Gereformeerde dogmatiek. 1e druk

§ 45.

Geloof en Rechtvaardigmaking.

1. Het geestelijk leven, dat in de wedergeboorte ingeplant wordt, komt met het natuurlijk leven daarin overeen, dat het, om toe te nemen en op te wassen, gevoed en versterkt worden moet. Er is tusschen beide anders wel een groot onderscheid, want het geestelijk leven heeft zijn oorsprong in God, niet als Schepper maar als Zaligmaker; het is verworven door de opstanding van Christus; het is een eeuwig leven, dat niet zondigen en niet sterven kan. Maar desniettemin heeft de wedergeborene voortdurend noodig, om met kracht versterkt te worden door den Geest naar den inwendigen mensch. Ook deze versterking 512 des geestelijken levens is evengoed als zijn oorsprong uit God en den rijkdom zijner genade. Het leven van den geestelijken mensch is ook na zijn ontstaan geen oogenblik los te denken van God en zijne gemeenschap. Het is in denzelfden strikten en bijzonderen zin, waarin het uit God is, ook door en tot God. Hij is het, die het voedt en onderhoudt, die het nimmer laat varen, die het tot daden en werkzaamheden doet overgaan, die niet alleen het kunnen schenkt maar ook het willen en werken werkt naar zijn welbehagen, Phil. 2:13, 2 Cor. 3:5. Het is een leven in de gemeenschap met Christus; de geloovigen zijn in den doop ééne plante met Hem geworden in zijn dood en ook in zijne opstanding, Rom. 6:5, zij zijn in Christus en Christus leeft in hen, 2 Cor. 13:5, Gal. 2:20, zij kunnen niets doen zonder Hem, indien zij niet blijven in Hem als ranken in den wijnstok, Joh. 15:4, 5; zij kunnen alleen sterk worden ἐν κυριῳ και ἐν τῳ κρατει της ἰσχυος αὐτου, Ef. 6:10, door den Geest van Christus en in zijne gemeenschap, Rom. 8:13, 26, 2 Cor. 13:13, Ef. 3:16. Maar die Geest werkt in de wedergeborenen naar verschillende zijden. Dat kan en dat behoort zoo, wijl de nieuwe mensch niet aanstonds in „trappen”, maar wel in „deelen” volmaakt is. In de wedergeboorte wordt principieel de gansche mensch herschapen; het ik des menschen zelf sterft en leeft uit en in Christus weer op, Gal. 2:20; het is terstond een καινος ἀνθρωπος, die in Christus geschapen wordt, Ef. 4:24, Col. 3:10, wel klein en teer maar toch in alle deelen compleet. En daarom werkt de H. Geest naar verschillende zijden, om den nieuwen mensch gelijkmatig en evenredig in al zijne deelen te laten opwassen. Hij werkt als Geest der wijsheid, der heiligheid en der heerlijkheid en siert de geloovigen met allerlei krachten en gaven en deugden, Rom. 15:13, 1 Cor. 12:3v., Gal. 5:22. Bepaaldelijk werkt Hij naar de zijde des verstands de deugden van geloof, kennis, wijsheid enz. Schoon op geheimzinnige, onnaspeurlijke wijze door den Geest in den mensch ingeplant, Joh. 3:8, is het geestelijk leven toch, zoodra het zich in den mensch bewust wordt, van het eerste oogenblik af gebonden aan het Woord Gods. Het is door den H. Geest uit een λογος ἐμφυτος, uit de inwendige, evangelische roeping van Christus gewekt; het blijft bij zijn wasdom aan dat woord gebonden, en dus, zoodra het bewust wordt, ook afhankelijk van de H. Schrift, welke het woord van 513 Christus is. Het geestelijk leven staat krachtens zijn aard in rapport met de Schrift, gelijk de plant met den bodem, waarin zij wortelt en waaruit zij haar sappen trekt. Niet met de Schrift alleen als uitwendig in letteren beschreven, maar ook als bij den voortduur door den H. Geest gedragen, bezield en gesproken in het hart. De vocatio interna is niet alleen noodig bij het ontstaan maar ook bij den wasdom van het geestelijk leven. Zij geschiedt niet eenmaal en is met de schepping van het leven niet afgeloopen, maar zij zet zich altijd voort; gelijk God eerst alles schiep door het Woord en daarna door datzelfde Woord alle dingen onderhoudt, zoo is de vocatio interna ook werkzaam bij de onderhouding en ontwikkeling van het geestelijk leven. De geloovigen zijn κλητοι, Rom. 1:6, die de hemelsche roeping deelachtig zijn, Hebr. 3:1, die bij den voortduur door God geroepen worden tot zijn koninkrijk, totdat zij het feitelijk zullen beërfd hebben, 1 Thess. 2:12, 5:24. De daad nu, waardoor de H. Geest het Woord van Christus in zijn geestelijken zin en inhoud verstaan doet en het bewustzijn voor de waarheid ontsluit, draagt in de Schrift nog den bijzonderen naam van verlichting. Wijl de zonde het verstand verduisterd heeft, Rom. 1:21, 1 Cor. 1:21, 2:14, Ef. 4:18, 5:8, is er ook noodig eene ἀποκαλυψις του νοος, Rom. 12:2, Ef. 4:23. Deze komt tot stand door God, die door ἀποκαλυψις, in den mensch, ἐν ἐμοι, Gal. 1:16, de verhindering wegneemt, welke de rechte kennis der zaken tot dusverre belette, Mt. 11:25, 16:17, Gal. 1:16, cf. deel I 245. Hij doet dit door den H. Geest te geven, die een πνευμα σοφιας και ἀποκαλυψεως is, Ef. 1:17, in de waarheid leidt, Joh. 16:23, alles leert, Joh. 14:26, 1 Joh. 2:20, en de dingen Gods doet verstaan, 1 Cor. 2:10-16. Gelijk Hij bij de schepping door zijn machtwoord het licht uit de duisternis liet schijnen, zoo laat Hij het ook door den Zoon, Mt. 11:27 en door den Geest licht worden in de harten der menschen, 2 Cor. 4:6, en maakt de oogen des harten verlicht, Ef. 1:18. Daardoor weten, zij de dingen, die hun door God in het evangelie werden geschonken, 1 Cor. 2:12, hebben zij eene γνωσις en ἐπιγνωσις, d. i. eene hen persoonlijk aangaande en op hen inwerkende kennis, van den Vader, Mt. 11:27, 2 Cor. 4:6, Ef. 1:17, van Christus, Mt. 16:17, van de dingen des Geestes Gods, 1 Cor. 2:14 enz., en zijn zij kinderen des lichts, Luk. 16:8, Ef. 5:8, 1 Thess. 5:5, burgers van het 514 rijk des lichts, 1 Petr. 2:9, Col. 2:12 en wandelen in het licht, Ef. 5:8, 1 Joh. 1:7, 2:9, 10. Door de verlichting des H. Geestes gaat den mensch een gansch nieuw licht op over alle dingen, over God, Christus, zonde, genade, Schrift, kerk, wereld, dood, oordeel enz. In Gods licht ziet hij thans licht.

Deze kennis wordt nu in de Schrift nader omschreven als eene kennis des geloofs. Het is geheel in overeenstemming met de Schrift, te zeggen, dat de kennisse Gods in het aangezicht van Christus zalig maakt, rechtvaardigt, vergeving der zonden en eeuwig leven schenkt, 1 Kon. 8:43, 1 Chr. 28:9, Ps. 89:16, Jes. 1:3, 11:9, 53:11, Jer. 4:22, 31:34, Hos. 2:19, 4:1, 6, Mt. 11:27, Luk. 1:77, Joh. 8:32, 10:4, 14, 17:3, Rom. 10:3, 2 Cor. 2:14, Gal. 4:9, Ef. 4:13, Hebr. 8:11, 1 Joh. 5:20, 2 Petr. 1:2, 3:18. Maar wijl zij krachtens haar oorsprong, wezen en voorwerp een geheel bijzonder karakter draagt, wordt zij eene kennis des geloofs genoemd. Zoo bepaald, wordt zij echter daarmede echter volstrekt niet aangeduid als iets, dat aan de menschelijke natuur als zoodanig vreemd is en in den zin van een donum superadditum aan haar toegevoegd wordt. Duisternis, dwaling, leugen enz. zijn tegennatuurlijk, eigenschappen der gevallen natuur, maar het licht der kennis behoort tot het beeld Gods, dat den mensch oorspronkelijk en wezenlijk eigen was. En ook de kennis des geloofs is geen volstrekt bovennatuurlijk toevoegsel aan den mensch. Gelooven gansch in het algemeen doet ieder mensch, altijd en op alle terrein, vooral ook op dat der wetenschap. Er is geen kennis zonder eenig geloof; het dualisme tusschen geloof en wetenschap is theoretisch en practisch onmogelijk. Zelfs spreekt men in de dogmatiek, behalve van zaligmakend, ook van historisch, Mt. 7:26, Joh. 12:42, 43, 13:17, Hd. 26:27, 28, Jak. 2:19, tijd-, Mt. 13:21, en wondergeloof, Mt. 9:2, 17:20, Hd. 14:9, 1 Cor. 13:2, welke van het eerste wel wezenlijk onderscheiden zijn en ook in onwedergeborenen vallen kunnen, maar er toch zooveel overeenkomst mede hebben moeten, dat zij denzelfden naam van geloof kunnen dragen. Maar zelfs het geloof in engeren zin, de fides justificans of salvifica, is geen donum superadditum naar Roomsche opvatting. Wel is het geloof eene gave Gods, Hd. 5:31, Ef. 2:8, Phil. 1:29, vrucht van zijne δυναμις, 1 Cor. 2:4, 5, Ef. 1:19, 1 Thess. 2:13, en bepaaldelijk door den H. Geest geschonken, 515 1 Cor. 12:3, 2 Cor. 4:13. Maar zij is toch eene gave, die niet in absoluten zin, maar slechts toevallig, ter wille van de zonde, noodzakelijk is. De herschepping toch brengt nooit eene nieuwe substantie in wereld of menschheid in; ook in het geloof schenkt zij aan den mensch niet zulk een nieuw vermogen, kracht of werkzaamheid, welke de oorspronkelijke, naar Gods beeld geschapen menschelijke natuur niet bezat. Integendeel, de Gereformeerden beweerden terecht tegen de Remonstranten, b.v. Arminius, Op. 160, dat Adam vóór den val in zijne natuur de kracht bezat, om in Christus te gelooven, al kende hij natuurlijk Christus niet en al had hij Hem toen als Zaligmaker niet noodig, Gomarus, Op. I 93. Moor IV 461. Shedd, Dogm. Theol. I 454. II 482v. En zij hielden evenzoo tegen de Roomschen staande, dat Christus als mensch op aarde door het geloof had geleefd, boven 294. Wijl nu de wedergeboorte principieel eene herschepping is van den ganschen mensch naar het evenbeeld desgenen, die hem geschapen heeft, is het geloofsvermogen (fides potentialis, seminalis, habitualis, semen of radix fidei) vanzelf met en in haar gegeven. Zooals kinderkens redelijke wezens zijn ante rationem actualem, zoo zijn zij, indien zij kinderen des verbonds zijn, ook fideles ante fidem actualem. Wel is het onjuist, om met oudere Luthersche theologen de wedergeboorte in donatio fidei te laten opgaan, cf. M. Vitringa III 222, want in de wedergeboorte worden evengoed de semina spei, caritatis enz., ingeplant; maar toch wordt in haar, gelijk alle vermogens en krachten, zoo ook het geloofsvermogen hersteld. Gelooven in God, in Christus enz., is voor den wedergeboren mensch als zoodanig even natuurlijk, als het voor ieder mensch natuurlijk is, om aan de zienlijke wereld te gelooven. Wel gaat, gelijk iedere potentia eerst door zekere inwerking van buiten tot actus overgaat en een tarwegraan alleen in den schoot der aarde ontkiemt, zoo ook het geloofsvermogen, dat door de wedergeboorte is ingeplant, alleen door de voortgaande vocatio interna tot de daad des geloofs over. Maar in de wedergeboorte herstelt God toch het levensrapport, dat er oorspronkelijk tusschen Hem en den mensch bestond; naar Gods beeld herschapen, is de mensch weder verwant aan God zelf en aan al wat Gods is, aan zijnen Christus, aan de dingen des Geestes, aan zijn Woord, aan zijne kerk, aan zijn hemel, aan de dingen, die boven zijn. Der wereld gekruisigd en der zonde gestorven, leeft hij Gode. En 516 daarom, verlicht wordende door den H. Geest, kent hij God ook en is in die kennis zalig, Joh. 17:3.

