Gereformeerde dogmatiek. 1e druk

§ 49.

De macht der kerk.

132 1. De kerk behoort evenmin als de staat tot de oorspronkelijkeinstellingen van het menschelijk geslacht. De oudste vorm vansamenleving was de familie, waarin het burgerlijk en het godsdienstigleven nog ineengestrengeld lagen en onder leiding stondenvan den vader of aartsvader, die profeet, priester en koning wasin zijn gezin. De zonde echter maakte voor het behoud van hetmenschelijk geslacht de instelling van kerk en staat noodzakelijk.In het gebod van de doodstraf op menschenmoord, Gen. 9:6,stelt God principieel de overheid in; en deze treedt dan ookweldra na den torenbouw onder de leiding van Gods voorzienigheidbij alle volken op, in welke de menschheid verdeeld wordt.Zoodra er eene overheid opstaat, komt er vanzelf ook eene zekereonderscheiding en scheiding tusschen het burgerlijke en het godsdienstigeleven; naast de vorsten treden er priesters op. Daarmedeis dan vanzelf de mogelijkheid van botsing gegeven; de grenzenworden bij de volken telkens verschillend getrokken en de bandenop onderscheidene wijze gelegd. Terwijl in het Oosten over hetalgemeen de macht der vorsten aan de priesterschap onderworpenis, is in het Westen, bij Grieken en Romeinen, de godsdiensteen politiek belang en zijn de priesters beambten van den staat.Eene volkomene scheiding kwam in de oudheid nergens voor;een neutrale staat is daar ten eenenmale onbekend. De staat onderhoudten beschermt den godsdienst, desnoods met verbanningen doodstraf (Socrates), want deze is de grondslag en waarborgvan zijn eigen bestaan. Ook Israel was van huis uit patriarchaalingericht en in huisgezinnen, familiën, geslachten en stammeningedeeld. Onder de koningen bleef de genealogische indeelingbestaan en gaf aan de staatsinrichting een democratischen stempel,zoodat de hoofden der stammen enz. in de volksvergaderingenover gewichtige zaken te beslissen hadden. Reeds onder dezenpatriarchalen regeeringsvorm was er onderscheid tusschen burgerlijkeen godsdienstige belangen, tusschen Mozes en Aaron,tusschen schrijvers, שֹׁטְרִים en richters,שֹׁפְתִים, ter eene, en priestersen levieten ter andere zijde. Alleen in het opperste gerechtshof,dat te Jeruzalem gevestigd was en over zeer moeilijke gevallente oordeelen had, hadden ook priesters zitting, Deut. 17:8-13,13319:17, 18. Onjuist is het daarom, te zeggen, dat onder Israelkerk en staat één waren. Beide waren in wetten, instellingen,ambten, ambtsdragers, en ten deele zelfs in leden duidelijkvan elkaar onderscheiden, cf. Hoedemaker, Kerk en Staat inIsrael, in het tijdschrift Troffel en Zwaard 1898 bl. 208-237.De priesters moesten dienen in den tempel, met de offerandendes volks tot God naderen, aan het volk Gods genade en zegenuitdeelen, en het onderwijzen in de wet, Lev. 9:22, 10:11,21:8, Num. 6:22, 16:5, Ezech. 44:23, maar zij moesten ookvoor zichzelf offeren, Lev. 9:7, 16:6, waren gebonden aan dewet, Deut. 33:10, Jer. 18:18 en voor hun levensonderhoudvan het volk afhankelijk, Lev. 23:10, Num. 18:8-32 enz.Ook hadden zij geen geheime leer of kunst, geen staatkundigeof burgerlijke macht, geen hierarchische heerschappij; een priesterstaatis Israel nooit geweest, de vrijheid des volks was opalle manier tegenover den priesterstand gewaarborgd. De profetentraden vrij op, hadden het woord Gods te verkondigen, moestenzonder sparen aan Israel zijne zonden bekend maken en volk enoverheid Gods oordeelen aanzeggen, maar zij hadden geen anderemacht dan de macht van het woord. Vreemdelingen konden doorde besnijdenis Israel worden ingelijfd, Ex. 12:48, en onreinenen melaatschen bleven burgers, ook al werden zij tijdelijk afgezonderd.Ondanks de scheuring had de godsdienstige eenheid desvolks op zichzelve zeer goed kunnen blijven bestaan. Maar heteigenaardige van Israels inrichting bestond nu daarin, dat al dezewetten, ambten en instellingen door God gegeven en gehandhaafdwerden; Israel was eene theocratie; God was zijn wetgever,rechter en koning, Jes. 33:22. Er was daarom op geen enkelgebied in Israel plaats voor eene onafhankelijke souvereiniteit;ook de koning mocht geen despoot zijn, maar moest door Godverkozen, uit het midden der broederen genomen en aan Godswet gebonden worden, Deut. 17:14-20, 1 Sam. 10:25. Bovenalle ambten, instellingen en personen stond de wet Gods, dieheel het leven van Israel regelde en door allen zonder onderscheidgehouden moest worden; Israel moest een heilig volk en eenpriesterlijk koninkrijk zijn, Ex. 19:3, Deut. 7:6. Daaruit vloeitvoort, dat, zonder dat het onderscheid tusschen burgerlijk engodsdienstig leven werd uitgewischt, de overheid toch ook ophaar terrein de wet Gods had te handhaven. Afgoderij, beeldendienst,134tooverij, Godslastering, Sabbatschennis enz., alle zondentegen de eerste tafel, werden daarom menigmaal met den doodgestraft, Ex. 22:18, 20, Lev. 20:2, 6, 27, 24:11-16, Num.25:5, 7, Deut. 13:1-5, 17:2-7, 18:9-12, 20, 1 Kon.15:12, 18:40, 2 Kon. 9:7, 24, 33, 10:6, 11, 17, 18v.,11:15, 12:2, 18:4, 2 Chr. 15:13, 17:6, 29:10, 31:1,34:5, 33. De godsdienst was eene nationale zaak, zonde wasmisdaad, overtreding van de eerste tafel der wet was verbrekingvan het verbond. Maar daarbij dient toch bedacht, dat de wetslechts zeer weinige, algemeene regelen gaf, en de voltrekkingder straf dikwerf aan God zelven overliet; dat het dooden vande Kananieten, van Agag, van Achabs huis op zichzelf staandegevallen waren, dat Jehu’s ijver veel verder ging dan het gebodGods, dat de reformatie der koningen zich meest bepaalde tothet uitroeien der afgodsbeelden en tot herstel van den publiekendienst van Jahveh, dat ongeloof en ketterij onder Israel doorgeen inquisitie werden opgespoord en menigvuldig voorkwamen,dat gewetensdwang ten eenenmale onbekend was, dat vreemdelingen,op voorwaarde van zich te onthouden van publieke schennisvan Israels godsdienst, niet alleen geduld maar ook met voorkomendheidwerden behandeld, dat priesters en profeten nooitopwekten tot vervolging van de goddeloozen maar alleen henvermaanden tot bekeering, bijv. ook in Ps. 2:10, en van Godzelven de staatkundige en godsdienstige overwinning van Israelover al zijne vijanden verwachtten. Daarom kon ook, toen Israelmeer en meer zijne politieke zelfstandigheid verloor, de godsdienstigegemeente blijven bestaan en zich op eigene wijzeorganiseeren. Al breidde de macht van priesters en hoogepriesterna de ballingschap zich gaandeweg uit, straks kregen zij infarizeën en schriftgeleerden gevaarlijke concurrenten; in de synagogewerd het godsdienstig leven zelfstandig, niet alleen tegenover denstaat, maar ook tegenover tempel en priesterschap; en heel datleven werd meer en meer geconcentreerd om de wet, wier onderwijzinghet hoofddoel der synagoge was, Mt. 4:23, Mk. 1:21 enz.Hd. 15:21, 2 Tim. 3:15. Die wet, of ruimer genomen, deOudtest. Schrift was grondslag, middelpunt, bron van Israelsgodsdienstig leven; eene andere macht bezat het niet, dan die erlag in dat Woord. Vandaar dat het zich daaraan vastklemdemet angstvallige nauwgezetheid en allen, die er niet naar wilden135leven, door den ban גִּדּוּי‏‎, ‎‏חֵרֶםַ‏‎, ‎‏שַׁמַּתָא uit zijn midden wegdeeden zonder of met anathematismen, voor een tijd of voor goedbuiten de gemeente sloot, Luk. 6:22, Joh. 9:22, 12:42, 16:2.Cf. Schürer, Gesch. d. jüd. Volkes im Zeitalter J. C. II3 passim,vooral 428 f.

2. Toen Jezus, komende tot het zijne, door de zijnen niet aangenomenwerd, organiseerde Hij zijne discipelen tot eene ἐκκλησια,die hopend en lijdend zijne tweede komst en de overwinning vanal zijne vijanden verbeiden moest. Deze gemeente toont in inrichtingen cultus wel eenige overeenkomst met de synagoge, maaris toch eene nog vrijere en meer zelfstandige organisatie van hetnieuwe leven, dat Christus aan het licht gebracht had. Immerskan er geen twijfel over bestaan, of Christus zulk eene gemeentegesticht en haar eene zekere macht toebetrouwd heeft. Zelf tochspreekt Hij van haar als zoo hecht op eene rots gebouwd, datde poorten der hel niets tegen haar zullen vermogen, Mt. 16:18,en voorts geeft Hij aan die gemeente ambten, bedieningen, instellingen,gaven, Rom. 12:6v., 1 Cor. 12-14, Ef. 4:11, dieer alle op wijzen, dat zij een eigen, vrij, onafhankelijk bestaanen eene zelfstandige inrichting heeft. Maar deze macht, welkeChristus aan zijne gemeente verleent, draagt een bijzonder karakter.Zij bestaat in niets anders maar ook in niets minder dan in demacht der sleutelen, die door Christus het eerst aan Petrustoebedeeld werd, Mt. 16:19. Nadat Petrus eerst om zijne belijdenisvan Jezus’ Messianiteit eene rots was genoemd, op welkeChristus zijne gemeente zou bouwen, stelde Hij hem daarna invers 19 tot οἰκονομος van het koninkrijk der hemelen aan endroeg de sleutelen van dat rijk aan hem over. Sleutelen zijn eenteeken van heerschappij, Jes. 22:22, Luk. 11:52, Openb. 1:8,3:7, 9:1, 20:1, en duiden hier de macht van Petrus aan,om het koninkrijk der hemelen te openen en te sluiten, d. i. omte bepalen, wie er in komen zal en wie niet. Zijn oordeel tochzal ook in den hemel gelden; wat hij binden of ontbinden (losmaken,bevrijden) zal, zal ook door God alzoo gerekend worden.In deze woorden wordt aan Petrus geen wetgevende macht geschonken,maar wel eene oordeelende of richtende; omdat hijbelijder van Jezus als den Christus is, heeft hij in die belijdeniseen maatstaf om te bepalen, wat tot de gemeente al dan niet136behoort en dus al dan niet in het koninkrijk der hemelen zalingaan. In Mt. 18:18 krijgt de gemeente in het algemeen demacht, om een onboetvaardige als een heiden en tollenaar tebeschouwen, want haar oordeel is in de hemelen van kracht.En in Joh. 20:24 ontvangen al de apostelen, op grond van dehun in vers 22 geschonken Geestesgave, de macht, om der menschenzonden los te laten of vast te houden. Hieruit blijkt duidelijk,dat de macht der gemeente en bepaaldelijk van Petrusen de apostelen bestaat in het uitspreken van een rechterlijkoordeel over der menschen verhouding tot het koninkrijk derhemelen naar den maatstaf van de belijdenis van Jezus als denChristus en de gave des H. Geestes. Deze macht wordt in hetN. T. telkens nader omschreven. Zij is geen autoritaire, onafhankelijke,souvereine heerschappij, Mt. 20:25, 26, 23:8, 10,2 Cor. 10:4, 5, 1 Petr. 5:3, maar een διακονια, λειτουργια.Hd. 4:29, 20:24, Rom. 1:1 enz., gebonden aan Christus, diealle macht heeft in hemel en op aarde, Mt. 28:18, die heteenige hoofd der gemeente is, Ef. 1:22 en die als zoodanig allegaven en ambten uitdeelt, Ef. 4:11; gebonden aan zijn Woorden Geest, door welke Christus zelf zijne gemeente regeert, Rom.10:14, 15, Ef. 5:26, en uitgeoefend in zijn naam en kracht,1 Cor. 5:4. Zij is daarom wel eene macht, eene wezenlijkeveelomvattende macht, bestaande in de bediening van woord ensacrament, Mt. 28:19, in de opening en sluiting van het koninkrijkder hemelen, Mt. 16:19, in het vergeven of houdender zonden, Joh. 20:20, in het oefenen van tucht over de ledender gemeente, Mt. 16:18, Rom. 16:17, 1 Cor. 5:4, 2 Thess.3:6, Tit. 3:10, 2 Joh. 10, 2 Tim. 2:17, Hebr. 12:15-17,Op. 2:14, in het onderscheiden aller dingen, 1 Cor. 2:15, inhet leeren, vertroosten, vermanen enz. der broederen, Col. 3:16,in het aanleggen der gaven ten nutte van anderen, Rom. 12:4-8,1 Cor. 12:12v., in het doen van wonderen, Mk. 16:17,18 enz. Maar al deze macht is geestelijk, zedelijk van aard,wezenlijk onderscheiden van alle andere macht, welke God aanmenschen over menschen of over andere schepselen in gezin,maatschappij, staat, kunst, wetenschap geschonken heeft. Jezustoch is niet anders opgetreden dan als Christus, als profeet,priester en koning; een ander ambt heeft Hij niet bekleed, eeneandere betrekking heeft Hij niet waargenomen. Hij was geen137huisvader, geen geleerde, geen kunstenaar, geen staatsman; Hijheeft alle ordinantiën en werken des Vaders geeerbiedigd en kwamalleen, om de werken des duivels te verbreken, 1 Joh. 3:8. Zijnkoninkrijk had in deze wereld zijn oorsprong niet, Joh. 18:36.En daarom erkent Hij alle overheid, hoogepriester, sanhedrin,Herodes, Pilatus enz., betaalt Hij de belasting, Mt. 17:24,weigert scheidsrechter te wezen tusschen twee broeders, dietwisten over eene erfenis, Luk. 12:14, beveelt den keizer hetzijne te geven, Mt. 22:21, bestraft Johannes, die vuur wil doennederdalen van den hemel, Luk. 9:55, en Petrus, die Malchushet oor afhouwt, Joh. 18:10, verbiedt dat zijne jongeren voorzijn naam en zaak strijden met het zwaard, Mt. 26:52. Hetevangelie van Christus bindt nooit den strijd tegen de natuur alszoodanig aan, het kwam niet om de wereld te veroordeelen maarte behouden, Joh. 3:16, 17; het laat huisgezin, huwelijk, verhoudingvan ouders en kinderen, van heeren en dienstbaren, vanoverheid en volk onaangetast; het vindt niets verwerpelijks inzichzelve en alle schepsel goed, indien het met dankzegging genomenwordt en geheiligd door het woord van God en door hetgebed, 1 Tim. 4:4; het laat een iegelijk blijven in de roeping,in welke hij geroepen werd, 1 Cor. 7:12-24, 1 Thess. 4:11,leert de overheid eerbiedigen, Rom. 13:1, 1 Tim. 2:2, 1 Petr.2:13, en laat zelfs de slavernij bestaan, 1 Cor. 7:22, Philem. 11.Zelfs als het gebiedt, Gode meer te gehoorzamen dan den menschen,predikt het alleen lijdelijk verzet, Hd. 4:19, 5:29. Maardesniettemin, schoon van alle revolutie afkeerig, is het des temeer op reformatie gesteld. Het bindt nooit tegen de natuur alszoodanig, maar wel overal en altijd, op ieder terrein en tot inde verborgenste schuilhoeken toe tegen de zonde en de leugenden strijd aan. En zoo predikt het beginselen, die niet langsrevolutionairen maar langs zedelijken en geestelijken weg overaldoorwerken en alles hervormen en vernieuwen. Terwijl het naarJezus’ bevel gepredikt moet worden aan alle creaturen, Mk. 16:15,is het eene kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft,Rom. 1:16; een tweesnijdend scherp zwaard, dat doordringt totde verdeeling der ziel en des geestes, Hebr. 4:12; een zuurdeesem,die alles doorzuurt, Mt. 13:33; een beginsel, dat allesherschept; eene macht, die de wereld verwint, 1 Joh. 5:4.

