Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

101. De wereldbeschouwing, welke tegenover die van de Schrift staat en principiëel alle openbaring bestrijden moet, kan het best met de naam van monisme worden aangeduid. Het monisme, zowel in zijn pantheïstische als in zijn materialistische vorm, streeft er naar, om alle krachten, stoffen en wetten, die er in de natuur zijn op te merken, tot één enkele kracht, stof en wet te herleiden. Het materialisme neemt alleen kwalitatief gelijke atomen aan, die overal en altijd naar dezelfde mechanische wetten werken en door verbinding en scheiding alle dingen en verschijnselen doen worden en vergaan. Het pantheïsme erkent niets dan één enkele substantie, die in alle schepselen dezelfde is en overal naar dezelfde logische wetten zich wijzigt en vervormt. Beide worden bezield door eenzelfde drang, door de drang en de zucht naar eenheid, die eigen is aan de menselijke geest. Maar terwijl het materialisme de eenheid van stof en wet, welke in de fysische wereld heerst, zoekt terug te vinden in alle andere, historische, psychische, religieuze, ethische verschijnselen en zo alle wetenschappen tracht te maken tot natuurwetenschap; beproeft het pantheïsme alle verschijnselen, ook de fysische, uit de geest te verklaren en alle wetenschappen om te zetten in geesteswetenschap. Beide zijn naturalisme, inzoverre zij misschien nog voor het bovenzinlijke maar in elk geval niet voor het bovennatuurlijke een plaats inruimen, en voor wetenschap en kunst, voor religie en moraal aan deze kosmos, aan het diesseits genoeg hebben1.

De wereldbeschouwing van de Schrift en van heel de Christelijke theologie is een heel andere. Zij is niet monisme maar theïsme, niet naturalistisch maar supranatureel. Volgens deze theïstische wereldbeschouwing is er een veelheid van substanties, van krachten en stoffen en wetten. Zij tracht er niet naar, om de onderscheidingen van God en wereld, geest en stof, psychische en fysische, ethische en religieuze verschijnselen uit te wissen, maar om de harmonie te ontdekken, die alle dingen samenhoudt en verbindt, en die uitvloeisel is van de scheppende gedachte van God. Niet enerleiheid of eenvormigheid, maar eenheid in de verscheidenheid is het doel van haar streven. In weerwil van alle pretensies van het monisme heeft deze theïstische wereldbeschouwing recht en reden van bestaan. Immers, het is aan het monisme niet gelukt, om alle krachten en stoffen en wetten tot één enkele te herleiden. Het materialisme stuit op de psychische verschijnselen, en het pantheïsme kan de overgang niet vinden van het denken tot het zijn en weet met de veelheid geen raad. Het zijn zelf is een mysterie, een wonder. Dat er iets is, dwingt de denkende geest verwondering af, en deze is daarom terecht de aanvang van de filosofie genoemd. En hoe meer dat zijn wordt ingedacht, des temeer neemt de verwondering toe, want binnen de kring van het zijn, van de kosmos, zien wij verschillende krachten optreden, in de mechanische, vegetatieve, animale, psychische wereld, en voorts in de religieuze en ethische, esthetische en logische verschijnselen. De schepping toont ons een opklimmende orde. De wetten van de onderhouding van de kracht, van de causaliteit en van de continuïteit (natura non facit saltus), worden wel ten dienste van het monisme geïnterpreteerd en misbruikt. Maar desalniettemin treden er telkens in de natuur krachten op, die uit de lagere niet zijn te verklaren. Reeds in de mechanische natuur heerst de causaliteit slechts in hypothetische zin. Gelijke oorzaken hebben gelijke werkingen, maar alleen onder gelijke omstandigheden. In het organische treedt een kracht op, die niet uit het anorganische herkomstig is. Terecht zegt Hegel: Schon das Thier ist ein Wunder gegen die vegetabilische Natur und noch mehr der Geist gegen das Leben, gegen die bloss empfindende Natur2. Voor de steen is het een wonder, dat de plant groeit, voor de plant, dat zich het dier beweegt, voor het dier, dat de mens denkt, en voor de mens, dat God doden opwekt3. In het leven, in het verstand, in de wil, in religie, moraal, kunst, wetenschap, recht, geschiedenis zijn er krachten werkzaam, die van de mechanische wezenlijk verschillen en tot nog toe tegen alle mechanische verklaring zich hebben verzet. De geestelijke wetenschappen hebben tot de huidige dag haar zelfstandigheid behouden4; sedert het historisch materialisme is opgetreden, hebben de geschiedvorsers dieper over hun wetenschap nagedacht en haar zelfstandigheid naast de natuurwetenschap bepleit5. En zelfs de natuurwetenschap heeft in de laatste tijd bij monde van velen tegen het mechanisch monisme protest aangetekend, het mysterie van het leven weer erkend en de strenge descendentieleer voor de sprongwijze ontwikkeling ingeruild6. Hoewel ongaarne, moet Prof. Land toch erkennen, dat de wetenschap vooralsnog genoodzaakt is, dualistisch en zelfs pluralistisch te blijven7.