Maar dit mag niet zoo worden verstaan, alsof de wedergeborene deze kennisse Gods in Christus putte uit zijn eigen hart, uit de inwendige onderwijzing des H. Geestes. De mystiek heeft ten allen tijde Woord en Geest tegenover elkander gesteld, de letter veracht, het inwendige woord ten koste van het uitwendige verheven en daarvoor zelfs zich beroepen op de H. Schrift, Jes. 54:13, Jer. 31:34, Mt. 11:25, 27, 16:17, Joh. 6:45, 1 Cor. 2:10, 2 Cor. 3:6, Hebr. 8:10, 1 Joh. 2:20, 27. Daartegen valt op te merken: 1o dat zeer zeker alle kennis, op natuurlijk en geestelijk gebied eene relatie, eene verwantschap tusschen object en subject onderstelt. Om te zien is een oog noodig; en object en subject moeten beschenen worden door eenzelfde licht. Om te kennen is verstand noodig, en het is dezelfde Logos, die het gekende object en het kennend subject voor elkander schiep. Zoo ook moet op geestelijk terrein bij het Woord de Geest, bij de vocatio externa de vocatio interna, bij de revelatie de illuminatie bijkomen, om ons God te doen kennen in het aangezicht van Christus. 2o De Schrift spreekt dit in bovengenoemde en andere plaatsen beslist en duidelijk uit. In Gods licht alleen zien wij het licht. Maar zij zegt nergens, dat de wedergeborene de stof dezer kennis uit zichzelven putten kan of moet. In 1 Joh. 2:20-27 verbindt de apostel de zalving des Geestes, die de geloovigen van den Heilige, d. i. van Christus ontvangen hebben, ten nauwste met de waarheid, welke zij gehoord hebben, vs. 21-24; als zij daarin blijven, blijven zij ook in den Zoon en den Vader en hebben geen nadere onderwijzing meer noodig. Overal verwijst de Schrift den geloovige buiten zich, naar de openbaring Gods in natuur, wet en evangelie heen, Deut. 4:1, Jes. 8:20, Joh. 5:39, Rom. 1:20, 15:4, 2 Tim. 3:15, 1 Petr. 1:25, 2 Petr. 1:19 enz. 3o In het natuurlijke is het zoo, dat de mensch wel een bewustzijn, verstand, rede meebrengt maar dat hij toch allen inhoud der kennis van buiten verkrijgen moet, deel I 161v. II 39v. Veel meer is dit in het geestelijke het geval. Want al zijn alle geloovigen ook door den Heere geleerd, zij leven toch nog in het vleesch, en blijven tot dwaling geneigd. Telkens verheffen zich in hen gedachten, die zij gevangen hebben te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus. Aan zichzelven overgelaten, 517 zouden zij terstond vervallen tot dwaling en leugen. En daarom is hier eene objectieve openbaring noodig, die tot regel strekt van leer en leven. 4o Daar komt nog bij, dat niet zienlijke, maar onzienlijke, geestelijke, eeuwige dingen het voorwerp dezer religieuse kennis zijn. Hetgeen geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in ’s menschen hart niet is opgeklommen, dat heeft God in het evangelie bereid dien, die Hem liefhebben. Hoe zullen wij deze dingen kennen, vast en zeker, tenzij zij ons in een getrouw beeld, zuiver en onvermengd, voor de oogen worden geplaatst? Wij wandelen hier niet door aanschouwen; zoo behooren wij dan de heerlijkheid des Heeren in een spiegel te aanschouwen, om naar datzelfde beeld in gedaante veranderd te worden. 5o En eindelijk, gelijk in het natuurlijke ieder schepsel voedsel zoekt naar zijn aard, zoo trekt ook in den geloovige het nieuwe leven altijd weer naar het evangelie, naar het woord van Christus, naar de Schriften heen als naar den grond, waarop het steunt, als naar het voedsel, waardoor het gesterkt wordt. Niet ontbeerlijker maar steeds onmisbaarder en heerlijker wordt de Schrift dengene, die opwast in het geloof. Het getuigenis des H. Geestes in zijn hart bindt hem in dezelfde mate en kracht aan de Schrift als aan den persoon van Christus zelven, deel I 502v. Uit dit alles wordt nu ook duidelijk, waarom de religieuse kennis in de Schrift als eene kennis des geloofs omschreven en het geloof in het subjectieve werk der zaligheid zoo sterk op den voorgrond wordt geplaatst. Eigenlijk gesproken, maakt het geloof of de kennis niet zalig, maar God maakt zalig in Christus door den H. Geest. Hij maakt zalig, door de weldaden des verbonds, door Christus, door zichzelven te schenken aan den zondaar. Maar wat zou die zaligheid baten, indien zij ons niet bewust ware en wij er geen kennis van droegen? Dan zou zij zelfs niet bestaan. Onbewuste zaligheid is wel voor den Buddhist het hoogste, en velen geven tegenwoordig aan het niet-zijn boven het zijn de voorkeur. Maar het hoogste zijn is voor den Christen God te kennen en door die kennis het eeuwige leven te hebben. De kennis is daarom niet een toevallig, van buitenaf komend toevoegsel aan de zaligheid, maar vormt daarin een onmisbaar element. Er is geen zaligheid, die niet gekend, niet genoten wordt. Wat hadden wij aan de vergeving der zonden, aan de wedergeboorte en volkomene vernieuwing door den H. Geest, aan de hemelsche 518 heerlijkheid, indien wij er geen bewustzijn en geen kennis van hadden. Zij zouden niet kunnen bestaan, zij onderstellen en eischen bewustzijn, kennis, genieting, en geven daarin de zaligheid. God maakt zalig, door zichzelven in Christus te doen kennen en genieten. Wijl echter de weldaden van het verbond der genade hier op aarde nog slechts ten deele worden geschonken, wijl de gemeenschap met God, de wedergeboorte, de heiligmaking nog onvolkomen zijn, wijl de kennis onvolmaakt is, onzienlijke dingen tot object heeft en aan de Schrift gebonden is, daarom is de kennisse Gods hier op aarde een kennis des geloofs. Het geloof is de eenige weg, waarlangs zij verkregen wordt, de eenige vorm, waarin zij optreden kan. Ja alle weldaden, vergeving, wedergeboorte, heiligmaking, volharding, hemelsche zaligheid zijn er voor ons slechts door het geloof; alleen in het geloof genieten wij ze; wij zijn alleen in hope zalig.

2. In het O. T. ontbreekt nog een technische term voor geloof. De zaak ontbreekt niet, want menigmaal treedt het heil op in den vorm van eene belofte, die niet anders dan door het geloof kan worden aanvaard. Daden en werkzaamheden des geloofs worden ons daarom schier op iedere bladzijde verhaald. Maar de religieuse verhouding des menschen tot God wordt gewoonlijk door andere woorden uitgedrukt, zooals: God vreezen, dienen, liefhebben, aankleven, vertrouwen, zich op Hem verlaten, steunen, hopen, wachten enz., boven bl. 427. Aan gelooven is het meest verwant het woord ‎‏האמין‏‎ met ‎‏ב‏‎ of ‎‏ל‏‎ van ‎‏אמן‏‎, vastmaken, zich vastmaken, vasthouden aan iets, steunen, vertrouwen, Gen. 15:6, Ex. 4:31, 14:31, Deut. 9:23, vooral Jes. 7:9, Achaz, die hulp zoekt bij Assur en daarop steunt, zal niet bevestigd worden, als hij daarvan niet afziet en alleen op God zich verlaat, en Hab. 2:4, de Chaldeën maken hunne kracht tot hun god en hunne ziel is opgeblazen, maar de rechtvaardige zal leven door zijn vertrouwen op God en zijne belofte. In het latere Jodendom bestond het geloof niet alleen in het aannemen van de wet als Gods gave maar ook in de meening, dat Gods goedheid aanvullen zou, wat er aan de wetsgerechtigheid ontbreken mocht. Daartegenover treedt Johannes de Dooper met de prediking op, dat zulk een geloof en zulk eene gerechtigheid geen waarde hebben, dat voor allen μετανοια en doop noodig is, om in te gaan in het rijk van den 519 Messias. Jezus sluit zich hierbij aan, maar voegt eraan toe, dat dat rijk in Hem, den Zoon des menschen, gekomen is; Hij brengt daarvan de blijde boodschap en zegt: bekeert u en gelooft het evangelie. Zoolang Jezus nu op aarde was en zelf predikte, bestond het geloof uit den aard der zaak allereerst hierin, dat men persoonlijk in Jezus onbepaald vertrouwen stelde en daardoor overtuigd was, dat God in en door Hem sprak en wonderen deed, bijv. Mt. 8:10, 9:28, 15:28, 17:20, 21:21,22 enz. Jezus’ persoon had zijn correlaat in de woorden, die Hij sprak, en de werken, die Hij deed, en omgekeerd werden deze woorden en daden weer door zijn persoon geverifieerd. Maar toen Jezus heengegaan was, kwam hierin deze verandering, dat men persoonlijk niet meer Hem ontmoeten kon maar, om Hem te leeren kennen, gebonden was aan het woord der apostelen. Nu kreeg het geloof als het ware twee zijden; 1o het als waar aannemen van de apostolische getuigenis aangaande Christus, en 2o het persoonlijk vertrouwen op dien Christus, als nu nog levende in den hemel, en machtig, om de zonden te vergeven enz. Hoewel beide zijden in de geschriften der apostelen naast elkander voorkomen, legt toch Johannes vooral den nadruk op het eerste moment, πιστευειν c. acc. of met een objectszin of c. dat. rei, Joh. 2:22, 4:50, 5:47, 6:69, 8:24, 11:42, 13:19, 17:8,21, 1 Joh. 5:1,5; Paulus daarentegen op het tweede, en spreekt dan van πιστις c. gen., van Jezus, Rom. 3:22, Gal. 2:16, 20, 3:22, Ef. 3:12, Phil. 3:9, van de waarheid, 2 Thess. 2:13, van het evangelie Phil. 1:27, προς θεου, 1 Thess. 1:8, εἰς Χριστον, Col. 2:5, Phil. 5, ἐν Χριστῳ, Gal. 3:26, Ef. 1:15, 2 Tim. 3:15, en van πιστευειν τινι, Rom. 4:3, Gal. 4:6, 2 Tim. 1:12, Tit. 3:8, ἐπι τινα, Rom. 4:5, 24, ἐπι τινι, Rom. 9:33, 1 Tim. 1:16 en vooral εἰς τινα, Rom. 10:11, Col. 2:5, Phil. 1:29 enz. Maar volstrekte tegenstelling is dit niet, want Johannes spreekt menigmaal van πιστενειν εἰς τινα, 2:11, 3:16, 18, 36, 4:39, 6:29 enz., εἰς το ὀνομα, 1:12, 2:23, I 5:13 en ook τινι, 3:15, 5:24, 38, 46, 6:30 en τῳ ὀνοματι, I 3:23; en Paulus construeert πιστευειν ook met τι en ὁτι, Rom. 10:9, 1 Cor. 13:7, cf. 15:14,17, 1 Thess. 4:14. Vooral is het verkeerd, de latere onderscheiding van Deo credere en in Deum credere of ook die van historisch en zaligmakend geloof met de bovengenoemde te vereenzelvigen. Menigmaal toch sluit de constructie 520 van πιστευειν met ὁτι, bijv. dat Jezus is de Christus, wel terdege het zaligmakend geloof in, Joh. 6:69, 8:24, 11:27, 17:8, I 1:5, Rom. 10:9; en πιστευειν τινι of εἰς τινα is dikwerf niet meer dan een historisch geloof, Joh. 7:31, 40v., 8:30v., 10:42, 11:45, 48, 12:11, 42; in 1 Joh. 5:10 staat zelfs πιστευειν εἰς την μαρτυριαν. En dit is ook begrijpelijk. Waarlijk gelooven de getuigenis, welke God getuigd heeft van zijnen Zoon, kan alleen en doet alleen hij, die een onbepaald vertrouwen stelt in den persoon van Christus; en omgekeerd, wie op Christus vertrouwt als Zone Gods, neemt ook onvoorwaardelijk de getuigenis Gods aangaande Christus door den mond der apostelen aan. Het geloof sluit dus in het N. T. twee elementen in: vertrouwen op den persoon van Christus en aanvaarding van het apostolisch getuigenis. Deze beide hangen onverbrekelijk samen, zij maken in subjectieven zin het wezen des Christendoms uit. Indien Christus alleen een historisch persoon ware, die door zijn leer en leven ons een voorbeeld had nagelaten, dan ware een historisch geloof van de overgeleverde getuigenis genoegzaam, maar dan kwam het ook niet tot ware religie, tot wezenlijke gemeenschap met God en hadde het deisme gelijk. Indien Christus omgekeerd, naar de meening van het pantheisme, niet de historische maar slechts de ideale Christus ware, dan ware geloof aan eene getuigenis gansch overbodig, zou Christus niets anders wezen dan het zijn Gods in ons, maar dan kwam het wederom niet tot ware gemeenschap van God en mensch, wijl deze het wezenlijk onderscheid van beide onderstelt. Maar nu is Christus beide: een historisch persoon, de Christus der Schriften, en tevens de verheerlijkte Heer in den hemel, die nog leeft en regeert als het hoofd zijner gemeente. Hij verwierf de zaligheid in het verleden, maar past ze zelf in het heden toe. En deze weldaden des verbonds omvatten de herschepping van het zijn en van het bewustzijn; zij bestaan in rechtvaardigmaking en in verlossing, in licht en in leven, in waarheid en in genade. Zij veranderen den mensch in de wereld der gedachte, maken hem vrij van leugen, dwaling, duisternis, doen hem God kennen als den genadige, die de zonden vergeeft, stellen hem in de rechte relatie tot God en alle dingen, doen hem bedenken de dingen, die boven zijn en geven hem in het geloof een vasten grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet. En zij veranderen den mensch ook in zijn zijn, maken hem 521 vrij van de smet der zonde, doen hem in het verborgene zijns harten leven in de gemeenschap met God door Christus in den H. Geest, maken hem een burger der hemelen, geboren van boven, uit God, herschapen naar de gelijkvormigheid aan het beeld des Zoons, opdat Hij zij de eerstgeborene onder vele broederen. En deze beide staan in onlosmakelijk verband. Want Christus, die nedergedaald is, is dezelfde, die ook opgevaren is verre boven alle hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou, Ef. 4:10. De H. Geest, die wederbaart, is dezelfde, die ook in ons van Christus getuigt. De Schrift leidt ons op tot Christus, die boven is, gezeten aan Gods rechterhand, en Christus, die door den Geest in onze harten woont, leidt ons terug tot de Schrift. Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, maar met den mond belijdt men ter zaligheid, Rom. 10:10. Het geloof naar de Schrift sluit beide uit: een geloof des harten, dat niet belijdt en eene belijdenis, die niet wortelt in het geloof des harten. Het is mystisch en noetisch tegelijk, een onbepaald, onwankelbaar vertrouwen op Christus, als die naar het getuigenis der Schrift alles voor mij volbracht heeft en op dien grond thans en eeuwiglijk mijn Heer en mijn God is. Cf. over het geloof in de H. Schrift, behalve de handboeken voor Bijb. Theologie van Weiss, Holtzmann enz., Schlatter, Der Glaube im N. T. Zweite Bearbeitung. Calw u. Stuttgart 1896. C. Boetticher, Das Wesen des relig. Glaubens im N. T. Berlin Gaertner 1896. Haussleiter, Was versteht Paulus unter Chr. Glauben? Greifsw. Studiën, H. Cremer..... dargebracht, Gütersloh 1895 S. 159-182. Huther, Die Bedeutung der Begriffe ζωη und πιστευειν in d. Joh. Schriften, Jahrb. f. d. Theol. 1872 S. 1-34. Cremer s. v.

