Gereformeerde dogmatiek. 1e druk

§ 50.

Het Woord.

1. Alle heil en zaligheid vloeit den gevallen mensch toe uitde genade als deugd Gods. Objectief is die genade met al hareweldaden verschenen in Christus, die ze in den weg des verbondsverwierf en uitdeelt. De gemeenschap dergenen, die Christus metal zijne weldaden deelachtig zijn, draagt den naam van kerk ofgemeente. Thans komt de vraag aan de orde, of Christus bij demededeeling van deze zijne weldaden al dan niet van middelenzich bedient. De mystici zijn allen geneigd, om deze vraag inontkennenden zin te beantwoorden. Geheel in overeenstemmingmet hun dualistisch uitgangspunt, kunnen zij de genade nietdenken als afhankelijk van of gebonden aan uitwendige teekenenen handelingen; God zelf alleen, of de Christus in ons, de Geestof het inwendig woord of licht werkt in den mensch de genade,en woord en sacrament kunnen niet anders doen dan die inwendigegenade aanduiden en afbeelden; het geschreven woord drukt uitwat in het hart van elk geloovige geschreven staat, en de sacramentenstellen uiterlijk voor oogen, wat Christus inwendig doorzijn Geest geschonken heeft, cf. Moor I 359 sq. Het mysticismekwam ten slotte op hetzelfde neer als het rationalisme, dat doorSocinianisme, Fock II 559 f. en Remonstrantisme, Conf. en Apol.Conf. c. 23. Limborch, Theol. V c. 66 vertolkt, in de sacramentenslechts praecepta ceremonialia, herinneringsteekenen en belijdenisactenzag. Vlak daartegenover staat het Romanisme, dat de genadeabsoluut aan middelen gebonden denkt. Volgens Rome toch is de194kerk, de zichtbare, door den onzichtbaren Geest gedragen kerkhet eigenlijke, waarachtige, volkomene middel der genade, hetsacrament bij uitnemendheid. In haar toch zet Christus zijnGodmenschelijk leven op aarde voort, vervult Hij zijn profetisch,koninklijk en vooral zijn priesterlijk ambt, deelt Hij de volheidzijner genade en waarheid mede; de kerk is Christus op aarde,Christus, gelijk Hij na zijn volbracht verlossingswerk in de aanruimte en tijd gebonden ontwikkeling van het menschelijk geslachtingegaan is, Oswald, Die dogm. Lehre v. d. h. Sakr. der Kath.Kirche I2 8. En die genade, welke Christus verdiend en aan zijnekerk medegedeeld heeft, dient bovenal, om den mensch van denatuurlijke tot de bovennatuurlijke orde op te heffen; zij is eenegratia elevans, eene bovennatuurlijke, physische kracht, welkeden natuurlijken mensch door den priester in het sacrament exopere operato ingestort wordt, deel III 444. Gelijk in Christusde Goddelijke en de menschelijke natuur, in de kerk de onzichtbareGeest en het zichtbaar instituut, zoo zijn in het sacramentde geestelijke genade en het zichtbaar teeken onlosmakelijk aanelkander verbonden; buiten Christus, buiten de kerk, buiten denpriester, buiten het sacrament is er daarom geen zaligheid. Hetis zoo, Christus zet in de kerk niet alleen zijn priesterlijk, maarook zijn profetisch en koninklijk ambt voort. Maar de in de kerkverkondigde leer van Christus dient alleen, om geloof, d. i. toestemmingte wekken, en de in de kerk gehandhaafde tucht dientalleen, om gehoorzaamheid aan de zedewet te kweeken; geloofen gehoorzaamheid zijn echter geen van beide de genade zelve,doch haar voorbereiding en haar vrucht, Oswald t. a. p. 10. Hetwoord Gods, dat bovendien bij Rome in Schrift en traditie vervatis en als eene wet wordt opgevat, heeft daarom alleen eenepraeparatoire, paedagogische beteekenis, en het geloof is slechtseene der zeven praeparationes ad gratiam,deel III 442. Het doorden priester uitgereikte sacrament, is het eigenlijke genademiddel,waardoor vera justitia vel incipit, vel coepta augetur, vel amissareparatur, Trid. sess. 7 prooem. Tusschen deze mystische geringschattingen magische overschatting van de genademiddelennam de Reformatie positie en bracht in plaats en karakter vankerk, ambt en genademiddelen eene groote verandering aan.Immers is volgens de Hervorming Christus de volkomene Zaligmaker,de eenige Middelaar Gods en der menschen, en de kerk195is in de eerste plaats communio sanctorum, niet middelares derzaligheid, maar vergadering der geloovigen, die in gemeenschapmet Christus leven. Wel heeft Christus in die gemeente ambteningesteld, maar al die ambten zijn geen sacerdotium doch eenministerium, aan Christus’ woord absoluut gebonden en geenandere macht hebbende dan de macht van dat woord. De verhoudingvan Schrift en kerk is dus in het Protestantisme eenegansch andere dan in het Romanisme, deel I 367. Bij Rome gaatde kerk aan de Schrift vooraf, is de kerk niet op de Schriftgebouwd maar de Schrift uit de kerk voortgekomen, heeft deSchrift wel de kerk maar de kerk niet de Schrift van noode.Maar de Reformatie plaatste de kerk weer op den bodem derSchrift, en de Schrift weer hoog boven de kerk. Niet de kerk,maar de Schrift, het woord Gods werd het genademiddel bijuitnemendheid; zelfs het sacrament werd aan het woord ondergeschikten had zonder het woord hoegenaamd geen beteekenisen kracht. En nu werd dat woord wel naar de instelling vanChristus in het midden der gemeente door den leeraar bediend;maar dat nam toch niet weg, dat dat woord in aller hand werdgegeven, dat het duidelijk was voor een iegelijk, die het heilbegeerigonderzocht, dat het zijne werking deed, niet alleen alshet in het openbaar verkondigd, maar ook, wanneer het in huisonderzocht en gelezen werd. Zoo werd de Christenmensch, diedat woord aannam niet slechts met een historisch geloof maarmet vertrouwen des harten, bevrijd van de priesterheerschappij;er stond tusschen hem en Christus niemand of niets in; doorhet geloof had hij de gansche zaligheid; en in het sacramentontving hij daarvan het teeken en zegel. Zoo wijzigde de Reformatiede Roomsche leer van de genademiddelen. Maar aan denanderen kant dreigde het gevaar van het mysticisme, dat demiddelen der genade geheel verwierp en daarvoor allerlei grondenaanvoeren kon. Immers mocht Gods almacht niet door zulkeuitwendige middelen gebonden worden; Hij was souverein en vrijen kon, maar behoefde zich toch niet van zulke middelen tebedienen tot uitdeeling van de schatten der genade. Die genadewas ook geen materielles Etwas, geen physische kracht, geendonum superadditum, geenelevatio naturae humanae, maar zijbestond voornamelijk in het herstel in de gunste Gods, in devergeving der zonden, in de vernieuwing naar zijn beeld. Daarom196kon zij ook niet in een zinlijk teeken als in een vat opgeslotennoch ook door den bedienaar worden uitgedeeld. Christus was enbleef de eenige, die ze, nadat Hij ze verworven had, ook uitdeelenkon. Hij benoemde geen plaatsvervanger op aarde en steldegeen priester aan, maar Hij bleef zelf van uit den hemel zijnprofetisch, priesterlijk en koninklijk ambt uitoefenen; het teekenmocht Hij toevertrouwen aan zijn dienaar, maar Hij zelf bleeftoch de eenige uitdeeler van de beteekende zaak. En bleek datook niet in de werkelijkheid? Duizenden ontvingen iederen daghet teeken van woord en sacrament, zonder de genade deelachtigte zijn; en omgekeerd stierven er dagelijks duizenden kinderkensdes verbonds, die nooit een middel der genade ontvingen en aanwier zaligheid toch de geloovigen op grond van Gods woord niettwijfelen mochten. Door deze bedenkingen verschrikt, zijn deLutherschen op hunne schreden ten deele teruggekeerd, en hebbende genade weer volstrekt aan de middelen gebonden, den nooddoopingevoerd, den doop als afwassching der zonden zelvenbeschouwd, aan de kinderkens het geloof ontzegd. En ook in deGereformeerde kerken, bepaaldelijk in de Anglikaansche, is ditzelfderomaniseerend streven telkens boven en tot heerschappijgekomen. Maar oorspronkelijk nam de Reformatie een anderstandpunt in. Men kon de almacht en de vrijheid Gods nietbeperken; Hij kon ook zonder uitwendige middelen zijne genadein het hart van zondaren verheerlijken; als Hij van menschenen teekenen zich daarbij bediende, was dat alleen aan zijn welbehagen,aan zijne groote liefde en genade toe te schrijven.Daarom leerde Zwingli, dat God zelfs Heidenen, die nooit vanhet evangelie hadden gehoord, uitverkoren, wedergeboren en totde hemelsche zaligheid had geleid. En al gingen de andere Hervormerszoo ver niet, zij moesten toch, vooral in het geval vanvroegstervende kinderen des verbonds, toegeven, dat God ookzonder woord of sacrament alleen door den H. Geest wederbarenen zaligen kon, Calvijn, Inst. IV 16, 17. 