generale, en eerst later een „tekstherlezing" in de Nationale Synode plaats vond.

Ten vijfde diende men vroeger gravamina in, terwijl nu elk lid werd opgeroepen, om de stukken vrijelijk te keuren. 125

Ten zesde mocht eertijds alleen over de Confessie oordeelen, wie haar onderteekend had, terwijl nu de buitenlanders zonder band meęspraken.

En ten zevende kon men vroeger alle stukken der leer toetsen, terwijl nu twee artikelen met name buiten revisie werden gesteld.

Het „ex more usitato" is dus blijkbaar, gelijk meer geschiedt, door de politieken in een onhistorisch verband gebezigd; op den klank af overgenomen; en alleen om het bijkomstige der zaak, onweęrsproken gebleven van de zij der kerk.

3. Alles in deze verklaring is er op aangelegd, om wel te doen uitkomen, dat de approbatie van de wereld-kerk hoofdzaak was.

Let er, om u hiervan te overtuigen, slechts op, met wat nadruk er op den voorgrond staat, dat deze examinatie zou plaats hebben „ten overstaan van de buitenlandsche afgevaardigden." Hoe er opzettelijk staat, dat ze moest plaats hebben eerst door de uitheemsche godgeleerden en eerst daarna door die der vaderlandsche kerken. Hoe met zorge wat de uitheemschen prikkelen kon werd uitgelaten. En eindelijk, hoe men toetsing gelastte, niet alleen aan de Schrift, maar ook aan de Confessiën der andere kerken.

Merk bovendien op, met wat zorg de disputen met de Engelschen op 30 April in de acten zijn uitgelaten. Met wat opzettelijkheid men de aanmaning der uitheemschen, „dat de kerk hier te lande deze Confessie nu ook ongeschonden bewaren zou", in den breede uitmeet. En vooral ook hoe aan het slot van de zitting, waarin dit voorviel, door de gedeputeerden van onze Waalsche kerken is ingebracht, dat, hoewel de kerk van Frankrijk niet vertegenwoordigd was, toch ook Frankrijks zegel op onze Confessie stond, blijkens het desbetreffend besluit van de Synode van Vitry a. 1583 Welk besluit voluit in de Acta is opgenomen.

Uit al welke omstandigheden alzoo overtuigend blijkt, dat het den Staten-Generaal volstrekt niet te doen was, om een minutieuse onderzoeking, of er ook mogelijk bij haarfijn nazien, hier of daar een spatje of vlekje, een rimpeltje of plooitje in onze Confessie te ontdekken viel; maar dat ze in hoofdzaak bedoelden: het verkrijgen van een generale approbatie en sanctie van alle Gereformeerde kerken voor wat onze kerken beleden. En dat wel met het drieledig doel: vooreerst om steun te hebben binnenslands tegen de weęrstrevers der leer; ten andere om zich het vertrouwen van alle Gereformeerde natiën en kerken waardig te maken; en ten derde om door middel van deze approbatie een geestelijke alliantie tusschen alle Gereformeerde volken tot stand te brengen en strakker aan te snoeren den band, die allen één deed zijn tegenover Rome.

En 4. Er is van correctie geen sprake geweest, maar uitsluitend van confirmatie der Formulieren. 126

Immers wat men ook zeggen moge, de tegensprekers der Synode hebben op het standpunt van Dr. Van Toorenenbergen c.s., volkomen gelijk, indien ze de Dordtsche Synode van onverklaarbare oppervlakkigheid en schier onverantwoordelijke loszinnigheid beschuldigen.

In twee korte zittingen, waarvan de eerste 's morgens voor twaalf uren afliep, en de tweede dienzelfden dag na het diner werd gehouden, een Confessie van 37 artikelen, waarin de heiligste onderwerpen en de meest ingewikkelde vraagstukken te berde komen, čn aan Gods Woord en aan de Confessiën van de kerken van Engeland, Schotland, Zwitserland, Nassau, den Paltz, Bremen, Hessen, enz. te toetsen, is, indien men de revisie opvat gelijk Dr. Van Toorenenbergen dit doet, eenvoudig schuldige oneerbiedigheid en een zondig gemis aan ernst.

Maar is men eenmaal tot het inzicht gekomen, dat van een Toorenenbergiaansche revisie te Dordt geen sprake viel, en dat het den Staten alleen om de sanctie van de wereldkerk voor onze Confessie te doen was, zie dan vervalt ook deze zeer ernstige moeilijkheid volkomen en is de eere der Synode gered.

Dan toch was het uitsluitend de vraag, of de vreemde leden der Synode bij het overlezen van onze Confessie bekenden „dat dit woorden uit hun harte waren, zooals ook zij de waarheid steeds uit den Woorde Gods bevonden hadden, en of ze daarin een weęrklank hoorden op wat hun van der jeugd aan in hun eigen kerk geleerd was en door hen zelven in die kerk beleden."

Dan toch was er geen sprake van een „wetenschappelijk onderzoek," of een opnemen van „resultaten van wetenschappelijke studie," of wat studeerkamer-termen van dien aard men meer in zwang bracht, maar was het veeleer te doen om een acte de foi, een geloofsuiting, een Amen op wat de vaderen beleden, een voor waar erkennen van wat waar was voor het oog van den levenden God.

En zóó opgevat, ja, dan wordt alles volkomen begrijpelijk.

Begrijpelijk, dat Bogerman riep: „Smore toch niemand iets op zijn hart, maar laat een iegelijk vrijuit spreken!"

Begrijpelijk dat er ditmaal van een indienen van gravamina geen sprake viel, maar om een toon uit ieders hart werd gebeden.

Begrijpelijk ook het entrain, waarmeę alle leden na eene enkele overlezing van het stuk, aanstonds uit de volle borst hun Amen op onze prachtige Confessie uitspraken.

Begrijpelijk niet minder, dat men over woorden en uitdrukkingen niet spreken wilde, maar alleen op Gods heerlijke en heilige waarheid lette.

En begrijpelijk ten slotte evenzeer, dat men na deze plechtige acte in 127 zoo roerend oogenblik, heusch niet als wetenschappelijke toetsers of keurders van studiën, neen maar als Christenhelden en geloofsgetuigen, als uit één mond elkander toeriep: „Laat ons op die waarheid zelven sterven, en blijve die heerlijke waarheid onzen kinderen en kindskinderen ongeschonden bewaard tot op de wederkomst des Heeren!"




a Eerder gepubliceerd als ‘Revisie der Formulieren van eenigheid' VIII, De Heraut No. 76 (25 mei 1879).


IX. Wereld-concilie en Synode-Nationael.

a


Bij de Dordtsche Synode hebben we dus wel te onderscheiden tusschen twee zeer onderscheidene vergaderingen, t.w. tusschen 1. de Generale Synode of het Gereformeerd Concilie, dat van 13 November 1618 tot 9 Mei 1619, en 2. de in engeren zin Nationale Synode, die zitting hield van 13 Mei tot 29 Mei 1619.

De generale, die 154 zittingen hield en wier handelingen bekend zijn onder den naam van Acta; en de, in engeren zin, nationale, die haar werkzaambeden in 26 zittingen afdeed, en wier besluiten geboekt zijn in de Postacta.

Nu is in beide deze vergaderingen van de Belijdenisschriften gehandeld, en wel met dien verstande, dat op de Generale Synode „de stukken en articulen der Leer," d.i. dus „de substantie of inhoud" der Formulieren onderworpen is aan de approbatie van de Gereformeerde wereldkerk; terwijl op de, in engeren zin, Nationale Synode, niets anders bedoeld noch besloten noch gedaan is, dan het vaststellen van een officiëelen tekst, na uitzuivering van verschrijvingen, stijl-, vertaal- en drukfouten, en dus ook, met invoeging van wat hier en daar, ter verduidelijking van den onveranderden zin, noodig bleek.

Letterlijk is dus ook op de, in engeren zin, Nationale Synode van 1619 juist hetzelfde geschied, wat volgens getuigenis van Helmechius, Leo en Fontanus ook op de drie voorafgaande Nationale Synoden had plaats gegrepen, t.w. herstelling en verbetering van drukfouten en zegswijzen.

Niet de inhoud, niet de substantie, maar alleen de „methodus ac phraseologia" d.w.z. „de volgorde en uitdrukkingswijs" kon gewijzigd worden. En maar al te zeer is dan ook aan den tekst der Acten geweld aangedaan, toen Dr. Van Toorenenbergen in de noot 3 bij pag. 36 van zijn „Symbolische geschriften" neêrschreef: „Deze aanmerkingen mochten niet slechts de punten der kerkorde en de manieren van spreken, maar ook de methode der 128 leer raken." Daar toch uit de officiëele acten vaststaat, dat methode nergens tegenover phraseologie gesteld wordt, en dus Dr. Van Toorenenbergen elk recht miste om van een „maar ook de methode" te spreken, en de samenhang bovendien ook Dr. Van Toorenenbergen dwingt, om te erkennen, dat al wat op den inhoud (niet „hoofdzaak," maar „den inhoud") der leer betrekking had, zeer stellig was uitgesloten.