3. Wat alzoo ongedeeld en in organische eenheid in de Schrift voorkomt, is in de theologie en in het christelijk leven menigmaal uit elkander gerukt of slechts mechanisch verbonden. Rome vat het geloof op als assensus firmus ac certus ad ea omnia, quae Deus credendo proponit en verwerpt de Protestantsche definitie, dat het zou zijn eene fiducia specialis, dat mij de zonden vergeven zijn; vertrouwen is vrucht van het geloof in den wil en kan eerst op de rechtvaardigmaking volgen, wijl anders de Protestanten zelf niet zouden kunnen volhouden, dat alleen het geloof rechtvaardigt; in vertrouwen zit immers ook hoop en liefde in. 522 Dit geloof als toestemming is daarom bij Rome onvoldoende ter rechtvaardiging, het is met andere werkzaamheden wel eene voorbereiding ervan, maar is in zichzelf informis en moet door de liefde eene fides formata worden. Bij Rome is het geloof nog in het geheel niet eene persoonlijke, religieuse verhouding tot God, het draagt een inleidend karakter en is voor een groot deel fides implicita, een voor waar aannemen van alles, quod credit sacrosancta mater ecclesia. De persoonlijke relatie tot God komt eerst in de liefde tot stand, en deze is het dan ook die rechtvaardigt en zalig maakt, cf. boven bl. 442 en deel I 476. In het wezen der zaak komt daarmede de opvatting van het geloof in de Grieksche kerk, bij Socinianen, Remonstranten, Rationalisten enz. overeen; het is op zichzelf niets dan een historisch voor waar houden, eigenlijk geen religieus maar een erkenntnisstheoretisch begrip, niet uit de Schrift geput maar van het gewone, dagelijksche spraakgebruik in de theologie ingedragen. De Hervorming heeft echter niet gevraagd: wat is gelooven in het algemeen? en daarnaar het religieuse begrip des geloofs bepaald, maar zij ging naar de Schrift terug, onderzocht welke beteekenis en plaats deze aan het geloof toekende, kwam daardoor tot eene geheel andere opvatting van de fides salvifica en zeide antithetisch tegenover Rome: het is niet alleen een firmus assensus maar ook een certa fiducia; het geloof is de centrale, persoonlijke, religieuse verhouding des menschen tot God. Maar het valt niet te ontkennen, dat deze bepaling des geloofs eigenaardige moeilijkheden medebracht en tot allerlei verschillende zienswijzen aanleiding gaf. Ten eerste moest spoedig de vraag opkomen, in welke verhouding deze beide elementen des geloofs tot elkander staan. Van den aanvang af stelden sommigen den zetel van het geloof in het verstand, omschreven het liefst door cognitio certa, certitudo, en beschouwden de fiducia als een gevolg en vrucht van het geloof in den wil; anderen zochten het wezen des geloofs in de fiducia en deden het zetelen in het hart. Later ontwikkelde zich dit verschil tot de tegenstelling van orthodoxie en pietisme; de orthodoxie wilde door het verstand tot het hart, door de leer tot het leven komen en werd dikwerf onverschillig voor het leven; het pietisme bewandelde den omgekeerden weg en achtte menigmaal de leer van geringe beteekenis. Ten tweede kwam er spoedig verschil over de verhouding van geloof en rechtvaardigmaking. De Reformatie had 523 het geloof opgevat als cognitio of fiducia certa, dat Christus mijn Zaligmaker is en dat de zonden vergeven zijn. Maar het scheen, dat deze zekerheid niet aan de rechtvaardigmaking vooraf kon gaan doch daarop volgen moest; zoo werd er sedert Gomarus tusschen een actus directus en reflexus des geloofs, tusschen toevluchtnemend en verzekerd vertrouwen, tusschen wezen en welwezen des geloofs onderscheid gemaakt. Dit verschil leidde later tot de tegenstelling van nomisme en antinomisme; het nomisme meende, dat er allerlei conditiën en bevindingen aan de zekerheid van de vergeving der zonden moesten voorafgaan en stelde het wezen des geloofs dus in een zoeken, hongeren, dorsten naar Christus enz.; het antinomisme achtte dit alles overbodig, eene verijdeling van het werk van Christus en omschreef het geloof als vaste overtuiging, dat de zonden vergeven zijn. Ten derde eindelijk was de verhouding van geloof en werk moeilijk te omschrijven. Het was een levend geloof, fides sola doch niet solitaria, dat volgens de Hervorming rechtvaardigde. In tegenstelling met alle werken staande, mocht het geloof dus eenerzijds volstrekt geen werk zijn. Daar moet, zegt Comrie, Heid. Cat. Voorrede XXVI Nijkerk Malga 1856, cf. bl. 412, in de innerlijke natuur van het geloof iets zijn, waardoor het van alle werken, hoe ook genaamd, onderscheiden is. Aan de andere zijde was het toch een levend geloof en dus wel een werk en eene daad, want de potentia of habitus fidei, welke in de wedergeboorte wordt ingeplant, is formaliter nog geen fides, evenmin als een ei reeds een kip is, Voetius, Disp. II 403. 499. Dit verschil over de verhouding van geloof en werk leidde in de practijk tot de tegenstelling van de lijdelijke en de werkdadige Christenen; genen blijven bij de rechtvaardigmaking staan en komen aan de heiligmaking niet toe; dezen loopen gevaar de eerste te miskennen en van de laatste afhankelijk te maken.

Al deze bezwaren en gevaren echter, welke aan de reformatorische opvatting van het geloof verbonden zijn, pleiten niet tegen maar voor haar. Rome heeft eene zeer eenvoudige en bevattelijke definitie van het geloof, maar doet daarmede juist te kort aan den rijkdom van dit begrip in de Schrift. Het geloof is toch geen aannemen slechts van de getuigenis der apostelen aangaande Christus, maar een band der ziel aan Christus zelf, die boven is, gezeten aan de rechterhand Gods. Het is το ἐργον του θεου524 uitnemendheid, Joh. 6:29, het een en al in het christelijk leven, het middel, waardoor wij Christus en al zijne weldaden deelachtig worden, de subjectieve bron van alle heil en zegen. Terwijl het ons door de Schrift bindt aan den historischen Christus, heft het ons tegelijk tot de onzienlijke wereld op, en doet ons leven in gemeenschap met den Heer uit den hemel. Waar het in den mensch ook zetele, het werkt in op al zijne vermogens en krachten, geeft er richting en leiding aan, beheerscht zijn verstand en zijn hart, zijn denken en doen, zijn leven en handelen; Christenen zijn geloovigen, πιστοι. Het is mystisch en noetisch, receptief en spontaan, passief en actief, eene tegenstelling van alle werken en zelf het werk Gods bij uitnemendheid, middel ter rechtvaardiging en beginsel der heiligmaking, heel ons leven begeleidend en eerst bij den dood overgaande in aanschouwing. Het is niet meer dan natuurlijk, dat de theologie ermede worstelt, om van dit geloof eene eenigszins juiste omschrijving te geven. En zelfs indien haar dit gelukken mocht, is zij toch nooit bij machte het leven te beheerschen en alle eenzijdigheden en dwalingen in de practijk te voorkomen. Toch is het mogelijk, in de heilsorde aan het geloof die plaats en beteekenis te geven, welke naar de Schrift eraan toekomt. 1o Daartoe dient op den voorgrond geplaatst, dat alle weldaden des heils door Christus verworven en in Hem aanwezig zijn, en dat Hij zelf daarvan, als de Heer uit den hemel, door zijnen Geest de uitdeeler en toepasser is. Noch geloof, noch bekeering zijn conditiën, die op eenigerlei manier de zaligheid verwerven; zij zijn alleen de weg, waarin de weldaden des verbonds in het subjectief bezit komen van hen, voor wie zij verworven zijn. 2o In zooverre is het volkomen juist te zeggen, dat de rechtvaardigmaking evenals de andere weldaden des verbonds aan het geloof voorafgaat. In het pactum salutis is de Zoon reeds als borg en middelaar voor de zijnen opgetreden. Volgens 2 Cor. 5:19 heeft God de wereld met zichzelven in Christus verzoend en haar de zonden niet toegerekend, en Rom. 4:25 zegt duidelijk, dat Christus, gelijk Hij overgeleverd is om onze zonden, zoo ook opgewekt is δια την δικαιωσιν ἡμων, d. i. om, ter wille van onze rechtvaardigmaking, omdat wij objectief in Hem door zijn lijden en sterven in onze plaats gerechtvaardigd waren. De καταλλαγη is niet van den ἱλασμος daarin onderscheiden, dat deze objectief en gene subjectief is. Ook de eerste is objectief; de inhoud van het evangelie luidt: God is verzoend, 525 neemt die verzoening aan, gelooft het evangelie, boven bl. 383. Verzoening, vergeving, heiligmaking enz., komen niet door ons geloof of onze bekeering tot stand, maar zij zijn volkomen verworven door Christus; en Hij deelt ze uit naar zijn wil. 3o Te meer dient dit vastgehouden, wijl er geen gemeenschap aan de weldaden van Christus is dan door de gemeenschap aan zijn persoon. De weldaden des verbonds zijn geen stoffelijke goederen, die bezeten en genoten kunnen worden zonder en buiten den middelaar van dat verbond. Maar zij zijn in Hem besloten en bestaan nooit en nergens onafhankelijk van Hem. Als gezegd wordt, dat Christus ze verworven heeft, geeft dit te kennen, dat God al die weldaden, zonder schending zijner gerechtigheid, uit genade schenken kan in de gemeenschap van Christus. 4o Met name behoort onder die weldaden, die Christus verworven heeft, ook de gave des H. Geestes. Hij is zelf Geest geworden, Hij heeft door zijn lijden en sterven den Geest des Vaders en des Zoons ook gemaakt tot zijn Geest, tot den Geest van Christus, en deelt dien daarom uit, gelijkerwijs Hij wil, terwijl die Geest zelf alles uit Christus neemt. De gave des H. Geestes onderstelt dus, dat God zijnen Christus en dat Christus zichzelf reeds meegedeeld en geschonken heeft. Ook de allereerste weldaad des heils is eene weldaad des verbonds, welke de unio mystica onderstelt. Er is niet alleen geen opstanding maar ook geen gekruisigd en begraven worden, geene afsterving van den ouden mensch dan in de gemeenschap van Christus. 5o Deze toerekening en schenking van Christus en zijne weldaden moge nu ideëel, in het besluit, reeds van eeuwigheid hebben plaatsgehad; ze moge objectief gerealiseerd zijn in Christus als hoofd en middelaar, toen Hij mensch geworden, gestorven en opgewekt is; zij moge ook zakelijk de inhoud zijn van het woord des evangelies; zij wordt toch eerst individueel toegepast en uitgedeeld in de vocatio interna, en passief van ’s menschen zijde aanvaard in de wedergeboorte. 6o Deze reëele schenking van Christus en zijne weldaden in de vocatio interna is van zoo groote beteekenis, dat er in het besluit en in de voldoening geen objectieve toerekening van Christus is, tenzij zij zich ook, al is het zelfs vóór de geboorte, in de vocatio interna individueel realiseere en dat er omgekeerd zonder wedergeboorte geen deel is aan Christus en zijne weldaden. Het antinomianisme vervluchtigt den tijd; voor God echter heeft hetgeen geschiedt in 526 den tijd beteekenis voor de eeuwigheid, wijl het zelf in de eeuwigheid zijn grondslag en beginsel heeft. 7o Voor degenen, die opwassen, is echter ook wedergeboorte niet genoeg. Wijl de mensch een redelijk wezen is en het verbond der genade zijne zelfstandigheid en vrijheid niet doodt maar juist herstelt en bevestigt, moet de wedergeboorte overgaan in daden des geloofs. Het is Christus zelf, die door den H. Geest den mensch in zijne gemeenschap brengt tot de vrije oefening des geloofs en der bekeering. En zoozeer is het antinomianisme ook hier wederom met zijne pantheistische vervluchtiging van den tijd aan het dwalen, dat de Schrift juist aan het geloof, dat alleen hier op deze aarde geoefend kan worden, de zaligheid verbindt. 8o Dit geloof heeft zelf geen condities, die de mensch eerst vervullen moet om te mogen gelooven, want de vrijheid des geloofs is voor elk overvloedig in de Schrift en het aanbod der genade aanwezig. Ook is droefheid over de zonde geen conditie, wijl zij als poenitentia slechts in zekeren zin gratia praeparans mag heeten, en als resipiscentia juist vrucht en bewijs is van het geloof. Ook is het geloof zelf geen conditie tot de andere weldaden, althans niet in dien zin, dat deze er op eenigerlei wijze door tot stand zouden komen, maar hoogstens alleen zoo, dat het geloof subjectief noodig is, om de in Christus voorhanden weldaden te ontvangen en te genieten. 9o Wijl de schenking van Christus en zijne weldaden aan het geloof voorafgaat en er op geenerlei wijze door veroorzaakt of bewerkt wordt, kan het geloof niet anders zijn en is het niet anders dan de subjectieve, bewuste en actieve aanvaarding van de geschonken weldaden. De omschrijving van het geloof door toevluchtnemen, hongeren, dorsten enz., treft het wezen niet, wijl deze alle uitingen en werkzaamheden zijn van het geloof, en dit dus reeds onderstellen. De onderscheiding van het geloof in toevluchtnemend en verzekerd vertrouwen moge als onderscheiding, en met het oog op de practijk, waarin de geloovige telkens aan het twijfelen wordt gebracht, eenig recht van bestaan hebben; als scheiding is zij af te keuren en werkt zij zeer schadelijk voor den wasdom van het geestelijk leven. 10o Het geloof als aanvaarding van de door Christus verworven en geschonken weldaden is niet temporeel van de geloofsverzekerdheid gescheiden, maar valt daarmede onmiddellijk samen. Gelijk het weten als weten de bewustheid van te weten vanzelf meebrengt, zoo sluit het 527 geloof ook naar zijn aard onmiddellijke zekerheid in. Het staat tegenover bezorgdheid, Mt. 6:31, 8:26, 10:31, vreeze, Mk. 4:40, 5:36, twijfel, Mt. 14:31, 21:21, Rom. 4:20, Jak. 1:6, ontroering, Joh. 14:1, het is onbepaald vertrouwen, Mt. 17:20, ὑποστασις en ἐλεγχος der ongeziene dingen, Hebr. 11:1. Uit die verzekerdheid des geloofs spreken en roemen de vromen des O. en N. Verbonds, Gen. 49:18, Ps. 16:8-10, 23:4-6, 31:2, 56:5, 10, 57:3 enz., Rom. 4:18, 21, 8:38, 2 Tim. 4:7, 8, Hebr. 11 enz. En toen Rome deze zekerheid verwierp, Trid. VI c. 9 en can. 13-15, heeft de Hervorming, heeft inzon-heid Calvijn, Inst. III 2, 14v. enz. deze zekerheid in het geloof naar de Schrift weer aangewezen. Fides numquam se ipsam ignorat, Sohnius, Op. I 976. 11o De fout van het antinomianisme bestond dan ook niet daarin, dat het het geloof als zekerheid omschreef, maar ze was hierin gelegen, dat het de onderscheiding van verwerving en toepassing des heils, van het werk van Christus en van den H. Geest uitwischte, wedergeboorte, bekeering enz. onnoodig en ongeoorloofd achtte, onder het geloof niets anders verstond dan een verstandelijk aannemen van de sententie: u zijn de zonden vergeven, en ten slotte heel de vergeving evenals de zonde zelve een waan achtte zonder objectieve realiteit. 12o Als bewuste en vrije aanneming van Christus met alle zijne weldaden kan het geloof hier op aarde niet anders zijn dan tegelijk firmus assensus en certa fiducia. Christus n.l. is verheerlijkt en wij kennen Hem en zijne weldaden niet dan uit zijn Woord. Toch werkt Hij niet als andere historische personen alleen na door zijn voorbeeld, woord en geest, maar, gelijk Hij de eenige verwerver der weldaden is, zoo is Hij er ook de eenige bezitter en uitdeeler van. Hij is zelf door zijn lijden en sterven geworden tot levendmakenden Geest en deelt zichzelven met zijne weldaden aan de geloovigen mede. Door zijn Geest schenkt Hij zich aan hen, gelijk Hij is en gelijk Hij, wijl Hij opgenomen is in den hemel en niet meer gezien kan worden, zich door dienzelfden Geest heeft laten beschrijven in zijn Woord. Daardoor herschept Hij ons zijn en ons bewustzijn, ons doen en ons denken, ons hart en verstand; Hij wederbaart en Hij rechtvaardigt ons en bevrijdt ons alzoo van alle zonde, zoowel van haar smet als van haar schuld en van al hare gevolgen. Zelf profeet en priester en koning, maakt Hij ons tot profeten, die Gods gedachten verkondigen, tot priesters, 528 die onszelven Gode wijden, tot koningen, die heerschen over wereld en dood. En het geloof aanvaardt Christus gelijk Hij zich geeft, Christum evangelio suo vestitum, Calvijn, Inst. III 2, 6. 13o Of men het geloof daarbij omschrijve door cognitio of door fiducia, is de hoofdzaak niet; beide vormen geen tegenstelling. Calvijn noemt het, Inst. II 6, 7 eene firma certaque divinae erga nos benevolentiae cognitio, maar zegt tevens, dat het meer is cordis quam cerebri, affectus quam intelligentiae, ib. § 8, en spreekt er bij Rom. 10:10 van als eene firma et efficax fiducia. Nauwkeurig gesproken, gaat er in logischen zin aan het geloof een vertrouwen vooraf. Wij gelooven iemands getuigenis, wijl wij vertrouwen stellen in zijn persoon. Het gelooven als daad des verstands berust immers reeds op eene buiging van den wil; nemo credit nisi volens, Voetius, Disp. II 499. En er volgt ook een vertrouwen op; als ik iets vast geloof, dan vertrouw ik erop en rust erin; fides antecedit, fides generat fiduciam; Calvijn zegt, dat de apostel Ef. 3:12 ex fide deducit fiduciam, Inst. III 2, 15, cf. Piscator, bij Heppe, Dogm. 387. Voetius, Disp. V 288-300. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III2 95 f. Maar hoe men het ook bepale, het geloof is in zijn wezen altijd zekerheid, allen twijfel, vreeze, wanhoop buitensluitend. In den geloovige komt wel telkens allerlei zorg en twijfel op, en heel zijn leven heeft hij daarmede te strijden; maar het geloof is in zichzelf volstrekte zekerheid, Calvijn, Inst. III 2, 17v. Zanchius, Op. VIII 712 sq. De verzekering komt niet later van buitenaf, aan het geloof toe, maar zit er aanstonds in; de verschillende daden des geloofs (actus fidei, zooals kennis, toestemming, vertrouwen, rust, vrede enz., Voetius, Disp. II 499-512. Witsius, Oec. foed. III c. 7. Turretinus, Theol. El. XIV qu. 8, wel te onderscheiden van fructus fidei of bona opera) zijn geen trappen, die temporeel op elkander volgen, maar wel zijn er in die daden zelve allerlei graden: er is klein en groot, zwak en sterk geloof, er zijn kinderen en jongelingen, mannen en vaders in het geloof. Maar het geloof blijft naar zijn aard vaste zekerheid, onbepaald vertrouwen; het is heden ten dage nog hetzelfde wat het was in Jezus’ tijd, n.l., dat bij God alle dingen mogelijk zijn, Mk. 10:27, 11:23, 24, dat Hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, Rom. 4:24, 10:9, nog dooden levend, zondaren zalig maakt en de dingen, die niet zijn roept alsof zij waren, Rom. 4:17.