18. Toch stelden zijdeze gevallen als uitzonderingen voor en hielden als regel vast,dat woord en sacrament voor degenen, die opwiesen, de gewonemiddelen waren, waardoor God zijnen Geest gaf en zijne genademeedeelde. De werking van wedergeboorte en geloof door deprediking des Woords is de ordinaria Domini oeconomia et dispensatio,quam tenere in vocandis suis solet, Calvijn, IV 1, 5.19716, 19, cf. Conf. Belg. 24. Cat. Heid. 64. Conf. Helv. II 18.Conf. Westm. c. 10. 14. Form. Conc. Sol. Decl. 11, 27: Dominusnon solet homines immediate vocare, Gerhard, Loc. XX 121, cf.boven bl. 17. Bevredigen doet dit antwoord niet, wijl het aantalkinderen, dat zonder genademiddelen zalig wordt, veel grooter isdan in het algemeen wordt vermoed, en niet als uitzondering opden regel kan worden geboekt; en ook, omdat in degenen, dieopwassen, de wedergeboorte door den H. Geest aan den doop,aan het gehoor van het woord Gods en aan het geloof, zoo nietaltijd voorafgaat, dan toch zeker voorafgaan kan. Vandaar, datbij de Lutherschen hoe langer hoe meer de genade aan de middelen,en bepaaldelijk de wedergeboorte aan den doop verbondenwerd, en dat bij de Gereformeerden, die de sacramenten alsteekenen en zegelen van geschonken genade opvatten, de wedergeboorteals aan den doop voorafgaande werd gedacht, zoodat demiddelen der genade niet dienden om te wederbaren, maar om dewedergeborenen tot geloof en bekeering te brengen. Toch wasook deze latere ontwikkeling van eenzijdigheid niet vrij te pleiten.Die bij de Lutherschen leidde tot Rome terug, en die bij deGereformeerden liep gevaar, om woord, sacrament, kerk en ambt,ja zelfs den persoon en het werk van Christus voor de verwervingen toepassing der zaligheid overbodig en alleen voor de openbaringvan leven en waarheid naar buiten in de wereld nognoodig te achten. Maar zoo wordt de beteekenis der genademiddelenverzwakt en hun begrip al te zeer begrensd. Immers degenademiddelen van woord en sacrament staan niet los op zichzelfmaar houden nauw verband met kerk en ambt, met Christus’persoon en werk. Men kan wel vragen, of God niet wederbarenen zaligen kon zonder Christus en de zonden vergeven zondervoldoening. Maar zulke vragen leiden tot niets; wij hebben terusten in het welbehagen Gods, dat de zaligheid niet andersuitdeelt dan in en door Christus. Hij is de Middelaar Gods ender menschen, de eenige naam, onder den hemel den menschenter zaliging gegeven. Maar voorts is het evenzoo Gods welbehagengeweest, om de zaligheid niet anders uit te deelen dan door enin de gemeente van Christus. Of God, gelijk Zwingli leerde,zijne verkiezende genade ook onder de Heidenen werken deed,kan hier, wijl dit toch in elk geval, naar de belijdenis allerchristelijke kerken, eene uitzondering geldt, onbesproken blijven.198Regel is, dat God de uitdeeling zijner genade vrijwillig aan degemeente van Christus bindt. De kerk is de gemeenschap endaardoor ook de moeder der geloovigen. God richt zijn verbondmet de ouders en in hen met hunne kinderen op. Hij deelt zijneweldaden uit in den weg des verbonds. In dien zin is het juist,dat de kerk als gemeenschap der heiligen het groote genademiddelis, waarvan Christus zich naar zijn welbehagen bedient,om zijne uitverkorenen te vergaderen van het begin tot het eindeder wereld. De kerk in dezen zin bedoelt wel ter dege de saluselectorum; dat is niet haar eenige reden van bestaan; zij dientook tot volmaking der heiligen, tot opbouw van het lichaam vanChristus, tot prediking van het evangelie aan alle creaturen, totverheerlijking Gods. Maar zij is er dan toch ook, om hier opaarde dien heiligen kring te vormen, binnen welken Christus alzijne weldaden, ook die der wedergeboorte, meedeelt. Opdat zijdaartoe in staat zou zijn, deelde Hij zijn Geest haar mede, stortteHij allerlei gaven in haar uit, stelde Hij de ambten bij haar in,betrouwde Hij de bediening van woord en sacrament haar toe.En ook dit zijn altemaal middelen, welke Christus bezigt, omde Hem gegevenen van den Vader toe te brengen en tot dehemelsche zaligheid te leiden. Ja, heel de leiding van het levenmet zijne wisselingen van voor- en tegenspoed is in de hand desH. Geestes menigmaal een middel, om de uitverkorenen totChristus of nauwer met Hem in gemeenschap te brengen. Zelfskan het begrip van genademiddel nog ruimer worden opgevat,zoodat het ook insluit, wat onzerzijds noodig is, om de weldadendes verbonds voor het eerst en bij den voortduur te genieten,zooals geloof, bekeering, strijd tegen de zonde, gebed, cf. Calvijn,Inst. IV. Helv. II art. 16. Westm. 14, 1. Schleiermacher, Chr.Gl. § 127. Nu verdient het wel geen aanbeveling, om dit allesonder de media gratiae op te nemen. Want Christus is nietmiddel maar middelaar, verwerver en toepasser der zaligheid.De kerk is geen genademiddel naast woord en sacrament, wantal de macht, die haar toebetrouwd is, bestaat in niets andersdan in de bediening van beide; kerk en ambt geven geen genadeop zichzelf maar alleen door woord en sacrament. En geloof,bekeering, gebed zijn veeleer vruchten dan middelen der genade,zij zijn geen objectieve instellingen maar subjectieve voorwaardenom de overige weldaden des verbonds te bezitten en te genieten.199In strikten zin zijn alleen woord en sacrament als genademiddelente beschouwen, d. w. z. als uitwendige, zinnelijke handelingen enteekenen, welke Christus aan zijne kerk geschonken en waaraanHij de mededeeling zijner genade verbonden heeft. Maar tochmogen deze geen oogenblik losgemaakt worden van den persoonen het werk van Christus, noch ook van de kerk als organismeen als instituut. Christus brengt de zijnen op velerlei wijze toe,en Hij kan dit doen, wijl Hij alleen, gelijk de verwerver, zoo deuitdeeler der genade is en blijft. Hij doet het daarom zonder ofdoor het woord en sacrament; maar Hij doet het toch altijddoor de inwendige roeping van dien Geest, dien Hij aan de gemeenteschonk; in de gemeenschap dier kerk, welke Hij opdroeghet evangelie te prediken aan alle creaturen; in den weg vandat verbond, dat het evangelie tot inhoud en het sacrament totteeken en zegel ontving. Cf. art. Gnadenmittel in Herzog1. Lange,Dogm. § 109. Philippi, Kirchl. Gl. V 2 S. 1 f. Nitzsch, Ev.Dogm. 548. Harless und Harnack, Die kirchl.-relig. Bedeutungder reinen Lehre v. d. Gnadenmitteln 1869. Rohnert, Die Lehrev. d. Gnadenmitteln, Leipzig 1886. Lipsius, Dogm. § 783 f.Frank, Chr. Wahrheit II 298 f. Oosterzee, Chr. Dogm. § 135.