Elk van die krachten werkt naar haar eigen aard, naar haar eigen wet en op haar eigen wijze. De krachten verschillen en daarom ook haar werkingen en de wijze, waarop zij werken. De idee van natuurwet is eerst langzamerhand opgekomen. Vroeger verstond men onder lex naturae een ethischen regel, die van nature bekend was. Later is deze term in zeer oneigenlijke zin op de natuur overgedragen, want niemand heeft die wetten aan de natuur voorgeschreven en niemand is bij machte, om ze te gehoorzamen of te overtreden. Vandaar, dat er over begrip en betekenis van de natuurwetten nog altijd groot verschil heerst. Im 17ten Jahrhundert giebt Gott die Naturgesetze, in 18ten thut es die Natur selbst, und im 19ten besorgen es die einzelnen Naturforscher (Wundt). Maar zoveel staat vast, dat de zogenaamde natuurwetten zelf geen krachten zijn, die heerschappij voeren over de verschijnselen, maar niets dan een, dikwijls zeer gebrekkige en altijd feilbare beschrijving van de wijze, waarop de in de natuur liggende krachten werken. Een natuurwet zegt alleen, dat bepaalde krachten, onder gelijke omstandigheden, op dezelfde wijze werken8. De regelmatigheid van de verschijnselen berust dus tenslotte op de onveranderlijkheid van de verschillende krachten, die in de natuur werken en van de laatste elementen of substanties, waaruit zij samengesteld is. De wetten verschillen, naarmate die elementen en krachten onderscheiden zijn. De mechanische wetten zijn andere dan de fysische; de logische weer andere dan de ethische en esthetische. In fysische zin maakt geven armer, in ethische zin maakt het rijker. De wetten van de natuur, d.i. van de hele kosmos, van alle creatuur zijn daarom ook geen cordon om de dingen, zodat er niets indringen of uitkomen kan, maar slechts een formule voor de wijze, waarop naar onze waarneming iedere kracht werkt naar haar aard. Al deze elementen en krachten met de hun inwonende wetten worden naar de theïstische wereldbeschouwing van ogenblik tot ogenblik in stand gehouden door God, die de laatste en hoogste, intelligente en vrije causaliteit van alle dingen is. Zij hebben als creatuur geen bestand in zichzelf. Het is Gods alomtegenwoordige en eeuwige kracht, die alles onderhoudt en regeert. In Hem, in zijn gedachte en in zijn bestuur, ligt de eenheid, de harmonie, die alle dingen in de rijkste verscheidenheid samenhoudt en verbindt en ze heenleidt tot één doel. Daardoor is er unitas, mensura, ordo, numerus, modus, gradus, species in de schepselen, gelijk Augustinus telkens zegt. Aliis dedit esse amplius, aliis minus, atque ita naturas essentiarum gradibus ordinavit9. God is in alles present. In Hem leven en bewegen zich en zijn alle dingen. Natuur en geschiedenis zijn zijn werk, Hij werkt altijd, Joh. 5:17. Alles openbaart ons God. Zijn vinger mag in de een gebeurtenis voor ons duidelijker zijn op te merken dan in de andere; de reine van hart ziet God in al zijn werken. Wonderen zijn dus volstrekt niet nodig, om ons God te doen kennen als onderhouder en regeerder van het heelal. Alles is zijn daad. Niets geschiedt er zonder zijn wil. Hij is met zijn wezen in alle dingen tegenwoordig. En daarom is alles ook een openbaring, een woord, een werk van God.