529 4. Dit karakter des geloofs komt duidelijk uit, waar het optreedt als fides justificans. De rechtvaardigmaking is niet de eenige vrucht des geloofs, want het geloof neemt Christus en al zijne weldaden aan; ook bekeering, heiligmaking, goede werken, volharding enz. worden ons deel slechts door het geloof; maar toch is de rechtvaardigmaking eene van de heerlijkste vruchten des geloofs. Sommigen keurden het woord rechtvaardigmaking, justificatio af, wijl het door de samenstelling met maken, facere aanleiding gaf tot eene ethische opvatting; maar evenmin als in de uitdrukking Deum glorificare, magnificare, God grootmaken, ligt in het woord rechtvaardigmaken als zoodanig eene zedelijke verandering opgesloten. Indien dit zoo ware, zou het woord hier ter plaatse onjuist en voor rechtvaardiging te verwisselen zijn. Want de Schrift stelt de forensische, juridische beteekenis der rechtvaardigmaking boven allen twijfel vast. Het hebr. ‎‏הצדיק‏‎ duidt die handeling van den rechter aan, waardoor hij een mensch voor onschuldig verklaart, en staat tegenover ‎‏הרשיע‏‎, verdoemen, Deut. 25:1, Job 32:2, 33:32; van God wordt het zoo gebruikt, Ex. 23:7, 1 Kon. 8:32, 2 Chron. 6:23, Jes. 50:8. De vergeving der zonden wordt in het O. T. door dit woord nog niet uitgedrukt; deze wordt te kennen gegeven door of is in elk geval vervat onder de woorden verlossen, Ps. 39:9, 51:16, niet toerekenen, Ps. 32:2, vergeten, niet gedenken, Jes. 43:25, Jer. 31:34, achter den rug werpen, Jes. 38:17, uitdelgen of uitwisschen, Ps. 51:3, 11, Jes. 43:25, vergeven, Ex. 34:9, Ps. 32:1. Het grieksche woord δικαιουν beteekent in het algemeen: recht en billijk achten, oordeelen wat recht is, en kan dus zoowel in malam partem, den goddelooze recht doen, d. i. straffen, als in bonam partem, den rechtvaardige recht doen, hem als zoodanig erkennen, worden gebezigd. In het N. T. heeft het onder den invloed des O. T. steeds eene juridische en eene gunstige beteekenis verkregen. Zoo komt het in het algemeen voor, Mt. 11:19, waar de Wijsheid, natuurlijk niet in ethischen maar in juridischen zin, rechtvaardig verklaard wordt ten opzichte van, ἀπο, hare kinderen; evenzoo Luk. 7:29, waar de tollenaars God rechtvaardigen, en verder Mt. 12:37, Luk. 10:29, 16:15, 18:14. Ook bij Paulus staat de forensische beteekenis vast; in Rom. 3:4 kan het geen ethische beteekenis hebben, wijl God het subject is, die in zijne woorden gerechtvaardigd wordt; voorts wisselt het af 530 met λογιζεσθαι εἰς δικαιοσυνην, 4:3, 5, staat tegenover κρινειν, ἐγκαλειν en κατακρινειν, 8:33, 34, evenals δικαιωμα tegenover κατακριμα, 5:16. Het beteekent iemand na gerechtelijk onderzoek van de schuld vrijspreken, rechtvaardig verklaren, δικαιον καθισταναι, Rom. 5:19.

Nu kan het woord ‎‏הצדיק‏‎, δικαιουν, rechtvaardigmaken op zichzelf wel eene ethische beteekenis hebben. Zoo wordt het meermalen door kerkvaders gebezigd, Suicerus s. v.; bij Luther en Melanchton en in de oudere symbolen der Luth. kerk, vooral de Apol. Conf. Aug., wordt justificari in tweeërlei zin gebruikt, als justos pronuntiari seu reputari en ex injustis justos effici seu regenerari, Symb. Bücher ed. Müller, p. 100. 108. Ten onrechte is hieruit door sommigen, Loofs, Die Bedeutung der Rechtfertigungslehre der Apologie für die Symbolik der luth. Kirche, Stud. u. Krit. 1884 S. 613-688, Eichhorn, Die Rechtfertigungslehre der Apologie, ib. 1887 S. 415-490 en Zitzlaff, Die wahre Bedeutung der Glaubensrechtfertigung, ib. 1898 S. 522 f., afgeleid, dat de Luthersche Reformatie de rechtvaardigmaking oorspronkelijk niet in juridischen maar in ethischen zin opvatte en het geloof als ipsa justitia beschouwde; maar toch is ter anderer zijde de bewering der Formula Concordiae, bij Müller 528. 613, niet juist, dat regeneratio in de Apol. Conf. hetzelfde is als justificatio. De tegenstelling tusschen Rome en de Reformatie in de rechtvaardiging werd in den eersten tijd niet geformuleerd in de woorden ethisch of juridisch, maar in rechtvaardigmaking door werken (liefde) of door geloof, om onze eigen werken of om de in het geloof aangenomen gerechtigheid van Christus. Doch deze justificatio op grond van Christus’ gerechtigheid door het geloof alleen, welke van den beginne aan ook door Luther en Melanchton en in de oudste Luthersche symbolen als eene rechtvaardigverklaring opgevat werd, werd niet formeel gescheiden van maar samengedacht met eene regeneratio van den mensch, daarin bestaande, dat hij door datzelfde geloof vertroost en opgebeurd en Gode welgevallig werd; wat ook de Form. Conc. weer erkent, als zij zegt: cum enim homo justificatur, id ipsum revera est quaedam regeneratio, quia ex filio irae fit films Dei et hoc modo e morte in vitiam transfertur, ib. p. 614, cf. verder Heppe, Dogm. d. d. Prot. II 274 f. Köstlin, Luthers Theol. II 447. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 557. Nitzsch, Ev. Dogm. 583. Ook de Gereformeerden zeiden soms, dat het 531 woord rechtvaardigmaking een ruimeren zin kon hebben en in Jes. 53:11, Dan. 12:3, 1 Cor. 6:11, Tit. 3:7, Op. 22:11 zoo verstaan moest worden, bijv. Synopsis pur. theol. 33, 3; terwijl anderen ook in al die plaatsen de engere beteekenis van rechtvaardigverklaring vasthielden, Witsius, Oec. foed. III 8, 6 sq. 12, 14. Mastricht, Theol. VI 6, 19. Moor IV 550. Owen, De rechtv. uit het geloof, Amst. 1797 bl. 140. Inderdaad laat het woord op zichzelf toe, om daaronder heel het werk der verlossing te verstaan. De herschepping is, gelijk ze in haar geheel eene wedergeboorte genoemd worden kan, ook van het begin tot het einde eene rechtvaardigmaking, eene herstelling van den staat en den stand der gevallene wereld en menschheid tegenover God en ten opzichte van zichzelve. Maar al is deze beteekenis van het woord niet onmogelijk, al is er op zichzelf ook niets tegen, om te meenen, dat de Schrift het woord soms in den zin van heiligmaking gebruikt of deze er althans onder opneemt, exegetisch is dit toch niet waarschijnlijk. Jes. 53:11 zegt, dat de knecht des Heeren door zijne kennis, d. i. per cognitionem sui of ook per cognitionem suam, velen rechtvaardigen zal; de juridische beteekenis is hier niet alleen mogelijk maar wordt waarschijnlijk door de bijvoeging: en hunne overtredingen zal hij dragen. Evenzoo wordt in Dan. 12:3 van de voorgangers en leeraars van het volk Gods gezegd, dat zij er velen rechtvaardigen, d. i. door hun gerechtigheid, hun trouw aan de wet, voor velen ten voorbeeld zijn, om hen na te volgen en alzoo ook onder de rechtvaardigen gerekend te worden. In 1 Cor. 6:11 is de juridische beteekenis van δικαιουν thans schier algemeen erkend; Paulus herinnert daar de Corinthiërs, dat zij, vroeger ἀδικοι, afgewasschen, geheiligd, gerechtvaardigd zijn; blijkens het eerste woord denkt P. aan den doop, en de drie begrippen duiden niet aan, dat de Corinthiërs deze weldaden successief, temporeel na elkaar, hebben ontvangen, maar blijkens het herhaalde ἀλλα bevatten zij een climax; toen, in den doop, zijn zij niet alleen negatief van de zonden van hun vorigen wandel gewasschen en positief geheiligd, maar zij zijn ook in een geheel anderen stand, in den stand der δικαιοι, geplaatst door een rechterlijk oordeel Gods; en al die weldaden zijn hun deel geworden in den naam van den Heere Jezus και ἐν τῳ πνευματι του θεου ἡμων; ook deze laatste woorden slaan op de rechtvaardiging, welke in Christus haar objectieven 532 grondslag heeft en in den Geest zich aan de geloovigen realiseert, Gloël, Der h. Geist 149 f. Gennrich, Stud. u. Krit. 1898 S. 402 f. Tit. 3:7 bevat geen enkele reden, om van de gewone, juridische beteekenis van δικαιουν af te wijken. In Op. 22:11 verdient de lezing δικαιωθητω om de parallele vormen de voorkeur en beteekent, dat hij die rechtvaardig is, door rechtvaardig te handelen, nog meer als rechtvaardige worde erkend. Zoo ontbreekt dus alle stringent bewijs, dat het woord δικαιουν in de Schrift ooit in ethischen zin wordt gebezigd; doch ook al ware dit eene enkele maal het geval, als er sprake is van de rechtvaardigmaking des zondaars voor God, heeft het altijd eene juridische beteekenis. De Roomschen trachten tevergeefs, dit exegetisch resultaat omver te stooten, cf. b. v. B. Bartmann, St. Paulus und St. Jacobus über die Rechtfertigung, Freiburg 1897 S. 67 f.