2. Het eerste en voornaamste middel der genade is het woordGods. Lutherschen en Gereformeerden stemmen hierin met elkanderovereen. Toch brengen de laatsten het woord Gods nietonder de media gratiae ter sprake, wijl zij gewoonlijk daaroverin de dogmatiek reeds vroeger hebben gehandeld in een afzonderlijkhoofdstuk, Calvijn, Inst. II 7-9. Musculus, Loci Comm.§ 11. 20. Junius, Theses Theol. § 23. 24. Synopsis pur. theol.disp. 18. 22, of ook over de wet bij het werk-, en over hetevangelie bij het genadeverbond, Marck, Med. Theol. c. 11. 17.Deze eigenaardige methode van behandeling geeft geen recht totde bewering, dat de Gereformeerden het woord Gods niet alsmiddel der genade hebben erkend, want telkens spreken zij hettegendeel uit, cf. bijv. Conf. Belg. 24. Cat. Heid. qu. 65. Maarwel mag eruit afgeleid, dat het woord Gods voor de Gereformeerdennog eene veel rijkere beteekenis had dan dat het alleenin den engeren zin van het woord als genademiddel dienst deed.Het woord Gods is mede daarin van het sacrament onderscheiden,dat dit laatste alleen dienst doet tot versterking van het geloof200en dus alleen een plaats heeft in het midden der gemeente.Maar het woord Gods, beide als wet en als evangelie, is openbaringvan den wil Gods, is de promulgatie van werk- en genadeverbond,gaat alle menschen en schepselen aan, en heeft eeneuniverseele beteekenis. Het sacrament kan alleen bediend wordendoor den wettig geroepen dienaar in de vergadering der geloovigen,maar het woord Gods heeft ook daarbuiten nog een bestaan enplaats en oefent ook dan zijne menigvuldige werking uit. Alsmiddel der genade in eigenlijken zin naast het sacrament komthet woord Gods alleen ter sprake, voorzoover het openlijk doorden leeraar gepredikt wordt; op het in Gods naam en krachtenszijne zending gepredikte woord valt dan al de nadruk. Maar inden regel zijn de menschen reeds lang in het gezin, op de school,door toespraak of lectuur met dat woord in aanraking gekomen,voordat zij het openlijk in de gemeente hoorden verkondigen. Deopenbare bediening des woords omvat dus lang niet al de kracht,die van het woord uitgaat; zij dient ook wel, om het geloof,bij wie het nog ontberen, te werken, maar toch veelmeer om hetbij de geloovigen in hunne vergadering te versterken. In eenechristelijke maatschappij komt het woord Gods tot den menschop allerlei manieren, in allerlei vormen, van allerlei kanten, enhet komt tot hem van zijne prilste jeugd af aan. Ja, God brengtdat woord in de inwendige roeping dikwerf, reeds voordat hetbewustzijn ontwaakt is, tot de harten der kinderen, om hen tewederbaren en te heiligen, evenals Hij in iederen mensch vanzijn eerste bestaan af het werk der wet in zijn hart schrijft enhet semen religionis in hem inplant. Daarom is hier tusschenwoord Gods en Schrift wel te onderscheiden. Niet in dien zin,alsof het woord Gods slechts in de Schrift te vinden en niet deSchrift zelve ware; maar in dezen anderen zin, dat het woordGods lang niet altijd en zelfs niet in de meeste gevallen alsSchrift, in den vorm der Schrift tot ons komt, maar dat het,uit de Schrift in het bewustzijn der gemeente opgenomen, vandaaruit weer in den vorm van vermaning en toespraak, opvoedingen onderwijs, boek en geschrift, tractaat en vertoog tot de verschillendstemenschen uitgaat en zijne werking doet. En altijdstaat God achter dat woord; Hij is het, die het in die onderscheidenevormen tot de menschen doet uitgaan en ze alzoo roepttot bekeering en leven. In de Schrift is dan ook de uitdrukking201woord Gods nooit met de Schrift identisch, al mag de Schriftdoor ons zonder twijfel Gods woord worden genoemd. Eene enkeleplaats moge zich laten aanwijzen, waar de uitdrukking woordGods op een gedeelte der H. Schrift, bijv. op de geschreven wetwordt toegepast. Maar overigens is woord Gods in de Schriftnooit hetzelfde als de Schrift, wat ook daarom reeds onmogelijkis, wijl de Schrift toen nog niet compleet was. De uitdrukkingwoord Gods heeft in de Schrift velerlei beteekenissen en kanaanduiden de kracht Gods, waardoor Hij de wereld schept enonderhoudt, of zijne openbaring aan de profeten, of den inhoudder openbaring of het evangelie, dat door de apostelen verkondigdwerd, cf. deel I 338. Maar altijd is het een woord Gods, d. i.nooit een klank alleen maar een kracht, geen loutere bekendmakingmaar tevens een volbrenging van zijn wil, Jes. 55:11.Door het woord schept en onderhoudt God de wereld, Gen. 1:3,Ps. 33:6, 148:5, Jes. 48:13, Rom. 4:17, 2 Cor. 4:6,Hebr. 1:3, 11:3, stilt Jezus de zee, Mk. 4:39, geneest dekranken, Mt. 8:16, werpt de duivelen uit, 9:6, wekt de doodenop, Luk. 7:14, 8:54, Joh. 5:25, 28, 11:43 enz. Door hetwoord werkt Hij ook op zedelijk en geestelijk gebied.