Nu bestaat er ook ten opzichte van deze tekstrevisie op de, in engeren zin, Nationale Synode tweeërlei voorstelling.

Naar luid de ééne, die door Dr. Van Toorenenbergen wordt verdedigd, zou deze tekstrevisie een daad van zeer hooge beteekenis zijn geweest, waarbij de beschreven vaderen, niet alleen met tact en nauwkeurigheid, maar ook met groote vrijmoedigheid zeer belangrijke veranderingen, niet alleen in de zegswijzen, maar ook in de zaken der Confessie hadden aangebracht.

Terwijl omgekeerd, volgens de andere voorstelling, waarbij ook wij ons van heeler harte aansluiten, deze tekstrevisie bijna geheel van huishoudelijken aard was, uitsluitend de zegsmanieren betrof en voor de leerontwikkeling van onze kerk geen de minste beteekenis heeft.

Hoezeer nu Dr. Van Toorenenbergen, door zijn vooropgevatte meeningen, ook hier, zijns ondanks, het kerkelijk publiek van het rechte spoor heeft afgeleid, en zelf op schier onbegrijpelijke wijze afdoolde, kan blijken uit deze navolgende bewijsgronden:


1. Uit de onbeduidendheid der veranderingen zelven.

De aangebrachte veranderingen toch, die in aanmerking kunnen komen, als er van dogmatische veranderingen sprake is, bepalen zich tot een vijftal, en dat wel:

a. in Art. 8, waar men schreef: „Zoo gelooven wij in een eenigen God, die een eenig Wezen is, in hetwelk zijn drie personen, inderdaad en waarheid en van eeuwigheid onderscheiden naar hunne onmededeelbare eigenschappen," voor wat er eerst stond: „Zoo gelooven wij in een eenigen God, die een eenich Wezen is, inderdaet ende waerheyt ende van eeuwigheyt onderscheiden in drie personen, elck hare bijzondere eigenschappen hebbende." Niets dus dan een vloeiender spreekmanier, juister woordenkeus en puntiger omschrijving van geheel dezelfde zaak.

b. in Art. 19, waar stond: „Deze twee naturen zijn alzoo te zamen vereenigd en maken één persoon," en waarvoor men schreef: „Deze twee naturen zijn alzoo te zamen vereenigd in één persoon." Eenvoudig de wegneming van een Gallicisme.

c. in Art. 20, waar gelezeu werd: „Om te boeten en te straffen de 129 zonde." wat verbeterd werd in dezer voege: „Om te voldoen en te dragen de straf der zonde."

d. in Art. 22, waar aan de woorden: „Jezus Christus rekent ons toe alle zijne verdiensten en zoovele heilige werken, die Hij voor ons gedaan heeft," is toegevoegd: „en in onze plaats!"

En e. in Art. 30, waar men in overeenstemming met het ontstane gebruik predikanten en ouderlingen niet maar samenvatte onder den éénen term van „opzieners," maar als opzieners én herders onderscheidde.

Wie zich de moeite wil gunnen, om ook de andere bagatellen en kleine tekstcorrectiën na te gaan, kan ze vinden bij Voetius in zijn Polit. Eccl. III. 52 sq.; ook bij De Moor, VI. p. 378; en nog vollediger in Dr. Van Toorenenbergens noten op zijn uitgave van de Confessie.

Maar beloond zal hij, bij die lezing, zijn moeite niet vinden.

Want metterdaad, men moet knoopen in biezen en spijkers op laag water zoeken, om eenigen toeleg tot afwijking van de oude Confessie te ontdekken in de meestal zeer juiste, bijna altijd vanzelf aangewezene, maar van het begin tot het einde dogmatisch volstrekt onbeduidende veranderingen, die men in den tekst aanbracht.

In 1566, ja, toen heeft men wel terdege het mes in de substantie der Belijdenis gezet, maar in 1619 drukte men schier in elk opzicht slechts het zegel op wat in 1566 tot stand kwam.


2. Uit de oppositie van de Zuidhollandsche Synodalen, die op het allernadrukkelijkst den toeleg afwezen, om in Art. 22 een dogmatische veranderiing toe te laten.

Toen namelijk voorgesteld was om in Art. 22 ten genoegen van de Paltzische theologen weg te laten de woorden: „Zoo vele heilige werken, als Hij voor ons volbracht heeft," en er voor in plaats te stellen: „zijne gehoorzaamheid," is er in de Synode grootelijks tumult ontstaan en liepen de discussiën zóó hoog, dat de voorzitter besloot de stemming over dit voorstel eerst den volgenden dag te doen plaats hebben, en wel met schriftelijke adviezen van de verschillende collegiën.

Onder die collegiën, nu dienden vooral de Zuidhollandsche Synodalen een energiek protest in, dat ons nog bewaard is en van dezen inhoud was:

„De Gedeputeerden des Synodi van Zuyd-Holland rypelijk overwogen hebbende 'tgene op gisteren by de E. Praeses is gevordert, over het veranderen van den XXIIen artikel van onze Confessie, verklaren 't zelve in geender voegen te kunnen toestaan; oordeelende dit verzoek ontydelyk en impertinent te wezen, en dat om deze naarvolgende redenen, onder andere meer:

I. Omdat alle veranderingen in diergelycke schriften periculeus en schandaleus zyn, en derhalve niet zonder hoogdringende nood behoren voorgenomen te worden. 130

II. Omdat nu niet gehandeld wordt van eenige verandering in de Confessie te doen, maar alleen uyt collatie van diverse copyen een vaste en authentique copye te maken:

III. Omdat onze Confessie eenstemmig by de uytheemsche Theologanten alreden is bevestigt, hoewel expresselyk gewag was.gemaakt van dat dezen artykel veel anders luyde in onze originele Confessie als in de Latynsche versie was voorgelezen; waarin alsdoen geen zwarigheid hebben gemaakt de gene, met welker auctoriteit men ons nu zoekt te bewegen en diets te maken, dat in zooverre wy haar met deze verandering niet te gemoet en gaan, ligt konde gebeuren dat zy haar oordeel over onze Confessie zouden retracteeren.

IV. Omdat ongehoord is, dat men om een translatie zonder voorweten ofte toedoen van de gene die 't aangaat buyten 's lands gemaakt het origineel zal veranderen, in een plaatse daar alle de copyen Nederduytsch, Walsch en Hoogduytsch eenstemmig gaan, van den beginne dat de confessie is uitgegeven.

V. Omdat de verandering zelfs quaad is, als trekkende in twijffel en vrijstellende 'tgene expresselijk gedefinieert is, en den weg openende tot disputen, die wy weten dat andere kerken ten hoogsten ontrust hebben, en ons ook ligtelijk zouden konnen ontrusten.

VI. Omdat het is een zaak van quade consequentie, dat men een confessie zal veranderen ter contemplatie van eenige particulieren, die veel eer haar het gemein oordeel behoren te onderwerpen, en haar particulier gevoelen by zich te houden.

VII. Omdat hier door een deure werd geopent tot meerder veranderingen, want de reden plaats hebbende, die op gisteren by de E. Preside is geallegeert, dat men de woorden zoo zonde konnen stellen dat beyde verschillende sententien daaronder zouden konnen schuylen, zoo zal men dat in meer andere poincten moeten doen, en zal in dier voegen een groot deel van onze confessie op schroeven staan.

VIII. Omdat wy met deze veranderinge ligtelijk disputen zouden konnen verwekken, die wy, Godt lof! nog niet hebben; en de Remonstranten styven en occasie geven van tegenspreken; en de zwakken scandaliseeren.

IX. En eindelyk omdat wy met weinige particulieren te favoriseeren, zouden offenseeren de kerken van Vrankryk en Engeland en andere meer, die 't zelve zyn gevoelende dat in onze confessie en catechismus is uytgedrukt.

Welke redenen bij ons aangezien en overwogen wezende, wenschten wij wel van herten dat de E. D. Praeses van deze zake geen gewag hadde gemaakt, alzoo se, beneffens dat het ons weg neemt een goed deel van den korten tijd dien wij nog hebben, alle vreemde bedenken zonde konnen geven; te meer naar dien wij gisteren verstaan hebben uit Dom. Menio, dat de Theologanten uyt den Paltz, tot wier contemplatie men wil schynen dit te verzoeken, alleen hebben willen voorkomen voorder condemnatie van hare opinie, (daar doch niets van gesproken is ofte van gesproken zal worden) anders wel kormende lyden, dat onze Confessie behouden werde, zoo als dezelve ligt; in 't minste in haar schrift geene mentie makende van eenige verandering in onze Confessie te doen. Wij verstaan ook niet, dat eenige verandering zal geschieden; alzoo alle de predikanten van onze provincien, zooveel ons bewust is, zijn van 't gevoelen 't welk in de Confessie is uytgedrukt, en niet zouden konnen verdragen dat het contrarie gevoelen opentlijk zoude geleert worden, maar veel eer dat een iegelijk die van contrarie gevoelen is in deze onze landen ernstig zal worden vermaant, hem te houden by de aangenomen leere, en binnen de banden van onze Confessie, opdat er geen nieuwe disputen en onheyl uyt gecauseert worden; en gelyk wy de aankomende predikanten wel konnen inbinden, niet op stoel te brengen eenige particuliere opinien van andere leerpoincten die zy elders geleert ofte aangenomen, zouden mogen hebben, zoo kan 'tzelve ook in dezen geschieden, opdat wij zoo onderhouden de waarheid ineenparige vrede en eenigheid."