5. Nu zegt God in zijne wet, dat de rechtvaardige rechtvaardig en de onrechtvaardige veroordeeld moet worden, Deut. 25:1, en aller geweten en rechtsgevoel stemt daarmede in. Zelf handelt God naar dezen regel; Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig en den onschuldige veroordeelt Hij niet, Ex. 20:5v., 34:7, Num. 14:18. Wie den goddelooze rechtvaardigt en den rechtvaardige verdoemt, zijn den Heere een gruwel, ja die beiden, Spr. 17:15, cf. Ex. 23:7, Spr. 24:24, Jes. 5:23. En toch schijnbaar lijnrecht daartegen in en als met zichzelven in tegenspraak, Rom. 1:18, 2:13, zegt Paulus, dat God den goddelooze rechtvaardigt, 4:5. De mensch heeft n.l. geene gerechtigheid in zichzelven, op grond waarvan hij door God vrijgesproken zou kunnen worden. De Pelagiaanschgezinden, die den grond der vrijspraak vinden in het geloof, d. i. in de goede gezindheid, de deugden en goede werken van den mensch en deze als volkomen aanmerken, wijl zij den waarborg der volmaaktheid in zich dragen of ook om Christus’ wil door God als volmaakt gerekend worden, komen op alle punten met de leer der Schrift en de christelijke belijdenis in strijd. Immers, de Schrift getuigt, dat uit de werken der wet geen vleesch kan of zal gerechtvaardigd worden, Jes. 64:6, Rom. 3:19, 20, 8:7, Ef. 2:2 enz. De werken, na de rechtvaardiging uit het geloof volbracht, kunnen voor de rechtvaardiging niet in aanmerking komen, wijl alsdan de orde des heils 533 omgekeerd en de rechtvaardiging van de heiligmaking afhankelijk zou gemaakt worden, en ook die goede werken nog altijd onvolkomen en met zonde besmet zijn, niet beantwoordende aan den vollen eisch der Goddelijke wet, Mt. 22:37, Gal. 3:10, Jak. 2:10. God als de waarachtige kan niet voor volmaakt houden wat het niet is; als de rechtvaardige en heilige kan Hij van den eisch der wet geen afstand doen noch met eene halve gerechtigheid, die in den grond geene is, zich tevreden stellen. De Schrift stelt dan ook de eigen gerechtigheid en de gerechtigheid des geloofs of de gerechtigheid Gods tegenover elkaar, Rom. 10:3, Phil. 3:9; zij sluiten elkander uit als werken en geloof, Rom. 3:28, Gal. 2:16, als loon en genade, Rom. 4:4, 11:6. Terwijl de wet dus den mensch vanwege zijne zonde veroordeelt en veroordeelen moet, heeft het Gode behaagd, eene andere gerechtigheid te openbaren, die grond zijner vrijspraak kan zijn. Deze gerechtigheid wordt door Paulus δικαιοσυνη θεου genoemd. De uitdrukking komt, behalve Jak. 1:20 en 2 Petr. 1:1, bij Paulus voor in Rom. 1:17, 3:5, 21, 22, 25, 26, 10:3, 2 Cor. 5:21, Phil. 3:9 en heeft bij hem een eigenaardigen zin. In het O. T. is de gerechtigheid Gods die deugd, waardoor Hij rechtvaardig oordeelt, den schuldige niet voor onschuldig en den onschuldige niet voor schuldig houdt, en dan vervolgens vooral de armen, de ellendigen, die persoonlijk wel schuldig zijn maar zakelijk het recht aan hunne zijde hebben, helpt en redt en in hun recht erkent, boven bl. 340. Maar deze gerechtigheid Gods scheen bij het einde der O. T. oeconomie geheel verdwenen en te loor gegaan; immers was de gansche wereld verdoemelijk voor God, Rom. 3:19, uit de werken der wet werd niemand voor God gerechtvaardigd, 3:20, de tevoren geschiede zonden waren in Gods lankmoedigheid straffeloos voorbijgegaan, 3:25. Het was dus noodig, dat zijne gerechtigheid wederom geopenbaard werd. Dat deed God nu, niet door de gansche wereld te verdoemen, maar door in Christus een ἱλαστηριον, een zoenmiddel of zoenoffer, voor de zonden te geven. Daardoor bleek, dat God zelf rechtvaardig was, maar daardoor werd ook mogelijk dat Hij, behoudens, ja in overeenstemming met zijne rechtvaardigheid, rechtvaardigen kon dengene, die uit het geloof van Jezus is, 3:25, 26. Immers, en zoo komt Paulus tot de hem eigene wijziging van het begrip der δικαιοσυνη θεου—in Christus, in het evangelie heeft God, 534 zonder de wet, eene tegenover de ἰδια δικαιοσυνη staande „gerechtigheid Gods” geopenbaard. Zijne gerechtigheid als deugd heeft zich daarin het heerlijkst betoond, dat Hij in het evangelie eene andere, buiten de werken der wet omgaande, gerechtigheid heeft geschonken, op grond waarvan Hij dengene, die uit het geloof van Jezus is, rechtvaardigen kan. Gerechtigheid Gods heet deze, niet omdat zij eene gerechtigheid des menschen is, welke wel buiten hem is maar door hem in het geloof is aangenomen en werkelijk „voor God” (gen. object., met beroep b.v. op Rom. 2:13, Gal. 3:11, παρα τῳ θεῳ, 3:20, ἐνωπιον αὐτου) als zoodanig geldt, Luther, Calvijn, Kantt., Philippi, Umbreit, Fritzsche; noch ook, omdat zij eene gerechtigheid des menschen is, welke hem ingestort is en waardoor hij voor God kan bestaan, Osiander, Schleiermacher, Rothe, Martensen, Nitzsch, Beck enz.; maar wijl zij eene gerechtigheid is, welke niet der menschen maar Godes is, die Hij bezit, welke Hij daarom ook alleen geeft en geven kan, die niet uit den mensch maar ἐκ θεου is, Rom. 10:3, 5, Phil. 3:9; zoo de meeste nieuwere exegeten, hetzij zij den genetivus meer opvatten als een gen. subjecti (Haussleiter), possessivus (Fricke) of originis, auctoris, causae efficientis (Bengel, Rückert, van Hengel, Winer, Baur, Hofmann, Godet, Weiss, Pfleiderer, Holtzmann enz.); cf. behalve de reeds vroeger deel II 198v. genoemde litteratuur: Rauwenhoff, Disq. de loco Paulino, qui est de δικαιωσει, L. B. 1852. Lipsius, Die Paulin. Rechtfertigungslehre, Leipzig, 1853. Ortloph, Zeits. f. luth. Theol. u. Kirche 1860. Schultz, Die Lehre v. d. Gerecht, aus d. Glauben im A. u. N. B., Jahrb. f. d. Th. 1862 S. 510-572. Cremer s. v. δικ. Weiss, Bibl. Theol. §82. Pfleiderer, Der Paulin.2 183. Weiszäcker, Das apost. Zeitalter2 143. H. Beck, Die δικ. θεου bei Paulus, Neue Jahrb. f. d. Th. 1894 S. 249-261. Holtzmann, Neut. Theol. II 127. Häring, Δικ. θεου bei Paulus, Tübingen 1896 (vat δικ. θεου als daad op, rechtvaardiging Gods, evenals Kölbing, Stud. u. Krit. 1895 S. 7-17).

Al is deze gerechtigheid nu eene gerechtigheid Gods, zij wordt toch aan den mensch meegedeeld, en het verband tusschen haar en den mensch wordt door Paulus gelegd in het geloof. Deze gerechtigheid Gods is er, zij wordt evenmin als de καταλλαγη, 2 Cor. 5:19, door den mensch, door het geloof bewerkt, maar ligt objectief in Christus, Rom. 4:25, 1 Cor. 1:30, zij wordt 535 geopenbaard in het evangelie, 1:17, 3:21, zij is eene gave, eene gave der genade, 3:24, 5:15, 16, 17; desniettemin, of liever juist daarom, 4:16, is zij δια πιστεως Ιησου Χριστου, 3:22, Phil. 3:9, ἐκ πιστεως, 9:30, 10:6, eene δικαιοσυνη πιστεως, 4:11, 13, in het bezit des menschen ἐπι τῃ πιστει, Phil. 3:9; zij wordt geopenbaard in het evangelie ἐκ πιστεως en εἰς πιστιν, 1:17, εἰς παντας τους πιστευοντας, 3:22, cf. 10:4, 10; God rechtvaardigt τον ἐκ πιστεως Ιησου, 3:26, ἐκ of δια πιστεως, 3:30, Gal. 3:8, en de mensch wordt gerechtvaardigd πιστει, 3:28. ἐκ πιστεως, 5:1, Gal. 3:24, δια πιστεως, Gal. 2:16; het geloof wordt gerekend εἰς δικαιοσυνην, Rom. 4:3, 5, 9, 11, 22, en de rechtvaardige leeft ἐκ πιστεως, 1:17, Gal. 3:11. Welke plaats komt nu naar deze uitdrukkingen aan het geloof in de rechtvaardigmaking toe? Afgezien van hen, die Paulus moderniseeren, het geloof als goede gezindheid opvatten en God den wil laten nemen voor de daad, zijn er slechts twee gevoelens mogelijk. Het eerste is dat van Roomschen, Remonstranten, Mystieken, Ethischen en vele nieuwere Protest. theologen, die zeggen, dat het geloof wel speciaal geloof aan Christus is maar het toch opvatten als de gansche of als een stuk van die gerechtigheid, op grond waarvan God den zondaar vrijspreekt; dat geloof is wel onvolmaakt en niet beantwoordende aan den eisch der wet; maar God houdt het toch voor eene volmaakte gerechtigheid en stelt er zich mede tevreden, hetzij om den wille van Christus, of omdat het toch eene gehoorzaamheid aan Gods wil in het evangelie is en den mensch Gode aangenaam maakt, of wijl het in beginsel volmaakt is en den waarborg der toekomstige volmaking in zich draagt. Maar deze meening is om allerlei redenen met de Schrift in strijd. 1o De gerechtigheid, die de grond der rechtvaardigmaking is, is eene gerechtigheid Gods en niet des menschen; zij wordt den mensch slechts ten deel door eene gave der genade; zij ligt dus vóór zijn geloof in Christus gereed en heeft geen enkele aanvulling van noode. God heeft n.l. Christus gesteld tot een ἱλαστηριον, 3:24, en deze Christus is overgeleverd om onze zonden, 4:25, voor ons gestorven, 5:6-11, een vloek geworden, Gal. 3:13, tot zonde gemaakt, 2 Cor. 5:21, en is alzoo ook opgewekt om onze rechtvaardigmaking, Rom. 4:25, d. i. omdat wij in Hem gerechtvaardigd waren; Hij is onze gerechtigheid, 1 Cor. 1:30, en wij worden gerechtvaardigd 536 δια της ἀπολυτρωσεως της ἐν Χριστω Ιησου, 3:34, ἐν τῳ αἱματι αὐτου, 5:9, ἐν Χριστῳ, Gal. 2:16. In Rom. 5:12v. betoogt Paulus, dat het bij Christus toegaat als bij Adam. Op grond van ééne overtreding zijn alle menschen veroordeeld en den dood onderworpen; maar zoo is ook de genadegave der gerechtigheid in Christus tot δικαιωμα, d. i. tot een vrijsprekend oordeel voor velen, 5:16. Door één δικαιωμα toch, d. i. het vrijsprekend oordeel over Christus in zijne opstanding, 4:25, komt het bij alle menschen tot δικαιωσις ζωης, d. i. de daad der rechtvaardiging, welke het leven meebrengt, 5:18. Door de gehoorzaamheid van éénen worden de velen tot rechtvaardigen gesteld, δικαιοι κατασταθησονται, 5:19. Naast de gerechtigheid, welke God in Christus schonk, en op grond waarvan Hij Christus als middelaar des verbonds voor al de zijnen in zijne opstanding rechtvaardigde, is er voor eene gerechtigheid, bestaande in geloof of liefde, geene plaats. De laatste zou de eerste teniet doen. 2o Nergens wordt het geloof dan ook als grond der rechtvaardiging voorgesteld. De gerechtigheid, de rechtvaardiging is ἐκ of δια πιστεως, maar nooit δια πιστιν. Wel staat Phil. 3:9, dat Paulus την δια Χριστου, την ἐκ θεου δικαιοσυνην bezat ἐπι τῃ πιστει, op grond van zijn geloof, maar de gerechtigheid, welke Paulus bezat, wordt duidelijk omschreven als δια πιστεως, ἐκ θεου; alleen zegt hij, dat hij die gerechtigheid Gods voor zichzelven bezat op den grondslag van het geloof. Nooit komt het geloof voor als de gerechtigheid zelve of als een gedeelte daarvan; integendeel, juist omdat zij naar genade is, is zij uit het geloof. Genade en geloof staan niet tegenover elkander, maar wel geloof en werken, gerechtigheid des geloofs en gerechtigheid uit de werken, Rom. 3:20-28, 4:4-6, 13, 14, 9:32, 10:5, 6, Gal. 2:16, 3:11, 12, 23, 25, 5:4, 5, Ef. 2:8, 9. Het geloof rechtvaardigt niet door zijn wezen of daad, omdat het zelf gerechtigheid is, maar door zijn inhoud, wijl het geloof in Christus, onze gerechtigheid is. Indien het geloof om zichzelf rechtvaardigde, zou het object van dat geloof, n.l. Christus, geheel zijne waarde verliezen. Maar het geloof, dat rechtvaardigt, is juist dat, hetwelk Christus tot voorwerp en inhoud heeft. Indien daarom de gerechtigheid uit de wet, en het geloof een werk was, dat verdienste en waarde had en den mensch Gode aangenaam maakte, dan zou Christus tevergeefs gestorven zijn, Gal. 2:21. 537 Zoo weinig komt het geloof bij de rechtvaardiging als grond in aanmerking dat Paulus zeggen kan, dat God den goddelooze rechtvaardigt, Rom. 4:5. Zelfs als zijne leer de beschuldiging uitlokt, dat zij tot zorgeloosheid en goddeloosheid leidt, verdedigt hij zich nooit daarmede, dat het geloof geheel of ten deele de grond der rechtvaardiging is, Rom. 3:5-8, 6:1, maar houdt hij staande, dat er geene verdoemenis is voor degenen, die in Christus zijn, wijl Christus voor hen gestorven en opgewekt is, Rom. 8:33, 34. 3o Wijl het geloof dus geen werk is maar een afstand doen van alle werk, een onbepaald vertrouwen op God, die de dooden levend maakt, Rom. 4:17, die Christus opgewekt heeft, 4:24, die in Christus eene δικαιοσυνη θεου gegeven heeft, 3:22-26, daarom kan de uitdrukking, dat het geloof wordt toegerekend tot gerechtigheid, niet beteekenen, dat het zelf als een werk der gerechtigheid in de plaats van of naast de gerechtigheid Gods in Christus door God wordt aangenomen. Het woord λογιζεσθαι toch kan wel beteekenen: iemand houden of rekenen voor dat wat hij is, 1 Cor. 4:1, 2 Cor. 12:6, maar het kan ook den zin hebben van: iemand iets in rekening brengen, wat hij persoonlijk niet heeft. Zoo worden de zonden dengene, die gelooft, niet toegerekend, ofschoon hij ze wel heeft, Rom. 4:8, 2 Cor. 5:19, cf. 2 Tim. 4:16; zoo werden zij wel toegerekend aan Christus, ofschoon Hij zonder eenige zonde was, Jes. 53:4, 5, 6, Mt. 20:28, Rom. 3:25, 8:3, 2 Cor. 5:21, Gal. 3:13, 1 Tim. 2:6; en zoo wordt op dezelfde wijze aan hem, die gelooft, de gerechtigheid toegerekend, welke hij niet heeft, Rom. 4:5, en daarom is dat toerekenen κατα χαριν, 4:4, het is een λογιζεσθαι δικαιοσυνην χωρις ἐργων, 4:6. De woorden: het geloof wordt toegerekend tot gerechtigheid, zijn eene verkorte uitdrukking daarvoor, dat God zijne in Christus geopenbaarde gerechtigheid in het geloof aan iemand toerekent en op dien grond hem vrijspreekt. Dit wordt bevestigd door die andere uitdrukking: ὁ δικαιος ἐκ πιστεως ζησεται. Het geloof is eigenlijk niet principe en bron van het leven, want Christus is het leven en geeft het leven, Rom. 5:17, 18, 6:4v., 2 Cor. 4:10, 11, Gal. 2:20, Col. 3:3, 4, 2 Tim. 1:10, cf. Joh. 1:4, 6:33v., 11:25, 1 Joh. 1:2, 5:11 enz. Wie gelooft, die heeft het leven, juist omdat hij het uit Christus ontvangt; en zoo ook, wie gelooft, heeft de δικαιοσυνη θεου, welke God in Christus hem 538 schenkt. 4o Daarbij komt ten slotte dan nog, dat, indien het geloof zelf grond der rechtvaardiging is, God met eene mindere gerechtigheid zich tevreden stelt, dan die Hij eischt in zijne wet. Het evangelie bevestigt dan niet, gelijk Rom. 3:31 zegt, maar vernietigt de wet. God doet afstand van zijn eigen gerechtigheid en verloochent zichzelven. Of ook rekent Hij het geloof voor iets, dat het niet is, voor eene volkomene en voldoende gerechtigheid, en doet te kort aan zijne waarachtigheid. De beschuldiging, die door de voorstanders der justitia infusa tegen de justitia imputata ingebracht wordt, dat God iemand houdt voor wat Hij niet is, keert tot henzelven terug; zij juist laten God iets voor gerechtigheid rekenen, wat het niet is. En bovendien nemen zij den troost der geloovigen weg. Indien ons geloof, dat dikwerf zoo klein is en zoo zwak en dikwerf geheel onder twijfel en vreeze wegschuilt, dat volgens de verdedigers van de justitia infusa zelfs geheel verloren kan gaan, indien dat geloof de grond is van onze rechtvaardiging, is het christelijk leven een leven van voortdurende angst en onzekerheid; in plaats van naar Christus, wordt het oog des geloofs steeds naar binnen, naar zichzelven, geslagen; een waarachtig, christelijk leven in den dienst van God wordt onmogelijk, want eerst moet de vreeze voor God als Rechter omgezet zijn in het bewustzijn zijner vaderlijke liefde, eer er van waarlijk goede werken sprake kan zijn.