3. Het woord, dat God bezigt om op zedelijk en geestelijkgebied zijn wil bekend te maken en te volbrengen, is in wet enevangelie te onderscheiden. Als Jezus op aarde verschijnt, om dekomst van het in het O. T. beloofde koninkrijk aan te kondigen,Mk. 1:15, om aan tollenaren en zondaren, aan armen en gevangenenhet evangelie der vergeving en der zaligheid te brengen,Mt. 5:1v, 11:5, 28-30, Luk. 4:18, 19, 19:10 enz., komtHij vanzelf in strijd met de farizeesche, nomistische opvattingder religie, die er in zijn tijd heerschte. Toch al verwerpt Hijde menschelijke inzettingen der ouden, Mt. 5:21v., 15:9 en alheeft Hij eene andere opvatting van doodslag, Mt. 5:16, overspel,5:27, eed, 5:33, vasten, 6:16, echtscheiding, Mt. 19:9,sabbat, Mk. 2:27; Hij handhaaft de gansche wet, ook in haarceremonieele bestanddeelen, Mt. 5:23, 24, 17:24-27, 23:2,3, 23, Mk. 1:44, 11:16; Hij verklaart haar in haar geestelijkenzin, Mt. 5-7, legt op haar ethischen inhoud den nadruk, beschouwtde liefde tot God en den naaste als haar hoofdsom,Mt. 7:12, 9:13, 12:7, Mk. 7:15, 12:28-34 en verlangt202een andere, overvloediger gerechtigheid dan die der Farizeën,Mt. 5:20. Zelf heeft Hij, ofschoon meer dan de tempel, Mt. 12:6,zich dan ook onder de wet gesteld, Mt. 3:15 en is gekomen,om de wet en de profeten te vervullen, 5:17. En daarom weetHij, dat, al dringt Hij nooit op afschaffing der wet aan, zijnejongeren innerlijk vrij zijn van de wet, Mt. 17:26, dat zijnegemeente niet op de wet maar op de belijdenis van zijne Messianiteitgegrond is, Mt. 16:18, dat in zijn bloed een nieuwverbond wordt gesticht, Mt. 26:28, dat in één woord de nieuwewijn ook nieuwe lederzakken eischt, Mt. 9:17, en de dagen vantempel en volk en wet zijn geteld, Mk. 13:2. Jezus wil geenrevolutionaire omverwerping van de wettische bedeeling des O.Verbonds, maar eene hervorming en vernieuwing, welke uit harevolkomene vervulling vanzelf geboren wordt, cf. deel III 217.En zoo is het ook feitelijk toegegaan. De gemeente te Jeruzalemhield zich in den eersten tijd nog aan tempel en wet, Hd. 2:46,3:1, 10:14, 21:20, 22:12. Maar eene nieuwe opvatting bereiddezich voor. Met de bekeering der Heidenen kwam de vraagaan de orde naar de beteekenis der Mozaische wet. En Pauluswas de eerste, die ten volle begreep, dat in den dood van Christushet handschrift der wet was uitgewischt, Col. 2:14. Paulusverstaat onder νομος, tenzij eene nadere bepaling anders aanwijst,bijv. Rom. 3:27, Gal. 6:2, altijd de Mozaische wet, de ganschethora, inbegrepen ook de ceremonieele geboden, Rom. 9:4,Gal. 2:12, 4:10, 5:3, Phil. 3:5, 6. En hij beschouwt diewet niet, gelijk de brief aan de Hebreën, als onvolkomene, voorbereidende,Oudtestamentische bedeeling van het genadeverbond,die verdwijnt, als de hoogepriester en borg van het betere verbondgekomen is, maar als openbaring van Gods wil, als religieus-ethischeeisch en vordering, als door God gewilde regeling vande verhouding tusschen Hem en den mensch. En van deze wet,zoo opgevat, leert Paulus nu, dat ze wel heilig en goed is, endoor God geschonken, Rom. 2:18, 7:22, 25, 9:4, 2 Cor. 3:3,7, maar in plaats van, zooals de Farizeën beweerden, gerechtigheidte kunnen schenken, is ze krachteloos door het vleesch,Rom. 8:3, prikkelt de begeerte, 7:7, 8, vermeerdert de overtreding,5:20, Gal. 3:19, bewerkt toorn, vloek en dood, Rom.4:15, 2 Cor. 3:6, Gal. 3:10 en is slechts voor een tijd, ompaedagogische redenen, tusschen beide ingekomen, Rom. 5:20,203Gal. 3:19, 24, 4:2, 3. Daarom heeft dan nu ook die wet inChristus, het zaad der belofte, haar einde bereikt, Rom. 10:4;de geloovige is vrij van de wet, Gal. 4:26v., 5:1, wijl Hijdoor Christus van den vloek der wet verlost, Gal. 3:13, 4:5,en den Geest van het kindschap, den Geest der vrijheid deelachtigis, Rom. 8:15, 2 Cor. 3:16, 17, Gal. 5:18. Deze vrijheid desgeloofs heft echter de wet niet op maar bevestigt haar, Rom.3:31, wijl haar recht juist in degenen, die wandelen naar denGeest, vervuld wordt, 8:4. Die Geest toch vernieuwt de geloovigen,zoodat zij een lust hebben in Gods wet naar den inwendigenmensch en onderzoeken wat Gods heilige wil is, Rom. 7:22,12:2, Ef. 5:10, Phil. 1:10, terwijl zij door allerlei drangredenen,de groote barmhartigheid Gods, het voorbeeld van Christus,den duren prijs, waarvoor zij gekocht zijn, de gemeenschap desH. Geestes enz. tot het doen van Gods wil worden aangespoord.Cf. over de wet in het N. T. Weiss, Bibl. Theol. HoltzmannNeut. Theol. I 130 f. II 22 f. L. Jacob, Jesu Stellung zummos. Gesetz, Gött. 1893. Grafe, Die Paulin. Lehre v. Gesetz2,Leipzig Mohr 1893. Zehnpfund, Das Gesetz in den paulin.Briefen, Neue Kirchl. Zeits. 1897 S. 384-419. Art. νομος bijCremer enz.

4. Deze antithese tusschen wet en evangelie werd in dechristelijke kerk aan de eene zijde, door het antinomisme inzijne verschillende vormen van Gnosticisme, Manicheisme, Paulicianisme,Anabaptisme, Hattemisme enz., nog verscherpt en toteen onverzoenlijken strijd gemaakt. Heel het O. T. was van eenlageren God afkomstig, van een toornenden, jaloerschen, wrekendenGod, en was nu door de gansch andere openbaring van denGod der liefde, van den Vader van Christus vervangen. Aan deandere zijde werd de antithese tusschen wet en evangelie doorhet nomisme in zijne verschillende vormen van Pelagianisme,Semi-pelagianisme, Romanisme, Socinianisme, Rationalisme enz.,verzwakt en uitgewischt. Wet en evangelie werden reeds doorde kerkvaders en later door scholastieke en Roomsche theologenvereenzelvigd met Oud en Nieuw Testament en dan niet antithetischtegenover elkaar gesteld maar als een lagere en hoogereopenbaring van Gods wil beschouwd. Wet en evangelie verschillenniet daarin, dat de eerste alleen eischt en het tweede alleen204belooft, want beide bevatten geboden, bedreigingen en beloften;mysteria, promissiones, praecepta; res credendae, sperandae enfaciendae; niet alleen Mozes, ook Christus was legislator. Maarin dit alles gaat het evangelie des N. T., de lex nova, de wetdes O. T., de lex vetus, zeer verre te boven; de mysteriën (triniteit,vleeschwording, voldoening enz.) zijn in het N. T. veelduidelijker geopenbaard, de beloften zijn veel rijker van inhouden omvatten vooral geestelijke en eeuwige goederen, de wettenzijn veel heerlijker en lichter, wijl ceremonieele en burgerlijkewetten afgeschaft en door enkele ceremoniën vervangen zijn. Voortsis de wet door Mozes gegeven, de genade en waarheid is doorJezus Christus geworden. De wet was tijdelijk en voor één volkbestemd; het evangelie is eeuwig en moet tot alle volken gebracht.De wet was onvolmaakt, een schaduw en voorbeeld, hetevangelie is volmaakt en het lichaam der goederen zelve. Dewet kweekte vrees en dienstbaarheid, het evangelie wekt liefdeen vrijheid. De wet kon niet rechtvaardigen in vollen zin, zijgaf geen rijkdom van genade, zij schonk geen eeuwige zaligheid,maar het evangelie schenkt in het sacrament de kracht dergenade, die in staat stelt om Gods geboden te volbrengen en heteeuwige leven te verwerven. In één woord, de wet is het onvolkomenevangelie, het evangelie de volkomene wet; het evangeliezat in de wet in als arbor in semine, alsgranum in spica, cf.deel III 197 en voorts Suicerus s. v.