Er werd dus zoo weinig aan dogmatische verandering gedacht, dat elke verandering van dien aard veeleer als „periculeus en scandaleus" werd uitgekreten. 131

Maar wat veel meer nog zegt, zonder iemands tegenspraak, is met even zoovele woorden door de „Suyt-Hollandici" hiermeê geconstateerd, dat er in de Postacta „niet gehandeld werd van eenige verandering in de Confessie te doen, maar alleen om uit collatie van diverse copyen een vaste en authentique copye te maken."


3. Uit het denkbeeld van den Voorzitter, om de revisie geheel, buiten de Synode om, aan een Commissie over te laten.

Dit toch zal elk die nadenkt ons wel toestemmen, dat, indien gelijk Dr. Van Toorenenbergen meent, ook een ten deele dogmatische revisie in het zin der Synodalen had gelegen, bij geen mogelijkheid aan iemand anders, dan aan de geheele Synode de behandeling dezer zaak kou worden toevertrouwd.

Nu lezen we intusschen in de belangrijke mededeelingen van Voetius, die zelf de Synode bijwoonde, dat Bogerman den 21sten Mei in de 148ste zitting verklaarde: „Morgen moet de Synode afloopen, en het beste is derhalve, dat we een Commissie benoemen om deze zaak af te doen!"; maar dat men van meer dan éénen kant hiertegen opkwam, „overmits een zoo gewichtig werk als de vaststelling van den tekst der Confessie niet dan tijdens de Synode en door de Synode zelve kon worden afgedaan!" Vooral Professor Gomarus kwam zeer ernstig tegen dit voorstel van Bogerman in verzet, en bewoog zijn medeleden, om van zulk een denkbeeld voorgoed af te zien; vooral met het oog op wat een enkele scheen te willen drijven met opzicht tot Art. 22 over de voldoening.

Bogerman zal waarschijnlijk zelf blij geweest zijn dat zijn voorstel viel, want achter dat spoed maken om reeds op 22 Mei de Synode te sluiten, zaten natuurlijk de politieke gedelegeerden, die op de kosten zagen en naar den Haag moesten. En Bogerman kon dan ook, als Praeses, geen veiliger weg volgen, dan om de wenschen der politieken eenvoudig door de Synode zelve te laten afwijzen.

Maar wat men ten deze ook van Bogerman oordeele, zooveel staat dan toch vast, dat hij het niet beneden zijn waardigheid, noch in strijd met zijn karakter vond, voor te stellen, dat heel deze resumtie aan een Commissie zou worden overgelaten; iets wat hij, ware er sprake van dogmatische revisie geweest, natuurlijk niet had kunnen doen.


4. Uit het getuigenis van den Gereformeerden Canonist, die dé Dordtsche Synode bijwoonde.

Want, niet waar, al veroorlooft Dr. Van Toorenenbergen zich de vrijheid, om tegen het eenparig getuigenis der kerk nog maar steeds vol te houden, 132 dat de Dordtsche revisie wel terdege ook „zaken" betrof, tegen Voetius zal hij toch wel niet opdurven.

Laat Dr. Van Toorenenbergen nog zoo bekwaam in zake van ons kerkrecht zijn, toch zal hij bij den Gereformeerden Canonist Voetius zichzelven wel niet vergelijken willen.

En althans, waar het de vraag geldt, wat op de Synode van Dordrecht bedoeld en gebeurd is, zal het onzerzijds wel niet onbescheiden worden geacht, indien we aan Dr. Van Toorenenbergen den vriendelijken eisch stellen, dat hij ons toesta Voetius, die er zelf geweest is, te gelooven boven hem.

Welnu, Voetius heeft zich eens de moeite gegeven uitdrukkelijk en opzettelijk de vraag te behandelen: „Of de Confessie op de Synode van Dordt in 1619 veranderd is?"

En op die vraag nu geeft hij dit zeer duidelijke antwoord: „Wij verklaren van neen, en houden vol dat de Confessie als zoodanig niet veranderd is, noch door bijvoeging, noch door weglating, noch door in de plaats stelling van andere woorden. Wat te Dordt geschied zij, blijkt uit de Postacta van de 171-173 zittingen. En indien iemand zich de moeite gunt, om den Dordtschen tekst van de Belijdenis met dien van vroegere uitgaven te vergelijken, zal hij zelf zien, dat de wijziging van sommige uitdrukkingen niets gemeen heeft met een verandering van de Confessie."

En na voorts een bijna complete lijst tot zelfs van de onbeduidendste veranderingen geleverd te hebben, besluit Voetius met deze veelzeggende verklaring: „Hieruit blijkt nu ten duidelijkste, dat er in de zaken te Dordt niets hoegenaamd in de Confessie is aangebracht, waardoor men zou zijn afgeweken van wat vroeger in de Confessie stond."


En 5. uit de verklaring van de Drentsche afgevaardigden die, rapport doende van wat op de Synode was voorgevallen, meêdeelden, dat de Confessie onveranderd was gebleven.


Hun rapport was van dezen inhoud:

„8. De Nederlandsche Confessie is bij gemeene stemme vor een suiver schrifft geordelt, en onnodigh gefunden, iehts wat darin te veranderen, utbesondert dat (terwijler diverse editien syn) eenige phrases en worden duitlicker gesettet sindt.

9. Insgelicken is ock also van den Heidelbergschen Catechismo geordelt, en deselve vor orthodox geapprobert: en wat aangaat de bedenckungen der Remonstranten hebben de Palatini ein schrifft dar tegen gestelt." 133

Ook hier blijkt dus elke twijfel volstrekt overbodig.

De toedracht der zaak toch staat in een licht helder als de dag voor ons en komt op het hier onderstaande neêr:

1. Op de Generale Synode heeft men, op aandrang der Politieken heel de Confessie en den Catechismus aan de approbatie der Gereformeerde wereldkerk onderworpen. Welke approbatie onvoorwaardelijk en zonder eenige de minste wijziging in de substantie (d.i. in den inhoud) verkregen is.

2. Nadien deze approbatie verkregen was, heeft men volstrekt niet besloten om telken derden jare de Belijdenis nogmaals te herzien, maar eer vlak omgekeerd en integendeel elke mogelijkheid van een revisie, die den leerinhoud, den Gereformeerden typus, in onze Confessie wijzigen kon, schier voor altijd uitgesloten, door te verklaren: „dat men deze Gereformeerde leer onverminkt en ongeschonden zou overleveren aan de nakomelingschap tot op de wederkomst des Heeren."

Wat natuurlijk niet sloeg op toelichtingen, bewijsvoeringen of leerontvouwingen, maar alleen hierop, dat de zuivere waarheid, gelijk men die 1º. tegen de Roomschen, 2º. tegen de Dooperschen, 3º. tegenover de Socinianen, en 4º. tegen de Arminianen verdedigd had, en dus met name de leer der Uitverkiezing nimmermeer zou laten verwateren of verzwakken.

En 3. Na afloop der Generale Synode is in de Nationale Synode den 13 Mei 1619 een Commissie benoemd, bestaande uit de heeren Thysius, Faukelius, Colonius, Hommius en Udemanus, met last om de Latijnsche, Frausche en Nederduitsche uitgaven van de Belijdenis te vergelijken, en hieruit één deugdelijken, zuiveren tekst te formeeren. Een louter formeel mandaat alzoo.

Tien dagen hebben deze heeren hieraan besteed, voor zooveel de voor- en namiddagzittingen der Synode, alsmede andere Commissiën, hun tijd lieten. Veel meer dus dan een paar uur per dag niet. Wat, na aftrek van den Zondag, weinig meer dan 14 à 16 uren overlaat.

Den 23sten Mei is toen de door hen ontworpen tekst voorgelezen, met aanwijzing zooveel noodig van de reden waarom zij den tekst aldus hadden vastgesteld. En toen hiermeê de morgenzitting spoedig geheel was ingenomen, zonder dat men klaar kwam, is men na den eten met de lezing voortgegaan, en daarna begonnen aan de bespreking der veranderingen.

Toch vorderde men daarmeê weinig, overmits de Voorzitter Bogerman zelf het woord nam, om voorlezing te laten doen van twee uitvoerige stukken, hem door de Paltzische en Hessische afgevaardigden ter hand gesteld, strekkende, om ter gelegenheid van de tekstrevisie, zoo mogelijk tevens een kleine dogmatische verandering in art. 22 aan te brengen. Prof. Sybrandi Lubbertus, gelijk uit Walaeus' brieven blijkt, voegde zich daarbij, en 134 zoodoende stond de Synode onverwachts voor de zeer ernstige vraag, of men tot zulk een wijziging recht had.