1383. Deze apostolische leer van de kerkelijke macht bleef geruimentijd in de christelijke kerk erkend. Het kwam eerst inde gedachte niet op, dat de arme, kleine gemeente nog eens eenewereldkerk zou worden, die aan vorsten en volken de wettenvoorschreef. Alwat men begeerde, was, om onder de heidenscheoverheid een gerust en stil leven te mogen leiden in alle godzaligheiden eerbaarheid. Maar toen de kerk tot aanzien en heerschappijkwam, werd ook hare macht gansch anders opgevat. Deontwikkeling van episcopaat en traditie, van priester- en offerideebracht mede, dat de ordinatie als eene sacramenteele handelingwerd beschouwd, die, door den bisschop verricht, den ambtsgeestmededeelde en tot het voltrekken der kerkelijke ceremoniën rechten bevoegdheid schonk. En hoewel de sleutelmacht, in Mt. 16:18aan Petrus geschonken, door combinatie met Mt. 18:18 enJoh. 20:23 in den eersten tijd van de vergeving der zondenverstaan werd, Cypr. de unit. eccl. 4. Ep. 75, 16, kreeg zij vooraldoor het sacrament der boete allengs een juridisch karakter. Demacht der kerk is daarom volgens Rome tweeërlei: potestas ordinisen potestas jurisdictionis, van welke de laatste dan weerin jurisdictio fori interni (sacramentalis) enfori externi (legifera,judiciaria en coactiva) onderscheiden wordt, Thomas, S. Theol.II 2 qu. 39 art. 3. Catech. Rom. II 7, 6. Conc. Vat. ed. Lacensiscol. 570. Klee, Kath. Dogm. I2 162. Dieringer, Kath.Dogm.4 619. 715. Liebermann, Inst. Theol. I8 290. Simar, Dogm.593. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 1 S. 317 f. Schell, Kath.Dogm. III 1 S. 396. Jansen, Prael. theol. I 380 sq. enz. Totrecht verstand van deze door Rome aan de kerk toegekende machtdient het volgende in acht genomen te worden. 1o De potestasdocendi wordt soms door latere theologen wel afzonderlijk behandelden komt natuurlijk volgens Rome ook wel aan de kerktoe. Maar eigenlijk is zij onderdeel van de potestas jurisdictionis.De Catech. Rom. II 7, 7 zou kunnen doen vermoeden, dat depotestas docendi onder de potestas ordinis thuis behoort, omdathij zegt, dat deze niet alleen inhoudt de macht, om de eucharistiete bedienen, sed ad eam accipiendam hominum animos praeparatet idoneos reddit; maar het Conc. Vatic. IV c. 3. 4 brengt hetmagisterium uitdrukkelijk onder de potestas jurisdictionis. Debediening des woords is bij Rome rechtspraak, culmineerende inde onfeilbare beslissingen van den paus; zij is geen prediking139maar eene afkondiging van dogmata, die als zoodanig het gewetenbinden, tot geloof, d. i. tot assensus verplichten, en desnoodsmet dwang kunnen opgelegd worden, Richter-Dove-Kahl, Kirchenrecht305. Achelis, Prakt. Theol. I2 79. 2o De potestas ordinis,de macht, om de sacramenten te bedienen, is alleen verkrijgbaardoor het door den bisschop verleende sacramentum ordinis, datden ambtsgeest mededeelt en een character indelebilis indrukt,en is daarom onverliesbaar, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 39 art. 3;zelfs ketters en scheurmakers, die eens in Rome door den bisschopgeordend werden, behouden deze macht, zij staat daarom ook losop zichzelve, en is geheel onafhankelijk van de bediening deswoords. Het sacerdotium kan bij Rome ook zonder prediking vanhet evangelie bestaan. Si quis dixerit..., sacerdotium... nonesse potestatem aliquam consecrandi et offerendi verum corpuset sanguinem Domini et peccata remittendi et retinendi, sedofficium tantum et nudum ministerium praedicandi evangelium,vel eos, qui non praedicant, prorsus non esse sacerdotes, anathemasit, Conc. Trid. sess. 23 de sacr. ordinis can. 1. 3o In overeenstemminghiermede wordt bij Rome de vergeving der zonden nietgeschonken in de prediking van het woord, welke slechts praeparatoirebeteekenis heeft, maar in het sacrament, hetwelk degenade in zich bevat en ex opere operato in den ontvanger instort.Bepaaldelijk wordt zij medegedeeld in den doop en voor de naden doop bedreven zonden in het sacrament der boete. De tuchtwas n.l. in de eerste christelijke kerk zeer streng. Toen deervaring leerde, dat lang niet allen, die Christen geworden waren,hunner roeping waardig wandelden en dikwerf vervielen invleeschelijke zonden en tijdens de vervolgingen vooral ook in verloocheningvan het evangelie, namen de vermaningen toe, om,vooral vóór het gebruik des avondmaals, in het midden dergemeente belijdenis van zonden te doen, Did. 4:14, Clemens,1 en 2 Cor. passim. Over den terugkeer van zulke gevallenenen uitgeslotenen in den schoot der kerk ontstond een langdurigestrijd. Montanisme, Novatianisme en Donatisme wilden voor zulkegevallenen, bepaaldelijk voor hen, die zich schuldig gemaakthadden aan verloochening, moord of ontucht, de deur der kerksluiten en hen aan Gods genade overlaten, cf. Hebr. 6:4-6,10:26, 1 Joh. 5:16. Maar Hermas, Mand. IV 1, zeide reedsin geval van echtbreuk, dat er ééne bekeering mogelijk was. In140Tertullianus’ tijd werd al tusschen vergefelijke en doodzondenonderscheid gemaakt; de bedrijvers der eerste ondergingen, ookal werden zij tijdelijk van de gemeente uitgesloten, slechts eenecastigatio, geen damnatio, Tert. de pudic. 7; die aan de laatste,vooral aan afgoderij, echtbreuk of moord zich schuldig maakten,werden bij berouw toch als ’t ware weer in den voorhof der kerktoegelaten. De ontwikkeling van de katholieke kerkidee (als heilsinstituut),de concentratie aller kerkelijke macht in den bisschop,de leer van de verdienstelijkheid der goede werken (satisfactio,meritum) kwamen aan de wederopname van gevallenen en gebannenendoor middel van boete ten goede. De bisschop vanRome, Callistus verkondigde in 217, dat hij ook de zonden vanontucht bij berouwhebbenden vergaf. Een concilie te Carthago 252stond aan alle gevallenen, in geval van boetvaardigheid, de reconciliatieof absolutie toe, Cypr. ep. 57, al moest de terugkeerendeook verschillende stadiën doorloopen, eer hij in de vollegemeenschap der kerk opgenomen werd (προσκλαυσις, ἀκροασις,ὑποπτωσις, συστασις). En in 316 werden de Donatisten veroordeeld,die beweerden dat geen geexcommuniceerde of der excommunicatiewaardige het sacrament bedienen kon, Moeller-v. Schubert,Kirchengesch. I 96. 133. 278. 298. 358. 415 en de daar aangeh.litt. In de boete, die langzamerhand als een sacrament werdopgevat en in drie deelen bestond (confessio oris, contritio cordisen satisfactio operis), schiep de kerk zich de mogelijkheid, omallen, die na den doop in kleinere of grootere zonden gevallenwaren, weder in haar volle gemeenschap op te nemen. Zij waseene secunda post naufragium tabula na den doop, Trid. IV c. 2.Heel de tucht ging bij Rome in deze gesystematiseerde boeteonder, en deze boete werd een actus judicialis, een rechtbank,waarin de priesters zitten als praesides en judices, de belijdenisvan de mortalia crimina aanhooren, naar den maatstaf der libripoenitentiarii op casuistische wijze de straf bepalen, en in dennaam van Christus niet conditioneel en declaratorisch maar absoluut,kategorisch en peremptoir de vergeving der zonden(absolutie) schenken. Dit juridisch karakter der boete komt ooknog daarin uit, dat dit sacrament alleen mag bediend wordenaan hen, die gedoopt zijn, wijl de kerk over niemand jurisdictiebezit dan wie door den doop onder haar macht staan; dat degeloovigen dit sacrament slechts mogen ontvangen uit de hand141van dien priester, wiens subditi zij naar kerkelijke, d. i. pauselijkebeschikking zijn; en dat hoogere geestelijken, bisschoppen enz. envooral de paus, zich bepaalde, ergerlijke gevallen voorbehouden,waarin zij alleen oordeelen en beslissen kunnen, zooals bijv. bijde toepassing van ban en interdict over vorsten en landen in deMiddeleeuwen door de pausen, Conc. Trid. XIV. Cat. Rom. II5, 32 sq. 4o Om deze jurisdictie in foro interno te kunnen uitoefenen,beweert de Roomsche kerk voorts te bezitten de potestasjurisdictionis in foro externo (potestas regiminis), onderscheidenin potestas legislativa, judiciaria en coactiva. Christus gaf tochaan de kerk, opdat zij aan haar roeping getrouw kon zijn, vooreersteene wetgevende macht; zij mag binden en ontbinden, verbiedenof veroorloven, zedelijke verplichtingen opleggen of tenietdoen; en al wat zij bepaalt, is in den hemel van kracht; het isevengoed alsof God zelf het beveelt; het bindt daarom de gewetensen verplicht tot onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, Mt. 16:19,18:18, Joh. 20:21, 23, Hd. 15:27-29, 41, 1 Cor. 11:4-7,14:26, 2 Cor. 8, 10:6, 8, 1 Tim. 3, Tit. 1:5, Hebr.13:7, 17. Deze wetgevende macht sluit vanzelf de rechterlijkein, wijl gene zonder deze niet zou kunnen bestaan; Christus gafdeze macht aan de gemeente in Mt. 18:15-17 en de apostelenoefenden haar uit, Hd. 5:1-10, 1 Cor. 5:3, 11-13, 1 Tim.5:19, 20. En eindelijk heeft de kerk ook eene uitvoerende endwingende macht, en kan niet alleen geestelijke straffen opleggen,gelijk Donatisten, Waldenzen, Albigenzen enz. beweerden, maarook tijdelijke en lichamelijke, en dat niet alleen op gezag ofdoor middel van den staat, maar ook zelve uit eigen autoriteiten rechtstreeks. Rome grondt deze macht op Mt. 16:19, 18:18,28:19, 1 Cor. 4:18-21, 5:4-5, 2 Cor. 10:6, 8, 13:2, 3,1 Tim. 1:20, heeft ze menigmaal uitdrukkelijk geleerd, Denzinger,Enchir. symb. et defin. n. 1367. 1546. 1572. Conc. Vatic.coll. Lac. VII 570. 577, en ook veelvuldig toegepast, cf. Perrone,Prael. Theol. Lov. 1843 VII 275. Scheeben-Atzberger, Dogm. IV1 S. 322. Jansen, Prael. theol. I 390 enz. 5o Eindelijk leertRome, dat deze kerkelijke macht, van alle aardsche machtwezenlijk onderscheiden, ten volle onafhankelijk is en souverein.Wel zegt zij, dat deze macht ten opzichte van Christus eenebedienende, een ministerium is; maar tegenover alle aardschegezag en macht is zij volkomen zelfstandig. Met deze leer van142de onafhankelijkheid der kerkelijke macht sloeg zij een ganschanderen weg in dan de kerk van het Oosten. Daar werd doorConstantijn, Theodosius en Justinianus I de kerk hoe langer hoemeer een orgaan in den staat; de keizer kon daarom met dekerk nog wel niet doen wat hij wilde, want hij was aan hetdogma gebonden, en geen αρχιερευς maar alleenεὐσεβης, beschermerder orthodoxie, doch hij was toch evengoed als van denstaat het regeerend hoofd der kerk. In de Russische kerk heerschtdeze beschouwing nog thans. In 1721 legde Peter de Groote hetopperbestuur over de kerk in handen van eene permanente HeiligeSynode, welke door het intermediair van den procurator aan denCzaar gebonden is. Hoezeer de macht van den Czaar in vergelijkingmet die der Byzantijnsche keizers veelszins beperkt enverzwakt is, is hij het toch, die door de Synode de kerk regeert,de godsdienstige aangelegenheden van zijn volk regelt, de matevan vrijheid voor zijne Roomsche en Protestantsche onderdanenbepaalt; het orthodoxe dogma is in Rusland nog altijd in formeelenzin staatsrecht en ketterij staatsmisdaad, cf. Pobedonoszew,Streitfragen der Gegenwart. Autor. Uebersetzung. Berlin 1897.Herzog2 5, 425 f. Kattenbusch, Vergl. Confessionskunde I 374-393.Terwijl alzoo in het Oosten het Cesareopapisme tot ontwikkelingkwam, wist de kerk in het Westen, georganiseerd inden paus, niet alleen hare zelfstandigheid te handhaven tegenmaar menigmaal ook hare suprematie uit te breiden over denstaat. Het keizerschap werd in Karel den Groote een Christelijk,een Roomsch instituut, en was van dien tijd af menigmaal aanden paus ondergeschikt. En dit was niet alleen practijk maarwerd ook hoe langer hoe meer theorie. Staat, (gezin, maatschappij,kunst, wetenschap, al het aardsche) en kerk verhouden zich volgensRome als natuur en genade, vleesch en geest, bonum naturaleen bonum supernaturale, het tijdelijke en het eeuwige, het aardscheen het hemelsche. Gelijk de maan haar licht ontvangt van de zon,zoo hebben de vorsten hunne wereldlijke macht aan den paus tedanken, die immers als stedehouder van Christus alle macht heeftin hemel en op aarde, (Alvarus, Pelagius e. a.); of in elk gevalheeft de paus als hoofd der Christenheid ook summa potestasdisponendi de rebus temporalibus omnium Christianorum, Bellarminus,de Rom. Pontif. V 6. 7. Zelfs is een wereldlijk gebied totuitoefening van zijn souvereine macht voor hem beslist noodzakelijk.143Al is de staat dan ook binnen zijn eigen terrein vrij enzelfstandig, hij is toch minder dan de kerk, aan haar uitspraakgebonden en overal waar het geestelijke in het natuurlijke ingrijpt,aan de kerk onderworpen. De staat moet Christelijk, d. i. Roomschzijn, mag geen andere als de ware erkennen dan de Roomsche,en is verplicht, indien de kerk het verlangt en het zelve nietdoet, om ketters te vervolgen en te straffen. Cf. Augustinus’ briefaan Vincentius contra Donat. et Rogat. de vi corrigendis haereticis,id. aan Bonifacius de moderate coercendis haereticis, voortsc. Epist. Parmeniani I 16. Contra literas Petiliani, vooral lib. II.Contra Gaudentii Denatistarum episcopi epistolam I 20 II 17.Thomas, de regimine principum. Bellarminus, de Rom.Pontif. V.de membris eccl. III. Hergenröther, Kath. Kirche und Christl.Staat in ihrer geschichtl. Entw. 1872. Hammerstein, Kirche undStaat, Freiburg 1883. Stöckl, Lehrb. d. Philos. III6 451-480.Cathrein, Moralphilosophie II3 529 f. Hansjakob, Die Toleranzund die Intoleranz der Kath. Kirche 2e Aufl. Freiburg 1899 enz.

4. Deze macht, door Rome aan de kerk toegekend, culmineerten vindt ook den waarborg voor haar bestand en voortduur inde macht van den paus. Deze draagt toch volgens het Conc.Vatic. IV c. 3. 4 de volgende eigenschappen: 1o Zij is niet blooteen primatus honoris noch ook alleen een ambt van toezicht enleiding, maar eene van de bisschoppen onafhankelijke volmachtvan wetgeving, regeering en rechtspraak, eene potestas jurisdictionis.2o Zij is niet eene buitengewone, tijdelijke, maar eenegewone, blijvende macht, welke God hem geeft en die hij altijden niet slechts in enkele buitengewone gevallen uitoefenen kan.3o Zij is eene onmiddellijke, zoowel naar oorsprong, wijl Christushaar geeft, als naar haar gebruik, wijl de paus haar niet alleendoor de bisschoppen maar ook door zichzelf of zijne legaten uitoefenenkan, zonder verlof of volmacht van wie ook te vragen,en dus met alle bisschoppen en geloovigen onmiddellijk, vrij verkeerenkan. 4o Zij is niet eene beperkte, maar eene plena etsuprema potestas, extensief zich uitstrekkende over de ganschekerk, intensief alle macht bevattend, welke tot leiding en regeeringder kerk van noode is, en volstrekt souverein, aan geen leeken,bisschoppen, concilie, maar alleen aan God onderworpen. 5o Alleleden der kerk, hetzij afzonderlijk of te zamen, alle bisschoppen,144elk voor zichzelf of in synode en concilie vergaderd, zijn aan denpaus volstrekte gehoorzaamheid verschuldigd, niet alleen in zakenvan geloof en zeden, maar ook in die van tucht en regeering derkerk. Haec est catholicae veritatis doctrina, a qua deviare, salvafide atque salute, nemo potest. 6o Een deel van deze macht ishet leerambt, over hetwelk is bepaald, dat de paus, wanneer hijex cathedra spreekt, door Goddelijken bijstand onfeilbaar is.

