Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

107. Deze canon van het Oude Testament bezat voor Jezus en de apostelen, evenals voor hun tijdgenoten, goddelijke autoriteit. Dit blijkt duidelijk uit de volgende gegevens:

a) de formule, waarmee het Oude Testament in het Nieuwe wordt aangehaald, is verschillend maar bewijst altijd, dat het Oude Testament voor de schrijvers van het Nieuwe Testament van goddelijken oorsprong is en een goddelijk gezag draagt. Jezus haalt soms een plaats uit het Oude Testament aan met de naam van de schrijver, bijv. van Mozes, Matt. 8:4; 19:8; Mark. 7:10, Joh. 5:45; 7:22; Jesaja, Matt. 15:7, Mark. 13:14, David, Matt. 22:43, Daniël, Matt. 24:15, maar citeert menigmaal ook met de formule: er staat geschreven, Matt. 4:4 v., Matt. 11:10, Luk. 10:26, Joh. 6.45; 8:47, of: de Schrift zegt, Matt. 21:42, Luk. 4:21, Joh. 7:38; 10:35, of ook naar de auctor primarius, d.i. God of de Heilige Geest, Matt. 15:4; 22:43,45; 24:15; Mark. 12:26. De Evangelisten bezigen dikwijls de uitdrukking: hetgeen gesproken is door de profeet, Matt. 1:22; 2:15,17,23; 3:3 enz., of door de Heere of door de Heilige Geest, Matt. 1:22; 2:15; Luk. 1:70, Hand. 1:16, 3:18, 4:25, 28:25. Johannes citeert gewoonlijk bij de auctor secundarius, Joh. 1:23,46; 12:38. Paulus spreekt altijd van de Schrift, Rom. 4:3; 9:17; 10:11; 11:2; Gal. 4:30, 1 Tim. 5:18 enz, die soms zelfs geheel persoonlijk wordt voorgesteld, Gal. 3:8,22; 4:30; Rom. 9:17. De brief aan de Hebreën noemt meest God of de Heilige Geest als auctor primarius, Heb. 1:5 v., Heb. 3:7; 4:3,5; 5:6; 7:21; 8:5,8; 10:16,30; 12:26; 13:5. Deze wijze van citeren leert klaar en duidelijk, dat de Schrift van het Oude Verbond voor Jezus en de apostelen wel uit verschillende delen samengesteld en van verschillende schrijvers afkomstig was, maar toch één organisch geheel vormde, dat God zelf tot auteur had.

b) Meermalen wordt dit goddelijk gezag van de Oudtestamentische Schrift door Jezus en de apostelen ook beslist uit gesproken en geleerd, Matt. 5:17, Luk. 16:17,29, Joh. 10:35, Rom. 15:4, 1 Petr. 1:10-12, 2 Petr. 1:19,21; 2 Tim. 3:16. De Schrift is een eenheid, die noch in haar geheel noch in haar delen gebroken en vernietigd kan worden. In de laatst aangehaalde tekst wordt de vertaling: iedere theopneuste Schrift is ook nuttig, gedrukt door het bezwaar, dat dan achter wfelimov het predikaat estin niet had kunnen ontbreken. De overzetting: iedere schrift, heel in het algemeen, is theopneust en nuttig, wordt door de aard van de zaak uitgesloten. Er blijft dus slechts keuze tussen de beide vertalingen: de hele Schrift, of iedere Schrift, n.l. die in ta iera grammata, vs. 15, begrepen is, is theopneust, cf. osa proegrafh, Rom. 15:4. Zakelijk geeft dit geen verschil, en met het oog op plaatsen als Matt. 2:3, Hand. 2:36, 2 Cor. 12:12, Ef. 1:8; 2:21; 3:15; Col. 4:12, 1 Petr 1:15, Jak. 1:2 schijnt pav zonder artikel toch ook wel geheel te kunnen betekenen.

c) Nooit staan Jezus of de apostelen kritisch tegenover de inhoud van het Oude Testament, maar zij aanvaarden die geheel en zonder voorbehoud. In alle delen, niet alleen in de religieus-ethische uitspraken of in die plaatsen, waarin God zelf spreekt, maar ook in haar historische bestanddelen wordt de Schrift van het Oude Testament onvoorwaardelijk door hen als waar en goddelijk erkend. Jezus houdt bijv. Jes. 54 voor afkomstig van Jesaja, Matt. 13:14, Ps. 110 van David, Matt. 22:43, de Matt. 24:15 aangehaalde profetie van Daniël, en schrijft de wet aan Mozes toe, Joh. 5:46. De historische verhalen van het Oude Testament worden telkens aangehaald en onvoorwaardelijk geloofd, bijv. de schepping van de mens, Matt. 19:4,5, Abels moord, Matt. 22:35, de zondvloed, Matt. 24:37-39, de geschiedenis van de aartsvaders, Matt. 22:32, Joh. 8:56, de verwoesting van Sodom, Matt. 11:23, Luk. 17:28-33, de brandende braambos, Luk. 20:37, de slang in de woestijn, Joh. 3:14, het manna, Joh. 6:32, de geschiedenis van Elia, Luk. 6:25-26, Naäman, ib., Jona, Matt. 12:39-41 enz.