Met de discussie hierover verliep de geheele namiddagzitting van Donderdag 23 Mei, en de Praeses moest de Collegiën verzoeken na afloop, nog apart te willen vergaderen, om den volgenden morgen over deze hoogstgewichtige aangelegenheid advies uit te brengen.

Dit gebeurde Vrijdagmorgen, en daarop is met de eenparige stem van alle collegiën gedecreteerd, dat men blijven zou bij wat er stond, en niet het recht had, om ook maar iets in den zin der Confessie te veranderen. In de bijvoeging „en in onze plaats", die den zin niet raakte, zag men geen bezwaar.

En toen eerst; dus omstreeks Vrijdagmorgen tien uur; is men begonnen om de voorgestelde wijzigingen na te gaan, en nog enkele andere, die inmiddels voorgesteld waren, te bespreken.

Dit liep af voor den eten, en kan dus op zijn allerhoogst de Synodale heeren drie uren hebben bezig gehouden.

Van het beweren dat er drie à vier zittingen met deze revisie zijn heengegaan, blijft dus na aftrek van wat hier onwaars in school, weinig meer dan even zoovele uren over, en ook de poging om langs dezen weg bij Dordt steun voor zijn on-Dordtsche denkbeelden te vinden, blijkt ten eenemale mislukt.

*

En vraagt men nu ten slotte, vanwaar dan toch die talrijkheid van kleine wijzigingen, die de Synode van Dordt aanbracht, dan vergunne men ons op tweeërlei te wijzen.

En wel ten eerste op een zeer aanmerkelijk verzuim, waaraan Dr. Van Toorenenbergen zich bij zijn tekstcritiek heeft schuldig gemaakt, door het buiten rekening laten van den Latijnschen tekst.

De Dordtsche tekst toch is wel terdege mede uit de latijnschen tekst getrokken. De Postacta sess. 155 zeggen het nadrukkelijk. Zóó zelfs dat de Latijnsche tekst in de eerste plaats wordt genoemd.

Evenzoo handelde men op de Gorkumsche Synode van 1606, waar het in Art. 42 heet:

„De Nederlandsche confessie verscheydelyck in woorden, doch een in substantie, gedruckt, zynde te doorzien, ende met de oudste, item het Latynsche ende Fransche exemplaer by de Fransche kercken bewaert, te confereren, is raetsaem gevonden, door den Gedeputeerden des Synodi gedaen, ende mede tot het voorgaande art. gerefereert te werden."

Meer dan ééne nu schijnbaar nieuwe lezing zou dus terdege blijken van 135 ouder datum te zijn, indien deze leemte in Dr. Van Toorenenbergens anders uitstekende vergelijking werd aangevuld.

Maar wat ten tweede meer nog afdoet: meer dan een enkele dier veranderingen werd geëischt door de vooral toen zoo sterke ontwikkeling van onze taal.

Onze Belijdenis was een vertaling uit het Fransch, en droeg, helaas! het kenmerk van vertaling te zijn, in meer dan één on-Hollandsche zinsbuiging maar al te merkbaar, aan zich.

Maar in het tijdperk, dat tusschen 1566 en 1619 lag, had het Fransch hier merkbaar aan invloed verloren, en won daarentegen het Hollandsch in aanwijsbare mate aan zuiverheid, gespierdheid en zelfstandigheid van karakter.

Och, de taal is al het volk. En toen het volk vrij werd, sloeg vanzelf dus ook de ure der vrijmaking voor onze Nederlandsche taal.

Dat nu de Gereformeerde leiders dier dagen het pit en merg onzer prachtige taal zuiverder dan menig ander in zich hadden opgenomen, weet men uit de Statenvertaling. En zoo is het dan volkomen goed te begrijpen, dat mannen als Hommius, die meê de taal van ons land gemaakt hebben, zich alleszins gerechtigd en bevoegd hebben geacht, om over het vertaalde stuk, dat men hun voorlei, hier en daar de breede Hollandsche schaaf, zoo lang en zoo dapper te laten heenschuiven, tot weêr een hinderlijke Fransche oneffenheid er uit verdween.




a Eerder gepubliceerd als ‘Revisie der Formulieren van eenigheid' IX, De Heraut No. 77 (1 juni 1879).


X. Nalezing op de Dordtsche Acten.

a


Eer we van Dordt afstappen, resten ons nog drie punten ter bespreking: 1. Mag de revisie der Formulieren binnengesloken onder de revisie der kerkorde? 2. Verschillen de Canones van Dordt in autoriteit van de artikelen der Confessie? En 3. wat is na de Dordtsche Synode over de revisie geoordeeld?


1. Mag de revisie der Formulieren binnengesloken onder de revisie der kerkorde?

De legende van de driejaarlijksche revisie is ook verdedigd op grond van art. 31 der Dordtsche kerkorde.

Niet, het zij tot zijne eere gezegd, door Dr. Van Toorenenbergen, maar door mindere geesten.

Die geven namelijk voor, dat uit Art. 31 der kerkorde, mits nauwkeurig 136 bezien, op het allerduidelijkst viel af te leiden, hoe door de Dordtsche Synode zelve wel terdege gestadige revisie op elke navolgende Synode was bedoeld.

Dit artikel luidt: „Zoo iemand zich beklaagt, door de uitspraak van een mindere vergadering verongelijkt te zijn, die zal zich op een hoogere vergadering beroepen mogen; en wat daar met de meeste stemmen goed wordt gevonden, zal voor vast en bondig gehouden worden. Tenzij dattet bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods, ofte tegen de artikelen in dezen Generalen Synode besloten, zoo lang als dezelve door geene andere Generale Synode veranderd zijn!"

Daar had men het dan nu!

Daar stond het klaar en duidelijk: „zoolang als die nu vastgestelde (vijf) artikelen niet door een andere Generale Synode veranderd waren!"

Het was de bekende Zwolsche predikant Anthonius van der Os, die zich het eerst in 1754 op grond van dit opgenomene in de kerkorde, aan de klemmende kracht van de Formulieren van eenigheid zocht te ontwringen; maar die dan ook èn door de Deputaten van Zuid-Holland èn door de Synode van Delft in 1754, naar ons voorkomt op volkomen steekhouden gronden is weêrsproken en tegengestaan.

Drie argumenten vooral beslissen de zaak; waarom we de overige glippen laten.

Het eerste is, dat de bewoording van dit artikel der kerkorde letterlijk is overgenomen uit de kerkorde van 1586. Overmits nu in de Synode van 1586 wel artikelen van kerkorde zijn vastgesteld, maar geen enkel artikel van dogmatischen inhoud is aangenomen of ook maar in behandeling is geweest, zoo volgt dus reeds hieruit, dat de uitdrukking „tegen de artikelen in dezen Generalen Synode besloten" in 1586 niet op de leer slaan kon. Terwijl bovendien een uitdrukking, die in 1619 woordelijk wordt overgeschreven uit een kerkorde van 1586, uiteraard niet doelen kon op de Canones van 1619, als die in 1586 nog niet bestonden. Waar dan ten laatste nog bij komt, dat de uitdrukking van „artikel" zonder meer voor de Dordtsche leerregels ongewoon is, en die van Canones meer gangbaar. De zegswijs van „quintarticulana declaratio" was op de Dordtsche Synode zelve nog niet in zwang.

Ten tweede, zou men, bijaldien in art. 31 der kerkorde de uitdrukking: „tegen de artikelen in dezen Generalen Synode besloten" te verstaan van de leerartikelen, tot dit zonderlinge resultaat komen, dat wel de „Dordtsche Canones", maar niet de Confessie of de Catechismus kon worden gerevideerd. Wat ongerijmd ware.

En ten derde wordt de bedoeling van artikel 31 der kerkorde zeer klaar en helder toegelicht door haar slotartikel, waar staat: „Deze artikelen, de wettelijke ordeninge der kerken aangaande, zijn also gestelt en aangenomen 137 met gemeen accoort, dat zij veranderd, vermeerderd of verminderd mogen én behooren te worden, indien het profijt der kerken zulks vereischt."

Hier toch wordt met zoovele woorden de nadere omschrijving gegeven, van wat onder de uitdrukking: „deze artikelen" te verstaan is, en wordt op een wijze, die voor geen tweeërlei opvatting vatbaar is, op de meest voorzichtige wijze uitgesproken, dat de zegswijs „deze artikelen" niet op de leerartikelen slaat, maar alleen en uitsluitend en eeniglijk op de kerkorde.

Verder verdiepen we ons dan ook in de weêrleggiug van dit onhoudbare en gezochte beweren niet.

Wie er meer van lezen wil, vindt er van gehandeld in De Moors commentaar op à Marck. Tom. VI. 359-372.