Met zulk een wereldbeschouwing is een bovennatuurlijke openbaring volstrekt niet in strijd. De natuur bestaat hier toch geen enkel ogenblik onafhankelijk van God, maar leeft en beweegt zich in Hem. Alle kracht, die erin optreedt, is van Hem afkomstig en werkt naar de wet, die Hij erin gelegd heeft. God staat niet buiten de natuur en is niet door een omheining van wetten van haar afgesloten, maar is in haar tegenwoordig en draagt haar door het woord van zijn kracht. Hij werkt van binnen uit, en kan nieuwe krachten doen optreden, die van de bestaande in aard en werking onderscheiden zijn. En deze hogere krachten doen de lagere niet te niet, maar nemen toch naast en te midden van haar een eigen plaats in. De menselijke geest tracht ieder ogenblik de lagere natuurkrachten in haar werking tegen te gaan en ze aan zijn wil te onderwerpen. Heel de cultuur is een macht, waardoor de mens heerst over de natuur. Kunst en wetenschap zijn een triomf van de geest over de stof. Ook treedt er in de openbaring, in profetie en wonder, een nieuwe goddelijke kracht op, die wel in de kosmos een eigen plaats inneemt maar met de lagere krachten en haar wetten volstrekt niet strijdt. Van een zogenaamde opheffing van de natuurwetten door de wonderen is geen sprake. Een “Durchlöcherung” van de natuur is er niet. Thomas zei reeds: quando Deus agit aliquid contra cursum naturae, non tollitur totus ordo universi, sed cursus qui est unius rei ad aliam10. Ja zelfs de ordo causae ad suum effectum wordt niet te niet gedaan; ofschoon het vuur in de oven de drie jongelingen niet verbrandt, in dat vuur bleef toch de ordo ad comburendum. Er wordt door het wonder geen verandering aangebracht in de krachten, die in de natuur liggen, noch in de wetten, waarnaar zij werken. Het enige, wat er in het wonder geschiedt, is, dat de werking van de in de natuur aanwezige krachten op een bepaald punt wordt geschorst, doordat er een andere kracht intreedt, die werkt naar een eigen wet en een eigen werking voortbrengt. De wetenschap heeft daarom van het supranaturele niets te vrezen. Maar iedere wetenschap blijft op haar terrein en matigt zich niet het recht aan, aan de andere de wet te stellen. Het is het recht en de plicht van de natuurwetenschap, om binnen haar gebied te zoeken naar de natuurlijke oorzaken van de verschijnselen. Maar zij heerst niet over de filosofie, als deze onderzoek doet naar de oorsprong en de bestemming van de dingen. Zij erkent ook het recht en de zelfstandigheid van religie en theologie, en ondermijnt de grondslag niet, waarop deze rusten. Want hier komen religieuze motieven voor het geloof aan een openbaring aan het woord, waarover de natuurwetenschap als zodanig niet oordelen kan. Ook bij de verschillende wetenschappen ligt het doel niet in de enerleiheid maar in de harmonie. De theologie eert de natuurwetenschap, maar maakt zelf op gelijke behandeling aanspraak. Want wanneer de verschillende wetenschappen elkaar niet eerbiedigen, komt het tot beweringen als van Rulle, Voltaire, Renan, dat er nog nooit een wonder voldoende is geconstateerd, en dat de constante ervaring niet door enkele getuigenissen omvergestoten kan worden. Renan zegt n.l.: nous ne disons pas, le miracle est impossible, nous disons, il n’ y a pas eu jusqu’ici de miracle constaté, en weigert aan een wonder te geloven, zolang niet een commissie van allerlei wetenschappelijke mannen, fysiologen, chemici enz. een zodanig feit hebbe onderzocht en na herhaalde proefneming als een wonder hebben geconstateerd11. Bij zulk een voorwaarde is het wonder apriori geoordeeld: want bij de wonderen van de Schrift wordt de gelegenheid tot zulk een experiment noch aan Renan noch aan iemand van ons geschonken. De wonderen behoren nu eenmaal tot de historie; en in de historie geldt een andere methode dan in de natuurkunde. Hier is het experiment op zijn plaats. Maar in de historie moeten wij het met getuigenissen doen. Indien echter op historisch gebied de methode van het experiment moet ingevoerd en toegepast worden, is er geen enkel feit, dat de proef kan doorstaan. Dan is het met alle historie gedaan. Daarom blijvt iedere wetenschap op haar eigen terrein en onderzoekt daar naar haar eigen aard. Met het oor kan men niet zien, met de el niet wegen, en met het experiment kan men de openbaring niet beproeven12.