6. Toch dient het bezwaar, dat tegen de justitia imputata ingebracht wordt, ernstig overwogen te worden. 1o Bellarminus, de justif. II c. 7 ontwikkelde het op deze wijze: de gerechtigheid van Christus, indien alleen ons toegerekend en dus buiten ons blijvend, kan de forma niet zijn, waarin wij voor God gerechtvaardigd worden. Gods oordeel is toch naar waarheid. Hij kan iemand niet rechtvaardig verklaren, die het niet is; zoolang de gerechtigheid van Christus alleen toegerekend is en buiten den mensch blijft, is hij niet rechtvaardig en kan hij niet rechtvaardig verklaard worden. Men zal zeggen: maar de zondaar is toch door het geloof met Christus’ gerechtigheid bekleed! Doch, ofschoon dat zoo zij, indien iemand optreedt in tweeërlei gedaante, in eene forma extrinseca en eene forma inhaerens, dan wordt hij niet naar de eerste maar naar de laatste genoemd. Laat een Ethiopiër een wit kleed aandoen, hij blijft toch zwart en wordt zoo genoemd, al is hij 539 ook wit naar de forma extrinseca. Ja nog sterker: ook Christus kan in tweeërlei forma beschouwd worden; naar de forma intrinseca was Hij heilig, naar de forma extrinseca was Hij met onze zonden beladen; toch wordt Hij niet naar deze maar naar gene genoemd. En zoo kan ook in de rechtvaardiging de justitia imputata onze forma niet zijn; wij kunnen alleen gerechtvaardigd worden op grond van eene in ons wonende gerechtigheid. Dit bezwaar van Bellarminus keert bij alle bestrijders der reformatorische leer terug; alwat men op de leer van de justitia imputata tegen heeft, komt hierop neer. Om nu met het laatste te beginnen, Christus wordt in de Schrift wel terdege naar de forma extrinseca genoemd en behandeld; Hij heet zelfs tot zonde voor ons gemaakt en een vloek voor ons geworden. In legalen, juridischen zin kan Christus een zondaar heeten, ofschoon ter vermijding van antinomiaansch misverstand de uitdrukking geen aanbeveling verdient, boven bl. 366. En zoo wordt in Rom. 4:5 en 5:6 gezegd, dat God den goddelooze rechtvaardigt. Sterker uitdrukkingen dan deze kunnen niet gebruikt worden. De tegenstanders van de justitia imputata moeten hun bezwaar niet tegen Luther en Calvijn maar tegen Paulus inbrengen. 2o Het beeld van den Moor is ongelukkig gekozen. De tweeërlei forma, waarin de mensch in de rechtvaardigmaking voorkomt, staan onderling in gansch andere verhouding dan die van de zwarte huid en het witte kleed bij den Ethiopiër. De mensch is een goddelooze in ethischen zin, maar hij wordt om de gerechtigheid van Christus een rechtvaardige in juridischen zin; het aantrekken van een wit kleed brengt echter hoegenaamd geen legale verandering van den Ethiopiër mede. Juister is het beeld van het kind, dat, in genade door een rijk man aangenomen, reeds als toekomstig erfgenaam rijk mag heeten, al heeft het op het oogenblik nog niets in zijn bezit. God verklaart den zondaar rechtvaardig, neemt hem aan tot zijn kind, belooft hem Christus en al zijne weldaden, en daarom is hij rechtvaardig en wordt eens in het bezit van alle schatten der genade gesteld. 3o De toerekening van Christus’ gerechtigheid wordt echter door Bellarminus c. s. geheel verkeerd opgevat. Zij stellen zich deze voor als eene fictie, die met de werkelijkheid in strijd is; justitia imputata is volgens hen eene gerechtigheid, die alleen in de verbeelding bestaat, en justitia infusa is alleen ware, wezenlijke gerechtigheid. Dat is echter eene gansch verkeerde voorstelling. De rechtvaardigmaking 540 is even waarachtig als de heiligmaking, de toerekening even reëel als de instorting. Dit is alleen het verschil; in de justificatie wordt de gerechtigheid ons geschonken in juridischen, in de sanctificatie wordt zij ons deel in ethischen zin. Beide zijn even wezenlijk en beide evenzeer noodig. Eerst moet de rechter iemands recht op een zeker pand uitspreken, eer deze daarvan in het bezit kan komen; het eerste is geen fictie, geen inbeelding, die er niets toe doet en met de werkelijkheid strijdt; neen, eerst is de imputatio justitiae noodig, de erkenning van het recht, en daarna kan eerst de infusio justitiae volgen, de inbezitneming van datgene, waar recht op bestaat. Wanneer dit alles nu reeds waar is bij den aardschen rechter, hoeveel te meer bij den hemelschen? Als God den goddelooze rechtvaardigt, dan is dat geen fictie, geen imputatio putativa, maar dan is en wordt dat zoo. Zooals God recht spreekt, zoo is en zoo blijft het eeuwiglijk, en zoo zal het ook eens in den dag des oordeels door allen worden erkend. Want God, als Hij den goddelooze rechtvaardigt, doet dat op grond van eene δικαιοσυνη, welke Hij zelf in Christus aangebracht heeft; door Christus’ offerande heeft Hij tegenover alle vijandige macht het recht der vrijspraak van den goddelooze verworven; en als Hij recht spreekt, zal Hij het uitvoeren ook. De goddelooze is rechtvaardig in legalen zin, hij zal het dus zeker ook worden in ethischen zin. Want God is degene, die dooden levend maakt en die de dingen die niet zijn, roept alsof zij waren. En het rechtvaardigend geloof bestaat juist in onwankelbaar vertrouwen op dien God der wonderen, bij wien alle dingen mogelijk zijn. 4o De gerechtigheid, op grond waarvan de goddelooze gerechtvaardigd wordt, is inderdaad zijne eigene niet; zij is eene δικαιοσυνη θεου, staande tegenover de ἰδια δικαιοσυνη. Maar zij is toch niet in dien zin eene vreemde en buiten hem staande, dat zij hem niets aangaat en niet in de minste relatie tot hem staat. Integendeel, reeds in het pactum salutis heeft Christus zich in betrekking tot de zijnen gesteld en als middelaar hun plaats ingenomen. In den staat der vernedering is Hij om hunne zonden gestorven, en Hij is opgewekt om hunne rechtvaardigmaking. Er bestaat een verbond der genade, eene unio mystica tusschen Christus en zijne gemeente, lang voordat de geloovigen persoonlijk daarin worden opgenomen; anders had Christus ook niet voor hen kunnen voldoen. Er heeft eene toerekening en schenking van Christus en al 541 zijne weldaden van Gods zijde plaats, eer de bijzondere personen komen tot het geloof. Bepaaldelijk heeft die toerekening en schenking plaats in de vocatio interna, en de wedergeboorte is de passieve aanvaarding van deze gave der genade. God moet ook eerst geven, opdat wij zouden kunnen ontvangen. De allereerste genade, welke ons wordt geschonken, onderstelt reeds de toerekening van Christus, want deze is de eenige bron der genade, de verwerver en uitdeeler van den Geest, die zijn Geest, de Geest van Christus is. Eene vreemde is dus de gerechtigheid, die de grond der rechtvaardiging is, slechts in zekeren zin. Zij is de gerechtigheid van het hoofd maar daarom ook van al de leden, van den middelaar maar dus ook van al de bondgenooten.