Na al hetgeen vroeger van de leer der Schrift en de oudstekerkelijke getuigenissen gezegd werd, behoeft het geen betoogmeer, dat heel dit papale stelsel op een onschriftuurlijken grondslagrust. De consensus patrum, n.l. na Irenaeus, de leer enpractijk van pausen en conciliën, de overeenstemming der lateretheologen, gelijk ze in de Roomsche dogmatiek breeder uiteengezetworden, bijv. bij Heinrich, Dogm. II 323 f. kunnen ditgebrek niet vergoeden. Hoezeer dit pauselijk gebouw door zijnestrenge eenheid dikwerf ook vele Protestanten bekoort, toch ishet in diezelfde mate religieus en ethisch zwak, als het politieken juridisch imponeert. Immers 1o aard en karakter der onfeilbaarheidzijn onvoldoende bepaald. Rome is zoover niet durvengaan, dat zij aan den paus dezelfde onfeilbaarheid als aan deapostelen toeschreef. Dit lag en ligt wel op de lijn. Men zouverwachten, dat de apostelen aan de episcopi, die zij aanstelden,en Petrus bepaald aan den bisschop te Rome de apostolischevolmacht hadden meegedeeld. Maar dit is niet zoo. De paus isonfeilbaar doch niet door inspiratie, maar door assistentie desH. Geestes, door eene bijzondere zorge Gods, waardoor de kerkvoor dwaling behoed en bij de waarheid bewaard wordt. En zijneonfeilbaarheid bestaat niet daarin, dat hij nieuwe openbaringenontvangt en eene nieuwe leer kan voordragen, maar zij bestaatalleen hierin, dat hij de door de apostelen overgeleverde openbaringgetrouw bewaren en uitleggen kan. En ook is zij niet indien zin te verstaan, dat de door den paus ex cathedra gesprokenwoorden in letterlijken zin Gods Woord zijn, maar alleen, dat zijdit zakelijk bevatten, Heinrich, Dogm. II 220-245. Jansen, Prael.theol. I 616. 2o Ofschoon de onfeilbaarheid eene bijzondere gaveis, is zij toch aan den paus niet altijd eigen, en niet in zijnpersoon, noch ook als schrijver, als redenaar, als rechter, alswetgever, als bestuurder noch ook als wereldlijk vorst, bisschopvan Rome, metropoliet van de kerkelijke provincie van Rome of145als patriarch van het Westen doch alleen als paus, als hoofdder gansche kerk. Er heerscht hierover echter geen eenstemmigheid.Vooral met het oog op het geval van paus Honorius gavenvroegere theologen en zelfs Innocentius III, bij Schwane D. G.III 535, toe, dat de paus privatim in ketterij kon vervallen, endan jure divino ex ipso facto als paus afgezet was (Paludanus,Turrecremata, Alphonsus de Castro, Sylvester e. a.) of door eenrechterlijk vonnis van een concilie kon afgezet worden (Cajetanus,Canus e. a.) Dit had echter zijne bedenkelijke zijde en bracht deonbeperkte souvereiniteit en onschendbaarheid van den paus ingevaar. Daarom konden anderen, zooals Pighius, Bellarminus,Suarez e. a. zich beter vinden in de probabele en vrome meening,dat de goddelijke voorzienigheid den paus ook persoonlijk voorketterij bewaren zal, Heinrich, Dogm, II 257. Scheeben-Atzberger,Dogm. IV 1 S. 450. 3o Het Vaticanum zegt met eene misschienhet eerst door Melchior Canus, bij Schwane D. G. IV 302, gebezigdeuitdrukking, dat de paus onfeilbaar is, wanneer hij excathedra spreekt. Dit schijnt een grens te trekken, maar ispractisch een zeer onbruikbare maatstaf. Want het systeem eischt,dat niemand uitmaken kan, of een paus ex cathedra gesprokenheeft, dan alleen de paus zelf. En zoo heeft een paus het altijdin zijne hand, om eigen uitspraken of die van andere pausen teverwerpen, door te zeggen, dat zij niet, of ook om ze bindendte verklaren, door te zeggen, dat zij wel ex cathedra gesprokenzijn. En zelfs kan hij later zeggen, dat hij of een voorganger,meenende ex cathedra gesproken te hebben, het toch feitelijk nietgedaan heeft. 4o Het onfeilbare leerambt is een onderdeel vande plena et suprema potestas jurisdictionis in universam ecclesiam.Wel verklaart het Vaticanum, sess. IV c. 3, niet uitdrukkelijk,dat de paus bij het uitoefenen van deze gansche macht ten allentijde onfeilbaar is. Maar het zegt toch, dat ten haren aanziencujuscumque ritus et dignitatis pastores atque fideles, tam seorsimsinguli quam simul omnes, officio hierarchicae subordinationisveraeque obedientiae obstringuntur, non solum in rebus, quae adfidem et mores, sed etiam in iis, quae ad disciplinam et regimenecclesiae pertinent. Of de paus in dit alles dus feilbaar of onfeilbaarzij, allen hebben zonder onderscheid, zender eenig rechtvan critiek, (neque cuiquam de ejus licere judicare judicio) onvoorwaardelijkaan den paus te gehoorzamen, en dat bij niet146minder dan hunner zielen zaligheid. 5o De onfeilbaarheid wordtin het Conc. Vatic. sess. IV c. 4 wel uitdrukkelijk alleen aanden paus toegekend, als hij ex cathedra spreekt en als herderen leeraar aller Christenen doctrinam de fide vel moribus abuniversa ecclesia tenendam definit. Maar er is hier volstrekt nietuit af te leiden, dat hij het anders niet is. Hoe zou anders inc. 3 ook bij zaken van tucht, regeering, rechtspraak, absolute enonvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan den paus kunnen geeischtzijn? Maar hoe dit zij, in zaken van geloof en zeden is de pauszeker onfeilbaar. En wat hiertoe behoort, werken de Roomschetheologen nader uit. Onfeilbaar is de paus, als hij handelt overde waarheden der openbaring in de Schrift, over de waarhedender traditie, over de waarheden der goddelijke instellingen, sacramenten,kerk, kerkelijke inrichting en regeering, over de waarhedender natuurlijke openbaring. Maar ook hiermede is de grenszijner onfeilbaarheid nog lang niet bereikt. Om in dit allesonfeilbaar te zijn, moet hij het ook zijn, zeggen de theologen,in het oordeelen over de bronnen der geloofswaarheden en in deuitlegging daarvan, dat is in de vaststelling van het gezag derSchrift, der traditie, der conciliën, der pausen, der patres, dertheologen; in het gebruik maken en aanwenden van natuurlijkewaarheden, voorstellingen, begrippen en uitdrukkingen; in hetbeoordeelen en verwerpen van dwalingen en ketterijen, in hetconstateeren zelfs van de facta dogmatica; in het verbod vanboeken, in zaken van discipline, in de approbatie van orden, inde canonisatie van heiligen enz. Geloof en zeden omvatten schieralles, en al wat de paus daarover zegt, is onfeilbaar. De term excathedra trekt feitelijk hoegenaamd geen grens. Want deze uitdrukkinggeeft toch niet te kennen, dat alleen die uitsprakenonfeilbaar zijn, waarbij het ex cathedra letterlijk vermeld wordt,want dan waren alle vroegere pauselijke bepalingen daarvan uitgesloten.Ze duidt dus alleen iets zakelijks aan. Maar wie maaktdan uit, of de paus ex cathedra spreekt? Practisch en door hetvolk zal zijne uitspraak altijd als onfeilbaar worden opgevat, alwas het alleen uit vrees, dat men eventueel eens eene onfeilbareuitspraak verwerpen zou. En theoretisch kan alleen de pausonfeilbaar zeggen, wanneer hij ex cathedra, onfeilbaar spreekt,Heinrich, Dogm. II 554-654. Bovendien, waarom is de pausonfeilbaar? Omdat hij het zelf verklaart? Maar dat is een circulus147vitiosus. Omdat het concilie het verklaart? Maar het concilie isfeilbaar, ook in deze verklaring. Waar is dus voor den RoomschenChristen de zoo hooggeroemde zekerheid? 6o Het Vaticanum heefthet resultaat opgemaakt van een lang historisch proces. In deneersten christelijken tijd waren alle apostelen, alle gemeenten enook alle episcopi elkander gelijk in rang; hoogstens was er eenprimatus homoris maar in geenerlei opzicht een primatus jurisdictionis.Maar allengs wist de kerk en de bisschop te Rome alleandere kerken en bisschoppen aan zich te onderwerpen. Tochbleef de zelfstandigheid der laatsten binnen eigen kring nog langtot op zekere hoogte bewaard. Tegen het einde der 13e eeuwkomt de controvers op over de verhouding van de bisschoppelijkeen de pauselijke macht, Schwane D. G. III 549. Sommigentrachten dan nog de zelfstandigheid der eerste in dien zin tehandhaven, dat de bisschop, schoon ondergeschikt aan den paus,toch de hem binnen zijn kring toekomende macht van God, exjure divino, ontvangen heeft en door den paus slechts als dragerdier macht aangewezen wordt; zoo Henricus van Gent, Alphonsusde Castro, bisschop van Brugge † 1558, Vitoria, 1480-1544,vader der neoscholastiek aan de hoogeschool te Salamanca, PetrusGuerrero, bisschop van Granada en vele andere Spaansche enFransche bisschoppen op het concilie te Trente, die in den 7encanon der 23e zitting de woorden wilden opgenomen hebben: episcoposjure divino institutos presbyteris esse superiores, Schwane,D. G. IV 292 f. Er ontstonden op het concilie over deze quaestiede heftigste debatten, die heel den winter van het jaar 1562 entot over het midden van het volgende jaar voortduurden. Den15en Juli 1563 werd in can. 6-8 de bisschoppelijke macht welnader omschreven, maar de vraag, of zij ex jure divino dan welex jure ecclesiastico was, werd met opzet onbeslist gelaten. Erstond dan ook aan de andere zijde eene sterke partij, met Lainez,den Jezuitengeneraal aan het hoofd, die beweerde, dat de bisschopde potestas ordinis wel onmiddellijk van God ontving, maar depotestas jurisdictionis alleen verkreeg door vrije overdracht vande zijde van den paus; deze laatste was dus in zooverre de jureecclesiastico, en kon door den paus naar welgevallen beperkt,gewijzigd of ontnomen worden, want de paus had zijne vollemacht over de gansche kerk alleen en onmiddellijk van God.Dit gevoelen won na Trente door den invloed der Jezuiten hoe148langer hoe meer veld, het behaalde over het Gallikanisme dezegepraal en werd op het Vaticaansch concilie tot een dogmaverheven. Wel wordt er in sess. IV c. 3 gezegd, dat de machtvan den paus volstrekt geen inbreuk maakt op de ordinaria acimmediata potestas jurisdictionis der bisschoppen maar deze veeleerbevestigt, versterkt en handhaaft; doch de paus heeft de volle,gansche wetgevende, regeerende en rechtsprekende macht overheel de kerk, hij kan zonder iemands tusschenkomst of bemiddelingvrijelijk verkeeren (communicare) met al de herders enkudden der gansche kerk, en allen zijn zonder onderscheid enonvoorwaardelijk aan hem onderworpen. Bisschoppen, conciliën,heel de kerk, alle geloovigen zijn feilbaar uit zichzelven en alleenonfeilbaar met en door hem. De paus is de wortel, de vastheid,het fundament van de eenheid, autoriteit en onfeilbaarheid vanbisschoppen, conciliën, kerkvaders, theologen, van alle geloovigenen van heel de kerk. Hij alleen ontvangt alle macht en gezagen onfeilbaarheid rechtstreeks van God. Eene enkele uitdrukkingherinnert nog aan de oude, katholieke opvatting; zoo bijv. als inhet Conc. Vatic. IV c. 4 gezegd wordt, dat de paus ea infallibilitatepollere, qua divinus Redemptor ecclesiam suam in definiendadoctrina de fide vel moribus instructam voluit, maaronmiddellijk wordt daaruit juist afgeleid, dat de definitiones vanden paus ex sese en niet exconsensu ecclesiae onfeilbaar zijn.7o Nog verder gaat deze macht van den paus. Ofschoon de pausentot de 8e eeuw toe onderdanen van het Romeinsche keizerrijkwaren en hun geestelijk ambt hoegenaamd niet het bezit vanwereldlijke macht insloot, toch is al spoedig in de Roomschekerk de gedachte opgekomen, dat de paus, om op geestelijkgebied onafhankelijk te kunnen zijn, ook in het wereldlijke souvereinmoest wezen. En na de opheffing van den kerkelijken staatin 1870 is deze gedachte nog meer op den voorgrond getreden enmet sterker nadruk uitgesproken. Pius IX en Leo XIII hebbenniet nagelaten, telkens te verklaren, dat de paus als universeelbisschop niet onderdaan van een bijzonder vorst kan zijn nocheene bepaalde nationaliteit kan dragen, Jansen, Prael. theol. I657, Hase, Prot. Polem. 254; en hunne uitspraken binden deRoomsche geloovigen. Al is de idee van een kerkelijken, van eenpriesterstaat, geheel uit den tijd; al doet de existentie van zulkeen staat aan de eenheid van Italie tekort; al kan de paus niet149kerkelijk opperhoofd en wereldlijk souverein tegelijk zijn, zonderdat kerk of staat of beiden daarbij schade lijden; al heeft degeestelijke macht de politieke souvereiniteit volstrekt niet noodig;al heeft de paus eeuwenlang geen politiek gebied gehad en alheeft hij na den overigens op zichzelf onrechtmatigen roof vanden kerkelijken staat in 1870 aan invloed niet verloren, evenminals de duitsche bisschoppen, sedert zij opgehouden hebben rijksvorstente zijn; al is de onafhankelijkheid van den paus tegenoverden koning van Italie door de garantie van 13 Mei 1871 en doorde macht der Roomsche vorsten en volken meer dan voldoendegewaarborgd; dit alles doet er weinig toe, Rome laat den eischniet varen, dat de paus weer worde wereldlijk vorst. Dit isechter nog maar een gering deel van den ganschen eisch. Metberoep op Mt. 28:18 en Luk. 22:38 en in navolging vanBonifacius VIII in de bul Unam Sanctam zijn vele Roomschennog veel verder gegaan en hebben gezegd, dat de paus de eigenlijkesouverein van heel de wereld is en de wereldlijke macht naarzijn welgevallen overdraagt aan vorsten en koningen als zijneministri en vicarii. Dit was velen echter al te kras. Zij bestredende meening, dat de paus souverein is over het ongeloovig deelder wereld, want Christus vertrouwde aan Petrus alleen de zorgover de schapen toe, en die buiten zijn, oordeelt God; ook wasde paus niet wereldlijk vorst over de christelijke volken, wantnergens werd zulk eene politieke macht aan den paus opgedragen,en Christus gaf aan Petrus alleen de sleutels van het hemelrijk;de paus heeft zelfs geen temporalis jurisdictio noch wereldlijkemacht directe of jure divino, want Christus is een geestelijkkoning en heeft een geestelijk rijk. Maar al verwierpen dezenalzoo de directe wereldlijke macht, zij bleven toch spreken vaneene potestas indirecta en kenden aan den paus niet bloot eenepotestas directiva in wereldlijke zaken toe, doch ook in het belangvan het rijk Gods eene summa potestas disponendi de rebustemporalibus omnium Christianorum; want het weiden der schapeneischt ook macht over de wolven. De wereldlijke macht is immersaan de kerk onderworpen gelijk het lichaam aan den geest; ongeloovigevorsten, die hun onderdanen tot ketterij verleiden,mogen weerstaan en afgezet worden; christelijke vorsten zijn alszoodanig aan Christus onderworpen, moeten het geloof bevorderenen de kerk beschermen; gelijk ook vele koningen in de dagen150des O. Test. en in de geschiedenis der kerk gehandeld hebben,Bellarminus, de Rom. Pontif. lib. V. Maar ook bij deze theorieder potestas indirecta behoudt de paus het recht, om in hetbelang van het koninkrijk Gods van alle vorsten onbepaaldegehoorzaamheid te eischen, ingeval van ongehoorzaamheid henaf te zetten en de onderdanen van hun eed van gehoorzaamheidte ontslaan, niet-roomsche volken en landen aan roomsche vorstentoe te wijzen, politieke wetten en rechten krachteloos te verklarenenz. Ook al geven vele Roomschen er tegenwoordig denschijn aan, alsof al deze rechten den pausen alleen tijdelijk entoevallig in de Middeleeuwen toekwamen, de Syllabus van 1864verklaart in n. 23 uitdrukkelijk, dat de pausen en conciliënnooit de grenzen hunner macht overschreden noch rechten dervorsten zich aangematigd noch ooit bij beslissing in zaken vangeloof en zeden gedwaald hebben. De uitoefening der rechtenmoge door de omstandigheden geschorst zijn, er is geen twijfelaan, dat de rechten zelve onvervreemdbaar zijn. Rome verandertniet. Cf. Fr. v. Schulte, Die Macht der römischen Päpste überFürsten, Länder, Völker und Individuen 3te Aufl. Giessen 1896.8o Uit dit alles blijkt de allesbeheerschende plaats, welke depaus in het leven van den Roomschen Christen inneemt. DeRoomsche kerk is eene monarchie, een rijk, een staat met eengeestelijk vorst aan het hoofd. Van de dagen van Augustinus afwordt de kerk bij voorkeur als een staat en een rijk voorgesteld,waarin alle dogmata als wetten en rechten gelden, die de menschenbinden bij de zaligheid hunner ziel. Bonifacius VIII zeidedaarom van den paus, dat hij jura omnia in scrinio pectoris suicensetur habere, bij Schulte t. a. p. 66. De regeering in dezenstaat is absoluut monarchaal; na het concilie van 1870 is zijzelfs niet meer, gelijk men vroeger zeide, door de aristocratieder bisschoppen getemperd; want de bisschoppen zijn feilbaar,en ontleenen aan hem hunne macht; ja, volgens de uitdrukkelijkebepaling van het Vaticanum kan de paus met alle herders enkudden onmiddellijk verkeeren en dus, met algeheelen voorbijgangvan den bisschop, direct iederen priester, iederen kapelaan aanstellenof ontslaan, elk proces beslissen, elken leek onmiddellijkkastijden enz., de bisschoppen zijn van de souvereiniteit in eigenkring principieel ten eenenmale beroofd. Ook is deze monarchaleregeering van den paus in beginsel niet meer constitutioneel,151want Schrift en traditie zijn aan zijne onfeilbare uitlegging onderworpen;la tradizione son io, zeide daarom Pius IX tot denkardinaal Guidi, bij Schulte t. a. p. 80; de paus bepaalt, indiennoodig, wat leer van Schrift en traditie is. Door zijne onfeilbaarheidis de paus in de Roomsche kerk de eenige, absolute souverein,bron van alle kerkelijke en zelfs direct of indirect van allewereldlijke macht. Daarom heet hij sedert de 9e eeuw in onderscheidingvan alle andere bisschoppen Papa, Schwane D. G. I 543,niet maar opvolger en plaatsvervanger van Petrus doch vicariusChristi, vicarius Dei, Schwane III 536. 538, pater spiritualisomnium patrum, imo omnium fidelium, hierarcha praecipuus,sponsus unicus, caput indivisum, pontifex summus, fons etorigo, regula cunctorum principatuum ecclesiasticorum, Bonav.Brevil. VI 12. De paus is de kerk, is het Christendom, ishet Godsrijk zelf. Le pape et l’église, c’est tout un, zeide Fr.de Sales. Ubi papa, ibi ecclesia. Het primaat van den paus issumma rei christianae, Bellarminus, de Rom. Pontif. in devoorrede. Zonder paus geen kerk, geen Christendom, Veuillot bijHase, Prot. Polemik5 187. Onderwerping aan den paus is vooralle menschen noodzakelijk ter zaligheid, (Bonifacius VIII). Depaus is middelaar der zaligheid, de weg, de waarheid en hetleven. Er ontbreekt nog maar aan, dat hij aangebeden wordt,maar ook dat is eene quaestie van tijd, Harnack D. G. III 652.Inderdaad, Scheeben-Atzberger, Dogm. IV 1 S. 427 zegt hetterecht, indien het primaat van den paus niet Gods werk is,dan is het eene blasphemische und diabolische Usurpation. Cf.Luther, von dem Papstthum zu Rom. 1520, cf. Köstlin, LuthersTheol. I 317. Art. Smalc. 4 en Tract. de potestate et primatupapae, bij Müller, Symb. B. 306. 328. Calvijn, Inst. IV c. 4-11.Amesius, Bellarminus enervatus, I lib. 3. Chamier, Panstr. Cath.II lib. 2. Voetius, Pol. Eccl. III 775 sq. Id. Disp. II 684-882.Id. Desperata Causa Papatus, Amst. 1635. Heidegger, Corp. Theol.Loc. 72, 2. Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 16-20. Id. denecessaria secessione nostra ab eccl. rom. vooral disp. 5: detyrannide romana. Moor, Comm. VI 195 sq. J. von Döllinger,Das Papstthum. Neubearbeitung von Janus, Der Papst und dasConcil, von J. Friedrich, München Beck 1894. Langen, DasVatik. Dogma von dem Universalepisc. u. der Unfehlb. desPapstes, 3 Theile, Bonn 1871-73. Dr. W. Joos, Die Bulle152Unam Sanctam und das Vatik. Autoritätsprinzip, 2e Aufl.Schaffh. 1897. Bungener, Pape et concile au 19e siècle,Paris 1870. Gladstone, Rome and the newest fashion in religion1875. Hase, Handbuch der Prot. Polemik5, Leipzig 1891.Tschackert, Evang. Polemik gegen die röm. Kirche, Gotha 1885.D. Snijder, Rome’s voornaamste leerstellingen en bedoelingen voorden protestant toegelicht. Gor. 1890. Het dogma van de onfeilbaarheidvan den paus enz., uit het Duitsch door D. Snijder,Rott. 1899.

5. Tegen deze ontaarding der kerkelijke macht kwam deReformatie in verzet. Zij beleed weer, dat de kerk eene communiosanctorum was, en dat zij van Christus eene macht had ontvangen,welke van die in den staat wezenlijk onderscheiden was. ChristiReich is nicht ein leiblich oder weltlich, irdisch Regiment, wieandere Herren und Könige auf Erden regieren, sondern ein geistlich,himmlisch Regiment, das da gehet nicht über zeitlich Gut,noch was dies Leben betrifft, sondern über Herzen und Gewissen,wie man vor Gott leben soll, seine Gnade erlangen, Luther bijSohm, Kirchenrecht 464, 488, cf. verder Köstlin, Luthers Theol.II 486 f. 553 f. Evenzoo maakte Calvijn tusschen kerk en staatonderscheid als tusschen ziel en lichaam, het toekomstige en hettegenwoordige leven en schreef aan de kerk eigen ambten, machten jurisdictie toe, Inst. IV 1-11. 20, cf. Lobstein, Die EthikCalvins 1877 S. 115 f. De macht der kerk bestond daarom nietin eenig corpus juris canonici, dat door Luther te Wittenbergden 10e December 1520 in het openbaar verbrand werd, maarenkel en alleen in de bediening van Gods woord. Wijl Christushet eenige hoofd der kerk is, kan en mag in de kerk alleen hetwoord Gods heerschen, niet door dwang maar alleen door liefdeen vrije gehoorzaamheid, Luther bij Sohm, Kirchenrecht 464.468; de bediening van woord en sacrament is de eenige vormvan kerkregiment, het inbegrip van alle kerkelijke macht, degansche sleutelmacht, welke dan echter ook volgens de Lutherschenwettige roeping, gehoorzaamheid aan de opzieners, beoordeelingvan leer en leven, oefening van tucht, uitsluiting dergoddeloozen uit de gemeente enz. insloot, Conf. en Apol. Aug.art. 14. 20. 28 Smalc. art. de potestate et primatu papae. Sohmheeft dit onderscheid in de macht, welke door Rome en door153Luther aan de kerk toegekend wordt, helder in het licht gesteld.Wel is waar gaat hij te ver, als hij, in de meening, dat allerecht dwang, menschelijke heerschappij en aardsche macht is,alle kerkrecht met het wezen der kerk in strijd acht, cf. Rutgers,Het kerkrecht, inzoover het de kerk met het recht in verbandbrengt, Amst. 1894. Maar toch toont hij duidelijk aan, dat hetgroote verschil over de macht der kerk tusschen Rome en hetProtestantisme samenhangt met de politieke, juridische of degeestelijke, ethische opvatting van het Christendom. En hij erkentzelf menigmaal, dat de gemeente van Christus, ofschoon eenegemeenschap van heiligen, toch orde eischt, reeds in den eerstentijd zekere orde bezat, 51 f., en ook volgens Luther en de Lutherschenzonder ambt, wettige roeping, zielzorg, tucht, ban,regeering niet kan bestaan, 471. 476. 486. 494. 519 f. Allemacht in de kerk is rechtstreeks of zijdelings bediening deswoords; alle regeling, die zij maakt, is daaraan ondergeschikt endienstbaar. Zoo verstonden het ook de Gereformeerden; alle machtin de kerk berust oorspronkelijk bij Christus, die door God isgezalfd tot koning over Sion, en draagt daarom een geestelijkkarakter, want zijn koninkrijk is niet van deze wereld. Voorzoover Christus bij de uitoefening dier macht zich van organenbedient, zijn deze niet zelfstandig, onafhankelijk, souverein, maaraan Hem, d. i. aan zijn woord gebonden. Alle ambt in de gemeentevan Christus is een διακονια, ministerium, zonder wetgevende,rechtsprekende en uitvoerende macht in zichzelf, maaralleen kunnende bedienen, wat in het woord van Christus vervaten opgesloten ligt. Feitelijk is er dus in de kerk geen anderemacht dan de sleutelmacht, de bediening van woord en sacrament,die dan echter gewoonlijk wederom onderscheiden werd in potestasdoctrinae, potestas disciplinae en potestas ordinis of regiminis,Calvijn, Inst. IV c. 8-12. Martyr, Loci Comm. 405 sq. Polanus,Synt. Theol. VII 10 sq. Junius, theses theol. 46. Turretinus,Theol. El. XVIII 29 sq. enz.