Immers zooveel bleek uit deze drie beslissende en afdoende argumenten reeds overtuigend en onweêrkprekelijk, dat voor de legende der driejaarlijksche revisie, als door de Dordtache Synode verordend, ook aan dit stroospiertje geen schijn zelfs ter reading van haar innerlijke waarheid te ontleenen valt.

*

2. Verschillen de Canones van Dordt in autoriteit van de artikelen der Confessie?

Ook dit is een dier punten, die op zeer zonderlinge manier, op gezag van onzen broeder Dr. Van Tooreuenbergen, jarenlang, in zeer uitgebreiden kring, vooral onder predikanten, voor axiomata golden.

Er moest, zoo werd geleeraard, ten ernstigste worden gewaarschuwd tegen het stellen op één lijn van Confessie, Catechismus en Canones. Zoo maar rauwelings weg van drie Formulieren van eenigheid te spreken, getuigde van bekrompen zin en onbekendheid met de historie onzer kerk.

Aan zoo iets hadden de vaderen nooit gedacht.

Die Canones droegen én een exceptioneel én deswege slechts een tijdelijk karakter.

Ze waren opgesteld als verweermiddel tegen zeker soort kerkvijanden uit de 17e eeuw, en hadden dus met het uitsterven van dat soort tegenstanders, welbezien, hun toepasselijkheid verloren.

Nu nog de kerk aan deze Canones te willen binden, was dan ook de orde der dingen in hun tegendeel omkeeren.

En om ons toch recht duidelijk te doen gevoelen hoe ondergeschikt, onbeduidend en ontbloot van autoriteit deze Canones waren, vond Dr. Van Toorenenbergen zelfs de keurig en scherp gekozen formule uit, waardoor ze verklaard werden voor „een soort symbolische apocryfen."

Zooals de apocryfe Bijbelboeken tot de canonieke stonden, evenzoo zouden dus de Canones tot de Confessie en den Catechismus staan. 138

Wat dus zeggen wil, dat overmits de canonieke boeken op Gereformeerd terrein alle en de apocryfe gansch geene autoriteit bezitten, dat alzoo ook de autoriteit op confessioneel terrein geheel en alleenlijk zou toekomen aan de Confessie en den Catechismus en ganschelijk niet aan de Canones van Dordt.

Een ongehoorde stelling, waarvoor dan, let wel, geen ander bewijs werd bijgebracht dan dat men de artikelen van Dordt „nooit afgedrukt heeft achter onze kerkboeken!"

Ook van dit beweren intusschen blijft bij eenig nader bezien niets of althans ternauwernood iets over.

Wel dient toegegeven, is altijd erkend, en geven dan ook wij voetstoots toe, dat de Confessie en de Canones van zeer uiteenloopenden oorsprong zijn, in zeer onderscheiden toon spreken en een zeer verschillend karakter dragen.

De Confessie is aan den voet van den brandstapel, het stel Canones in een kerkelijke Commissiezaal opgesteld.

In de Confessie spreekt de Gemeente op roerenden toon de volheid haars geloofs uit, terwijl in de Canones met juistheid de formuleering der waarheid veilig wordt gesteld tegen haar ontduikers en bestrijders.

Eindelijk, de Confessie is de geboorteacte der kerk, terwijl de Canones de taal spreken van den volwassen, bezonnen, rijp ontwikkelden man.

Maar wat zou dit alles af- of toedoen aan hun kerkelijke autoriteit?

Laat men dan althans beginnen met ook den Heidelbergechen Catechismus op zij te zetten.

Die toch is ook een product van het studeervertrek; ook op anderer last door kundige godgeleerden opgesteld; en ook, eer hij uitging, aan anderer goedkeuring onderworpen.

Ursinus en Olevianus waren niets vromer noch orthodoxer noch geleerder dan Gomarus en Walaeus.

De theologen, die op last van de Duitsche vorsten dien Catechismus hebben nagezien, hadden niets vooruit boven de gedelegeerden van diezelfde vorsten of van de koningen uit andere landen, die te Dordt over de Canones stemden.

En wilde men nog een verschil maken, dan zou men eer nog kunnen zeggen, dat men in 1618 verder in de theologie was dan in 1563; dat de tijden kalmer waren, om te doorzien wat men deed; en dat de kerken beter dan in 1560 berekend waren voor het handelen in wettigen geordenden weg.

Er is dus letterlijk geen enkele titel waarop de Heidelberger bogen kan, of de Canones hebben dien ook, en indien men dus op moreele autoriteit komt, dan willen we toch gevraagd hebben, welke geloofsartikelen ooit 139 langer geprepareerd, met meer zorg doordacht en opgesteld en door wijdlufter vergadering, op Gereformeerd terrein, zijn goedgestemd dan deze zelfde, zoo het dan heeten moet, apocryfe Canones?

En onderzoekt men nu verder welke autoriteit de kerk in haar ambtelijke betrekkingen aan deze Canoness heeft toegekend, dan vindt men, dat ze én in de onderteekeningsformulen én in haar bepalingen van kerkorde, nooit eenige autoriteit aan de Confessie heeft toegekend, die zij niet tegelijk en gelijkelijk en onder juist dezelfde conditiën óók heeft toegekend aan de Canones.

Vindt men dat ook de Leidsche Academie de Canones in éénen adem en op precies dezelfde manier noemt en eert als de Confessie.

En vindt men dat evenzoo de Hoog-Mogende Heeren Staten-Generaal én in 1619 én in 1651, beide op volkomen gelijke lijn hebben geplaatst; gelijk voor 1619 blijkt uit de approbatie der Dordtsche besluiten van 2 Juli en uit den brief aan de vreemde Hoven van 27 Maart 1620. En voor 1651 uit de bekende resolutiën der Groote Vergadering.

Ook de Staten van Holland hebben nog in 1675 en in 1694 bij resolutie van 9 April en 18 December, geheel dezelfde gelijkstelling uitgesproken.

En toen in 1753 de predikant A. van der Os het tegendeel staande hield, heeft, gelijk ons boven reeds bleek, de Synode van Delft geen oogenblik geaarzeld, nogmaals haar zegel te hechten aan het oude, overbekende, tot dien tijd toe nooit betwijfelde standpunt.

En wat nu ten slotte dat niet afdrukken van de Canones achter de kerkbijbels betreft, zoo is het volkomen verklaarbaar, dat men in boeken voor den eeredienst, die in de kerken gebezigd werden, een reeks geloofsartikelen wegliet, die er blijkbaar niet op waren aangelegd, om in de kerk te worden aangewend, maar om aan de poort van het kerkelijk ambt, den man die van buiten inklimt en de zielen misleidt, te onderkennen van den prediker der waarheid.

Ook van deze voorstelling blijft dus niet het minste over, dat een element zou bieden voor nadere discussie.

*

En wat nu de 3de vraag aangaat: Wat is na Dordt over de revisie geoordeeld?, dan bepalen we ons tot Voetius, Maresius, het examen van Tolerantie (Comrie) en De Moor.

Voetius, onze principaalste canonist en de vader van het Gereformeerde kerkrecht, wiens Politia Ecclesiastica in de bibliotheek van geen enkel 140 Gereformeerd predikant ontbreken mocht, heeft op het allernauwkeurigst vlak na Dordt, zijn gevoelen in dezer voege saâmgevat:

1. De Formulieren van eenigheid kúnnen wijziging ondergaan, maar niet dan in de alleruiterste noodzakelijkheid. Maar wordt er een klaarblijkelijke fout in aangewezen; of blijkt iets dubbelzinnig geschreven te zijn; of ook zijn er nieuwe ketterijen opgekomen, die weerlegging eischenr: — dan heeft de kerk alleszins het recht die bepaalde fout er uit te nemen; dat dubbelzinnige te beslissen; of door een breedere verklaring den zin der Formulieren nader uit te leggen (P.E. IV. 21).

2. Een ongehoorde nieuwigheid is het echter te beweren, dat de Formulieren op elke Nationale Synode herlezen en herzien behooren te worden, teneinde hun artikelen aan een onderzoek te onderwerpen, en dat hierover zouden kunnen stemmen Synodale leden, die in geen verband van eede aan die Formulieren verbonden zijn. Neen, de Synoden der kerk zijn geen wetenschappelijke vergaderingen van theologen, waar de resultaten hunner studiën te berde komen, maar wel geestelijke gerechtshoven, die recht hebben te spreken, over klachten die tegen de Formulieren, in den wettigen weg, door daartoe rechtens bevoegden zijn ingediend. Maar geheel dit verzinsel, om van de Synode een dispuut-college te maken, of op vaste revisie te staan en heel de Formulieren telkens opnieuw te toetsen, is beleedigen voor elk eerlijk besef, alsof onze predikanten geloovigen van een dag en onze kerk een gelegenheids-belijderesse ware, die niet vroeg, wat dusver geleerd en beleden was, maar eens maken en opstelling ging, wat men voortaan zou belijden (P.E. IV. 29).