νομος en εὐαγγελιον.Augustinus, de civ. VIII 11. In ev. Joh. tract. 30. de spir. etlitt. 19. 20. Lombardus, Sent. III dist. 25. 40. Thomas, S.Theol. III qu. 106-108. Conc. Trid. VI can. 19-21. Bellarminus,de Justif. IV c. 2 sq. enz. In zoover nu de Oud- en deNieuwtestamentische bedeeling van het genadeverbond naar haarin het oog springenden vorm op voorgang van de H. Schrift metden naam van wet en evangelie kan worden aangeduid, is deonderscheiding, door Rome tusschen beide gemaakt, wel niet inalle deelen maar toch in hoofdzaak goed te keuren. Doch Romevereenzelvigde Oud en Nieuw Verbond met wet en evangeliegeheel en al, miskende het evangelie in het Oude en de wet inhet N. Test., vatte de gansche leer, door Christus en de apostelenverkondigd, als evangelie op, nam daarin niet alleen beloften,maar ook wetten en bedreigingen op, en maakte het evangeliedus tot eene tweede wet. De Paulinische antithese van wet en205evangelie werd uitgewischt. Want al is het, dat Paulus onderde wet de gansche des O. T. bedeeling verstaat, hij beschouwt haardan juist in haar wettischen vorm en stelt ze zoo lijnrecht tegenhet evangelie over. En ook als hij dat doet, erkent hij, dat dewettische bedeeling de belofte, die reeds aan Abraham was geschied,geenszins heeft teniet gedaan, Gal. 3:17, 21, dat ookin de dagen des O. V. het evangelie verkondigd is, Gal. 3:8,dat ook toen de gerechtigheid verkregen is uit en door het geloof,Rom. 4:11, 12, 11:32, Gal. 3:6, 7. Van de wet als wet,afgedacht van de belofte, aan welke zij in het O. T. dienstbaargemaakt was, beweert Paulus, dat zij niet rechtvaardigenkan, dat zij de zonde vermeerdert, dat zij eene bediening derverdoemenis is en juist daardoor de vervulling der belofte voorbereidten eene andere gerechtigheid, n.l. de gerechtigheid Godsin Christus door het geloof noodzakelijk maakt. En deze antithesevan wet en evangelie werd door de Hervorming weer ingezien.Wel komen er uitspraken bij kerkvaders voor, die ook van eenbeter inzicht getuigen, cf. citaten bij Suicerus, t. a. p., in Bibliothecastudii theol. ex plerisque Doctorum prisci seculi monumentiscollecta, apud Is. Crispinum 1565 p. 195-216. Gerhard, Loc.XIV 16. Maar het komt tot geen helderheid, omdat zij de onderscheidingtusschen wet en evangelie altijd weer verwarren metdie tusschen Oud en Nieuw Verbond. Doch de Hervormers, eenerzijdsde eenheid van het genadeverbond in zijne beide bedeelingentegen de Wederdoopers vasthoudende, hebben anderzijds hetscherpe contrast van wet en evangelie in het oog gevat en daardoorhet eigenaardig karakter van de christelijke religie alsreligie der genade weer hersteld. Want al is het, dat wet enevangelie in ruimer zin voor de oude en nieuwe bedeeling vanhet genadeverbond kunnen worden gebezigd, in hun eigenlijkebeteekenis duiden zij toch twee openbaringen van Gods wil aan,die wezenlijk van elkander verschillen. Ook de wet is Gods wil,Rom. 2:18, 20, heilig en wijs en goed, geestelijk, Rom. 7:12,14, 12:10, het leven gevend aan wie haar onderhoudt, Rom.2:13, 3:12; maar zij is door de zonde krachteloos geworden,rechtvaardigt niet maar prikkelt de begeerte, vermeerdert de zonde,werkt toorn, doodt en vervloekt en verdoemt, Rom. 3:20, 4:15,5:20, 7:5, 8, 9, 13, 2 Cor. 3:6v., Gal. 3:10, 13, 19. Endaartegenover staat het evangelie van Christus, het εὐαγγελιον,206dat niets minder bevat dan de vervulling der Oudtest. ἐπαγγελια,Mk. 1:15, Hd. 13:32, Ef. 3:6, dat van Gods wege tot onskomt, Rom. 1:1, 2, 2 Cor. 11: 7, Christus tot inhoud heeft,Rom. 1:3, Ef. 3:6 en niets anders brengt dan genade, Hd. 20:24,verzoening, 2 Cor. 5:18, vergeving, Rom. 4:3-8, gerechtigheid,Rom. 3:21, 22, vrede, Ef. 6:15, vrijheid, Gal. 5:13,leven, Rom. 1:17, Phil. 2:16 enz. Als eisch en gave, als bevelen belofte, als zonde en genade, als krankheid en genezing, alsdood en leven staan wet en evangelie hier tegenover elkander.Ofschoon zij daarin overeenkomen, dat zij beiden God tot auteurhebben, beide van eene zelfde volkomene gerechtigheid spreken,beide zich richten tot den mensch om hem te brengen tot heteeuwige leven, zoo verschillen zij toch daarin, dat de wet uitGods heiligheid, het evangelie uit Gods genade voortkomt; datde wet van nature, het evangelie alleen door bijzondere openbaringbekend is; dat de wet volkomene gerechtigheid eischt en hetevangelie haar schenkt; dat de wet door de werken heen tothet eeuwig leven leidt en het evangelie de werken doet voortkomenuit het in het geloof geschonkene eeuwige leven; dat dewet thans den mensch verdoemt en het evangelie hem vrijspreekt;dat de wet zich richt tot alle menschen en het evangelie alleentot degenen, die eronder leven enz. Naar aanleiding van dit onderscheid,kwam er zelfs verschil over, of de prediking vangeloof en bekeering, die toch een voorwaarde en eisch scheen,wel tot het evangelie behoorde en niet veeleer met Flacius,Gerhard, Quenstedt, Voetius, Witsius, Coccejus, Moor e. a. totde wet moest worden gerekend. En inderdaad in den strikstenzin zijn er in het evangelie geen eischen en voorwaarden, maaralleen beloften en gaven; geloof en bekeering zijn evengoed alsrechtvaardigmaking enz. weldaden des genadeverbonds. Maar zookomt het evangelie, concreet, nooit voor; het is in de practijkaltijd met de wet verbonden en is dan ook door heel de Schriftheen altijd met de wet saamgeweven. Het evangelie ondersteltaltijd de wet, en heeft haar ook bij de bediening noodig. Hetwordt immers gebracht tot redelijke en zedelijke menschen, dievoor zichzelven Gode verantwoordelijk zijn en daarom tot geloofen bekeering moeten geroepen worden. De eischende, roependevorm, waarin het evangelie optreedt, is aan de wet ontleend;elk mensch is niet eerst door het evangelie maar is van nature207door de wet verplicht, God op zijn woord te gelooven en dusook het evangelie, waarin Hij tot den mensch spreekt, aan tenemen. Daarom legt het evangelie van stonde aan beslag op allemenschen, bindt het in hunne conscientie, want die God, die inhet evangelie spreekt is geen andere dan die zich in zijne wetaan hen heeft bekend gemaakt. Geloof en bekeering wordendaarom van den mensch in naam van Gods wet, krachtens derelatie, waarin de mensch als redelijk schepsel tot