Al was er zoo in de grondgedachten eenstemmigheid, toch kwamer bij de uitwerking en toepassing tusschen Lutherschen en Gereformeerdenspoedig een belangrijk verschil voor den dag. Teneerste nam Luther uit de Roomsche kerk de ambtelijke bedieningvan het woord aan den enkele over en was alzoo op handhavingder biecht gesteld. Ofschoon hij de prediking van het evangelie154opvatte als vergeving der zonden, also dass ein christlicherPrediger nimmer das Maul aufthun kann, er muss eine Absolutionsprechen, Sohm t. a. p. 488, toch was hem dit niet genoeg; deabsolutie moest ook door den pastor individueel in de wel nietnoodzakelijke maar toch hoogst nuttige biecht worden toegepast,Köstlin, Luthers Theol. II 528. Caspari, art. Beichte in Herzog3.Conf. Aug. 11. 25 en Apol. Conf. Catech. minor I 5. AppendixI ad Catech. maj. Art. Smalc. III 8. Gerhard, Loc. XV 97-117.Quenstedt, Theol. III 584. 598. Harnack, Prakt. Theol. II463 f. en daar aangeh. litt. Gandert, Zur Revision des Beichtwesensin der ev. Kirche, Wittenberg 1898. Maar deze privatebiecht stuitte op onoverkomelijke moeilijkheden, op het onvoldoendgetal herders, op het biechtgeld, op de onzekere beteekenisder absolutie enz., en kwam allengs in onbruik. Hoewel nu deGereformeerden het elkander belijden van de misdaden nuttigvonden, lieten zij de ambtelijke bediening van het woord en dusook de verkondiging van de vergeving der zonden, d. i. de absolutiealleen plaats hebben in de openbare vergadering der geloovigen,hielden van de biecht als kerkelijke instelling alleen degeregelde of somtijds bij de voorbereiding tot het avondmaalgebruikelijke belijdenis van zonden over, en vervingen overigens deprivate biecht door het persoonlijk huisbezoek, Zwingli bij Zeller,Das theol. System Zwingli’s 153. Calvijn, Inst. III 4. IV 1, 22.Martyr, L. C. 274. Amesius, Bellarminus enervatus III 481.Rivetus, Op. III 316. M. Vitringa III 127 sq. Biesterveld, HetHuisbezoek, Kampen 1900. Ten tweede had de tucht in de Lutherschekerk een ander verloop dan in de Gereformeerde. Luther zelfwenschte wel terdege toepassing van tucht in de gemeente vanChristus; ofschoon hij den Roomschen ban verwierp en alle burgerlijkestraf uit de kerkelijke tucht verwijderde, toch was zulk eenegemeente zijn ideaal, die na herhaalde vermaning het booze uitbaar midden wegdeed, Köstlin, Luthers Theol. II 530 f. 560 f.Herzog2 8, 14. 13, 588. Th. Harnack, Prakt. Theol. II 497 f.Dieckhoff, Luthers Lehre v. d. kirchl. Gewalt, Berlin 1865, deLuthersche belijdenisschriften bij Müller, S. 64. 152. 165. 288.323. 340. 342. Maar het ontbreken van het presbyterambt ende uitoefening van de kerkelijke tucht alleen door den pastorleidde tot zulke misbruiken, dat zij weldra geheel teniet gingen voorzoover zij bleef, aan de gemengde consistoriën werd155overgelaten. Practisch gaf dit hetzelfde resultaat, als de leer vanZwingli, Erastus, de Remonstranten, de Rationalisten en velenieuwere theologen, volgens welke de gemeente hare macht tottuchtoefening, sedert de overheid christelijk is geworden, aandeze heeft afgestaan. Daarentegen was voor Calvijn de kerkelijketucht eene levensquaestie; voor het recht der kerk, om het boozeuit haar midden weg te doen, streed hij in Genève twintig jarenlang; hij verwierf het eerst in het jaar 1555, Choisy, La théocratieà Genève 166. Tucht mocht niet de ziel der kerk zijn,zij was er toch de zenuw van. En deze beschouwing van de plichtmatigheid,noodzakelijkheid en nuttigheid der kerkelijke tuchtwerd het eigendom der Gereformeerden, en onderscheidde henvan Roomschen en Lutherschen aan de eene zijde, maar anderzijdsook van Anabaptisten en Mennonieten, die door hun tegenstellingvan natuur en genade den ban soms overdreven streng toepastenen er zijn geestelijk karakter aan ontnamen. Cf. Calvijn, Inst.IV 12. Martyr, L. C. 411. Zanchius, Op. IV 736. Junius, ThesesTheol. 47. Bucanus, Instit. theol. 581. Mastricht, Theol. VII 6.Synopsis pur. theol. 48. Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 32.Maresius, Syst. Theol. XVI 79-87. Voetius, Pol. Eccl. IV841 sq. Conf. Gall. 27. Belg. 29. Cat. Heid. 83-85. Helv. II18 enz. Ten derde werd de verhouding van het Christendom tothet natuurlijke leven door Luther anders dan door Calvijn bepaald.Alle Hervormers gingen daarin saam, dat zij het natuurlijkeleven bevrijdden van den druk en de macht der kerk, die bijRome met het Christendom samenvalt, als een supranatureeltoevoegsel aan de natuur toekomt doch daaronder overigens aandat natuurlijke leven eene groote speelruimte gunt. Het Protestantismestelde daartegenover de belijdenis, dat de ganschewereld, ofschoon liggende in het booze, toch in zichzelve heiligen goed is, een werk van God, den Almachtige, den Scheppervan hemel en aarde; het wisselde de quantitatieve tegenstellingvan natuurlijk en bovennatuurlijk voor de qualitatieve, ethischetegenstelling van zonde en genade in. Maar daarbij was er tochtusschen de Hervormers een groot verschil. Zwingli kwam hetMiddeleeuwsch dualisme van vleesch en geest, van humana endivina justitia nimmer geheel te boven. Luther beperkte het werkvan Christus dikwerf zoo tot het religieus-ethische terrein, dathet natuurlijke los daarnaast kwam te staan; het evangelie156veranderde alleen het uitwendige, het gemoed, het hart, maar werkteniet vernieuwend en hervormend op heel het natuurlijke leven in.Vandaar de minachting, waarmede Luther dikwerf sprak overde rede, de philosophie, de juristerij; vandaar het harde oordeel,dat de Formula Concordiae velde over den natuurlijken menschals lapis, truncus aut limus; vandaar de Luthersche onderscheidingen scheiding tusschen het zinnelijke en het geestelijke alsduo hemisphaeria, quorum unum inferius, alterum superius, cf.mijne rede over de Kathol. van Christ. en Kerk 1888 bl. 28v.,en over de Algemeene Genade 1894 bl. 24v. Daaruit is ook teverklaren, dat de Luthersche kerk, mits zij maar de zuiverebediening had van woord en sacrament, voor alle andere doorChristus der kerk geschonken macht vrij onverschillig was. Zijwist wel beter en beleed, dat de kerk haar eigen opzieners endiakenen, haar eigen regeering en tucht hebben moest. Maar inde practijk stond zij dat alles terstond en schier zonder strijdaan de overheid af. Desnoods kon zij eene monarchale (pauselijke)en episcopale regeering toegeven, vele ceremoniën als adiaphoraerkennen, de tucht aan de consistoriën overlaten en heel de uitwendigeregeering der kerk aan de overheid toevertrouwen. Dekerk hield voor zich alleen het predikambt, de bediening vanwoord en sacrament, maar werd overigens een lands- en eenstaatskerk, waarin de overheid als plaatsvervanger van hetRoomsche episcopaat, of als praecipuum membrum ecclesiae ofals gevolmachtigde der kerk zoo goed als alles te zeggen had,cf. boven bl. 108. Köstlin, Luthers Theol. II 555 f. Lechler,Die neut. Lehre v. h. Amte 1857 S. 223 f. 230 f. Sohm, Kirchenrecht542 f. en voorts Melanchton, Loci Comm. de magistr.civil. Gerhard, Loc. XXIV. Quenstedt, Theol. IV 420-450.Hollaz, Ex. 1352-1366. Baier, Comp. 639-649. Buddeus,Inst. Theol. 1267-1286. Zakelijk stemde dit weder geheelovereen met de macht, welke Zwingli, Erastus, de Remonstrantenenz. aan de overheid in betrekking tot de kerk toekenden. Maarde Gereformeerden stelden zich hier principieel tegenover. GelijkGod de overheid in den staat tot souverein had aangesteld, zoozalfde Hij Christus tot Koning zijner kerk. Beide, staat en kerk,waren dus in oorsprong, natuur, regeering, wezenlijk van elkanderonderscheiden; de macht der kerk aan de overheid opdragen waseene aanranding van het koningschap van Christus. Maar deze157onderscheiding werd toch door de Gereformeerden nooit alsscheiding bedoeld. Integendeel, gelijk de kerk haar geestelijkegoederen uitdeelt tot heil van heel het natuurlijke leven inhuisgezin en maatschappij, in kunst en wetenschap, zoo heeft ookde overheid in een christelijk land de dure roeping, om de warekerk te beschermen, in hare uitbreiding en voortplanting testeunen, alle afgoderij en valschen godsdienst te weren en uitte roeien en het rijk van den antichrist te gronde te werpen.Zij konden niet anders leeren, omdat zij geloofden, dat de overheiddoor God zelven om der zonde wil, ter harer beteugeling,ingesteld was; dat zij als zoodanig aan Gods wet en woordgebonden was; dat niet alleen de tweede maar ook de eerstetafel der wet op haar terrein en op hare wijze gehandhaafdmoest worden; dat de H. Schrift een boek was niet uitsluitendmet religieus-ethischen inhoud, geldende alleen voor de kerk,maar een woord Gods, uitgaande tot alle menschen en lichtverspreidend over alle schepsel en leven; dat de overheid onderhet O. Test. met zulk eene taak speciaal door God was belast;dat de christelijke waarheid universeel was en katholiek, duidelijken klaar, en dus ook voor de overheid kenbaar. Cf. De Geref.belijdenisschriften bij Niemeyer 9. 32. 54. 55. 82. 98. 114.122. 326. 355. 387. 534. 610. 765. 810. Calvijn, Inst. IV 20;over ketterstraf, Op. ed. Amst. VIII 510-567, cf. Choisy, Lathéocratie à Genève au temps de Calvin, 1898. Bloesch, Gesch.d. Schweiz.-ref. Kirchen, Bern 1899 I 227 s. Beza, de haereticisa civili magistratu puniendis, Tract. Theol. I 85-169. Zanchius,Op. IV 580-587. Martyr, L. C. 473. Bullinger, Huisboek II 7.Junius, Op. I 544. Bogerman, in de diss. van der Tuuk 1868bl. 32v. Trigland, Antapol. c. 29. Kerckel. Gesch. passim,vooral bl. 440v. Rhetorford, Examen Arminianismi c. 19. Revius,in de diss. van Posthumus Meyjes, 1895 bl. 151-171. Voetius,Pol. Eccl. I 124 sq. en passim. Disp. sel. II 692-809. III206. Synopsis pur. theol. 50. Mastricht, Theol. VII 7, 14.Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 34. Moor VI 470-518.Vitringa IX 1. 700 sq.

Maar het leven bleek sterker dan de leer; het absolute standpuntwerd langzamerhand verzwakt. Reeds in de 16e eeuw eischtensommige Wederdoopers en Socinianen, dat de overheid van alleinmenging in zaken van religie en bepaaldelijk van ketterstraf158zich onthouden zou. De Gereformeerde leer stuitte dan ook opvele practische bezwaren. In theorie toch waren staat en kerkwel onderscheiden, maar feitelijk was de staat dikwerf onderworpenaan de uitspraken der kerk, en gebonden aan hare belijdenis.Krachtens de nauwe vereeniging met de kerk en de verplichting,die zij op zich genomen had, kwam de overheid tot daden vangeweld en dwang, van welke zij zelve meestal een afkeer had,die haar een kwaden naam gaven bij vele edelgezinden, den schijnop haar laadden van Roomsche tirannie en met den Protestantscheneisch van gewetens- en godsdienstvrijheid in strijd waren.Zoolang in een land ééne confessie alle burgers of althans degroote meerderheid verbond, was de vereeniging van kerk en staatnog te handhaven; maar toen langzamerhand de Roomsche kerkherleefde en in het Protestantisme velerlei kerken en belijdenissenopkwamen, aan wie men het christelijk karakter niet ontzeggenkon, toen werd het zelfs voor den strengste onmogelijk, om hetconfessioneel karakter van den staat en den eisch der ketterstrafte handhaven. In Engeland kwam dit in de 17e eeuw het eerstduidelijk aan het licht. Niet alleen Roomschen en Episcopalenstreden daar met elkander om den voorrang, maar straks tradenna elkander de Presbyterianen, Independenten, Kwakers, Levellersen Deisten op. Zoo schreed men, door de feiten geleid, allengsvan het confessioneel tot het algemeen christelijk en vandaar tothet deistisch karakter van den staat voort, en werd tolerantieen moderatie het modewoord der achttiende eeuw. Roger Williams,de „aartsindividualist” was de eerste, die in de 17e eeuw deneisch van scheiding in kerk en staat uitsprak en volstrekte godsdienstvrijheidverlangde voor ieder, ook voor ketters en Joden,en deze beginselen in zijne kolonie te Rhode-Island in toepassingbracht. Aan christelijke en aan revolutionaire zijde vond dezetheorie hoe langer hoe meer instemming. Sommige staten inAmerika pasten haar sedert 1776 toe, de Fransche Omwentelingdreef ze in vele landen door. Desniettemin bestaat zij nergenszuiver en consequent, en deinst ieder in de practijk voor haregevolgen terug.

6. Dat Christus aan zijne kerk op aarde zekere macht heefttoegekend, is haast voor geen twijfel vatbaar. In het algemeenreeds is het eene onloochenbare waarheid, dat niets zonder orde159en regel kan bestaan, dat wezen zonder vorm ondenkbaar is,dat eene eigenlijke ὑλη overal en op elk gebied niets dan eenewijsgeerige abstractie is. Een huisgezin kan niet bestaan zonderhoofd, een volk niet zonder overheid, eene vereeniging niet zonderbestuur, een leger niet zonder generaal enz.; anarchie is onmogelijk.Te zeggen, dat Christus eene kerk heeft gesticht, zondereenige organisatie, regeering of macht, is eene bewering, die uitmystiek-philosophische beginselen opkomt maar noch met de leerder Schrift, noch met de werkelijkheid van het leven rekeninghoudt. De vraag, die verdeelt, is dan ook eigenlijk niet deze, ofde kerk van Christus, om te bestaan, eene zekere macht enregeering behoeft, want dat stemmen allen toe, hetzij zij de gemeentedeze regeering zichzelf laten geven of haar aan de overheid opdragen.Maar het verschil loopt hierover, of Christus zelf inzijn woord, natuurlijk niet in allerlei bijzonderheden maar inbeginselen en hoofdzaken, aan zijne kerk eene macht en regeeringheeft toegekend, die daarom ook uitmaakt en uitmaken mag eenartikel van ons geloof en een stuk onzer belijdenis, Ned. Gel.art. 30-32. Doch ook dit verschil wordt door de H. Schriftzoo sterk en duidelijk mogelijk beslist. Christus heeft wel gezegd,dat zijn koninkrijk niet van deze wereld is, maar Hij is niet indien zin een geestelijk koning, dat Hij om het uitwendige enaardsche zich volstrekt niet bekommert. Integendeel, Hij heeftde volle menschelijke natuur aangenomen en is in de wereldgekomen, niet om haar te veroordeelen, maar te behouden; Hijheeft zijn koninkrijk in die wereld geplant en gezorgd, dat hetdaarin bestaan en als een zuurdeesem op alle terreinen des levensvernieuwend inwerken kan. Zijn werk was, om allerwege dewerken des duivels te verbreken, en het recht en de eere Godstot erkenning te brengen; zoover als de zonde alles heeft verwoesten bedorven, strekt intensief zijne verzoenende en verlossendewerkzaamheid zich uit. Daarom brengt Hij maar niet sommigemenschen individueel door zijn Geest tot het geloof, opdat zijvoorts vrij zich vereenigen en met de ontvangene gaven desGeestes elkander dienen zouden. Maar Hij sticht eene gemeente,eene kerk, en richt deze van stonden aan zoo in, dat zij bestaan,zich voortplanten en uitbreiden, en haar taak op aarde volbrengenkan. Ter verduidelijking mag en moet tusschen het wezen en deregeering der kerk onderscheid worden gemaakt. Maar dit onderscheid160mag nooit zoo worden verstaan, alsof de geloovigen oorspronkelijkvan alle regeering en macht verstoken zouden zijngeweest. Integendeel, de vorige paragraaf heeft in het lichtgesteld, dat de kerk van het eerste oogenblik van haar bestaanna den val af eene zekere organisatie heeft gehad, eerst in depatriarchale gezinnen, daarna in het volk Israels, en sedertChristus’ komst op aarde in de verschillende buitengewone engewone ambten, die Hij in zijne gemeente ingesteld heeft, Mk.3:14, Luk. 10:1, Hd. 20:28, 1 Cor. 12:28, Ef. 4:11. Elkambt sluit echter een macht, een recht, eene bevoegdheid in.Wel is waar zijn er vele gaven in de gemeente, die door denH. Geest geschonken, als διακονιαι van Christus en alsἐνεργηματαGods des Vaders zich openbaren en der gemeente onderling totstichting dienen, 1 Cor. 12:4v. Maar niettemin verbond Christusaan de ambten, die Hij in zijne gemeente instelde, eene specialemacht, ἐξουσια, bestaande in het prediken van het evangelie,Mt. 10:7, Mk. 3:14, 16:15, Luk. 9:2, enz., in het bedienender sacramenten, Mt. 28:19, Mk. 16:15, Luk. 22:19, 1 Cor.11:24-26, in het doen van allerlei wonderen, Mt. 10:1, 8,Mk. 3:15, 16:18, Luk. 9:1, 10:9, 19 enz., in het houdenof vergeven der zonden, Mt. 16:19, 18:18, Joh. 20:23, in hetweiden der kudde, Joh. 21:15-17, Hd. 20:28, in het oefenenvan tucht, Mt. 18:17, 1 Cor. 5:4, in het dienen der tafelen,Hd. 6:2, in het recht om te leven van het evangelie, Mt. 10:10,9:4v., 2 Thess. 3:9, 1 Tim. 5:18. Deze omschrijving,welke de Schrift van de macht der kerk geeft, wijst niet alleenhaar ontwijfelbaar bestaan, maar ook hare volkomene onafhankelijkheiden eigensoortigheid tegenover alle andere macht terwereld aan. Er is velerlei macht en gezag op aarde, in huisgezin,maatschappij, staat, kunst, wetenschap enz. Maar de kerkelijkemacht is van deze alle in wezen onderscheiden en tegenover haarvolkomen zelfstandig. Want al die andere macht is afkomstigvan God als Schepper van hemel en aarde, Rom. 13:1, maardeze kerkelijke macht heeft haar oorsprong rechtstreeks in Godals den Vader van onzen Heere Jezus Christus, 1 Cor. 12:28,Ef. 4:11, Hd. 20:28, en is daarom ten opzichte van alle andereaardsche macht volkomen vrij en onafhankelijk. Wie met hetCesareopapisme of het Erastianisme deze macht der kerk inkrimpt,beperkt en aan de overheid opdraagt, komt de eere van Christus161te na en doet aan de der kerk geschonken rechten en vrijhedentekort. Onafhankelijk moet deze macht der kerk tegenover alleandere aardsche macht blijven, omdat zij gansch eigensoortig is,door geen andere macht kan overgenomen of uitgeoefend worden,en dus bij zulk eene overdracht van haar natuur beroofd envernietigd wordt. Al de macht toch, die Christus aan zijne kerkheeft geschonken, bediening van woord en sacrament, oefeningvan tucht, dienst der tafelen enz. heeft behalve een eigen oorsprong,ook een eigen orgaan, een eigen natuur, een eigen doel.Zij is gebonden aan ambten, die Christus alleen in zijne gemeenteingesteld heeft, waartoe Hij alleen de gaven verleent en verleenenkan, die Hij alleen roept en zendt; niemand neemt zich deze eereaan, dan die van God geroepen wordt, Rom. 10:15, Hebr. 5:4.Voorts is deze macht geestelijk. Dat wil niet zeggen, dat zijonzichtbaar en gansch inwendig is, want Christus is wel eengeestelijk koning doch regeert over ziel en lichaam beide, zijnwoord en sacrament richten zich tot den ganschen mensch, dedienst der barmhartigheid heeft zelfs voornamelijk de lichamelijkenooden te lenigen. Maar als de macht der kerk geestelijk heet,dan wordt daarmede te kennen gegeven, dat zij door den H. Geestvan God wordt geschonken, Hd. 20:28, alleen in den naam vanChristus en de kracht des H. Geestes kan uitgeoefend worden,Joh. 20:22, 23, 1 Cor. 5:4, uitsluitend over menschen alsgeloovigen gaat, 1 Cor. 5:12, en alleen op geestelijke, zedelijkewijze, niet met dwang en straf in geld, goed of leven, maar doorovertuiging, geloof, goedwilligheid, vrijheid, liefde en dus alleenmet geestelijke wapenen, 2 Cor. 10:4, werkt en werken kan,Mk. 16:16, Joh. 8:32, 2 Cor. 3:17, Ef. 6:7 enz. Eindelijkheeft deze macht ook een eigen doel; zij strekt, al brengt zijvoor de ongeloovigen ook verzwaring van het oordeel mede, totbehoudenis, tot stichting en niet tot nederwerping, tot volmakingder heiligen en opbouwing des lichaams van Christus, Mt. 10:13,Mk. 16:16, Luk. 2:34, 2 Cor. 2:16, 10:4, 8, 13:10, Ef.4:12, 6:11-18 enz. Voetius, Pol. Eccl. IV 783. Door dit allesis de kerkelijke macht soortelijk onderscheiden van alle staatkundigemacht. Reeds onder het O. Test. waren staat en kerk,schoon nauw verbonden, toch niet een en hetzelfde. Veel duidelijkerechter heeft Christus het onderscheid uitgesproken tusschenzijn rijk en de rijken der wereld, Mt. 22:21, Joh. 18:36; zelf162weigerde Hij alle aardsche macht, Luk. 12:13, 14, Joh. 6:15,en verbood aan zijne jongeren al wat zweemde naar wereldlijkeheerschappij, Mt. 20:25, 26, 1 Petr. 5:3. Tusschen kerk enstaat en beider macht is er dan ook allerlei verschil; in oorsprongniet alleen, gelijk boven reeds opgemerkt werd, maar verder ookin organen, want de ambten in de gemeente van Christus zijnalle διαχονιαι, maar de politieke overheid is souverein, en heeft,schoon dienaresse Gods, toch recht en macht, om wetten uit tevaardigen en daaraan onderwerping te eischen; in aard en natuur,want de macht der kerk is geestelijk, maar de macht der politiekeoverheid is natuurlijk, aardsch, wereldlijk, strekt zich uit overalle onderdanen, zonder andere qualiteit dan dat zij onderdanenzijn, en regelt alleen hunne aardsche belangen; in doel, want dekerkelijke macht strekt tot opbouwing van het lichaam vanChristus, maar de politieke macht heeft hare bestemming in ditleven en streeft naar het bonum naturale et commune; in middelen,want de kerk heeft geen andere dan geestelijke wapenen,maar de overheid draagt het zwaard, heeft het recht over levenen dood en mag gehoorzaamheid eischen met dwang en geweld.Zoo ongeoorloofd het daarom aan de eene zijde is, om de kerkelijkemacht aan de overheid op te dragen, zoo zondig is het ook aande andere zijde, om de kerkelijke macht in eene politieke teveranderen. Romanisme en Anabaptisme maken zich daar beideaan schuldig, omdat beide uitgaan van de tegenstelling van natuuren genade. Alleen maakt het Anabaptisme die tegenstelling absoluuten vernietigt daardoor de natuur; Rome vat ze relatief op enonderdrukt de natuur. In de Middeleeuwen, toen de Roomschekerk de alleenheerschappij bezat, kwam dit streven duidelijkervoor den dag; maar principieel is zij niet veranderd, en nogaltijd wordt zij gedreven door dezelfde zucht, om de geestelijkenzooveel mogelijk van de politieke onderhoorigheid vrij te maken,om allerlei burgerlijke zaken binnen haar kring te trekken enaan haar oordeel te onderwerpen; om door uitwendigen glans enpraal te schitteren, bezit van kapitalen en vaste goederen uit tebreiden, politieken invloed aan de hoven uit te oefenen; om opgrond van Mt. 28:18 en naar de theorie der twee zwaardenvoor den paus zoo niet de directe dan toch de indirecte machtover heel de wereld te eischen enz., cf. Voetius, Pol. Eccl. I 115.Niet alleen echter is de Roomsche kerk er steeds op uit, om163alle aardsche, politieke macht aan zich dienstbaar te maken;erger is nog, dat zij de kerkelijke macht zelve van haar geestelijkkarakter berooft en in eene politieke heerschappij verandert. Teneerste wordt dit hierin openbaar, dat de Roomsche kerk zichzelve,d. i. aan den paus de hoogste wetgevende macht toeschrijft.Vroeger was deze macht nog beperkt door Schrift en traditie,door bisschoppen en concilies; de regeering was eene door aristocratiegetemperde monarchie. Maar sedert de afkondiging van hetinfallibiliteitsdogma is deze verhouding omgekeerd. De paus is informeelen zin absoluut monarch. Krachtens de beweerde assistentiedes H. Geestes bepaalt hij onfeilbaar, wat geloofd en gedaanmoet worden. Een hooger beroep is er niet; wat hij bindt ofontbindt, is gebonden of ontbonden in den hemel; wat hij zegt,heeft evenveel gezag, alsof het door Christus zelf gesproken ware.De dogmata en wetten, die hij afkondigt, binden het geweten,en verplichten tot geloof en gehoorzaamheid op verbeurte vande eeuwige zaligheid. Van de overheid is er beroep op God,maar de souvereiniteit van den paus is de allerhoogste, God zelfspreekt door zijn mond. Ten tweede kent de Roomsche kerk zichzelve,d. i. aan den paus, de hoogste rechtsprekende macht toe.De kerkelijke macht is tweeërlei, potestas ordinis en potestasjurisdictionis; de potestas docendi, ook al wordt ze afzonderlijkgenoemd, behoort eigenlijk tot de potestas jurisdictionis. Daarinligt opgesloten, dat de bediening van woord en sacrament bijRome geen verkondiging van het evangelie, maar een rechtshandelen eene uitspraak is. Alle gedoopten behooren niet in zedelijken,geestelijken zin maar rechtens, in juridischen zin, met een onveranderlijken onverliesbaar recht aan den paus toe; zij zijn zijneschapen, die hij desnoods met geweld in de schaapskooi terugmag brengen, al kan hij het misschien ook niet door de omstandighedenvan tijd. Nach dem Rechte der katholischen Kirchegehören eigentlich alle Getauften zur Kirche, also auch zurParochie, aber in Ermangelung von Zwangsmitteln fehlt gegenüberAndersgläubigen die Durchführbarkeit dieses Anspruchs, Vering,Lehrb. des kath. orient, u. prot. Kirchenrechts3 603.En al de Roomsche kerkleden komen onder de prediking en tot het sacramentder boete, om hun oordeel te hooren. De biechtstoel iseen rechtbank, de priester een rechter; na de beschuldigingengehoord te hebben, die de biechteling tegen zichzelf inbrengt,164spreekt hij het vonnis uit; hij bindt en ontbindt, niet deprecatiefen conditioneel, maar krachtens den ambtsgeest, die in hem woont,peremptoir en absoluut; zooals hij oordeelt, oordeelt God in denhemel. Ten derde maakt Rome, d. i. de paus aanspraak op dehoogste uitvoerende en dwingende macht. De onderscheiding vankerkelijke en burgerlijke straf heeft voor Rome geen waarde.Als de kerk het nuttig oordeelt en er toe in staat is, past zijevengoed de laatste als de eerste toe. Het is zoo, de doodstrafvoltrok zij niet, want ecclesia non sitit sanguinem. Maar overigensliet zij geen middel onbeproefd, om ongehoorzame kinderen tedwingen tot onderwerping. En Rome was vindingrijk. Geldstraf,boete, kerker, inquisitie, pijnbank, sluipmoord, ban, interdict,ontslag der onderdanen van gehoorzaamheid aan den vorst enz.hebben altemaal dienst gedaan. Dat was en is in beginsel nogde opvatting van de kerkelijke macht bij Rome.