7. Doch ook hiermede is de reformatorische leer van de rechtvaardigmaking nog niet in het volle licht gesteld. Al moge het waar zijn, dat er eene toerekening en schenking van Christus aan de zijnen reeds plaats heeft in het pactum salutis, in vleeschwording en voldoening, in uit- en inwendige roeping; deze is toch nog niet genoeg, zij is de eigenlijke rechtvaardigmaking nog niet. Het is waar dat de Geref. theologie reeds spoedig ging onderscheiden tusschen de justificatio activa, die vóór, en de justificatio passiva, die na het geloof plaats had, en de eerste als de eigenlijke rechtvaardigmaking tegen de laatste als een tot bewustzijn komen van de reeds geschiede rechtvaardigmaking ging overstellen. De Schrift geeft hier in Rom. 4:25 en 2 Cor. 5:19 eenigen grond voor, en ook in de nieuwere theologie is menigmaal, zij het dan ook om andere reden en met andere bedoeling, de juistheid dezer Geref. gedachte erkend, cf. bijv. Schelling, Werke II 4 S. 217 f. Dorner, Chr. Gl. II 754 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III2 76 f. Kaftan, Dogm. 493 f. enz. Er ligt hier zulk eene belangrijke waarheid in, dat de ontkenning daarvan onvermijdelijk tot Remonstrantsche voorstellingen voert. God wacht niet met de vrijspraak van den zondaar, totdat deze als het ware buiten Hem om de gerechtigheid van Christus door het geloof heeft opgenomen; de toerekening en schenking van Christus en zijne weldaden gaat aan het geloof vooraf, zij is geschied in het besluit des Vaders, in de voldoening van Christus, in de vocatio interna des H. Geestes. Maar hoe waar dit alles ook zij, het is toch opmerkelijk, dat de Schrift deze toerekening nooit met den naam 542 van rechtvaardigmaking bestempelt maar daaronder steeds verstaat die vrijspraak Gods, welke geschiedt uit en door het geloof. Op zijn minst ligt hierin opgesloten, dat de rechtvaardigmaking uit het geloof in de orde des heils eene gewichtiger plaats inneemt dan degenen, die het zwaartepunt leggen in de justificatio activa, haar kunnen toekennen. Behalve dat deze voorstelling van de leer der rechtvaardigmaking afwijkt van het doorloopend spraakgebruik der H. Schrift, geeft zij ook aanleiding tot misverstand, ziet zich genoodzaakt tot exegetische gewelddadigheden, en laat de rechtvaardigmaking uit het geloof niet genoegzaam als vrijsprekende daad Gods tot haar recht komen. Men kan wel van eeuwige rechtvaardigmaking spreken en ze in goeden zin bedoelen en opvatten; maar zonder bedenking is de uitdrukking toch niet; de Gereformeerden verwierpen haar bijna zonder uitzondering, ook Maccovius, L. C. 676, Voetius, Disp. V 281, Westm. Syn. XI 4, en zelfs Comrie, Brahe e. a. namen ze slechts aan in beperkten en wel omschreven zin, Comrie, Brief over de regtv. Sneek 1858 bl. 91v. Brahe, Godg. Stellingen over de leer der rechtv. Amst. 1833 bl. 26v. Immers is in God niet alleen de rechtvaardigmaking, maar alwat Hij denkt en doet eeuwig. In dien zin, als actus immanens, is ook de schepping eeuwig, deel II 411, maar wie daarom van eeuwige schepping ging spreken, zou verwarring stichten en een pantheistische terminologie invoeren. En zoo is het ook met de onderhouding, de regeering, de wedergeboorte, de roeping, de heilig- en heerlijkmaking, en niet minder de rechtvaardigmaking. Ook kan er in goeden zin van eene rechtvaardigmaking in de opstanding van Christus en in het evangelie gesproken worden; maar toch is er tusschen deze en die, welke uit het geloof geschiedt en die meer bepaald in de Schrift den naam van rechtvaardigmaking draagt, een groot onderscheid. Gene betreft toch Christus als borg der zijnen, maar deze gaat over de geloovigen zelven, en niet alleen over die geloovigen als geheel, als gemeente gedacht, gelijk Ritschl beweert, Rechtf. u. Vers. III 103 f., maar ook over hen allen persoonlijk, zooals uit Rom. 3:26, 4:3, 24, 5:19, 8:1, 30, 10:4, 10, 1 Cor. 6:11, Gal. 2:16, Phil. 3:9 enz. onwedersprekelijk bewezen wordt. Deze laatste rechtvaardigmaking nu is geen toevallig element, dat bij de eigenlijke en wezenlijke rechtvaardigmaking in Gods besluit, in Christus’ opstanding of in de roeping door 543 het evangelie bijkomt; maar zij vormt in de rechtvaardigmaking, die als het ware in de eeuwigheid begint en eerst in het laatste oordeel haar volle beslag krijgt, een onmisbaar en allerbelangrijkst moment. De toepassing des heils door den H. Geest mag in geenerlei opzicht tot eene verwerving des heils worden gemaakt, want de H. Geest neemt alles uit Christus; maar de toepassing is toch op haar terrein even noodzakelijk en van even groote beteekenis als de verwerving. Van wedergeboorte, geloof en bekeering wordt daarom in de Schrift de ingang in het koninkrijk der hemelen afhankelijk gemaakt. En verwerving en toepassing staan daarbij in zoo nauw verband, dat de eerste niet zonder de laatste en omgekeerd de laatste niet zonder de eerste denkbaar of bestaanbaar is. De verwerving brengt noodzakelijk de toepassing mede; door zijn lijden en sterven heeft Christus ook verworven, dat al zijne weldaden, dus ook de vergeving der zonden aan al de zijnen persoonlijk en individueel zouden worden toegepast. Het is Christus als Zaligmaker niet alleen om objectieve voldoening maar ook om subjectieve verlossing der zijnen van de zonde te doen. Deze komt nu niet tot stand door eene objectieve rechtvaardigmaking in het besluit Gods of in de opstanding van Christus, maar zij krijgt dan eerst haar beslag, wanneer de mensch beide naar het zijn en naar het bewustzijn van de zonde bevrijd wordt, en dus wedergeboren en gerechtvaardigd wordt. Op deze rechtvaardigmaking heeft nu gewoonlijk de Schrift het oog, als zij dit woord gebruikt of ook van vergeving der zonden enz. spreekt. Paulus bij name denkt bij de rechtvaardigmaking niet aan eene eeuwige daad in God, want hij spreekt van haar als ἐκ, δια πιστεως. Ook geeft hij met geen enkel woord te kennen, dat zij daarin bestaat, dat God op een gegeven oogenblik, bijv. als de mensch gelooft, stil bij zichzelven, in foro coeli, in de hemelsche vierschaar, hem vrijspreekt van schuld en straf en recht geeft op het eeuwige leven. Want alleen de raad Gods is een actus immanens, maar alle andere werken Gods, schepping, onderhouding, regeering, verlossing, rechtvaardigmaking enz., behooren tot de actus transeuntes; zij zijn niet ratio ordinis maar executio ordinis, boven bl. 6. Ook denkt Paulus bij de rechtvaardigmaking uit het geloof niet aan de zoogenaamde justificatio passiva, ten minste niet, als deze van de justificatio activa temporeel gescheiden en als een tot bewustzijn komen van de reeds lang 544 te voren geschiede rechtvaardigmaking opgevat wordt; want hij legt er juist allen nadruk op, dat God rechtvaardigt uit en door het geloof. Wij staan hier als zoo dikwerf voor het mysterie der verhouding van eeuwigheid en tijd. Als Christenen belijden wij, dat het eeuwige willen Gods, zonder op te houden eeuwig te zijn, werkingen kan voortbrengen in den tijd, gelijk zijn eeuwig denken ook tijdelijke dingen tot inhoud hebben kan, deel II 413. In de rechtvaardigmaking uit het geloof komt niet eene eeuwen geleden door God uitgesproken vrijverklaring eindelijk tot bewustzijn van den mensch; maar God, die onveranderlijk is, is zelf de handelende, als Hij den zondaar vrijspreekt door het geloof. Van Hem gaat, zonder dat Hij ophoudt de Eeuwige te zijn, die werkzaamheid uit, welke door den mensch als rechtvaardiging uit het geloof ontvangen en genoten wordt. De toepassing is evengoed als de verwerving des heils van oogenblik tot oogenblik eene werkzaamheid Gods, van den Vader, den Zoon en den H. Geest. Ook in de rechtvaardigmaking uit het geloof zijn alle drie personen betrokken. Het is de Vader, die door den Zoon en in den Geest den zondaar rechtvaardigt, Rom. 8:33, 34, 1 Cor. 6:11. Paulus denkt er niet aan, om hier scheiding te maken en de rechtvaardigmaking door den Vader in de eeuwigheid, die van den Zoon in de opstanding, en die van den H. Geest in het bewustzijn van den mensch te verleggen. Maar gelijk zij alle drie saamwerkten in de verwerving, zoo werken zij ook saam in de toepassing der zaligheid. In gene werd de schuld en straf weggenomen en het leven verworven; in deze wordt de mensch door God ook van zijne zijde en subjectief in die verhouding geplaatst, waarin hij objectief reeds stond in Christus als zijn borg en middelaar. Gelijk de wedergeboorte in subjectieven zin van de smet der zonde bevrijdt, zoo neemt de rechtvaardiging de schuld der zonde weg. Beide zijn even noodzakelijk, even reëel, evenzeer gegrond in de offerande van Christus, maar ook in de toepassing van eene zelfde hooge beteekenis.

Deze rechtvaardigmaking gaat daarom niet buiten den mensch om maar geschiedt uit en door het geloof. De Schrift denkt daarbij ongetwijfeld meestentijds aan het geloof als actus. Maar natuurlijk is daardoor het geloof als habitus niet uitgesloten; wedergeboren kinderkens en volwassen geloovigen hebben en houden in dezen habitus fidei de vrijspraak Gods, de getuigenis des H. 545 Geestes, dat zij kinderen Gods zijn, ook al getuigt hun geest niet altijd mede. Maar verder stelt de Schrift deze rechtvaardigmaking uit het geloof scherp en streng tegen die uit de werken over. Deze tegenstelling wil echter niet zeggen, dat het geloof geen werk is en geen beginsel van goede werken. Zij dwingt ons niet, om zoolang te zoeken totdat wij in de innerlijke natuur des geloofs iets vinden, dat geen werk, geen daad maar enkel passiviteit is, De tegenstelling, die de Schrift en inzonderheid Paulus maakt, is deze, dat de rechtvaardigmaking niet tot stand komt door de werken der wet, d. i. niet in zulke werken haar grond, haar causa meritoria heeft. Immers heeft God in Christus eene andere, betere δικαιοσυνη gegeven, dan die zondige werken kunnen bieden; en die δικαιοσυνη dat is Christus, is de eenige en genoegzame grond onzer rechtvaardigmaking. In de tegenstelling οὐκ ἐξ ἐργων ἀλλ’ εκ πιστεως heeft de praepositie ἐκ dus beide malen eene verschillende beteekenis. In het eerste lid geeft zij te kennen, dat werken der wet niet de δικαιοσυνη kunnen zijn, op grond waarvan God ons vrijspreken kan; maar in het tweede lid duidt zij aan, niet dat het geloof zelf wel die gerechtigheid kan zijn, maar dat het die gerechtigheid, welke noodig is om gerechtvaardigd te worden, juist niet bij den mensch in zijne werken, maar buiten hem in Christus zoekt. De tegenstelling luidt dus zuiver aldus: niet de eigen gerechtigheid der werken, maar de gerechtigheid Gods in Christus. Ofschoon deze gerechtigheid nu volkomen door Christus verworven is en in Hem gereedligt, ofschoon zij in de vocatio interna en dus in logischen zin vóór de wedergeboorte en het geloof toegerekend en geschonken wordt, zij wordt toch van ’s menschen zijde eerst aanvaard in het geloof (habitus of actus fidei) en wordt dan eerst de grond, waarop hij zelf persoonlijk door God, in bovengenoemden zin gerechtvaardigd wordt. Het geloof is daarom geen causa materialis of formalis, het is zelfs geen conditio of instrumentum (causa instrumentalis) van de rechtvaardigmaking; want het staat tot deze niet als bijv. het oog tot het zien of het oor tot het hooren; het is geen voorwaarde, waarop en geen instrument, waardoor wij de rechtvaardigmaking ontvangen, maar het is de daad van het aannemen van Christus zelf en wel van Christus, gelijk Hij zich inwendig door den Geest en uitwendig door het Woord aan ons geeft, en dus de vaste, zekere bewustheid dat Hij mijn Heer is en ik zijn 546 eigendom ben. Het geloof is geen instrument, waarmede de mensch Christus aanneemt, maar veel meer een middel des H. Geestes, waardoor Hij den mensch Christus aannemen en zijn geest met zichzelven getuigen doet, dat hij een kind Gods is, Calvijn, Inst. III 11, 5. Heid. Cat. vr. 61. Ned. Gel. art. 22. Witsius, Misc. S. II 792. 797 sq. Trigland, Antapol. p. 515. Mastricht, VI 6, 28. Owen, De rechtv. uit het geloof c. 3. Moor IV 695. M. Vitringa III 295. Jon. Edwards bij Dorner II 752. Daarom staat het geloof niet in elk opzicht tegen alle werk over. Het staat tegen de werken der wet over in dubbelen zin, n.l. daarin dat zij noch de causa materialis noch de causa instrumentalis der rechtvaardiging kunnen zijn. Het staat ook tegen de werken des geloofs (justitia infusa, obedientia, caritas) over, zoodra deze ook maar eenigermate beschouwd worden als grond der rechtvaardiging, als geheel of ten deele die gerechtigheid vormende, op grond waarvan God ons rechtvaardigt; want dat is Christus en Christus alleen; het geloof is zelf geen grond der rechtvaardiging en dus ook niet de goede werken, die er uit voortkomen. Maar het geloof staat niet tegen de werken des geloofs over, inzoover deze, als vruchten des geloofs, door den H. Geest als middel gebezigd worden, om den geloovige van de oprechtheid zijns geloofs, en alzoo van zijne zaligheid te verzekeren, Heid. Cat. vr. 86. In dezen zin is het geloof zelf een werk, Joh. 6:29, het beste werk en beginsel aller goede werken, het eenige werk, waardoor God ons hier op aarde van onze schuld bevrijden en van onze gerechtigheid in Christus verzekeren kan. Daarom zeiden de Gereformeerden dan ook, dat het wel is fides sola, quae justificat, fides tamen, quae justificat non est sola, Calvijn, C. R. 7, 477. Inst. III 11, 20, en spraken zij na de justificatio peccatoris ook nog van eene justificatio justi. In dezen zin zijn ook Paulus en Jacobus niet met elkander in tegenspraak. Wel is het niet juist, te zeggen, dat Paulus alleen van de justificatio peccatoris en Jacobus van de justificatio justi spreekt. Maar beiden ontkennen, dat de grond der rechtvaardigmaking ligt in de werken der wet, en beiden erkennen, dat het geloof, het levend geloof, het geloof, dat goede werken insluit en voortbrengt, het middel is, waardoor de H. Geest ons van onze gerechtigheid in Christus verzekert. Daarbij is er alleen dit verschil, dat Paulus strijd voert tegen doode werken en Jacobus ijvert tegen een dood geloof. 547 Het geloof, dat rechtvaardigt, is de door den H. Geest in ons hart gewerkte zekerheid van onze gerechtigheid in Christus. En daarom, niet hoe lijdelijker, maar hoe levendiger en hoe krachtiger het is, des te meer rechtvaardigt het ons. Het geloof werkt mede met de werken en wordt volmaakt uit de werken, Jak. 2:22. Cf. over Jacobus en Paulus: Calvijn, Inst. III 17, 11 sq. Comm. op Jac. 2. Turretinus, de concordia Pauli et Jacobi, de satisf. 384 sq. Trigland, Antapol. c. 21. Witsius, Oec. foed. III 8, 21-26. M. Vitringa III 317. James Buchanan, The doctrine of justification, Edinb. 1867 p. 491. Usteri, Stud. u. Krit. 1889, 2tes Heft. Schwarz ib. 1891, 4tes Heft. Böhmer, Neue kirchl. Zeits. 1898 S. 251-256.