God staat,geeischt; en die eisch richt zich niet alleen tot uitverkorenen enwedergeborenen, maar tot alle menschen zonder onderscheid.Maar zij zijn zelve toch inhoud van het evangelie, geen werkingenof vruchten der wet. Want de wet eischt wel geloof aan Godin het algemeen, maar niet dat speciale geloof, dat op Christuszich richt, en de wet kan wel μεταμελεια, poenitentia werkenmaar geen μετανοια, resipiscentia, die veeleer vrucht is van hetgeloof. En juist wijl geloof en bekeering, schoon de mensch er vannature door de wet toe verplicht is, inhoud van het evangelie zijn,kan er sprake zijn van een wet, van een gebod, van een gehoorzaamheiddes geloofs, Rom. 1:5, 3:27, 1 Joh. 3:23. van eenongehoorzaam zijn aan en een geoordeeld worden naar het evangelie,Rom. 2:16, 10:16 enz. Wet en evangelie, in concreto beschouwd,verschillen niet zoozeer daarin, dat de wet altijd in bevelenden enhet evangelie in belovenden vorm optreedt, want ook de wet heeftbeloften, en het evangelie vermaningen en verplichtingen. Maar zijverschillen vooral in inhoud: de wet eischt, dat de mensch zijneeigene gerechtigheid uitwerke en het evangelie noodigt hem, om vanalle eigengerechtigheid af te zien en die van Christus aan te nemenen schenkt daartoe zelfs de gave des geloofs. En in die verhoudingstaan wet en evangelie niet alleen vóór en bij den aanvang derbekeering; maar in die verhouding blijven zij staan heel hetchristelijk leven door, tot aan den dood toe. De Lutherschenhebben bijna alleen oog voor de beschuldigende, veroordeelendewerking der wet en kennen daarom geen hooger zaligheid danbevrijding van de wet. De wet is alleen noodig om der zondewil. In den volmaakten toestand is er geen wet. God is vrij vande wet; Christus was volstrekt niet voor zichzelf der wet onderworpen;de geloovige staat niet meer onder de wet. De Lutherschenspreken wel is waar van een drieërlei usus der wet, nietalleen van een usus politicus (civilis), om de zonde te beteugelen,208en een usus paedagogicus, om kennis der zonde te wekken, maarook van een usus didacticus, om den geloovigen tot regel deslevens te zijn. Maar deze laatste usus is toch enkel en alleendaarom noodig, wijl en in zoover de geloovigen nog zondarenblijven en door de wet in toom gehouden en tot voortdurendekennis der zonde geleid moeten worden. Op zichzelf houdt methet geloof en de genade de wet op en verliest al haar beteekenis.Maar de Gereformeerden dachten er gansch anders over. Deusus politicus en de usus paedagogicus der wet zijn maar toevallignoodig geworden door de zonde; ook als deze wegvallen,blijft de voornaamste usus, de usus didacticus, normativus over.De wet is toch uitdrukking van Gods wezen; Christus was alsmensch vanzelf voor zichzelf der wet onderworpen; Adam hadvóór den val de wet in zijn hart geschreven; bij den geloovigewordt zij weer op de tafelen zijns harten gegrift door den H.Geest; en in den hemel zullen allen wandelen naar des Heerenwet. Het evangelie is tijdelijk maar de wet is eeuwig en wordtjuist door het evangelie hersteld. De vrijheid van de wet bestaatdan ook niet daarin, dat de Christen met die wet niet meer temaken heeft, maar zij is hierin gelegen, dat de wet van denChristen niets meer als voorwaarde der zaligheid eischen, hemniet meer veroordeelen en verdoemen kan. Maar overigens heefthij een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen menschen bepeinst ze dag en nacht. En daarom moet die wet altijd inhet midden der gemeente, in verband met het evangelie, verkondigdworden. Wet en evangelie, het gansche woord, de volleraad Gods is inhoud van de prediking. Veel breeder plaats danin de leer der ellende neemt de wet bij de Gereformeerden inde leer der dankbaarheid in. Cf. Luther bij Köstlin I 157 f.II 237 f. 496 f. Melanchton, Loci Comm. de evangelio. Symb.Bücher, ed. Müller S. 87. 181. 533. 633. Gerhard, Loc. XII-XIV.Quenstedt, Theol. IV 1-72. Hollaz, Ex. 996-1043.Schmid, Dogm. d. ev. luth. K. § 52. Heppe, Dogm. d. d. Prot.II 225-262. Schneckenburger, Vergl. Darst. I 127 f. Frank,Dogm. Studien 1892 S. 104-135. Zwingli, in mijne Ethiek vanZwingli 47v. 76v. Calvijn, Inst. II 7-9. Zanchius, Op. VIII509. Junius, Theses Theol. 23. 24. Ursinus, Explic. Cat. qu. 19.92. Synopsis pur. theol. disp. 18 en 22. Voetius, Disp. IV 17.V 283. Witsius, Oec. foed. III 1. Misc. Sacr. II 840-848.209Coccejus, de foedere IV 72. VI 179. Moor III 377 sq. VitringaVI 252-292 enz.

5. Behalve over de verhouding van wet en evangelie, bestaater in de christelijke theologie ook nog een belangrijk verschilover de kracht, de efficacia, van het woord Gods en dus overde verhouding van woord en Geest. Ook hier staan als uiterstenter linker- en ter rechterzijde het nomisme en het antinomisme.Het nomisme, dat van het judaisme door het pelagianisme heentot in het nieuwere rationalisme doorloopt, heeft aan eene uitwendigeroeping, aan eene verstandelijke, zedelijke of aesthetischewerking van het woord genoeg en acht eene bijzondere, bovennatuurlijkekracht des H. Geestes daarbij overbodig, cf. deel III434v. 451v. Ook Rome toont duidelijk aan deze richting verwantte zijn, inzoover het de gratia praeveniens verzwakt, aan hetgeloof slechts de voorbereidende beteekenis van een historischetoestemming toeschrijft, meer en meer den kant van het Molinismeen Congruisme opgaat, en de eigenlijke, bovennatuurlijkegenade en de inwoning des H. Geestes eerst laat meedeelen doorhet sacrament, cf. deel III 439-444. Het tegenovergesteldeuiterste wordt ingenomen door het antinomisme, dat eerst tegende wet en het Oude Testament maar dan weldra tegen alle uitwendigwoord en tegen alle objectieve, historische bemiddelingdes heils zich verzet en alles verwacht van de werking des H.Geestes, van den Christus in ons, van het inwendige woord enhet inwendige licht. In het Anabaptisme van Schwencfeld, Franck,Denck e. a. sprak deze richting zich op dit punt het duidelijkstuit. Uit- en inwendig woord staan tot elkaar als lichaam en ziel,dood en leven, aarde en hemel, vleesch en geest, schaal en kern,schuim en zilver, beeld en waarheid, scheede en zwaard, lantaarnen licht, kribbe en Christus, natuur en God, schepsel en Schepper.Kennis van het woord geeft daarom op zichzelve niets en laatons koud en dood. Om het te verstaan, is vooraf reeds hetinwendig woord van noode. Gelijk woorden alleen ons leerenkunnen, wanneer wij de zaken kennen, zoo leert de Schrift onsdan alleen iets, als Christus reeds inwendig in ons harte woont.Het woord is maar een teeken, een schaduw, beeld, symbool enspreekt slechts uit, wijst slechts aan, herinnert slechts wat inwendigin ons hart is geschreven. Het inwendig woord gaat dus210vooraf aan, staat hooger dan de