1 Strausz, Der alte u. der neue Glaube, 2e Aufl. I 211 v. E. Haeckel, Der Monismus als Band zwischen Religion und Wissenschaft, 6e Aufl. Bonn 1893. Id. Die Welträthsel. Bonn 1899. Id. Die Lebenswunder. Stuttgart 1904. B. Vetter, Die moderne Weltanschauung und der mens5. Jena 1906. De in het begin dezes jaars te Jena gestichte Monistenbund onder erevoorzitterschap van E. Haeckel geeft een orgaan uit: Der Monist, waarvan de eerste aflevering verscheen Mei 1906.

2 Hegel, Philos. der Relig. W erke XII 256.

3 Nathusius, Die Mitarbeit der Kirche an der Lösung der sozialen Frage2 1897 bl. 238.

4 Dilthey, Einleitung in die Geistesw. I 3 v. Drummond, Das Naturgesetz in der Geisteswelt. Aus dern Engl. Leipzig 1886 bl. 18 v.

5 Verg. Alex. Giesswein, Deterministische und metafysische Geschichtsauffassung. Wien 1905, en mijne Christel. Wetenschap bl. 65 v.

6 Verg. bijv. Reinke, Die Welt als That3. Berlin 1905.

7 Land, Inleiding tot de wijsbegeerte bl. 328. En verg. voorts tegen het monisme o.a. Dieterich, Philos. u. Naturw.2 Freiburg 1885. Pesch, Die groszen Welträthsel2. Freiburg 1892. Gutberlet, Der mechanische Monismus. Paderborn 1893. H. Bavinck, Christelijke Wetenschap 1904, en Christelijke Wereldbeschouwing 1904.

8 Zeller, Vorträge III 194 v. Lotze, Mikrokosmos4 I 31 v. II 50 v. III 13 v. Wundt, Philos. Studien III 195 v. IV 12 v. Heinze, art. Naturgesetz in PRE3. Eisler, s. v. Gesetz.

9 Augustinus, de civ. Dei XII 2.

10 Thomas, de pot. qu. 6 art. 1 bij Muller, Natur und Wunder 133.

11 Renan, Vie de Jésus bl. LI.

12 Vigouroux, Les livres saints et la critique rationaliste3 1880 I 73. II 294.

x
This website is using cookies. Accept