8. Over de deelen der rechtvaardigmaking was er in de kerken der Reformatie van den aanvang af eenig verschil. Zij, die met Piscator de obedientia activa ontkenden, moesten de justificatie beperken tot de vergeving der zonden en dus vroeger of later tot de gevolgtrekking komen, dat de geloovigen, na door Christus bevrijd te zijn van de schuld en straf der zonde, zelven de wet hadden te volbrengen, ten einde het eeuwige leven te verwerven, boven bl. 350v. Ritschl, Rechtf. u. Vers.2 I 271. II 61 f. Daarom werd dit gevoelen ook vrij algemeen verworpen; al kon de vergeving der zonden ook synecdochisch, als pars pro toto, voor heel de rechtvaardiging genomen worden, deze hield toch nog meer in dan de vergeving alleen. Immers heeft Christus ons niet maar in den staat van Adam vóór den val hersteld, doch ook voor ons de wet onderhouden en het eeuwige leven verworven, cf. boven 351v. 361. 373 en vooral ook Gomarus op Luk. 1:77, Op. 1664 I 175 sq. Turretinus, Theol. El. XVI 4. Moor IV 681. Hodge III 125. 127. Maar al erkende men vrij algemeen, dat de rechtvaardiging meer omvatte dan de vergeving der zonden, toch was er nog weer verschil over, waarin dat meerdere bestond. Oudere theologen noemden dikwerf als tweede deel der rechtvaardigmaking de toerekening van Christus’ gerechtigheid, Luther, Chemniz, Gerhard, Quenstedt, Polanus, Wollebius, Junius, Trelcatius, Rivetus, Ned. Gel. art. 23 enz., cf. M. Vitringa III 311. Schneckenburger, Vergl. Darst. II 28. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 61. Ofschoon dit niet bepaald onjuist is, wanneer hier onder de toegerekende gerechtigheid van Christus zijne actieve gehoorzaamheid wordt 548 verstaan, zijn de deelen toch niet zuiver gecoordineerd en maken zij ook eene te sterke scheiding tusschen Christus’ passieve en actieve gehoorzaamheid, cf. Mastricht, VI 6, 17. Beter is het daarom, om de rechtvaardiging te omschrijven door de toerekening van Christus’ gansche gehoorzaamheid, gelijk bij Paulus het woord δικαιουν afwisselt met λογιζεσθαι εἰς δικαιοσυνην, cf. Heid. Cat. vr. 60. Synopsis pur. theol. 33, 8; en nog juister is het, om de twee deelen der rechtvaardigmaking te laten bestaan in de vergeving der zonden en in de toekenning van het recht ten eeuwigen leven, wijl deze weldaden op de toerekening van Christus’ gansche gehoorzaamheid gebouwd zijn, Voetius, Disp. V 279 sq. Turretinus, Theol. El. XVI qu. 4. Als tweede deel werd soms ook genoemd de aanneming tot kinderen, Turretinus, ib. XVI qu. 6. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III 90. Pfleiderer, Paulinismus 189. Holtzmann, Neut. Theol. II 134; maar anderen, zooals Martyr, L. C. p. 354, beschouwden deze liever als eene vrucht der rechtvaardigmaking.

Wat nu de vergeving der zonden aangaat, deze bestaat niet in de wegneming van de smet der zonde, gelijk Rome beweert, inzooverre het de rechtvaardigmaking laat bestaan in de infusio gratiae en de vergeving van de heiligmaking laat afhangen. Zij bestaat ook niet alleen in de wegneming van de reatus culpae, d. i. feitelijk in de bevrijding van de eeuwige straf, terwijl de straf voor de peccata venialia, na de infusio gratiae begaan, door den mensch zelf hier of hiernamaals in het vagevuur geboet moet worden, want schuld en straf zijn correlate begrippen, boven bl. 162 cf. 98. Maar de vergeving, welke een deel der rechtvaardigmaking is, is niets minder dan de volkomen kwijtschelding van alle schuld en van alle straf der zonde, en niet alleen van de verledene en tegenwoordige maar ook van de toekomstige zonden. Sommigen hadden, uit vreeze voor het antinomianisme, tegen deze rijke en breede opvatting van de vergeving bezwaar, en beperkten ze daarom tot de kwijtschelding van de schuld der verledene en telkens beledene zonden, met beroep ook op Mt. 6:12, 1 Joh. 1:9, 2:1 enz., Rivetus, Op. III 1099. Pictet, Christ. Godg. XI 11, 3. Brakel, Red. Godsd. 34, 53-62. 56, 6. 62, en voorts ook Claude, Vlak e. a. Tegenover het antinomianisme verdedigden zij eene belangrijke waarheid. Feit is, dat de geloovigen na ontvangene vergeving nog in velen struikelen, 549 soms zelfs in grove zonden vallen, en allerlei wederwaardigheden in het leven als straf blijven ondervinden. Rome meent hieruit te mogen afleiden, dat de geloovigen nog zelf voor hunne peccata venialia hebben te boeten, en doet alzoo aan den rijkdom en de genade der vergeving tekort; het antinomianisme wil deze laatste eeren en meent daarom, dat de zonden, die de geloovigen bedrijven, niet voor rekening komen van den nieuwen maar alleen van den ouden mensch, en dat de geloovigen zelfs om geen vergeving der zonden meer hebben te bidden. Daartegenover hielden alle Gereformeerden staande, dat de vergeving wel wegneemt de reatus actualis maar niet de reatus potentialis van de zonde; d. w. z. de vergeving neemt wel weg de straf maar niet de strafwaardigheid van de zonde. Deze laatste blijft, zoolang de zonde blijft. Zonde brengt, ook en vooral bij de geloovigen, schuldbesef, smart, leedwezen, verwijdering van God, verootmoediging enz. mede; zij ontneemt de rust des gewetens, de vrijmoedigheid en verzekerdheid des geloofs. Dat kan niet anders; de natuur der zonde is zoo, dat ze schuldbesef en strafwaardigheid noodzakelijk insluit. Zelfs als de geloovigen, na reeds lang vergeving te hebben ontvangen, later dieper blik leeren slaan in de verdorvenheid van eigen hart, hebben zij behoefte om belijdenis te doen zelfs van de zonden hunner jeugd en hunne schuld terug te leiden tot hunne ontvangenis en geboorte toe, Ps. 25:6, 51:6, 7. Deze belijdenis is dan geen voorwaarde der vergeving; maar wie zijne zonde waarlijk kent, belijdt ze vanzelf en voelt daartegenover te sterker behoefte aan den troost der vergeving. Daarom blijft het gebed om vergeving den geloovige dagelijks noodig. Maar hij bidt dan niet in twijfel en wanhoop, hij bidt niet alsof hij nu geen kind Gods meer ware en de eeuwige verdoemenis weer te wachten hadde, doch hij bidt uit en in het geloof, als een kind, tot zijn Vader die in de hemelen is, en zegt amen op zijn gebed. En dit bidden is niet alleen eene behoefte, maar het is ook noodig; want de rechtvaardigmaking bestaat niet in eene transcendente vrijspraak van den zondaar bij God in foro coeli, maar zij is een actus transiens, die door den H. Geest ingedragen wordt in het bewustzijn van den geloovige, en in deze eenheid in de Schrift den naam van rechtvaardigmaking draagt. Belijdenis en gebed is daarom de weg, waarlangs God dit bewustzijn der vergeving in den geloovige weer opwekt en versterkt. 550 Onder de zonde gaat het schuil; het geloof als habitus blijft wel, maar het kan zich niet meer uiten in daden. Opdat dit geloof weer opleve, opdat de Geest Gods weer luide en krachtig met onzen geest getuige, dat wij kinderen Gods zijn; daartoe is na de zonde weer verootmoediging, belijdenis, bede om vergeving noodzakelijk. Als wij volkomen in het geloof stonden, zouden wij nooit twijfelen aan de vergeving onzer zonden, aan ons kindschap, aan de toekomstige erfenis, en zouden wij ook nooit eenige ramp in dit leven opvatten of gevoelen als eene straf doch alleen als eene kastijding des Heeren. Doch volkomen in het geloof te staan, zou alleen mogelijk zijn, indien wij ook boven de zonde verheven waren. Wijl dit niet zoo is en de zonde altijd weer twijfel medebrengt, daarom blijft bekeering en belijdenis het middel, waardoor God ons wederom tot zijne gemeenschap brengt en van zijne gunst verzekert. Daaruit mag echter niet met Rivetus e. a. afgeleid, dat God telkens slechts de verledene en beledene zonden vergeeft. Immers zijn alle zonden der gemeente op Christus overgedragen en heeft Hij ze alle in zijn bloed verzoend. In de toerekening van Christus aan de uitverkorenen in pactum salutis, vleeschwording en opstanding, in uit- en inwendige roeping wordt Hij met al zijne weldaden hun geschonken. Zoodra zij deze gave Gods aannemen, worden zij ook van hunne zijde in eens in eene nieuwe relatie tot God gesteld, die onveranderlijk en onverbreekbaar is. En de werkzaamheden des geloofs mogen een tijd lang ontbreken, onverliesbaar is toch de gave des geloofs, waardoor zij Christus ingelijfd zijn en al zijne weldaden aannemen, Joh. 3 vs. 36, Rom. 8:30, Gal. 3:27, Hebr. 9:12, 10:12, 14 enz. Daarom hebben de geloovigen de vrijmoedigheid, om na iedere struikeling en na elken val met vertrouwen tot den troon der genade te gaan en te pleiten op de trouw van Hem, wiens genadegift en roeping onberouwelijk zijn, Rom. 11:29, Hebr. 4:12, 1 Joh. 1:9, cf. Calvijn, Inst. III 11, 11. 20, 19. Voetius, Disp. V 282. Alting, Theol. probl. nova XVII 10. Witsius, Misc. Sacr. II 806-820. M. Vitringa III 313.

Deze weldaad van de vergeving der zonde is zoo groot, dat ze voor den natuurlijken mensch ongelooflijk is. Heidenen kenden ze niet en meenden door allerlei werken de gunst der Goden te moeten verwerven; Celsus spotte er mede en achtte ze eene dwaasheid, cf. Witsius, de theol. gentilium circa justificationem, 551 Misc. Sacr. II 668-721. Zelfs maken de meeste Christenen haar van geloof en goede werken afhankelijk. Alles pleit ook tegen haar, de zonde zelve, die straf eischt, het geweten, dat beschuldigt, de wet, die veroordeelt, de wereld, die geen barmhartigheid kent, Satan, die een aanklager is van heel het menschelijk geslacht, God zelf, wiens gerechtigheid en heiligheid de zonde niet gedoogen kan. De vergeving der zonden is eene gave, die alleen door het geloof aangenomen en genoten kan worden. Zij is geen voorwerp des gezichts maar des geloofs. Om haar in waarheid te belijden, is datzelfde geloof noodig, hetwelk ook alleen tot het aannemen van de Goddelijke autoriteit der H. Schrift, van de Godheid van Christus, van zijne voldoening en opstanding in staat stelt. De bezwaren, tegen alle deze dogmata ingebracht, zijn in het wezen der zaak geen andere, dan die ook tegen de vergeving der zonden gelden. De schijn is tegen haar. Maar het geloof is ook een vaste grond der dingen, die men hoopt en een bewijs der zaken, die men niet ziet. Het is het geloof aan een God, die wonderen doet, die de dooden levend maakt, die de dingen, die niet zijn, roept alsof zij waren, en die den goddelooze rechtvaardigt. Zoozeer staat deze vergeving der zonden in de Schrift op den voorgrond, dat zij soms met de rechtvaardigmaking vereenzelvigd wordt. Toch is met haar nog eene andere weldaad verbonden, die even rijk en heerlijk is en die er wel niet van afgescheiden maar toch onderscheiden mag worden. Het is de toekenning van het recht op het eeuwige leven, of de aanneming tot kinderen, door Paulus terstond naast de verlossing van de wet genoemd, Gal. 4:5, cf. Dan. 9:24, Hd. 26:18, Op. 1:5, 6. Reeds in het O. T. heet God de Vader van zijn volk en Israel zijn zoon, deel II 113. Maar in het N. T. krijgt dit vader- en zoonschap een veel dieper zin. God is nu, niet in theocratischen maar in ethischen zin, de Vader der geloovigen, en dezen zijn zijne kinderen, τεκνα, uit Hem geboren, en daarom door het geloof in Christus de ἐξουσια verkrijgend, om het te worden, γενεσθαι, totdat zij het eens volmaakt zullen zijn, wanneer zij God zien zullen gelijk Hij is, 1 Joh. 3:2. Dit ethische kindschap, dat bij Johannes vooral voorkomt, behoort echter hier niet maar bij wedergeboorte en heiligmaking ter sprake te komen. Daarentegen spreekt Paulus van de υἱοθεσια in juridischen zin. Evenals de geloovigen op grond van Christus’ gerechtigheid de 552 vergeving der zonden ontvangen, zoo worden zij ook tot kinderen, υἱοι θεου (niet τεκνα) aangenomen. Deze υἱοθεσια, welke dus op eene verklaring Gods berust, is door Christus verworven, Gal. 4:5, en wordt door het geloof ons deel, 3:26. Wie van de schuld en straf der zonde is vrijgesproken, wordt daarmede tegelijk tot zoon aangenomen en tot een voorwerp van Gods vaderlijke liefde gesteld. De geloovigen worden daardoor in denzelfden stand geplaatst als Christus, die de eerstgeborene onder vele broederen is, Rom. 8:29. Hij was de Zone Gods van natuur, 8:32, en werd zoo verklaard bij zijne opstanding, 1:3; de geloovigen worden ὑιοι θεου door aanneming. En evenals Christus bij zijne opstanding tot Zoon Gods in kracht verklaard is κατα πνευμα ἁγιωσυνης, 1:3, en de geloovigen gerechtvaardigd zijn ἐν τῳ πνευματι του θεου ἡμων, 1 Cor. 6:11, zoo worden zij ook door het πνευμα υἱοθεσιας tot zonen Gods, Rom. 8:14-16, en daarna ook door dienzelfden Geest van dit hun zoonschap verzekerd, ib. Gal. 4:6. Als zonen zijn zij dan tevens κατ’ ἐπαγγελιαν κληρονομοι, Gal. 3:29, 4:7, Rom. 8:17; en wijl deze erfenis nog in de toekomst ligt, is ook de υἱοθεσια in haar volle verwezenlijking nog een voorwerp der hope, Rom, 8:23. De rechtvaardiging, die in de eeuwigheid haar aanvang heeft, in de opstanding van Christus en de roeping der geloovigen zich realiseert, krijgt hare voltooiing eerst, als God in het laatste oordeel zijne sententie van vrijspraak ten aanhooren der gansche wereld herhaalt en alle tong zal moeten belijden, dat Christus de Heer is tot heerlijkheid Gods des Vaders. Maar al wacht de „Rechtsfolge der Adoption” nog, de geloovigen zijn toch hier op aarde reeds tot kinderen aangenomen; zij worden door den H. Geest als waarborg en onderpand verzegeld tot den dag hunner verlossing, 2 Cor. 1:22, 5:5, Ef. 1:13, 14, 4:30, en voor de hemelsche erfenis bewaard, gelijk deze voor hen, 1 Petr. 1:4, 5. Door dien Geest worden zij voortdurend geleid (ἀγονται, niet φεγονται als 2 Petr. 1:21), Rom. 8:14, van de liefde, die God tot hen heeft, 5:5, cf. vs. 8, en van hun kindschap, 8:15, 16, Gal. 4:6 verzekerd, en thans reeds vrede, Rom. 5:1, Phil. 4:7, 9, 1 Thess. 5:23, en vreugde, Rom. 14:17, 15:13, 1 Thess. 1:6 deelachtig.






Please send all questions and comments to Dmytro (Dima) Bintsarovskyi:
dbintsarovskyi@tukampen.nl

x
This website is using cookies. Accept