Schrift, die maar een papierenwoord en bovendien ook duister en vol tegenstrijdigheden is. Endat inwendig woord is niets anders dan God of Christus of deH. Geest zelf, die één is in alle menschen, en de gansche vollewaarheid is. Om God te vinden en de waarheid te kennen, hebbenwij dus niet buiten ons zelven te gaan, naar de Schrift of denhistorischen Christus; maar indalende in ons zelven, ons terugtrekkendevan de wereld, verstand en wil doodende en lijdelijkwachtende op de inwendige, onmiddellijke openbaring vinden wijGod, leven wij in zijne gemeenschap en zijn wij in zijne aanschouwingzalig. Cf. boven bl. 193 en voorts nog Cloppenburg,Op. II 200. Hoornbeek, Summa Controv. lib. V. Episcopius,Op. I 527. Quenstedt, Theol. I 169. Maronier, Het inwendigwoord, Amst. 1890. A. Hegler, Geist und Wort bei Seb. Franck,Freiburg 1892. Feitelijk was dit Anabaptisme eene herleving vande pantheistische mystiek, die in het eindige een eeuwig wisselendenverschijningsvorm van het oneindige ziet en daarom gemeenschapmet God zoekt in de diepte van het gevoel, waarGod en mensch één zijn. Tegenover deze beide richtingen vannomisme en antinomisme hielden de Hervormers gemeenschappelijkstaande, dat het woord alleen ongenoegzaam is om tebrengen tot geloof en bekeering, dat de H. Geest wel kan werkenmaar gemeenlijk toch niet werkt zonder het woord, en dat daaromwoord en Geest in de toepassing van het heil van Christus aanden mensch met elkander gepaard gaan. Tusschen Lutherschenen Gereformeerden was hierover eerst geen verschil. Ook deeerstgenoemden leerden, dat de H. Geest, schoon werkende doorwoord en sacramenten als zijne instrumenten, toch alleen dooreene bijzondere kracht het geloof werkt en werken kan, en datHij dat doet ubi et quando visum est, Symb. B. ed. Müller S.39. 455. 456. 471. 524. 601. 712. 720. cf. Luther bij KöstlinII 494. Otto, Geist u. Wort nach Luther, Gött. 1898. Melanchton,Ex. ordin. C. R. 23, 15, 18, 37. Loci, ib. 21, 761, 765, enanderen, Flacius, Chemniz, Hunnius, Hutter, Gerhard bij J, Müller,Das Verhältniss zw. der Wirksamkeit des H. Geistes u. d. Gnadenmitteldes göttl. Wortes, Dogm. Abh. 1870 S. 155 f. Maartoch was er van huis uit al eenig onderscheid. Terwijl de Gereformeerdenhet gewoonlijk zoo voorstellen, dat de H. Geest zichpaart met het woord, cum verbo, drukken de Lutherschen zich211liefst zoo uit en leggen er steeds sterker den nadruk op, dat deH. Geest werkt door het woord als zijn instrument, per verbum.En terwijl de Gereformeerden altijd onderscheid maakten tusschende gewone en buitengewone wijze, waarop God de genade werktein het hart, lieten de Lutheranen, uit vrees voor de Anabaptisten,de buitengewone wijze hoe langer hoe meer weg en zeiden, Deumnemini spiritum vel gratiam suam largiri nisi per verbum et cumverbo externo et praecedente, Smalc. III 8, of zooals Luthertelkens zeide: Deus interna non dat nisi per externa. En toennu in 1621 de Danziger predikant Hermann Rathmann † 1628een geschrift uitgaf, waarin hij leerde, dat het woord alleengeen kracht had om den mensch te bekeeren, tenzij de H. Geestmet zijne genade erbij kwam, Herzog2 12, 506, toen verhievenzich bijna alle Luthersche theologen tegen hem en ontwikkeldenals de echte Luthersche leer, dat het woord Gods de kracht desH. Geestes tot bekeering in zich bezit, dat die kracht doorGoddelijke beschikking erin gelegd is en er zoo onafscheidelijkmede verbonden is, dat zij in het woord ook zelfs nog inzit anteet extra omnem usum legitimum, evenals de hand des menschen,ook al werkt zij niet, toch altijd de vis operandi behoudt, Quenstedt,Theol. I 169. Hollaz, Ex. 992. Buddeus, Inst. theol. 110. Schmid,Dogm. d. ev. luth. K. § 51. Philippi, Kirchl. Gl. V 2 S. 29 f.

Nu is inderdaad het woord, dat van Gods mond uitgaat,altijd eene kracht, die datgene volbrengt, waartoe God hetzendt. Dat is het op natuurlijk gebied in schepping en onderhouding,dat is het ook op zedelijk en geestelijk terrein bij hetwerk der herschepping. En dit geldt zelfs niet alleen van hetevangelie maar ook van de wet. Paulus zegt wel van de Oudtest.wettische bedeeling, dat το γραμμα ἀποκτεννει, 2 Cor. 3:6,maar daardoor drukt hij juist zoo sterk mogelijk uit, dat zij geendoode letter is; veeleer is zij zoo machtig, dat zij zonde, toorn,vloek en dood werkt; ὁ νομος ὀργην κατεργαζεται, Rom. 4:15,is δυναμις της ἁμαρτιας, 1 Cor. 15:56,διακονια της κατακρισεως,του θανατου, 2 Cor. 3:7, 9. En daartegenover staat nu hetevangelie als eene δυναμις θεο εἰς σωτηριαν, Rom. 1:16,1 Cor. 1:18, 2:4, 5, 15:2, Ef. 1:13; het is, wijl geenmenschen- maar Gods woord, Hd. 4:29, 1 Thess. 2:13, levenden blijvend, 1 Petr. 1:25, levend en krachtig, Hebr. 4:12,geest en leven, Joh. 6:63, een licht, dat schijnt in een duistere212plaats, 2 Petr. 1:19, een zaad, dat in de harten gestrooid wordt,Mt. 13:3, opwast en vermenigvuldigd wordt, Hd. 12:24, vangroote waarde is, ook al zijn degenen, die het planten en natmaken,niets, 1 Cor. 3:7, een scherp tweesnijdend zwaard, datdoordringt in ’t binnenste wezen van den mensch en al zijnegedachten en overleggingen oordeelt, Hebr. 4:12. En daaromis het niet ledig en ijdel, maar het werkt, ἐνεργειται, in degenendie gelooven, 1 Thess. 2:13; en de werken, die het tot standbrengt, zijn wedergeboorte, 1 Cor. 4:15, Joh. 1:18, 1 Petr. 1:23,geloof, Rom. 10:17, verlichting, 2 Cor. 4:4-6, Ef. 3:9,5:14, 1 Tim. 1:20, onderwijzing, verbetering, vertroosting enz.,1 Cor. 14:3, 2 Tim. 3:15. Zelfs in degenen, die verloren gaan,oefent het evangelie zijne werking uit; het is hun tot een val,tot een ergernis en dwaasheid, tot een steen, waaraan zij zichstooten, tot een reuke des doods ten doode, Luk. 2:34, Rom.9:32, 1 Cor. 2:23, 2 Cor. 2:16, 1 Petr. 2:8. Tegenover hetspiritualisme is deze macht van het woord Gods en bepaaldelijkvan het evangelie met de Lutherschen in hare volle, rijke beteekeniste handhaven. De tegenstelling van het in- en uitwendige,van het geestelijke en het stoffelijke, van eeuwigheid en tijd, vanwezen en vorm enz. is uit eene valsche philosophie afkomstigen met de Schrift in strijd. God is de Schepper van den hemelmaar ook van de aarde, van de ziel en van het lichaam beide,van geest en stof te zamen. En daarom is ook het woord geenijdele klank, geen ledig teeken, geen koud symbool; maar allewoord, ook van den mensch, is eene macht, grooter en duurzamerdan de macht van het zwaard; er zit gedachte, geest, ziel, levenin. Indien dit geldt van het woord in het algemeen, hoeveel temeer van het woord, dat van Gods mond uitgaat en door Hemgesproken wordt? Dat is een woord, dat schept en onderhoudt,oordeelt en doodt, herschept en vernieuwt, altijd zijn werkingdoet en nooit ledig wederkeert. Bij een