De Hervormers hebben daartegenover de potestas ecclesiasticaweer in den zin der Schrift als eene geestelijke macht opgevat.Zoo kwam vanzelf de potestas docendi, de bediening van woorden sacrament op den voorgrond te staan. De Lutherschen lietenzelfs, althans in de practijk, heel de kerkelijke macht daarinopgaan; zij hadden alleen pastores, geen presbyters en diakenen.Maar de Gereformeerden herstelden ook deze ambten en namendaarom naast de potestas docendi nog de potestas jurisdictionisop. Het woord jurisdictio vond echter, hoewel Calvijn, Inst. IV 11het overnam, geen algemeene goedkeuring. Coccejus op 1 Cor. 5verwierp het; Maresius, Syst. Theol. 15, 75 f. 16, 70 a zeide,dat er, zuiver en juist gesproken, geen jurisdictio in de kerk wasen dat het woord op kerkelijk gebied slechts analogice mochtopgevat worden; allen erkenden, dat de jurisdictio in de kerkvan gansch anderen aard was dan in den staat en een geestelijkkarakter droeg, Voetius, Pol. IV 798, en velen meden het woorden spraken liever van potestas gubernans, ordinans, disciplinaris enz.Voorts onderscheidden sommigen tweeërlei, maar anderen drieërleimacht. De macht der kerk ging n.l. in de bediening van woorden sacrament en in de oefening van tucht niet op; zij had ookhet recht en de bevoegdheid, om in het belang van de ordewetten te maken en maatregelen te nemen van allerlei aard.Zoo kwam naast en dikwerf tusschen de potestas docendi (doctrinae,scientiae, dogmatica, ordinis) en de potestas disciplinae165(critica, jurisdictionis, correptionis) nog de potestas directionis(regiminis, ordinis, diatactica, legislativa,) te staan, Calvijn, Inst.IV 8, 1. Bucanus, Inst. 519. Maresius, Syst. Theol. 16, 70.Voetius, Pol. Eccl. I 118. Vitringa IX 1 p. 457. Opmerkelijkis, dat bij deze macht der kerk nooit het diakonaat ter sprakewerd gebracht. Toch heeft Christus ook daarin eene macht aanzijne kerk geschonken, die van de grootste beteekenis is. Drieërleimacht is er daarom, in verband met de ambten van pastor,presbyter en diaken en verder in verband met het drievoudigambt van Christus, het profetisch, koninklijk en priesterlijk ambt,in zijne kerk te onderscheiden: de potestas docendi, de potestasgubernans (waarvan de potestas disciplinae een onderdeel is), ende potestas misericordiae.

7. De potestas docendi heeft haar oorsprong en grond in hetprofetisch ambt, waartoe Christus gezalfd is en dat Hij zelf nogaltijd uitoefent door zijn Woord en Geest. Hij heeft het nietovergedragen aan eenig mensch, en geen paus of bisschop, geenherder of leeraar tot zijn zaakwaarnemer en plaatsvervanger aangesteld;maar Hij is nog altijd onze hoogste profeet, die van uitden hemel door Woord en Geest zijne gemeente leert. Tochbedient Hij zich daarbij in den regel van menschen als zijneorganen, niet alleen van de ambtsdragers in enger zin maar vanalle geloovigen en van een iegelijk hunner naar de genade, diehem is gegeven. De gemeente zelve is profetesse, en alle Christenenzijn der zalving van Christus deelachtig en geroepen totbelijdenis van des Heeren naam. Het ambt onderdrukt de gavenniet maar leidt ze alleen. Er zijn vele charismata, die tot depotestas docendi der kerk behooren, wijsheid, kennis, profetie enz.1 Cor. 12:8v. Christus onderwijst en leert door den vader inhet gezin, door den onderwijzer op de school, door den presbyterbij het huisbezoek, door al de geloovigen in hun onderling verkeeren in hun omgang met anderen. Maar Hij doet het inzonderheidop eene onderscheidene wijze, ambtelijk, met uitdrukkelijkverleenden last en volmacht, in de openbare samenkomsten vanhet volk Gods, door den dienaar des Woords. Onder de potestasdocendi is nu voornamelijk deze ambtelijke bediening des Woordste verstaan. Naar twee zijden moet deze dienst in zijne zelfstandigheidgehandhaafd worden. Vooreerst naar de zijde van de166Roomsche kerk, die het woord aan het sacrament, den homileetaan den liturg, de prediking aan den cultus, de potestas docendiaan de potestas jurisdictionis ondergeschikt maakt. Naar de Schrifttoch gaat het woord voorop, en het sacrament komt daaraan alsaanhangsel en zegel toe; er is geen sacrament zonder woord, weleen woord zonder sacrament. Het sacrament volgt het woord;wie het woord bedient, moet daarom nog niet altijd, 1 Cor. 1:14-17,maar kan en mag toch het sacrament bedienen, en isook dan een bedienaar des woords, van het zichtbare woord, dataan het hoorbare toegevoegd is. Ten tweede is deze ambtelijkebediening des woords zelfstandig tegenover alle onderwijzing deswoords, die door de geloovigen onder elkander of naar buitengeschiedt, en zelfs wezenlijk onderscheiden van de toepassing,welke de presbyter van het woord heeft te maken bij het bezoekvan de leden der gemeente. Zeker kan en mag ook de ambtelijkebediening des woords in de samenkomsten der gemeente als eenweiden der kudde worden opgevat. De Schrift gaat daarin ons voor.De Heere is de herder van zijn volk, Ps. 23:1, 80:2, Jes. 40:11,49:10, Jer. 31:10, Ezech. 34:15; Christus heet de herderder kudde, Ezech. 34:23, Joh. 10:11, 14, Hebr. 13:20,1 Petr. 2:25, 5:4, Op. 7:17. En onder Hem als den ἀρχιποιμην,1 Petr. 5:4, dragen ook zijne dienaren den naam van herders,ποιμενες, pastores, Jes. 44:28, Jer. 2:8, 3:15, 23:1v., Ezech.34:2v. enz., Joh. 10:2, Joh. 21:15-17, Hd. 20:28, 1 Cor.9:7, Ef. 4:11, 1 Petr. 5:2, cf. het Form. der Ger. kerkenvoor de bevestiging van dienaren des woords. Maar sedert debeide werkzaamheden van weiden en leeren, van regeeren enarbeiden in het woord en de leer gescheiden werden en ieder eeneigen orgaan verkregen, Ef. 4:11, 1 Tim. 5:17, is de naamvan leeraar de karakteristieke titel van den dienaar des woordsgeworden. Door zijne voorbereiding en opleiding, door zijn algeheeletoewijding aan den arbeid in het woord, door de machtom van het evangelie te leven, door zijne ambtelijke bedieningvan woord en sacrament in de vergadering der geloovigen is hijvan den opziener, den regeerouderling onderscheiden, die speciaalmet het ποιμαινειν is belast, Hd. 20:28, 1 Petr. 5:2. Tochmag dit leeren niet in intellectualistischen zin worden verstaan;veeleer is het met het bovengenoemde Formulier alzoo te duiden,dat de dienaren des Heeren woord grondig en oprechtelijk aan167hun volk zullen voordragen en het toeeigenen, zoo in het gemeenals in het bijzonder, tot nuttigheid der toehoorders, met onderwijzen,vermanen, vertroosten en bestraffen, naar eens iegelijksbehoefte, verkondigende de bekeering tot God en de verzoeningmet Hem door het geloof in Jezus Christus en wederleggendemet de H. Schrift alle dwalingen en ketterijen, die tegen dezezuivere leer strijden. Nader ligt er in deze potestas docendi opgeslotenhet recht en de plicht der kerk, om 1º te zorgen voorde opleiding van hare aanstaande dienaren of op die opleidingnauwkeurig toe te zien, hare dienaren te roepen, te onderzoeken,te zenden, te bevestigen, te onderhouden, door hun dienst hetwoord Gods te doen prediken beide aan geloovigen en ongeloovigen,en alzoo de kerke Gods te bevestigen, uit te breiden envoort te planten onder het menschelijk geslacht; 2º om het woordGods door middel van het ambt te bedienen in verschillendenvorm naar elks behoefte, bepaaldelijk in den vorm van melk aande jeugdige, en in dien van vaste spijze aan de volwassen ledender gemeente, maar voorts altijd zoo, dat de volle raad Gods,de gansche rijkdom van zijn woord ontvouwd en overeenkomstigde behoeften van elk volk en land, van elke eeuw en tijd, vaniedere gemeente en van alle geloovigen in het bijzonder ontwikkelden toegepast wordt, Jes. 3:10, 11, 2 Cor. 5:20, 1 Tim. 4:13,2 Tim. 2:15, 4:2; 3º om het woord Gods te bewaren, tevertalen, uit te leggen naar den regel des geloofs, te verdedigentegen alle bestrijding der leugen, 1 Tim. 1:3, 4, 2 Tim. 1:13,Tit. 1:9-11, 13, 14 en alzoo de gemeente op te bouwen ophet fundament van apostelen en profeten, Ef. 2:20 en haar tedoen zijn een στυλος και ἑδραιωμα της ἀληθειας, 1 Tim. 3:15,d. i. een zuil en grondslag, die de waarheid draagt, ze uitstaltvoor ieders oog en aan allen kenbaar maakt.

Rechtstreeks vloeit hieruit de bevoegdheid der kerken voort,om de waarheid, die zij gelooft, te belijden en als belijdenis inhaar midden te handhaven. Van den kant der Remonstranten inde praefatie voor hun Confessie en Apologie, der Baptisten,Congregationalisten, Kwakers, cf. Schaff, Creeds I 834. 852. 864.en van vele anderen is daartegen ingebracht, dat het opstellenvan bindende confessies in strijd is met de algenoegzaamheid derSchrift, de christelijke vrijheid vernietigt, eene ondragelijketirannie invoert, verder onderzoek en voortgaande ontwikkeling168afsnijdt. De Schrift legt echter aan de kerken duidelijk den plichtop, om een pilaar en vastigheid der waarheid te zijn en haarvoor alle menschen te belijden, om zulken, die van de leer derwaarheid afwijken, te mijden en het woord Gods tegenover allebestrijders te handhaven. De kerk is bijna van het begin, d. i.van den aanvang der tweede eeuw af eene belijdeniskerk geweest,die haar eenheid had in den allen gemeenschappelijken regel desgeloofs, d. i. in de doopsbelijdenis, in het oorspronkelijke, latereenigszins uitgebreide, apostolisch symbool, en voorts telkens inden loop der eeuwen door ketterij en laster tot breedere ontwikkelingder waarheid genoopt werd, cf. Zahn, Glaubensregelund Taufbekenntniss in der alten Kirche, in zijne Skizzen ausdem Leben der alten Kirche 1898 S. 238-270. Id. Das apost.Symbolum 1893. Kattenbusch, Das apost. Symbol I 1894.Kunze, Glaubensregel, H. Schrift und Taufbekenntniss, Leipzig1899. Een kerk kan ook in eene wereld vol leugen en bedrogniet zonder een regel des geloofs bestaan, wordt, gelijk de historievooral in deze eeuw leert, zonder eene vaste belijdenis aan allerleidwaling en verwarring ten prooi en onderworpen aan de tirannievan bovendrijvende richtingen en meeningen. Met zulk eene belijdenisdoet de kerk ook niet aan de volmaaktheid der H. Schriftte kort, maar spreekt zij niet anders uit, dan wat in die Schriftis vervat; de belijdenis staat niet naast, veel minder boven, maardiep onder de H. Schrift; deze is alleen αὐτοπιστος, onvoorwaardelijktot geloof en gehoorzaamheid bindend, onveranderlijk,maar de confessie is en blijft altijd examinabel en revisibel aande Schrift, zij is geen norma normans, maar hoogstens normanormata, geen norma veritatis, maar norma doctrinae in aliquaecclesia receptae, ondergeschikt, feilbaar, menschenwerk, onvolkomeneuitdrukking van wat de kerk uit de Schrift als Goddelijkewaarheid in haar bewustzijn opgenomen heeft en thans op gezagvan Gods woord tegenover alle dwaling en leugen belijdt. Ookdwingt de kerk met deze belijdenis niemand noch bindt zij hetonderzoek, want zij laat een ieder vrij, om anders te belijdenen de waarheid Gods in anderen zin op te vatten; zij luistertopmerkzaam naar de bedenkingen, die eventueel tegen haar belijdenisop grond van Gods woord worden ingebracht en onderzoektdie naar eisch van hare belijdenis zelve; alleen weigert zij enmoet zij weigeren, zich tot een debating society of philosophisch169genootschap te verlagen, waarin heden voor waarheid geldt watgisteren leugen was, want zij is niet aan eene bare der zee, maaraan een rots gelijk, pilaar en vastigheid der waarheid. Cf. deel I25 en voorts nog (Dunlop) A collection of confessions of faiths,cathechisms, directories, books of discipline etc. of publick authorityin the church of Scotland, I Edinb. 1719 preface p. V-CXLIV.