Met name mag nooit of nimmer toegelaten, dat wie ook over een wijziging van de Formulieren meê zou kunnen stemmen, die ze niet eerst persoonlijk onderteekend had en er ook tijdens de revisie aan bleef verbonden. (P.E. IV. 30).

3. Het is volstrekt niet waar, dat onze kerk niets bepaalders te belijden afeischt, dan in de Harmonie van Gereformeerde Belijdenissen voorkomt. Want wel is door de Geneefsche godgeleerden zulk een Harmonia in 1582, en op breeder voet nog in 1612, uitgegeven; maar, gelijk we uit de correspondentie van Zanchius met Danaeus weten, alleen met het doel om tegenover de Duitschers van onze eenheid te getuigen. Want wilden wij onze kerk binnen dat algemeene besluiten, wat zouden we dan anders doen, dan het meerdere licht, dat God aan onze kerk gaf, weêr onder de korenmaat zetten? (P.E. IV. 31).

4. Op de vraag of onze Formulieren ooit, en met name in 1619, veranderd zijn in belijdenis, antwoordt hij: Mogelijk ware dit alleszins in het afgetrokkene geweest. Maar bij onderzoek blijkt, dat er niets in de 141 Confessie veranderd is door bijvoeging van eenige nieuwe zaak, noch door bijvoeging van eenigen nieuwen bewijsgrond, noch door bijvoeging van eenige nieuwe gevolgtrekking. En evenmin door schrapping hetzij van zaken, hetzij van bewijsgronden, hetzij van gevolgtrekkingen. Noch ook eindelijk door wijziging van zaken, bewijsgronden of gevolgtrekkingen. Want de opstelling der 5 Artikelen gaf geen de minste wijziging. De vroeger gedane correctiën betroffen alleen den vorm. En te Dordt is uitdrukkelijk gezegd, dat men niets veranderen wilde. (P.E. IV. 52, 3).


Maresius geeft in de voorrede op zijn uitlegging van de Ned. Geloofsbelijdenis ongeveer een gelijkluidend advies als Voetius.

Ook hij toch geeft veer stellig toe, dat de kerk, die een formulier van belijdenis opstelt of aanneemt, ook het recht bezit om het te herzien, aan te vullen en breeder te verklaren. Maar komt er evenals Voetius tegen op, dat dit ooit als regel of als verplichtend zou gesteld worden, en acht het dies ongeoorloofd, dat de Synode eens aan het werk zou tijgen met het uitgesproken doel om de Formulieren te veranderen (pag. 5).

Hij getuigt dan ook, dat de voorlezing er van op de nationale Synode allereerst ten doel had, het hernieuwen van de Belijdenis, waarin de eenheid der kerk gebonden lag, zoodat niemand tegen deze Belijdenis kon leeren, zonder zich feitelijk buiten de kerk te zetten (p. 6).

Heeft intusschen iemand eenige ernstige bedenking tegen iets dat in de Formulieren voorkomt, dan zoeke hij eerst raad bij zijne geestelijke vrienden; wachte geduldig tot de Heere hem meerder licht schenke; en onderwerpe zich aan het oordeel der komende Synode. En liever dan, ter wille van zijn private meening de kerk te beroeren, zwijge hij of trede uit zijn ambt als leeraar. (Eligetque potius aut de iis quae sentit tacere, aut etiam publico abstinere Ministerio) (p. 7).


Comrie in het nog altijd even prachtige „Examen van Tolerantie" (1757) staat op hetzelfde standpunt!

Schrift en Woord zijn twee. Want in den Bijbel spreekt God zelf tot ons door zijn Geest; maar in de Confessie spreken wij met en tot elkander voor Gods oog, van die goddelijke zaken, die wij krachtens zijn Woord gelooven (p. 70).

Juist daarom blijven deze Confessiën den Woorde Gods altijd examinabel, mogen ze ook uitgebreid en breeder verklaard worden. Evenwel niet dan onder beding, dat de waarheid der kerk waarheid blijve (p. 84).

„Schoon ik de kerke geenzins de macht toestaan zonde, om nieuwe leerstukken vast te stellen, en het geloof van die tot hare gemeenschap behooren daaraan te verbinden, dat 142 antichristisch is, zo achte ik evenwel dat in zulke gelegentheden, daar het de noodt vordert, de kerke bevoegt en geregtigd is, om den zin van hare leeringen volgens den onfeilbaren regel van Gods woort, nader te verklaren; gelijk in veele christelijke kerkvergaderingen, bij voorbeelt die van Ephesen en Chalcedon, omtrent de natuurvereeniging in de persoon van Christus, geschiedt is, en door die verklaringen hare geloofsbelijdenissen meerder uit te breiden, om de inbrekende dwalingen en ketterijen tegen te gaan. Heeft dit in Politicis plaats, dat een sociteit met onderlinge zamenstemminge op zekere grondvesten opgericht, de macht heeft, om bij voorkomende gelegentheden, ter bewaringe en bevorderinige van de welstand van het burgerlijk lichaam, door nieuwe besluiten, verklaringen en, uitbreidingen van hare wetten, nadere bestellinge te maken, evenwel zoo, dat de grond-constitutie van de sociteit daardoor niet gealtereert nog tegengegaan werd: zoo zie ik geen reeden, waarom men eene christelijke gemeenschap, welker grondwetten, ten aanzien van haar geloof en wandel, het woort Gods zijn, de macht zoude weigeren, om zeekere belijdenissen en nadere verklaringen daarvan, te maken, opdat elk wete, wat zij ten aanzien van de opgerezene dwalingen en ketterijen gevoelt, en hoe zij die stukken der leere, van alle die in hare gemeenschap begeeren te blijven, wil verstaan hebben; wel verstaande, dat zij in deze nadere verklaringen de grondwetten niet te buiten gaa, nog in de constitutie veranderinge maak."

Voor consciëntiedwang zijn deze schriften nooit misbruikt en steeds bepaalde zich alle geschil tot de vraag: „Zijn ze conform aan den Woord Gods?"


En de hoogleeraar De Moor eindelijk, die in het laatst der voorgaande eeuw à Marcks Dogmatiek commentariëerde, bleef aan deze nobele en gereformeerde traditiën, met zaakkennis en beslistheid van overtuiging, getrouw.

Ook hij toch erkende, dat Gods Woord de eenige regel was van ons geloof en onzen wandel, maar dat, rees er quaestie over onze aanhorigheid tot het kerkelijk geheel, wel terdege de Formulieren van eenigheid moeten beslissen (Tom. VI. p. 392).

Over het recht van revisie en de bedingen daarbij in acht te nemen, onderschrijft hij geheel het oordeel van Voetius (p. 372).

Te Dordt is in 1619 ook z.i. niets hoegenaamd aan de beleden zaken veranderd, maar alleen de uitdrukkingswijs herzien, „dewijl de wijze van in de eene en andere taal te schrijven met verloop van tijd merkbare wijziging had ondergaan" (p. 371).

Zelfs de tekstrevisie van 1565/6 acht hij, op gezag van Thysius, dat buiten de zaken en den inhoud der Belijdenis is omgegaan.

En wat alles, afdoet, om het dolzinnige beweren van A. v.d. Os, die de Formulieren van eenigheid weêr op losse schoenen wou zetten, uit te kleeden, dat er niets van overbleef, heeft De Moor een betoog van bijna 50 bladzijden quarto geleverd, die in fijnheid van disputeerkunst tot de keurigste brokstukken uit zijn arbeid behooren.

Over de Walchersche artikelen, die, tegen Vlak, Roell en Becker zijn opgesteld, evenals over de Zuidhollandsche nadere verklaringen tegen de Remonstranten, behoeft hier niet gehandeld. Deze toch gingen niet van 143 de kerken, als geheel, maar slechts van een enkele groep in haar midden uit. Niet volgens kerrkrecht, maar uit nooddwang. Overmits de Nationale Synode ontbrak. Cf. Brahe, de Walchersche artikelen.

Voor ons onderhavig doel is het dan ook volkomen toereikend indien in het bovenstaande nogmaals, en nu, we meenen, haast volledig bewijs is geleverd, voor wat nog Donker Curtius en ten deele ook Scholten, beweerd heeft, en ongetwijfeld dan ook gangbare munt in onze kerkelijke opinie zou gebleven zijn, indien niet van Irenischen kant, in den trant van Seldenius' vroegere beweringen, nogmaals een gevoelen over hetgeen met de Formulieren van eenigheid gebeurd was, gebeuren mag en gebeuren moet, was opgekomen, dat bijna door heel ons corps van orthodoxe predikanten, op het schijnbaar welgefundeerd gezag van Dr. Van Toorenenbergen, is nagesproken, en meer dan men oppervlakkig vermoeden zou, tot het troebel maken van de publieke opinie over wat ons kerkrechtelijk te doen staat, zeer tot schade van de veerkrachtige ontwikkeling onzer kerk, heeft medegewerkt.




a Eerder gepubliceerd als ‘Revisie der Formulieren van eenigheid' X, De Heraut No. 78 (8 juni 1879).