menschenwoord maakthet een groot verschil, of het geschreven of gedrukt is, gelezenof gehoord wordt; en bij het gesproken woord is wederom devorm en voordracht van de grootste beteekenis. Ook hangt demacht van het menschelijk woord af van de mate, waarin iemandzijn hart, zijn ziel erin neergelegd heeft, van den afstand, dietusschen den persoon en zijn woord bestaat. Maar bij God is datanders. Het is altijd zijn woord; Hij is er altijd bij tegenwoordig;213Hij draagt het steeds door zijne almachtige en alomtegenwoordigekracht; Hij is het altijd zelf, die in wat vorm en door watmiddelen dan ook, het tot de menschen brengt en er hen doorroept. Daarom, al is het woord Gods, dat vrij door de dienarenverkondigd of ook in vermaning, toespraak, boek of geschrifttot de menschen gebracht wordt, wel uit de H. Schrift genomenmaar niet met die Schrift identisch, toch is het een woord Gods,dat van Gods wege tot den mensch komt, door den H. Geestgesproken wordt en daarom ook altijd zijne werking doet. Hetwoord Gods is nooit los van God, van Christus, van den H. Geest;het heeft geen bestand in zichzelf; het is niet deistisch van zijnschepper en auteur te scheiden. Gelijk de Schrift niet eenmaaldoor den H. Geest geinspireerd is maar voortdurend door dienGeest gedragen, bewaard, krachtig gemaakt wordt, zoo is hetook met het woord Gods, dat, uit de Schrift genomen, op eeneof andere wijze aan menschen gepredikt wordt. Jezus sprak doorden Geest, Joh. 6:63; de apostelen, die dien Geest ontvingen,Mt. 10:20, Luk. 12:12, 21:15, Joh. 14:26, 15:26, verkondigdenhet evangelie niet alleen in woorden maar ook in krachten in den H. Geest, 1 Thess. 1:5, 6, in betooning van Geesten kracht, 1 Cor. 2:4, en hanteerden het als het zwaard desGeestes, Ef. 6:17. In zooverre hebben de Lutherschen ook volkomengelijk; het woord Gods is altijd en overal eene krachtGods, een zwaard des Geestes; semper huic verbo adest praesensSpiritus Sanctus. Maar desniettemin leeren Schrift en ervaring,dat dat woord Gods niet altijd dezelfde werking doet; efficax ishet in zekeren zin altijd, het is nooit krachteloos; indien hetniet opheft, slaat het neer; indien het niet tot een opstanding is,dan tot een val; indien niet tot eene reuke des levens, dan toteene reuke des doods. De vraag rijst dus, wanneer het woordGods in dien zin efficax is, dat het tot geloof en bekeering leidt.De Lutherschen sluiten nu, om den mensch onontschuldigbaar testellen, deze Goddelijke, bovennatuurlijke efficacia op in het woord,maar vorderen daarmede niets en moeten, om de verschillendeuitkomst van het woord bij den mensch te verklaren, tot denvrijen wil de toevlucht nemen. Maar de Gereformeerden rekendenmet het feit van die dubbele uitkomst, beschouwden de efficacianiet als eene onpersoonlijke, magische kracht, die in het woordwas gelegd, maar dachten dat woord altijd in verband met zijn214auteur, met den Christus, die het bedient door den H. Geest.En die H. Geest is geen onbewuste kracht maar een persoon,die altijd bij het woord is, het altijd draagt en werkzaam doetzijn maar niet altijd werkzaam doet zijn op dezelfde wijze. Hijbezigt naar het onnaspeurlijk welbehagen Gods dat woord totbekeering maar ook tot verharding, tot een opstanding maar ooktot een val. Hij werkt altijd door het woord, maar niet altijdop dezelfde wijze. En als Hij er zoo door werken wil, dat hettot geloof en bekeering leidt, dan behoeft Hij objectief aan hetwoord niets toe te voegen. Dat woord is goed en wijs en heilig,een woord Gods, een woord van Christus, en de H. Geest neemtalles uit Christus. Maar opdat het zaad des woords goede vruchtendrage, moet het in een weltoebereide aarde vallen. Ook de akkermoet voor de ontvangst van het zaad worden gereed gemaakt.Deze subjectieve werkzaamheid des H. Geestes moet dus bij hetobjectieve woord bij komen. Zij kan uit den aard der zaak nietin het woord opgesloten en besloten zijn, zij is eene andere, eenebijkomende, eene subjectieve werkzaamheid, niet eene werkzaamheidper verbum maar cum verbo,een openen van het hart, Hd. 16:14, een inwendige openbaring, Mt. 11:25, 16:17,Gal. 1:16, een trekken tot Christus, Joh. 6:44, een verlichtingdes verstands, Ef. 1:18, Col. 1:9-11, een werken van hetwillen en het werken, Phil. 2:13 enz., cf. deel III 498.Daarmede wordt de Geest niet van het woord losgemaaktof gescheiden, ook zelfs dan niet, wanneer Hij, gelijk bij kinderkens, de wedergeboortewerkt zonder eenig middel der genade. Want de Geest,die wederbaart, is niet de Geest van God in het algemeen, maarde Geest van Christus, de Heilige Geest, de Geest, dien Christusverworven heeft, door wien Christus regeert, die alles alleen uitChristus neemt en die door Christus in de gemeente uitgestortis en dus de Geest der gemeente is. Daargelaten of de H. Geest,soms ook in Heidenen werkt en werken kan, wat in elk gevalexceptioneel is, in den regel werkt Hij de wedergeboorte alleenin zulken, die leven onder de bediening des verbonds. Ook kinderkens,die door Hem worden wedergeboren, zijn kinderen desverbonds, van dat verbond, hetwelk het woord Gods tot inhoudheeft en het sacrament tot teeken en zegel ontving. De H. Geestvolgt Christus dus in zijnen gang door de historie; Hij bindtzich aan het woord van Christus en werkt alleen in den naam215en naar het bevel van Christus. Individueel en subjectief, wanneerbijv. een kind losgedacht wordt van heel zijne omgeving, van dekerk, waarin het geboren wordt, moge het den schijn hebben,alsof de Geest werkte zonder het woord; objectief en zakelijkwerkt de H. Geest slechts daar, waar het verbond der genademet de bediening van woord en sacrament zich uitgebreid heeft.En daarom wordt de wedergeboorte bij kinderkens, wanneer zijopwassen, altijd daaraan gekend en in hare echtheid bewezen,dat zij in de daden van geloof en bekeering overgaat en dan zichaansluit bij het woord Gods, dat objectief in de H. Schrift voorons ligt. De H. Geest, die in de wedergeboorte niets anderstoepast dan het woord, de kracht, de verdienste van Christus,leidt vanzelf ook het bewuste leven naar dat woord heen, datHij uit Christus nam en door profeten en apostelen beschrijvendeed, cf. deel III 484. 504. 525 en voorts Conf. Belg. 24.Heid. Cat. qu. 65. 67. Helv. II 18. Can. Dordr. III 6. V 7. 14.Calvijn, passim, bv. Inst. III 2, 33. IV 14, 11. adv. Libert. c.9. Turretinus, Theol. El. XV, 4, 23 sq. Hodge, Syst. Theol.III 466-485. Bartlett, The letter and the spirit, BamptonLectures 1888. Müller, Dogm. Abhandl. 127-277. Dorner, Chr.Gl. II 799. Frank, Chr. Wahrheit II 243.





Please send all questions and comments to Dmytro (Dima) Bintsarovskyi:
dbintsarovskyi@tukampen.nl

x
This website is using cookies. Accept