8. Christus is niet alleen profeet, Hij is ook koning, die nogvoortdurend van uit den hemel persoonlijk zijne gemeente regeert.Maar Hij bedient zich daarbij toch van menschen en gaf dusin zoover aan zijne gemeente een potestas gubernationis. In ruimerzin is daaronder al de leiding en zorg te verstaan, welke degeloovigen saam ten opzichte van elkander uitoefenen. In degemeente geldt het woord van Ezau niet: ben ik mijns broedershoeder? Allen zijn elkanders leden, lijden en verblijden zich metelkaar, hebben de bekwaamheid en de roeping, om ook onderlingelkander te leeren, te vermanen, te vertroosten, te stichten,Rom. 15:14, Col. 3:16, 1 Thess. 5:11. Er zijn gaven derleiding, der regeering, die Christus door den H. Geest aan degemeente uitdeelt en die Hij door de ambten niet te niet doetmaar in ’t goede spoor houdt, Rom. 12:8, 1 Cor. 12:28. Enonder die gaven staat de liefde bovenaan, die den een den anderin waardeering en hoogachting doet voorgaan, Rom. 12:10,Phil. 2:3, 1 Petr. 5:5. Maar toch heeft Christus als koningzijner kerk in het presbyteraat ook een bepaald ambt ingesteld,waardoor Hij zijne gemeente regeert. Dit regeeren draagt echtereen geestelijk karakter, wijl Christus koning is in het rijk dergenade, en wordt in de Schrift een ποιμαινειν genoemd, Joh.21:15-17, Hd. 20:28, 1 Petr. 5:2; al wat denken doet aanaardsche macht en politieke heerschappij is ervan uitgesloten,2 Cor. 1:24, 1 Petr. 5:2, 3. In ruimeren zin omvat ditποιμαινειν ook het werk van den leeraar, maar er is toch eengroot onderscheid tusschen de openbare verkondiging en de persoonlijke,individueele toepassing des woords, tusschen het hoedender kudde in het algemeen en het verzorgen van elk der schapenin het bijzonder. De geloovigen zijn wel geroepen, om allen opelkander acht te nemen tot opscherping der liefde en der goedewerken, Hebr. 10:24, maar opdat geen enkel schaap der kuddeonverzorgd blijve, heeft Christus toch aan een bepaald ambt het170weiden der schapen opgedragen. Dat Hij hiermede in eenewezenlijke behoefte zijner gemeente heeft voorzien, blijkt daaruit,dat, toen het presbyteraat allengs verdween, in de biecht eenmenschelijk surrogaat voor dezen ambtelijken dienst is ingesteld.Ongetwijfeld bevat daarom de biecht iets goeds, Jak. 5:16,Calvijn, Inst. III 1, 13, maar zij kan niet opwegen tegen dengoed geregelden dienst van het presbyteraat. Immers voert zijeen ongeoorloofden gewetensdwang in, maakt de geloovigen vande absolutie van den priester afhankelijk, legt in de belijdenisvan alle speciale, bepaaldelijk van de doodzonden, een onmogelijkna te komen plicht op, maakt genade en zaligheid ieder oogenblikonzeker en onvast, dwingt tot eene casuistische en quantitatievebehandeling van zonde en straf, en geeft aanleiding tot allerleionzedelijke praktijken. De Schrift spreekt dan ook nergens vanzulk een gedwongen biecht. Maar wat zij in voorbeeld en voorschriftons zegt, is dit, dat Nathan tot David en Elia tot Achaben Jesaja tot Hiskia gaat, om hen persoonlijk over hunne zondente onderhouden; dat Christus het land doorgaat predikende enzegenende, dat Hij al zijne schapen bij name kent en er geenverloren laat gaan, Joh. 10:3, 28, dat Hij aan Petrus en aanal de apostelen niet alleen het weiden der kudde maar ook hetweiden der schapen opdraagt, Joh. 21:15-17, dat Hij aan zijnediscipelen beveelt, om in steden, vlekken en huizen het evangeliete prediken, Mt. 10:11, 12, dat Paulus de broeders in iederestad bezoekt, Hd. 15:36, de gemeenten versterkt, Hd. 15:41in het openbaar en bij de huizen, δημοσιᾳ και κατ’ οἰκους, debekeering tot God en het geloof in Christus predikt, Hd. 20:20,21, cf. Calvijn, Inst. IV 1, 22. Trouwens ligt de behoefteaan zulk eene voortdurende geestelijke verzorging in den toestandder kerk van Christus in deze bedeeling vanzelf opgesloten. Ookal is de gemeente eens geplant, zij is niet terstond volmaakt;integendeel heeft zij strijd van binnen en buiten, staat ten prooiaan allerlei aanvallen van zonde en leugen, en loopt zij iederoogenblik gevaar, om af te dwalen ter rechter of ter linker zijde.De gemeente is een akker, die voortdurend gewied, een boom,die op zijn tijd gesnoeid, een kudde, die altijd door geleid engeweid, een huis, waaraan steeds gebouwd, een bruid, die toebereidmoet worden om als eene reine maagd aan haren mante worden voorgesteld. Er zijn kranken, stervenden, beproefden,171bedroefden, bestredenen, aangevochtenen, twijfelenden, gevallenen,gevangenen enz., die leering en onderwijzing, vermaning en vertroostingvan noode hebben. En afgedacht zelfs hiervan, de gemeentebehoort op te wassen in de kennis en genade van denHeere Jezus Christus; de kinderen moeten jongelingen, de jongelingenmannen, de mannen vaders worden in Christus, en hebbendaartoe leiding en verzorging van noode. Ook de leeraars zijnzwakke en zondige menschen en behooren onder opzicht te staan;indien de raad van ouderlingen en de vergadering van genabuurdekerken dit niet doet, wordt de gemeente een speelbal van denpastor of anders een superintendentuur of episcopaat noodzakelijk.In één woord, de leeraars zaaien het woord, de ouderlingenzoeken de vrucht. Cf. voorts over het presbyteraat: Calvijn,Inst. IV 1, 22. 12, 2. Martyr, Loci p. 392b. Zanchius, Op. IV730. Bullinger, Huysboeck, Dec. 5 serm. 3. Junius, Op. I 1563.Bucanus, Inst. theol. 493. Mastricht, Theol. VII 2, 22. Voetius,Pol. Eccl. III 436-479. VI 92-109. M. Vitringa IX 229.Renesse, Van het regeerouderlingschap 1659. Koelman, Ambt enpligt der ouderlingen 1765. Nieuwe werken van Th. Harnack,Prakt. Theol. II 291-350. Id. in Zöcklers Handb. der theol.Wiss. III 503-537. Achelis, Prakt. Theol. II 177-323. H. A.Koestlin, Die Lehre von der Seelsorge, Berlin 1895. Kuyper, Enc.III 524. Biesterveld, Het huisbezoek, Kampen 1900 enz.

9. Tot de werkzaamheid der opzieners behoort in het bijzonderook de kerkelijke tucht, potestas disciplinae. Het Hebr. heeftvoor tucht het woord מוּסָר, dat eigenlijk adstrictio, constrictiobeteekent en in het grieksch door νουθετημα, διδασκαλια,νομος, σοφια vertaald en in het N. T. vooral door het woordπαιδεια weergegeven wordt. Beide woorden geven evenals hetholl. woord tucht, van tien, trekken, in het algemeen te kennen,dat iets dat jong, teer, klein, zwak is met zorg opgekweekt wordt.Wijl echter in het algemeen en vooral bij menschen deze opkweekingaltijd tegelijk abnormale ontwikkeling tegen moet gaan,krijgt het woord tucht de bijbeteekenis van terechtwijzing, kastijding,tuchtiging. Bijna nooit duiden de woorden alleen onderwijs,onderricht aan, cf. echter Hd. 7:22, 22:3, maar altijd zulkeene opvoeding en onderwijs, welke terechtwijzend en kastijdendoptreden. Zoo voedt God zijne kinderen op, Hebr. 12:5-11,172en Christus zijne gemeente, Op. 3:19, door middel van deSchrift, die nuttig is προς διδασκαλιαν, προς ἐλεγμον, προςἐπανορθωσιν, προς παιδειαν την ἐν δικαιοσυνῃ, 2 Tim. 3:16.En zulk een tucht heeft Christus ook in zijne gemeente ingesteld.In het O. T. bestond er nog geen eigenlijke kerkelijke tucht, alwerd Adam ook gebannen uit het paradijs en al werden in Israelonbesnedenen, melaatschen en onreinen uit het heiligdom geweerd,Lev. 5v., Ezech. 44:9, want voor onopzettelijke zonden bestonder altijd verzoening, op zonden met opgeheven hand stond deuitroeiing, en de cherem was tegelijk eene burgerlijke straf.Eerst toen Israel eene gemeente werd, kwam de uitsluitend kerkelijkestraf op, de afzondering uit de gemeente der geloovigen,Ezr. 10:8, en deze ban wordt nog door de Joden in sommigegevallen toegepast, Gunning, De Chasidim bl. 55. Misschien inaansluiting aan deze synagogale tucht, heeft Christus de tuchtin zijne gemeente verordend. In Mt. 16:19 geeft Hij de sleutelenvan het hemelrijk aan Petrus, in Mt. 18:18 aan de gemeente,in Joh. 20:23 aan de apostelen, zoodat zij de macht hebbenom op grond van de belijdenis van Christus en onder de voorlichtingdes Geestes te binden en te ontbinden, iemand de zondente houden of te vergeven. Alleen omdat Christus deze machtaan zijne gemeente geeft, is deze tot het oefenen van tucht bevoegd.In Mt. 18:15-17 wijst Hij dan aan, hoe deze tuchtgeoefend moet worden. God wil niet, dat een der kleinen, die inJezus gelooven, verloren ga. Mt. 18:1-14. Als dus iemanddoor zijn broeder beleedigd of onrechtvaardig behandeld is, danmoet hij eerst door persoonlijke bestraffing, dan door bestraffingonder twee of drie getuigen, en daarna door bestraffing vanwegeheel de gemeente beproeven hem te winnen; en eerst, als datalles niet baat, dan mag hij, de beleedigde (σοι, vs. 17, in sing.)hem beschouwen als een heiden en tollenaar, dan heeft hij allesaan hem beproefd, en is hij vrij van zijn bloed. Zulk een oordeelheeft dan kracht in den hemel. Dit is de gewone weg, waarlangsde tucht in de gemeente naar Jezus’ bevel loopen moet. Maardaarvan is wel te onderscheiden de tucht, die God zelf, dieChristus, en die ook de apostelen soms oefenen in zijn naam enkracht. God kan zonden in de gemeente, bijv. het onwaardiggebruik van het avondmaal bezoeken met krankheid en dood,1 Cor. 11:30. Ananias en Saffira vielen om hun liegen tegen173den Geest Gods dood voor Petrus’ voeten neer, Hd. 5. Paulusstrafte Elymas, Hd. 13:11 met blindheid. In 1 Cor. 5 beveeltPaulus aan de gemeente, om, terwijl zij met zijn geest, die reedsover den bloedschender in haar midden het oordeel heeft uitgesproken,vs. 3, saamvergaderd en alzoo verbonden is met demacht van den Heere Jezus Christus, in Christus’ naam denzoodanige aan den Satan over te geven, opdat hij door dezen inzijn lichaam geslagen en alzoo toch weder naar den geest in dendag van Christus behouden worde. Paulus berispt daarbij deCorinthiërs vs. 2, dat zij hem al niet eerder uit hun middenhadden weggedaan en onderstelt dus, dat zij daartoe het rechten de verplichting hadden. En juist wijl zij dat niet gedaan,maar den zondaar gedragen en alzoo aan zijne zonde deel gekregenhadden, daarom acht hij thans een radicalen maatregelnoodig. Hij zelf heeft als apostel reeds voor zichzelf het oordeelgeveld, en eischt nu, dat de gemeente, in volle vergadering,terstond, zonder verder vermaan, naar de thans door den apostelhaar verleende volmacht, ja naar de macht van Christus zelven,in zijn naam den booze oordeele; en niet maar eenvoudig buitende gemeente plaatse, gelijk in vs. 2 van haar verlangd werd,doch bepaaldelijk ter lichamelijke bestrijding aan den Satanovergeve. Er is hier dus sprake, niet van gewone excommunicatie,zooals bijv. in Mt. 18:17, maar van eene bijzondere, apostolischemachtsdaad. Dit blijkt ook uit 1 Tim. 1:20, 2 Tim. 2:17,waar Paulus als apostel, geheel alleen, zonder de gemeente, opdezelfde wijze Hymeneus en Alexander aan den Satan overgeeft,opdat zij getuchtigd zouden worden niet meer te lasteren. Er isdaarom groot verschil tusschen deze buitengewone straffen en degewone tuchtoefening, die aan de gemeente is opgedragen. Vandeze laatste handelde Paulus in 1 Cor. 5:2 en nog nader invs. 9-13. Daar zegt hij n.l., dat hij in een vroegeren brief,die dus aan dezen „eersten” brief is voorafgegaan, hen vermaandheeft, om zich niet te vermengen, d. i. geen omgang te hebbenmet hoereerders. Maar de Corinthiërs hadden dat verkeerd opgevaten daaruit afgeleid, dat zij hoegenaamd geen verkeer, ookniet in het burgerlijke, mochten hebben met hoereerders, geldzuchtigen,roovers, afgodendienaars buiten de gemeente. Maardat was de bedoeling van den apostel niet; dat ware een onmogelijkeeisch geweest, daarmede gelijk staande, dat zij uit de wereld174moesten gaan. Alleen had hij verlangd, dat zij geen omgangzouden hebben met een hoereerder enz., indien zoo iemand eenbroeder genoemd werd en lid der gemeente was. Ja, in dat gevalwenscht hij, dat zij met zulk een gevallen broeder ook geenmaaltijd zullen houden, niet bij hem gaan eten noch hem te etenvragen, niet vriendschappelijk en broederlijk met hem zullenverkeeren, maar dat zij, terwijl zij hen, die buiten zijn, aan Godsoordeel overlaten, zulk een booze, die in hun kring verkeert, uithun midden zullen verwijderen, cf. 2 Cor. 2:5-10. Evenzoospreekt Paulus elders van het recht en den plicht der gemeente,om acht te geven op en af te wijken, ἐκκλινειν, van hen, dietweedracht en ergernis aanrichten, Rom. 16:17; om in Jezus’naam zich te onttrekken, af te scheiden, στελλεσθαι ἀπο, vaniederen broeder, die ongeregeld wandelt, 2 Thess. 3:6, 14; omna eerste en tweede, d. i. na herhaalde vermaning zich te onttrekkenaan, niet in te laten met (παραιτεισθαι, zich door bedenvan iets of iemand afmaken, loslaten, ontslaan) een ketterschenmensch, die (als lid der gemeente, of ook misschien van buitenaf) in de gemeente de eenheid des geloofs verbreekt, Tit. 3:10.Hetzelfde zegt Johannes; als iemand tot u komt en deze leerniet brengt, dan moogt gij hem niet ontvangen in uw huis alseen broeder, niet vriendschappelijk en broederlijk met hem omgaan,en hem niet als een broeder begroeten en verwelkomen.2 Joh. 10. En eindelijk wordt in Op. 2:2 de gemeente van Efezegeprezen, omdat zij de boozen niet verdraagt; in Op. 2:14, 20,24 die van Pergamus en Thyatire berispt, wijl zij ketterscheleeringen en heidensche gruwelen dulden. Cf. Meyer, Die Lehredes N. T. von der Kirchenzucht, Zeits. f. kirchl. Wiss. u. kirchl.Leben 1881.

Deze leer der H. Schrift is het zuiverst in de tuchtoefeningder Gereformeerde kerken toegepast. Volgens haar toch zijn1º geen onpersoonlijke dingen, geschriften, gebouwen, landen,maar altijd personen het object; en geen menschen in hetalgemeen, want die buiten zijn, oordeelt God, 1 Cor. 5:10, geengestorvenen, geen klasse of groep van menschen, maar altijdbepaalde, individueele personen, die of alleen door doop, of ookdoor belijdenis leden der gemeente zijn. 2º Oorzaak der tuchtzijn niet allerlei zwakheden die in geloovigen vallen, ook nietzulke schrikkelijke zonden, welke de christelijke overheid straft,175hoewel de kerk dan volgt en haar tucht niet overbodig is, Calv.Inst. IV 11, 3. Bucanus 539, maar zulke zonden, die in hetmidden der gemeente ergernis wekken en door de overheid nietof zeer zacht worden gestraft, Mastricht, Theol. VII 6, 8. 3º Bijdeze zonden, op welke de kerkelijke tucht van toepassing is, moettusschen verborgene en openbare zonden onderscheiden worden.De eerste worden behandeld naar den regel van Mt. 18, enkrijgen eerst het karakter van openbare zonden, als particulierevermaningen niet baten en dus de gansche gemeente, of harevertegenwoordiging in den kerkeraad erin gemoeid wordt. 4º Bijdeze door hardnekkigheid openbaar geworden en bij de van huisuit door haar karakter (bijv. moord, overspel) openbare zondenis de procedure aldus: zoodra de overtreder oprechte boetvaardigheidtoont, houdt alle kerkelijke tucht in engeren zin op.Het avondmaal mag dan nog onthouden worden, opdat de ergernisuit de gemeente worde weggenomen en de oprechtheid der schuldbelijdenisaan het licht trede; maar van tucht is geen sprakemeer. Wie zijn zonde belijdt, vindt bij God en dus ook bij zijnegemeente barmhartigheid. De tucht, die tot afsnijding leidt, vangtaltijd eerst aan na gebleken onboetvaardigheid en hardnekkigheid.Opdat de gemeente hiervan ten volle overtuigd zij en niet lichtvaardigtot het wegdoen van den booze uit haar midden overga,begint de kerkeraad met vermaningen. Als de overtreder zichhiertegen verhardt, volgt eerst met onthouding van het avondmaalde bekendmaking van de zonde zonder den naam van den zondaarin het midden der gemeente; daarna de bekendmaking van dezonde met den naam van den zondaar, doch niet dan na eenwelgegrond advies van de classis; vervolgens de bekendmakingdat hij, indien hij blijft volharden, zal afgesneden worden; eneindelijk de afsnijding zelve met het formulier van den ban. Detijd, die tusschen al deze vermaningen en tuchtmaatregelen verloopenmoet, is niet vast te stellen, wijl hij met den aard vande zonde, het gedrag van den overtreder, de ergernis in en buitende gemeente in verband staat. 5º De straffen, die de kerk hierbijtoepast, zijn zuiver geestelijk. Zij bestaan niet en mogen nietbestaan in geldboete, lichamelijke kastijding, brandmerk, pijniging,gevangenis, eerloosheid, verbanning, doodstraf enz., gelijk Romebeweert, noch ook in ontbinding van familie-, burgerlijke, staatkundigebetrekkingen, gelijk de Anabaptisten leerden; evenmin176in uitsluiting uit de openbare godsdienstoefeningen, gelijk dechristelijke kerk in den eersten tijd dit toepaste. Want de wapenender gemeente zijn niet vleeschelijk maar geestelijk endaarom krachtig voor God, 2 Cor. 10:4. Maar de tucht dergemeente is eene ernstige beproeving, of iemand, die zich misdroegen tegen alle vermaning zich verhardt, nog als een broederkan en mag beschouwd worden. De excommunicatie is daaromten slotte niets anders maar ook niets minder dan een opzeggenvan den broederlijken omgang en de broederlijke gemeenschap;een zich onttrekken der gemeente; een eindelijk, met smart loslatenvan dengene, die zich als een broeder voordeed maar geenbroeder bleek te zijn. Zij is geen overgave aan den Satan, watin het N. T. alleen als eene apostolische daad voorkomt, geenverdoemenis of vervloeking, geen ἀναθεμα, dat in het N. Test.nooit, ook niet in Rom. 9:3, van de kerkelijke tucht gebezigdwordt, cf. Cremer s. v., maar alleen en toch ook niet minderdan eene plechtige verklaring der gemeente in Jezus’ naam, datde zondaar openbaar is geworden als niet zijnde een oprechtbroeder in Christus, en dus een hem stellen buiten de gemeenteen hare gemeenschap, opdat God alleen over hem oordeele.6o De excommunicatie is een uiterste remedie, opdat de verwijderdeuit den broederlijken omgang tot inkeer kome. Zelfs deapostolische overgave aan den Satan had nog deze beteekenis,1 Cor. 5:5, 1 Tim. 1:20. Al mag de gemeente den uitgeworpeneook als een heiden en tollenaar beschouwen, omdat zij alle moeiteaan hem, zonder vrucht, heeft ten koste gelegd; al moest zij hemuitwerpen, om zelve geen gemeenschap aan zijne zonden te hebben,1 Cor. 5:6, 7, 11:30; toch blijft de hope bestaan, dat hij nogeen broeder zij, die door vermaning van zijne dwaling zal terechtgebracht worden, 2 Thess. 3:14. 7o Daarom blijft wederopnemingin de gemeente altijd weer mogelijk, Mt. 16:18, 18:18,Joh. 20:23, 2 Cor. 2:5-10; maar daarbij is dan voorafgaandeopenbare belijdenis noodig, die in alle andere gevallen slechtsmet alle voorzichtigheid en naar het oordeel van den ganschenkerkeraad geeischt mag worden. Cf. Calvijn, Inst. IV 12. Ursinus,Explic. Cat. qu. 83-85. Zanchius, Op. IV 736. Polanus, Syst.Theol. p. 544. Martyr, Loci 411. Junius, Theses Theol. 47.Bucanus, Instit. theol. 531. Heidegger II p. 600. Synopsis pur.theol. disp. 48. Voetius, Pol. IV 770-982. Mastricht, Theol.177VII c. 6. Moor VI 400-422. M. Vitringa IX 1 p. 498-573 enz.Uit den nieuweren tijd: Scheele, Die Kirchenzucht 1852. Fabri,Kirchenzucht im Sinne und Geiste des Evang. 1854. Art.Bann, Kirchenzucht, Schlüsselgewalt, Gerichtsbarkeit in Herzog. Müller,Dogm. Abh. 496 f. Vilmar, Von der christl. Kirchenzucht 1872.Id. Kirchenzucht u. Lehrzucht 1877.