XI. Bedingen van wettige revisie.

a


Op grond van wat de historie leert, komt alsnu ons slotbetoog de voorwaarden aantoonen, waaronder thans revisie der Formulieren zou kunnen plaats hebben.

Een punt, waarvan het hoog gewicht niet licht kan worden overschat.

Immers, mocht het vroeg of laat, naar Gods believen, in deze landen ooit weêr tot een herstel van de kerk der vaderen komen, dan zou men, ook na uitdrijving van het Modernisme en Arianisme, onder wie alsdan van orthodoxe belijdenis overbleven, terstond voor de vraag komen te staan: Op wat grondslag bouwen we dan nu?

En dan zouden zeer velen der Irenischen en ongetwijfeld ook enkelen onder de Gereformeerden, zoo predikanten als leeken, bezwaar hebben in het eenvoudig weêr opnemen van de oude Formulieren en de oude kerkorde. Althans men zou, ook bijaldien nog alles bruikbaar bleek, dit toch zelf, na voorafgaand aanhooren van tegenbedenkingen, en met heldere bewustheid willen constateeren.

En dááraan eenmaal toegekomen, dan, het spreekt vanzelf, dan kán het niet uitblijven, of van den éénen of den anderen kant, zal men den eisch opwerpen, dat eerst worde overgegaan tot revisie. 144

Er zijn tal van orthodoxe predikanten en gemeenteleden, die zulk een revisie begeeren, overmits zij tegen tal van uitdrukkingen en leerbepalingen, in de Formulieren van eenigheid zeer ernstig bezwaar hebben, ofschoon ze aan den Gereformeerden typus niet zouden willen raken.

Maar er zijn er ook, die wel terdege het „Dordtsche" om het nu maar eens zoo te noemen, uit onze Formulieren zouden willen uitlichten, om het te vervangen door meer Luthersche denkbeelden dé één door eenigszins Remonstrantsche voorstellingen de ander.

Terwijl er eindelijk nog een derde soort lieden gevonden wordt, die, hoewel met elke leerbepaling vrede hebbende, toch door meer dan één Schriftverklaring of manier van zeggen zich gedrukt gevoelen, en deswege een sobere uitzuivering niet ongaarne zouden zien.

Waar dan nog aan is toe te voegen, dat bijna door allen de gehoudenheid der kerk wordt erkend, om tegenover de vannieuws opgekomen ketterijen en den schrikkelijken afval op godsdienstig, zedelijk, maatschappelijk en staatkundig gebied, de belijdenis naar Gods Woord nader toe te lichten en breeder te omschrijven.

Maar hoe zal dat dan moeten gaan?

Naar welke regelen zal men zich bij zoo gewichtig werk hebben te gedragen?

Aan welke bedingen zal men, revideerende, gebonden wezen, om niet in ongebonden willekeur te vervallen?

Op die vragen zal dan toch een antwoord moeten gegeven worden.

Een antwoord nu te dringender noodig, wijl thans niet meer, gelijk in de 17e eeuw, de wereldlijke overheid tegen misbruik van macht en onbezonnen willekeur waken kan.

Bij stemming zulk een antwoord laten opmaken, gaat niet aan.

Want immers het is niet de vraag, hoe de meesten onder ons zouden willen dat het bij zulk een revisie toeging, maar hoe het daarbij behoort toe te gaan.

Er is een hoogere macht, waarvoor een iegelijk onzer, hetzij hij rechts of links sta, heeft te bukken.

En die hoogere macht, dat stemt men immers toe, is voor de vaststelling van de Formulieren van eenigheid niet meer de magistraat, maar alleen Koning Jezus, sprekende in zijn Woord, en dat Woord uitleggende in de oorkonden van zijn kerk.

Zoo blijkt dus vanzelf, dat op het terrein van een Gereformeerde kerk schier alles aan zal komen op de voor de hand liggende vraag: Wat leert desaangaande de historie?

En naardien de vraag: wat de historie leert? alleszins voor kalm en omstandig onderzoek vatbaar is, hebben we ter bedaring van het woelige 145 in de kerkgeesten, geen beteren raad gevonden, dan ten aanhooren van het groote publiek „de relaesen der historie" nogmaals na te vertellen en breeder dan dit dusver ooit gedaan was dit punt van historiën toe te lichten en duidelijk te maken.

En al geven we na voetstoots toe, dat een kenner der geschiedenis, die onze Gereformeerde sympathieën mist, op meer dan één punt licht tot een andere conclusie zal geraken, toch maken we ons sterk, dat niet licht iemand zich aan een weêrspreken van de alsnu in kaart gebrachte hoofdlijnen wagen zal, en dat door onze opstellen alle verdere bespreking dezer quaestie uit de sfeer der legenden weêr terug zal zijn geleid naar den vasten bodem der historie.

*

Maar juist daarom scheen het ons van belang, aan het slot van ons onderzoek genaderd, nu nog kortelijk de zoo natuurlijke vraag der nieuwsgierigen te beantwoorden: Wat hieruit nu volgt voor de revisie waar wij aan toekomen?

En dan zij het ons geoorloofd dáárop het hier navolgende in overweging te geven.


1. De eerstkomende revisie zal een exceptioneel karakter dragen.


Aan drieërlei zal dit exceptioneele liggen.

Vooreerst dááraan, dat er twee en een halve eeuw verliep, zonder dat er ook maar een enkele Synode-Nationaal van alle Gereformeerde kerken in deze landen saâmkwam.

Dit toch maakt, dat al dien tijd door de gelegenheid in rechten heeft ontbroken, om gerezen bedenkingen in den wettigen weg ter berechting aan te bieden. Waaruit valt af te leiden, dat er nu allicht meer aan bedenkingen zal zijn opgehoopt, dan anders ooit op eenige Nationale Synode zou zijn ingebracht. Iets dat te meer klemt, nu het eind der 18de en het begin der 19de eeuw één dier groote keerpunten in de geschiedenis van ons geslacht vormt, die evenals de eeuw der kerkhervorming, machtig plegen in te werken op de bestaanswijze van het bewuste menschenleven.

We zeggen dit niet zoozeer, omdat in dien tusschentijd de wetenschap vooruitging; want indien we iets van de diepte der dingen verstaan, is de wetenschap der godgeleerdheid op verre na niet meer op de hoogte, die ze eenmaal innam.

Aan historisch-critische inleiding moge thans een talent, als eertijds nooit 146 blonk, besteed zijn. In de kennis der theologia naturalis moge men vorderingen hebben gemaakt. De kerkhistorie moge een nieuw tijdperk van bloei zijn ingetreden. En ook de zedekunde verrijkt zijn meer dan ooit. Maar dit alles doet niets af aan het feit, dat in het centrum van alle theologie, d.i. in de kennisse van den levenden God en de door dien God geopenbaarde en gewerkte waarheid, dus over de eigenlijke levensquaestie der heilige godgeleerdheid een donker duister is getogen, dat nacht schijnt bij het licht dat eertijds schitterde.

Neen, wat we bedoelen is dit. Nu de denkwereld en het leven en dus ons bewustzijn zoo machtige wijziging onderging, ontstaat de zeer ernstige vraag, op wat wijs de door onze vaderen beleden waarheid, die ook wij onveranderd met hen en op hun voetspoor wenschen te belijden, met dit veelszins gewijzigd bewustzijn in bewuste aanraking en verbinding kan blijven.

En toch, dáar en dáárop vooral komt het voor de toekomst der Gereformeerde kerk aan.

Ten andere zal de eerstkomende revisie daarin hoogst exceptioneel zijn, dat de zonderlingste geesten tegen onze Formulieren op zullen doemen.

Nu eenmaal de tucht week en het snoeien is nagelaten en zelfs geen rankje tegen den muur werd opgebonden en dus alles wild dooreengroeide, is het niet te zeggen, wat zonderlinge raadslagen er door allerlei secten en dwaalgeesten tegen onze Confessie zullen beraamd worden.

Letterlijk zal niets meer veilig zijn.

Ieder zal iets anders willen.

En tenzij de kerk haar bedingen van revisie dubbel gestreng stelle, zal er van een leiden der geesten door de macht der historie nauwlijks sprake meer kunnen zijn.

En ten derde eindelijk zal men voor het ongerief staan, dat men zal te beraadslagen hebben zonder een goede kerkorde te bezitten en zonder dus zeker te zijn van behoorlijke deputatie of ook bedwang te kunnen uitoefenen, ter doorzetting van zijn besluiten. Met welke laatste opmerking natuurlijk bedoeld is, dat allicht een predikant of gemeentelid, die in het ongelijk worden gesteld, weigeren zullen zich te onderwerpen, om heil te zoeken bij den wereldlijken rechter.

Krachtens dit geheel exceptioneel karakter zal er derhalve eenerzijds met zachter oordeel dan gemeenlijk, maar ook anderzijds onder nog strenger bedingen dan oudtijds, dienen besloten te worden.


2. De Synode-Nationaal, die tot dit werk der revisie zal saâmkomen, moet in al hare leden aan de drie Formulieren van eenigheid door voorafgaande onderteekening verbonden zijn. 147


Van dezen eisch kan noch mag afgelaten.

Wij althans gaan nooit meê met wie minder biedt.

En niet genoeg kunnen we den Gereformeerden in den lande deze verplichting op het hart binden, om op dit beding onwrikbaar te staan.

Bezwaar kan dit niet inhebben, want een predikant of ouderling, die uit en naar Gods Woord belijdt wat onze vaderen uit en naar dat Woord als de ontvouwing van den Raad Gods beleden, en die dus niet in verzet komt tegen de stukken der leer, maar bedenkingen heeft tegen de wijze van inkleeding, of de manier van betoog en uitdrukking, kan en mag desniettemin, deze drie Formulieren met een geruste consciëntie onderteekenen, mits hij dés wel en deugdelijk zich bij zichzelven verzekerd houdt: 1º. dat zijn bedenking geheel en al steunt op Gods Woord; en 2º. dat hij bereid is, om, kreeg hij ongelijk, zich òf in bijzaken te schikken, òf af te zien van verdere verstoring der kerke Gods.

Dit punt, in ons historisch betoog breedelijk uiteengezet, behoeft hier dan ook niet verder betoogd!

Alleen sta hier nog bij, dat bij loslating van dezen band, elk andere band onvindbaar zou blijken.

En zonder band saâmkomend, zou er geen oorzaak zijn, waarom, naast Valeton Jr. een Van Koetsveld, naast een Van Koetsveld een Hofstede de Groot, naast dien weêr een Prins zou plaats nemen, om aldus langs al de sporten van de ladder onzer kerkelijke grootheden allengs af te dalen tot algeheele opzijzetters der Heilige Schrift als Dr. H. Oordt en Dr. A. Pierson.


3. Aan de Heilige Schrift zou niet mogen getornd worden.


Elk gravamen, waardoor eenige uitspraak in onze Formulieren aangaande de Heilige Schrift werd aangetast, zou men niet ontvankelijk behooren te verklaren, noch ook eenige „breedere verklaring" mogen opstellen, waarin ook maar van verre eenig minder gezag aan de Heilige Schrift werd toegekend, dan ze thans op het terrein onzer Formulieren bezit.

Niet alsof we op den duur „een breedere verklaring" ook van de leer aangaande de Heilige Schrift tegenover haar verminkers, ontzielers en verscheurders niet wenschelijk zouden achten.

Maar beginnen mag men o.i. daarmeê niet.

Deed men dat, dan raakte alles op losse schroeven en kwam er niets meer van onze kerk terecht.

Beeds Walaeus getuigde volkomen naar waarheid: „dat de Synode door 148 de Heilige Schrift wordt geoordeeld, niet omgekeerd de Schrift door haar. Zijnde zij •6D4JfJ"J@H d.i. „vallende buiten alle berechting van menschelijke vierschaar!"

En eerst later, als er weêr eenige gang, eenige wasdom uit Christus, eenige gezonde en normale krachtsontwikkeling in de kerken dezer landen merkbaar zal worden, dan, maar ook dan eerst zal de tijd zijn aangebroken, waarop men zonder gevaar van zich aan Gods heiligheden allerschrikkelijkst te bezondigen, over het stuk der ingeving, den inwendigen samenhang en het canoniek gezag der Heilige Schrift zijn oprechte belijdenis tegenover de loochenaars van Gods Woord breeder zal kunnen uiteenzetten.


4. Aan de Heilige Schrift alleen zij zulk een Synode bij haar uitspraken gehouden.


Dit spreekt vanzelf, maar dient dan toch uitgesproken.

Daarover mag quaestie noch twijfel bestaan.

Bij elk ander kerkelijk geschil gaat het pleit op hetgeen rechtens in de Formulieren vaststaat.

Maar komt het er op aan, om juist te beslissen, of iets in die Formulieren ook nog verder vaststaan zal, dan natuurlijk gaat het pleit alleen op het fundament van alle waarheid, gelijk dit ook in het getuigenis van profeten en apostelen der wereld gegeven is.


5. Ze kome saâm niet met den last om te revideeren; maar ga hiertoe dan slechts over, als dit haar zelve oirbaar dunkt en raadzaam.


Een gansch ordinaire voorzichtigheidsbepaling.

Er mag niet zoo maar, zonder eerbiedenis, gesproken worden van „dat de wetenschap zóóveel is vooruitgegaan!" en van „dat wij niet meer het keurslijf der vaderen kunnen aantrekken!" en van „dat wij de taal van onze eeuw moeten spreken!" en wat dies meer zij, als stond het reeds vooruit vast, dat de Formulieren zóó als ze nu daar liggen, in elk geval niet konden, niet mochten en dan ook niet zouden blijven.

Over dat alles valt vooruit niets te beslissen.

Daar kan niemand onzer vooraf anders dan een voorbarig oordeel hebben.

Dát is het juist wat zulk een geestelijke Synode dan eens zien zal.


6. Zulk een revisie zal moeten plaats hebben bij wijze van ingediende, welomschreven klacht, niet bij manier van losse examinatie. 149


Vooral bij de ontzettende verwarring der geesten, waaraan we thans toe zijn, kan dit niet anders.

Van een losse discussie over elk artikel, elke zinsneê, elken regel en elk woord zou doodeenvoudig niets terecht komen.

Dat wierd Babylon op en top.

En de eenige weg om tot ordelijk beraadslagen, nauwkeurig toetsen, rijpelijk overwegen en Godgevallig besluiten te komen, zou daarom zijn, dat de Synode de classes verzocht schriftelijk aan haar te zenden alle voorstellen tot ampliatie of alteratie der Formulieren, die door de predikanten, ouderlingen of gemeenteleden onder heur ressort mochten zijn ingediend.

Zulke voorstellen zouden dan van woorde tot woorde dienen aan te geven en uit te drukken wat men breeder en anders in onze Formulieren wenschte geschreven te zien, met volledige adstructie van de gronden, waaruit de noodzakelijkheid tot wijziging en de gepastheid van de voorgestelde verandering bleek.

Voorts zou ieder zulk een voorstel op eigen naam moeten indienen, zoodat men wist met wien men te doen had, en wat ieder inleveraar van voorstellen met zijn eigen voorstel wilde.


7. Geen revisie zou mogen plaats hebben, waardoor het specifiek Gereformeerde karakter van onze kerk werd aangetast.


Ieder stemt toe, aat een revisie niet te pas zou komen en naar recht en billijkheden op het allergestrengst te veroordeelen zou zijn, waardoor men onze Formulieren poogde om te zetten in een Joodsche confessie.

Ieder geeft ook toe, dat geen Synode, hoe wijdluftig ook, ooit de macht zou hebben, om van onze kerk een Turksche kerk te maken. Of ook een heidensche.

Ieder erkent voetstoots, dat de Synode elk zedelijk recht zou missen, om in onze Confessie weêr de mis in te voeren en ons Roomsch te maken.

Maar is dit zoo, welnu dan spreekt het ook vanzelf, dat geen Synode, met wat macht of gezag ook bekleed, ooit recht of bevoegdheid kan hebben, om ons Doopsgezind te doen worden, of ons Irvingiaansch, of Luthersch, of Darbistisch, of Remonstrantsch te maken, om de eenvoudige reden, dat onze kerk dan eenvoudig zichzelve zou ontbinden, en wij elk op onze eigene gelegenheid naar de Lutheranen of Mennonieten konden overgaan.

Hiermeê is dus duidelijk aangewezen, binnen welke grenzen zich zulk een revisie bewegen moet.

Raken aan wat ons van andere kerken specifiek onderscheidt en dus ons Gereformeerd karakter kenmerkt, dat mag ze niet. 150


En 8. Zou de tegenwoordigheid op zulk een Synode van deputaten van andere Gereformeerde kerken, ons alleszins gewenscht voorkomen.


Onze kerk is nooit een „apart Nederlandsch kerkje" geweest.

Steeds hebben we ons als een deel der wereldkerk gehandhaafd, en bleven we als zoodanig van onze geloofsgemeenschap met de Schotsche, Amerikaansche, Fransche, Zwitsersche, Duitsche en Boheemsche broeders ons steeds helder bewust.

Kon men derhalve ook deze kerken bewegen ons mannen te zenden, wier naam stond onder de Confessie van hun eigen kerk, gelijk die in de dagen der Hervorming door onze kerk erkend is, dan kon het veel beter dan een Presbyterian Council, tot sterking van den eenheidsband bijdragen, indien men in stille vreeze voor Gods aangezicht aan het weêr opwekken van een gemeenschappelijk belijdenis-leven de hand sloeg.




a Eerder gepubliceerd als ‘Revisie der Formulieren van eenigheid' XI, De Heraut No. 79 (15 juni 1879).


x
This website is using cookies. Accept