10. In de derde plaats is Christus ook priester en oefent ditambt nog altijd van uit den hemel in zijne gemeente door voorbedeen zegening uit. Gelijk Hij als profeet de zijnen leert enals koning hen regeert, zoo bewijst Hij hun als priester denrijkdom zijner barmhartigheid. Toen Hij op aarde was, omgingHij de steden en vlekken, niet alleen leerende in de synagogenen predikende het evangelie des koninkrijks, maar ook genezendealle ziekte en alle kwale onder het volk, Mt. 9:35. En dit wasgeen bijkomstige en toevallige werkzaamheid maar een hoofdbestanddeelvan het werk, dat de Vader Hem opgedragen hadom te doen, Mt. 8:17, Joh. 5:36, 9:3, 4 enz. De volheidvan zijn macht en de rijkdom zijner barmhartigheid werd erinopenbaar; de werken van zonde en Satan werden er door verbroken;de gevolgen der zonde in de physische wereld werdener aanvankelijk door weggenomen; zij liepen uit en ontvingenhun zegel en voleinding in de opstanding, die de overwinningvan den dood en het beginsel der vernieuwing aller dingen was.Als Hij dan ook zijne discipelen uitzendt, geeft Hij hun nietalleen den last, om het evangelie te prediken, maar even stelligen nadrukkelijk, om de onreine geesten uit te werpen en om alleziekte en alle kwale te genezen, Mt. 10:1, 8, Mk. 3:15,Luk. 9:1, 2, 10:9, 17. De discipelen volbrachten dien last,niet alleen tijdens Jezus’ verblijf op aarde maar ook na zijnehemelvaart, Hd. 5:16, 8:7 enz. Zelfs werden er naar Jezus’eigen belofte, Mk. 16:17, 18 in den eersten tijd aan de geloovigenvele buitengewone gaven van gezondmaking en werkingenvan krachten geschonken, Hd. 2:44, 45, 4:35, Rom. 12:7, 8,1 Cor. 12:28. Gelijk het echter ging met de gaven derleer en de gaven der regeering, zoo ging het ook met die derbarmhartigheid. De buitengewone toestand der kerk werd allengsnormaal. En al werden de gaven niet onderdrukt of vernietigd,zij werden toch langzamerhand meer en meer verbonden178met het ambt. De leer werd aan den didaskalos, de regeeringaan den presbyter en evenzoo de dienst der barmhartigheid aanden diaken opgedragen, Hand. 6. En de gaven zelve schoongaven des H. Geestes blijvende, kregen een meer eenvoudig engewoon karakter. Rome beweert wel, dat de wonderkracht bijhaar voortduurt, deel I 270, maar schooner dan die wonderen,waarop zij zich beroemt, zijn de werken der barmhartigheid, dievan haar geloof en liefde een krachtig getuigenis afleggen. Wanttoen het diakonaat in de christelijke kerk langzamerhand geheelvan karakter veranderde, heeft de schat van liefde en barmhartigheid,dien Christus in zijne gemeente uitstort, in privateweldadigheid zich rijk geopenbaard. Al laat de regeling van dendienst der barmhartigheid in Rome veel te wenschen over, tochneemt zij in werken der liefde onder de christelijke kerken deeerste plaats in. Want wel heeft de Gereformeerde kerk hetambt van diaken hersteld, maar zij heeft zijn plaats en dienstniet behoorlijk geregeld en zijne werkzaamheid niet tot ontwikkelinggebracht. Deze ontwikkeling, waartoe de nood der tijdentegenwoordig dringt, kan in hoofdzaak niet anders dan in dezerichting geschieden: 1o dat het ambt van diaken meer dan totdusver geëerd worde als een zelfstandig orgaan van de priesterlijkebarmhartigheid van Christus, 2o dat de liefde en de barmhartigheidals de christelijke deugden bij uitnemendheid worden erkend enbeoefend, 3o dat aan diakenen opgedragen wordt, om alle leden dergemeente, inzonderheid de vermogende, in den naam van Christuste bewegen tot barmhartigheid, en voor de zonde der gierigheid, dieeen wortel is van alle kwaad, te waarschuwen en te behoeden, 4o dathet diakonaat de private weldadigheid niet doode, maar opwekke,regele en leide, 5o dat de dragers van dit ambt, zoo noodig,in groote gemeenten zich bedienen van de hulp van diakonessen,op dezelfde wijze als de beide andere ambten gebruik makenvan catechiseermeesters en ziekentroosters, 6o dat zij hunne gavenuitdeelen, in Christus’ naam, als van de tafelen des Heerengenomen, waarop zij door de gemeente neergelegd en aan Christuszelven geschonken zijn, Mt. 25:40, 7o dat zij hunne hulp uitstrekkentot alle armen, kranken, vreemdelingen, gevangenen,idioten, krankzinnigen, weduwen, weezen, in één woord tot alleellendigen en nooddruftigen, die er zijn in het midden der gemeente,en hen in hun lijden tegemoet komen met woord en179met daad, 8o dat de dienst der barmhartigheid veel breeder plaatsverkrijge op de agenda van alle kerkelijke vergaderingen dan totdusver het geval is, 9o dat de diakenen met leeraren en ouderlingentot de meerdere vergaderingen der kerken worden afgevaardigden in alle zaken, rakende den dienst der barmhartigheid,keurstem verkrijgen, 10o dat op deze vergaderingen de dienst derbarmhartigheid naar algemeene beginselen geregeld worde, behoudenshet verschil van gemeentelijke toestanden; voor generalebehoeften gemeenschappelijk worde ter hand genomen, en van deplaatselijke gemeente tot ondersteuning van andere kerken, envoorts ook tot hulpbetoon aan arme, verdrukte geloofsgenootenin den vreemde worde uitgebreid, en 11o dat deze diakonalearbeid in zijne zelfstandigheid gehandhaafd blijve en niet ondergain of vermengd worde met het werk der inneren Mission, of ookmet de staatsarmenzorg, die een geheel ander karakter dragen.Cf. Calvijn, Inst. IV 3, 9. Musculus, Loci Comm. 425. Bullinger,Huysboeck V 3. Zanchius, Op. IV 765. Junius, Op. I 1566. Bucanus,Inst. 494. Voetius, III 496-513. M. Vitringa IX 272-296.G. Uhlhorn, Die christl. Liebesthätigkeit, Stuttgart 1882-’90.Bonwetsch, das Amt der Diakonie in der alten Kirche, 1890.Seesemann, Das Amt der Diakonissen in der alten Kirche, 1891.Schäfer, Diakonik in Zöcklers Handb. der theol.Wiss. III 538-572. Achelis, Prakt. Theol. II 324-451. Wurster, Die Lehrev. d. inneren Mission, Berlin 1895. Kuyper, Enc. III 535-545.

11. Deze macht, door Christus aan zijne gemeente geschonken,komt in de plaatselijke kerk saam in den kerkeraad. Elkeplaatselijke kerk is volgens het N. Test. zelfstandig, eene ecclesiacompleta, en draagt daarom evengoed als de kerk in haar geheelden naam van tempel Gods, 1 Cor. 3:16, 17, 2 Cor. 6:16,bruid, 2 Cor. 11:2, of lichaam van Christus, 1 Cor. 12:27.De geloovigen staan niet op zichzelf maar vormen eene eenheid,en zoo ook blijven de ambtsdragers in eene plaatselijke kerk nietlos naast elkander staan maar sluiten zich tot een raad der kerkaaneen. Sporen daarvan zijn er reeds in het N. Test. In Jeruzalemkwamen de geloovigen, nadat zij door den doop der gemeentewaren ingelijfd, van tijd tot tijd saam, volhardende in de leerder apostelen, in de gemeenschap, in de breking des broods, inde gebeden, Hd. 1:14, 2:41v., 5:12 enz.; en stonden zij onder180leiding van het college der apostelen, die spoedig daarin doorde presbyters werden bijgestaan, Hd. 6:2, 15:2, 6, 22. Allerleiomstandigheden, de gaven des H. Geestes, inzonderheid die vandidaskalie, profetie en glossolalie, de samenkomsten der geloovigen,de bediening van woord en sacrament, de inzameling dercollecten, de verzorging der armen enz., maakten leiding enregeling en daarbij ook raad en overleg vanzelf noodzakelijk.Eerst voorzagen de apostelen zooveel mogelijk in al die behoeften,namen maatregelen en maakten bepalingen, Hd. 15:28v., 1 Cor.11:4-6, 34, 14:27v., 16:1, 1 Tim. 3 enz. Want alles moestin de gemeente van Christus betamelijk en met orde, in vredeen tot stichting geschieden, 1 Cor. 14:26, 33, 40. Maar toenhet ambt van ouderlingen was ingesteld, werden dezen met deleiding en regeering der gemeente belast; en dezen vormdenonderling al spoedig een college, πρεσβυτηριον, 1 Tim. 4:14.Onder de leiding van zulk een college genoot de gemeente echterin de eerste tijden eene groote mate van zelfstandigheid, zij werdbij gewichtige zaken geregeld geraadpleegd. In Hd. 1 komen dediscipelen saam tot het kiezen van een apostel; in Hd. 6 kiestde gemeente de diakenen; in Hd. 15 woont zij de vergaderingvan apostelen en ouderlingen bij; in 1 Cor. 5 oefent zij detucht uit. De eerste synoden waren samenkomsten der plaatselijkekerk. Maar ook de plaatselijke kerken alle te zamen vormeneene eenheid. Zij dragen ook alle saam den enkelvoudigen naamvan ἐκκλησια; zij staan allen onder de apostelen, wien de leidingen regeering der gansche kerk is opgedragen; zij zijn met elkanderéén in Christus, één dus in leer, in geloof, in doop, in liefde,zij groeten elkander, Rom. 16:16, 1 Cor. 16:20, 2 Cor. 13:12,dienen elkander met gaven der liefde, Rom. 15:26, 1 Cor. 16:1,2 Cor. 8:1, 4, 9:1, Gal. 2:10, en laten elkander de brievenlezen, die zij ontvangen van de apostelen, Col. 4:16. Het lagdus in den aard der zaak, dat deze gemeenten, die geestelijk éénwaren, eventueel met elkander zouden beraadslagen over zakenvan algemeen belang. Het eerste voorbeeld komt daarvan voorin Hd. 15, naar aanleiding van de vraag, of de Heidenen zaligkonden worden zonder besnijdenis. De gemeente van Antiochiëzond Paulus en Barnabas en eenige anderen naar Jeruzalem, omover dit belangrijk vraagstuk met de apostelen en ouderlingenaldaar van gedachten te wisselen en tot eenstemmigheid te komen.181De apostelen en ouderlingen hielden daarom met deze afgevaardigdenvan Antiochië eene vergadering, 15:6, die misschien ookdoor de gemeente bijgewoond werd, 15:12, 22 (in vers 25 moetechter και οἱ vóór ἀδελφοιwaarschijnlijk wegvallen). Na veel ζητησις, onderzoek,redetwist, werd niet maar een advies gegeven,doch in den H. Geest eene beslissing genomen, die de broederenin Antiochië, Syrië en Cilicië bond, per brief hun meegedeelden door Judas en Silas nog mondeling, in eene vergadering dergemeente, toegelicht werd, Hd. 15:22-31. Al deze vergaderingen,waarvan het N. T. bericht, waren vergaderingen derplaatselijke gemeente, slechts in Hd. 15 door afgevaardigdenvan elders bijgewoond. Deze gewoonte werd later, ook reeds inde tweede eeuw nagevolgd. Bij gewichtige aangelegenheden, zooalsbenoeming en afzetting van een bisschop, excommunicatie, absolutievan doodzonden enz., gaf niet alleen het presbyterium zijnleiding maar ook de gemeente hare toestemming. Cyprianus zegtnog, dat hij van het begin van zijn episcopaat af niets deedzonder den raad van zijn presbyterium en de toestemming dergemeente, Ep. 14, 4. Op de synoden der tweede en derde eeuwzijn daarom niet alleen bisschoppen maar ook presbyters, diakenenen gewone gemeenteleden tegenwoordig. Zelfs het concilie vanNicea werd, behalve door bisschoppen, ook door presbyters,diakenen en leden bijgewoond, die aan de debatten deelnamen.En de afgevaardigden, die op gemeentevergaderingen uit naburigegemeenten werden uitgenoodigd, waren in den eersten tijd volstrektniet alleen bisschoppen maar ook wel presbyters, diakenenof andere leden der gemeente. Maar de ontwikkeling der hierarchischeidee bracht mede, dat de toestemming der gemeentesteeds minder gevraagd werd, dat presbyters en diakenen vande gemeente werden losgemaakt en in raadgevers en helpers vanden bisschop veranderd, en dat de synoden langzamerhand alleendoor bisschoppen gehouden werden. Voorts waren in de tweedeen derde eeuw alle gemeentevergaderingen, bijgewoond doorafgevaardigden van naburige gemeenten, gelijk in rang; er wasnog geen hierarchie van kerkelijke vergaderingen, er waren noggeen provinciale, metropolitane, oecumenische conciliën; allevergaderingen der kerken hadden plaats in den naam van Christus,maakten besluiten in den H. Geest, en golden voor de ganscheChristenheid (concilium universale, catholicum). Maar ook daarin182kwam verandering. Reeds in de derde eeuw zijn er hier en daarbepaald provinciale synoden, d. i. vergaderingen van bisschoppenin eene bepaalde provincie gehouden. In de vierde eeuw kwamener, tengevolge van de groote twisten, die de kerk verdeelde,synoden van bisschoppen uit verschillende provinciën bij. En hetconcilie van Nicea, ofschoon volstrekt geen vertegenwoordigingvan de gansche Christenheid, wijl het maar door enkele bisschoppenuit het Westen werd bijgewoond, was toch door denkeizer van alle kanten saamgeroepen. Zoo kwam er allengs eenerangordening van provinciale, nationale, patriarchale, oecumenischeconciliën, Sohm, Kirchenrecht 247-344. Maar het karakteristiekekenmerk van een oecumenisch concilie is moeilijk aan te wijzen.Het kan niet daarin liggen, dat het door den paus is saamgeroepen,want van de vierde tot de tiende eeuw werd het geconvoceerddoor den keizer; noch ook in de algemeene geldigheiden de groote beteekenis zijner besluiten, want dikwijls zijn decanones van oecumenische conciliën verworpen en die van provincialesynoden aangenomen; noch ook daarin, dat een oecumenischconcilie de gansche Christenheid vertegenwoordigt, want dit islang niet altijd met de dusgenaamde conciliën het geval geweest.Tegen het einde der Middeleeuwen is wel de theorie opgekomen,dat een concilie dan alleen oecumenisch en onfeilbaar was, wanneerhet bestond uit afgevaardigden van alle kerken. Maar dezetheorie was van revolutionairen oorsprong, leidde in de practijktot allerlei moeilijkheden en werd door Rome ook nooit geaccepteerd.Voor Rome is een concilie alleen oecumenisch, wanneerzijne besluiten door den paus zijn goedgekeurd en daardoor eenonfeilbaar, de gansche Christenheid bindend karakter verkrijgen,Bellarminus, de conciliis et ecclesia lib. I II. Heinrich, Dogm.II 476 f. Scheeben, Dogm. I 230 f. Vering, Kirchenrecht613 f. enz.

In de Protestantsche kerken is het synodale kerkregiment heteerst op Franschen bodem tot ontwikkeling gekomen. In deLuthersche kerk kwamen wel synoden voort, maar deze bestondenalleen in samenkomsten van pastores. Zwingli stelde in 1528 teZurich synoden in, die door den raad werden saamgeroepen, uitde predikanten van stad en land en enkele leden van den raadbestonden en vooral klachten tegen leer en leven van de predikantenmoesten overwegen, Mörikofer, Ulr. Zwingli, Leipzig 1869183II 118 f. Calvijn bepaalde evenzoo in de Ordonnances ecclesiastiques,dat de predikanten alle drie maanden moesten samenkomen,om op elkanders leer en leven toe te zien en voerde bovendien1546 een jaarlijksche visitatie in, Kampschulte, Joh. Calvin I408. Franz Lambert ontwierp 1526 voor Hessen een kerkenorde,waarin zoowel gemeentevergaderingen als synoden, bestaande uitde predikanten en door de gemeenten benoemde afgevaardigden,waren opgenomen, maar deze kerkenorde trad niet in werking,Lechler, Gesch. d. Presb. n. Syn. Verf. 14 f. Eene synodalekerkregeering kwam er eerst in Frankrijk, waar de kerken zichsterk uitbreidden en door behoefte aan eenheid den 26en Mei 1559voor het eerst in synode te Parijs samenkwamen en zich in eenegemeenschappelijke belijdenis en kerkenorde vereenigden, Lechlerib. 69. Opmerkelijk is daarbij, dat de generale synode het eerstis ontstaan, dat deze de provinciale synoden invoerde en dat later,in 1572, tusschen deze en de kerkeraden nog de classis ingeschovenwerd, ib. 81, cf. evenzoo in Schotland 97. Zulk eensynodale kerkregeering werd dan later ook in andere Geref.kerken ingevoerd, in Polen, Boheme, Hongarije, Duitschland,Nederland, Schotland, Engeland, Amerika enz. Maar er kwamspoedig van twee kanten oppositie tegen. De Remonstranten, zichaansluitende bij Zwingli en Erastus, kenden de kerkelijke machtaan de overheid toe en leidden daaruit af, dat synoden wel geoorloofdmaar niet geboden en voor het zijn of welzijn der kerkniet noodig waren, en dat, wanneer zij gehouden werden, hetrecht tot samenroeping, tot afvaardiging, tot het vaststellen deragenda, tot presideering aan de overheid toekwam, Uitenbogaert,Tractaat van ’t ampt ende auctoriteit enz. 1610 bl. 107v. cf.Limborch, Theol. Chr. VII 19. En de Independenten gingen onderinvloed der anabaptistische dwaling nog verder, hielden elke groepvan geloovigen voor independent, en verwierpen alle bindendclassicaal of synodaal verband, Robinson bij Kist en Roijaards,Ned. Arch. voor Kerk. Gesch. VIII 1848 bl. 371v. Neal, Historieder rechtz. Puriteinen II 1 bl. 96. De gronden, die tegen desynodale kerkregeering kunnen worden ingebracht, zijn ook inderdaadniet van gewicht ontbloot. Immers zijn de plaatselijkekerken in het N. T. alle volkomen zelfstandig ten opzichte vanelkander; van een wettelijk, bindend classicaal of synodaal verbandis er met geen woord sprake. Zoodanig verband schijnt184ook met de zelfstandigheid der plaatselijke kerken geheel instrijd te zijn, omdat het vergaderingen invoert, die boven deplaatselijke kerken staan en met gezag tegenover deze optreden,en alzoo in de kerk van Christus wederom eene ongeoorloofdehierarchie en tirannie invoert. En daarbij komt dan nog, dat degeschiedenis der synoden van hare nuttigheid niet altijd eengunstig getuigenis aflegt, en ze dikwerf doet voorkomen als oorzaakvan allerlei twist en verdeeldheid, zoodat Gregorius Naz.reeds zeggen kon, μηδεμιας συνοδου τελος εἰδον χρηστον; enhet spreekwoord niet ten onrechte luidt: omne concilium paritbellum. Maar daartegenover stellen toch andere overwegingen denoodzakelijkheid en nuttigheid der synoden duidelijk in het licht.1o In het N. T. is er nog geen classicaal of synodaal verbandder kerken, maar er was daar ook toen nog geen behoefte aan,wijl de apostelen zelven leefden, de gemeenten met raad bijstondenen ze ook door evangelisten als hunne plaatsvervangersverzorgden. 2º De gemeenten waren ook toen reeds op allerleiwijze door geestelijke banden aan elkander verbonden, en kregenhet recht, niet alleen om zelve te vergaderen, maar ook om naarandere gemeenten afgevaardigden te zenden en daar beslissing inzekere geschillen te vragen; Hd. 1, 6, 15, 21 toonen, dat synodenin gansch algemeenen zin zijn juris divini permissivi. 3º Synodenzijn niet beslist ad esse ecclesiae noodzakelijk en zijn ook nietbepaald door Gods Woord bevolen, maar zij zijn geoorloofd enad bene esse ecclesiae noodzakelijk. 4º De noodzakelijkheid ligtdaarin, dat de eenheid van leer, tucht en cultus, waartoe degemeente geroepen is; de orde, vrede en liefde, die zij te bewarenheeft; en de gemeenschappelijke belangen, die haar zijn opgedragen(zooals opleiding, roeping, zending van dienaren; missieonder de Heidenen; ondersteuning van hulpbehoevende kerken enz.)niet anders dan door middel van synoden tot hun recht kunnenkomen. 5º Synoden zijn geen voetstuk voor maar eene ondermijningvan alle hierarchie; zij handhaven de zelfstandigheid der plaatselijkekerken en bewaren haar voor verwarring, verdeeldheid,hierarchie van den pastor, overheersching van enkele leden; zijbevestigen de vrijheid der enkele leden, door hun een steun tegeven in het verband met andere kerken en beroep op meerderevergaderingen toe te staan. 6º Ook zijn zij geen oorzaak vanverdeeldheid en twist, maar een middel, om geschillen, die er185in de kerk hier op aarde altijd weer over leer, tucht, dienstoprijzen, op eene vreedzame wijze, door nauwkeurig onderzoeken ampele bespreking tot beslissing te brengen. 7o Opdat zij aanhaar doel beantwoorden, behooren synoden altijd vergaderingenvan kerken te zijn, wier leden (pastores, presbyters, diakenen ofgewone leden) afgevaardigden van kerken zijn en aan lastbrievenvan kerken gebonden, die door de kerken zelve en niet dooroverheid, paus enz. saamgeroepen en door kerkelijke daartoegekozen personen geleid worden, en die vrij en zelfstandig,zonder inmenging der overheid, over kerkelijke zaken oordeelenen besluiten. 8o De kerkelijke vergaderingen (plaatselijke, classicale,provinciale, generale, oecum.) zijn niet wezenlijk vanelkander verschillend. De eene vergadering is niet per se hooger,gewichtiger, minder aan dwaling blootgesteld of meer van deleiding des H. Geestes verzekerd dan de andere. Want elke kerken elke groep van kerken is zelfstandig tegenover de andere; enalle zijn zij in dezelfde mate gebonden aan het Woord en debelofte des Geestes deelachtig. In de kerkelijke vergaderingenkomen geen volksvertegenwoordigers maar kerkelijke ambtsdragerssaam, die van Christus’ wege tot regeering zijner kerk geroepenzijn. Zij zijn dus onderscheiden, niet door andersoortige of hoogeremaar alleen door meerdere macht, die er samengebracht wordten over wijder gebied zich uitstrekt. 9o Het gezag van alle kerkelijkevergaderingen is geen ander dan van de kerken zelve;het is onderworpen aan het Woord van Christus. Christus is deeenige, die in de kerken en in hare verschillende vergaderingengezag heeft; zijn Woord alleen beslist; wat den H. Geest in endoor de leden goeddunkt, dat alleen is bondig in de kerk vanChristus. Maar ook deze hare naar Gods Woord en in denH. Geest genomen besluiten kan de kerk niet anders handhavendan door zedelijke middelen. Zij heeft geen heerschende, dwingendemaar alleen eene dienende macht. Cf. Calvijn, Inst. IV c. 9.Polanus, Synt. 541. Bullinger, Van de Conciliën, Dordr. 1611.Martyr, Loci Comm. 407. Junius, Op. II 1029. Theses Salmur.III 505. Amyraut, Du gouvernement de l’Eglise contre ceuxqui veulent abolir l’usage et l’autorité des synodes, Saumur 1653.Heidegger, Corp. Theol. II 613. Turretinus, Theol. El. XVIIIqu. 33. Synopsis pur. theol. disp. 49. Voetius, Pol. Eccl. IV114-272. Redevoering van C. Vitringa over de Synoden enz.,186uit het latijn door S. H. van Idsinga, Harl. 1741. Moor VI439-461. M. Vitringa IX 1 p. 574-653. Ch. Hodge, Discussionson Church polity, New-York 1878 p. 364-456. KarlLechler, Die neut. Lehre v. h. Amte 1857 S. 254-275. Stahl,Die Kirchenverfassung u. s. w. 332 f.

12. Zoo staat de kerk met een eigen oorsprong, wezen, werkzaamheiden doel in het midden der wereld. Zij is in elk opzichtvan die wereld onderscheiden, maar staat er toch nooit gescheidennaast. Wel hebben verschillende richtingen in de Christenheidkerk en wereld in eene volstrekte, ethische tegenstelling tegenoverelkander geplaatst, en schepping en herschepping met zonde engenade vereenzelvigd. Maar deze richtingen, hoe machtig zij nuen dan ook geweest zijn, hebben toch nooit de geschiedenis vanhet Christendom beheerscht, en konden altijd slechts naast dekerken een sectarisch leven leiden. Afgezien van deze richtingen,zijn er maar twee wijzen, waarop principieel de verhouding vankerk en wereld bepaald kan worden, de Roomsche en de Protestantsche,de supranatureele en de ethische. Rome beschouwt hetnatuurlijke niet als zondig gelijk het Anabaptisme en komt niettot mijding en scheiding, maar leert wel, dat het natuurlijkevan lager orde is, licht oorzaak van zonde wordt en daarom denteugel van het bovennatuurlijke behoeft. Gelijk het beeld Godsals een donum supernaturale aan den natuurlijken mensch werdtoegevoegd, zoo komt van boven mechanisch de genade aan denatuur, de kerk aan de wereld, de hoogere aan de lagere moraaltoe; wie naar het ideaal van Rome wil leven, moet asceet worden,het natuurlijke onderdrukken en zich geheel aan de religie wijden;wie dat niet kan, krijgt voor het natuurlijke de noodige speelruimte,en vindt in het bovennatuurlijke de grens, die deze bepaalt.Gansch anders was de verhouding, welke het Protestantismeaannam tusschen kerk en wereld. Het verving de quantitatieve,supranaturalistische tegenstelling door de ethische. Het natuurlijkewas niet van lager orde maar was in zijn soort even goed enrein als het bovennatuurlijke, want het was geschapen door dienzelfdenGod, die in de herschepping zich openbaarde als Vadervan den Heere Jezus Christus. Alleen was het door de zondebedorven en moest daarom door de genade van Christus verzoenden vernieuwd worden. De genade dient dus hier niet, om het187natuurlijke te mijden, te onderdrukken, te dooden, maar juistom het van zijne zondige bedorvenheid te bevrijden, en weer echtnatuurlijk te doen zijn. Het is waar, dat Luther bij de toepassingdezer beginselen halverwege is blijven staan, het natuurlijkeongemoeid heeft gelaten en het Christendom al te zeer tot hetethisch-religieuse terrein beperkt heeft. Maar Calvijn, de manvan de daad, die na Luther kwam en daarom aan Luther zichspiegelen kon, zette het werk der reformatie voort en trachtteheel het leven door het Christendom te hervormen. Mijding ishet woord der Anabaptisten; ascese dat der Roomschen; vernieuwingen heiliging dat van den Protestantschen, bepaaldelijkvan den Gereformeerden Christen. Deze laatste beschouwing iszonder twijfel de rijkste en schoonste. Immers is er maar éénGod in schepping en herschepping beide. De God der schepping,van het Oude Testament, is geen lagere God dan die van deherschepping, dan de Vader van Christus, dan de God des N.Verbonds. Christus, de middelaar des N. Verbonds, is ook degene,door wien God alle dingen geschapen heeft. En de H. Geest,die auteur is van wedergeboorte en heiligmaking, is dezelfde, diein den beginne zweefde over de wateren en de hemelen heeftversierd. Schepping en herschepping kunnen dus niet als lageren hooger tegenover title="elkandar">elkander staan. Zij zijn beide goed en rein,beide heerlijke werken van den éénen en drieëenigen God. Voortsheeft de zonde, die in de wereld is ingekomen, wel alles, nietalleen het geestelijke, het ethisch-religieuse leven maar ook alhet natuurlijke, het lichaam, het huisgezin, de maatschappij, degansche wereld bedorven. Maar zij is toch geen substantie, geenmateria, doch forma, en dus niet met het geschapene identisch,maar in en aan het geschapene wonend en daarvan altijd doorde genade Gods los te maken en te verwijderen. Substantieel enmaterieel is de schepping na den val dezelfde als vóór dien tijd;zij blijft een werk Gods, en als zoodanig te eeren en te prijzen.Tot herwinning van die gevallen wereld brengt God nu wel dekrachten der genade in die schepping in. Maar ook die genadeis geen substantie of materia, opgesloten in woord of sacramenten uitgedeeld door den priester, maar zij is eene vernieuwende,herscheppende kracht. Zij is niet per se bovennatuurlijk, maarzij draagt dat karakter alleen vanwege de zonde, en draagt hetdus in zekeren zin toevallig en tijdelijk, om de schepping te188herstellen. Deze genade wordt in tweeërlei vorm uitgedeeld, alsalgemeene genade ter beteugeling, als bijzondere genade ter vernieuwing.Beide hebben haar eenheid in Christus, die koning inhet regnum potentiae en gratiae is;beide zijn tegen de zonde gericht; beide brengen en houden schepping en herschepping inverband met elkander. Ook de wereld is na den val niet aanzichzelve overgelaten, en niet van alle genade ontbloot, maar zijwordt door de algemeene genade gedragen en gespaard, geleiden bewaard voor de bijzondere genade in Christus. Scheiding enonderdrukking is daarom ongeoorloofd en onmogelijk. Mensenen Christen zijn geen twee wezens. De schepping wordt in deherschepping opgenomen en hersteld. De mensch, die wedergeborenis, is substantieel geen andere dan die hij was vóór dewedergeboorte. In de kerk ingelijfd, blijft hij toch in de wereld,en heeft zich alleen te bewaren van den booze. Gelijk Christus,de zone Gods, uit Maria de volle menschelijke natuur heeft aangenomenen daarmede niets menschelijks en niets natuurlijks zichvreemd heeft geacht, zoo is de Christen niet anders dan deherboren, vernieuwde en daarom de waarachtige mensch. Dezelfdemenschen, die Christenen zijn, zijn en blijven in dezelfde roeping,waarmede zij geroepen zijn; zij blijven leden des gezins, burgersder maatschappij, onderdanen der overheid, beoefenaars der wetenschapen kunst, mannen of vrouwen, ouders of kinderen,heeren of knechten enz. De verhouding, die tusschen kerk enwereld bestaan moet, is daarom in de eerste plaats van organischen,zedelijken, geestelijken aard. Christus is profeet, priester,koning ook nu nog, en Hij werkt door zijn Woord en Geest opheel de wereld in. Door Hem gaat er van ieder, die in Hemgelooft, een vernieuwende, heiligende invloed uit in gezin, maatschappij,staat, beroep, bedrijf, kunst, wetenschap enz. Hetgeestelijk leven is bestemd, om het natuurlijk en zedelijk levenin volle diepte en omvang weer aan de wet Gods te doen beantwoorden.Langs dezen organischen weg worden Christelijke waarheiden Christelijk leven ingedragen in alle kringen van hetnatuurlijke leven, zoodat huisgezin en familieleven in eere hersteld,de vrouw weer als de gelijke van den man beschouwd, wetenschapen kunst gekerstend, het peil van het zedelijk levenverhoogd, maatschappij en staat hervormd, wetten en instellingen,zeden en gewoonten christelijk gestempeld worden. Maar er is189nog eene andere regeling van de verhouding van kerk en wereld,die veel moeilijker is en waarover het grootste verschil vangevoelen bestaat. Christus regeert zijne kerk n.l. ook door ambtenen instellingen; en de vraag is, of de verhouding van de kerktot de verschillende terreinen van het natuurlijke leven ook ambtelijken institutair te regelen zij. Papalisme en Cesareopapismestaan hier tegenover elkaar. Het Cesareopapisme regelt de verhoudingzoo, dat de kerk aan den christelijken staat onderworpenis en naar zijne wetten zich heeft te gedragen. Er ligt hier eenigewaarheid in; de verhouding der kerk tot den staat is een ganschandere, sedert deze christelijk is geworden. Voordat de overheidchristelijk was, vielen bijv. veel meer zonden onder de christelijketucht dan na dien tijd. Het bijwonen van heidensche feesten,afgoderij, aanbidding van den keizer, sabbatsschennis, eedbreuk,Godslastering, huwelijken in verboden graad, gruwelijke zonden vanhoererij, overspel enz., werden wel door de kerk maar niet doorden staat als zonden erkend en gestraft. Sedert de overheid gekerstendis, is er in de zedelijke beschouwing en beoordeelingveel grooter overeenstemming gekomen. In menig geval kan dekerk dus wachten op de behandeling van ergerlijke overtredingendoor de justitie en heeft geen eigen rechtbank noodig. Maar tochwordt daaruit te veel afgeleid, wanneer alle macht aan de kerkontnomen en aan de christelijke overheid opgedragen wordt. Wantwezenlijk is de macht der kerk dezelfde gebleven, al is hareuitoefening ook belangrijk gewijzigd. Immers is de bediening vanwoord en sacrament het onvervreemdbaar recht der kerk; voortsblijven er altijd vele zonden, zooals sabbatsschennis, hoererij,dronkenschap, vloeken enz., die door de overheid in het geheelniet of slechts, wanneer zij zeer openbaar en ergerlijk zijn, matigworden gestraft; en eindelijk heeft de kerk ook bij die zondaars,welke de overheid straft, een eigen taak, want de overheid ismet de straf tevreden, maar de kerk zoekt te overtuigen, totbekeering te brengen en te behouden, Calvijn, Inst. IV 11, 4.Aan de andere zijde staat het papale stelsel, dat wel in zooverlof verdient, als het de zelfstandigheid en vrijheid der kerkhandhaaft, maar overigens, indien niet de gansche wereld, dantoch heel de gedoopte christenheid in al haar levenskringen enverhoudingen, rechterlijk en wettelijk aan den paus onderwerpenwil; gezin, maatschappij, staat, kunst, wetenschap enz. moeten190kerkelijk zijn, want kerkelijk is met christelijk, roomsch, pauselijkidentisch. Deze aanspraak van Rome is niet zedelijk en geestelijkbedoeld, zoodat ieder, die zich niet aan den paus onderwerpt,voor God schuldig staat; maar zij draagt bepaald dit karakter,dat elk, die gehoorzaamheid weigert aan den paus, ook rechtensen wettelijk voor dezen vicarius Christi schuldig staat, door hem,indien hij het nuttig oordeelt en er de macht toe heeft, gestraftkan worden en niet alleen met geestelijke en zedelijke middelenmaar ook met lichamelijke en burgerlijke straffen tot gehoorzaamheidgedwongen kan worden. Van deze pauselijke tirannie,heeft de geloofsmoed en de geesteskracht van Luther en Calvijnons bevrijd. Hun machtige hervormingsdaad bestond daarin, datzij het Christendom in zijne religeus-ethische beteekenis, als religieder genade, hebben hersteld en het natuurlijke, niet van ditChristendom, maar van de jurisdictie der Roomsche kerk hebbenbevrijd. Daaruit volgde vanzelf, dat het verband tusschen kerken wereld, behalve op de bovengenoemde organische wijze, slechtscontractueel kon worden gelegd. Het is waar, dat Calvijn methand en tand vasthield, dat de overheid aan Gods woord onderworpenwas, de beide tafelen der wet te handhaven, en naar dekerk als uitlegster van Gods woord te luisteren en verschillendezonden, waarover de kerk tucht oefende, ook burgerlijk te straffenhad. Hij trok de grenslijn tusschen kerk en staat wel duidelijken scherp maar hij trok ze anders dan wij; het gebied, waaropbeiden wat te zeggen hadden was veel grooter dan het thansdoor ons wordt bepaald; de overheid als christelijke had ook ophaar terrein en in hare mate voor de eere Gods, voor den bloeizijner kerk, voor de uitbreiding van zijn rijk te waken. Maardesniettemin, de verhouding tusschen kerk en staat was contractueelen vrij. De kerk kon niet anders dan het woord Godsprediken, in zijn naam van zijne geboden getuigen; maar als deoverheid of wie dan ook weigerde te luisteren, dan had de kerk,dan had Calvijn zelf, dan had ieder Christen geen macht en ookgeen recht meer tot dwang. Dan bleef er niets over dan resistentianegativa, lijdelijk verzet, Calvijn, Inst. IV 20, 29, cf.voor anderen Moor VI 513. Ook zulk een verzet was eene daad,want gelijk Doumergue, Calvin le fondateur des libertés modernes,Montauban 1898 p. 14 zoo schoon zegt, c’est la soumission,mais du corps et non de l’âme. Humilié devant le Dieu, qui le191châtie, le calviniste reste le juge inexorable du despote quil’oppresse. Il y a des soumissions plus mortelles à la tyrannieque des révoltes! Maar alle recht tot dwang en straf was tochaan de kerk tegenover de overheid en tegenover ieder menschontnomen en het Christendom in zijn zuiver geestelijke machthersteld en geëerd. De overheid bleef, gelijk ieder mensch, voorhaar ongeloof, voor hare verwerping van Gods woord, voor hareovertreding van zijne geboden, voor de vervolging en onderdrukkingvan zijne kerk alleen aan God verantwoordelijk. Indienechter de overheid vrij en zelfstandig van de christelijke, vande gereformeerde religie —gelijk trouwens als haar plicht enroeping steeds gepredikt werd— professie deed, dan vloeidedaaruit voort, dat zij in hare qualiteit en op haar gebied dezereligie had te bevorderen en ketterij en afgoderij had te werenen uit te roeien. De fout was daarbij niet hierin gelegen, dataan de christelijke overheid de bevordering van Gods eer en dienstwerd opgedragen, maar dat de grenzen van staat en kerk verkeerdgetrokken en ongeloof, ketterij enz. als staatsmisdaad werdenbeschouwd. In de eeuw der Hervorming kon dit wel niet anders.Maar sedert de taak der overheid beperkt is, de volken vrij enmondig zijn geworden, de kerken hoe langer hoe meer zich splitsenen verdeelen, en allerlei richtingen in denken en leven zijn opgetreden,wordt het onderscheid tusschen misdaad en zonde helderderingezien en alle dwang als juist in strijd met de christelijkebelijdenis door steeds meerderen erkend. Bij de regeling derverhouding tusschen kerk en staat is daarom het volgende vastte houden: 1º dat de kerk, al is door hare pluriformiteit haargetuigenis verzwakt, niet van den eisch kan aflaten, dat alleschepselen, kunst, wetenschap, huisgezin, maatschappij, staat enz.zich onderwerpen aan des Heeren woord; 2º dat deze eisch alleeneene prediking, een zedelijk getuigenis is en nooit direct of indirectdoor dwang of straf mag aangedrongen worden; 3º dat eenechristelijke, gereformeerde overheid de roeping heeft, om Godseer te bevorderen, zijn kerk te beschermen en het rijk van denantichrist te gronde te werpen; 4º dat zij dit echter nooit kanof mag doen dan met middelen, die met den aard van het evangelievan Christus in overeenstemming zijn, en alleen op datterrein, dat haar ter bewaking toebetrouwd is; 5º dat zij, zelvevoor hare houding ten opzichte van Gods woord aan Hem rekenschap192verschuldigd, niet ingrijpen mag in de rechten van denenkelen mensch noch ook in die van huisgezin, maatschappij,kunst, wetenschap en dus niet verantwoordelijk is voor hetgeenbinnen deze terreinen tegen Gods woord en wet geschiedt; 6º datzij de grenzen tusschen zonde en misdaad te trekken heeft naarden eisch van het evangelie en overeenkomstig de leiding vanGods voorzienigheid in de geschiedenis der volken; welke grenzenechter niet saamvallen met die tusschen de eerste en de tweedetafel der wet, want vele zonden tegen de tweede tafel vallenbuiten het toezicht en de straf der overheid, en vele andere tegende eerste tafel (eedbreuk, sabbatschennis) zijn ook voor de christelijkeoverheid strafwaardig; 7º dat vaste grenzen door niemandin het afgetrokkene kunnen worden aangegeven, wijl zij wisselenmet volk en met eeuw en alleen door het getuigenis der volksconscientieeenigermate in hunne richting kunnen worden bepaald.





Please send all questions and comments to Dmytro (Dima) Bintsarovskyi:
dbintsarovskyi@tukampen.nl

x
This website is using cookies. Accept