d) Dogmatisch is het Oude Testament voor Jezus en de apostelen sedes doctrinae, fons solutionum, pashv antilogiav perav. Het Oude Testament is vervuld in het Nieuwe. Het wordt meermalen zo voorgesteld, alsof alles is geschied met het doel om de Heilige Schrift te vervullen, ina plhpwyh to phyen, Matt. 1:22 en passim, Mark. 14:49; 15:28; Luk. 4:2; 24:44; Joh. 13:18; 17:12; 19:24,36; Hand. 1:16, Jak. 2:23 enz. Tot in kleine bijzonderheden toe wordt die vervulling opgemerkt, Matt. 21:16, Luk. 4:21, 22:37 Joh. 15:25, 17:12, 19:28 enz ; al wat aan Jezus is geschied, is tevoren in het Oude Testament beschreven, Luk. 18:31-33. Jezus en de apostelen rechtvaardigen hun gedrag en bewijzen hun leer telkens met een beroep op het Oude Testament, Matt. 12:3; 22:32; Joh. 10:34, Rom. 4, Gal. 3, 1 Cor. 15 enz. En deze goddelijke autoriteit van de Schrift strekt zich zo ver voor hen uit, dat zelfs een enkel woord, ja een tittel en jota daardoor gedekt wordt, Matt. 5:17; 22:45; Luk. 16:17, Joh. 10:35, Gal. 3:16.

e) Desalniettemin wordt het Oude Testament in het Nieuwe Testament doorgaans naar de Griekse vertaling van de LXX geciteerd. De schrijvers van het Nieuwe Testament, schrijvende in het Grieks en voor Griekse lezers; gebruikten gewoonlijk de vertaling, die aan deze bekend en voor hen toegankelijk was. De citaten kunnen naar hun verhouding tot de Hebreeuwse tekst en tot de Griekse vertaling in drie groepen worden verdeeld. In sommige teksten is er afwijking van de LXX en overeenstemming met de Hebreeuwse tekst, b.v. Matt. 2:15,18; 8:17; 12:18-21; 27:46; Joh. 19:37, Rom. 10:15-16; 11:9; 1 Cor. 3:19; 15:54. In andere is er omgekeerd overeenstemming met de LXX en afwijking van het Hebreeuws, bijv. Matt. 15:8,9, Hand. 7:14; 15:16-17, Ef. 4:8. Hebr. 10:5, 11:21, 12:6. In een derde groep van citaten is er min of meer belangrijke afwijking beide van LXX en Hebreeuwse tekst, bijv. Matt. 2:6; 3:3; 26:31; Joh. 12:15; 13:18; Rom. 10:6-9, 1 Cor. 2:9. Ook verdient het opmerking, dat sommige boeken van het Oude Testament, nl. Ezra, Neh., Ob., Zef., Esth., Pred. en Hoogl. nooit in het Nieuwe Testament worden aangehaald; dat er wel geen apocriefe boeken worden geciteerd maar toch in 2 Tim. 3:8, Hebr. 11:34 v., Judas vers 9 v. 14 v., namen en feiten worden vermeld, die in het Oude Testament niet voorkomen; en dat enkele malen ook Griekse klassieken worden aangehaald, Hand. 17:18, 1 Cor. 15:33, Tit. 1:12.

f) Wat eindelijk het materieël gebruik van het Oude Testament in het Nieuwe Testament aangaat, ook hierin is er groot verschil. Soms dienen de citaten tot bewijs en bevestiging van enige waarheid, bijv. Matt.4:4,7,10; 9:13; 19:5; 22:32; Joh. 10:34, Hand. 15:16; 23:5; Rom. 1:17, 3:10 v, Rom. 4:3,7; 9:7,12-13,15,17; 10:5, Gal. 3:10; 4:30; 1 Cor. 9:9; 10:26; 2 Cor. 6:17. Zeer dikwijls wordt het Oude Testament aangehaald ten bewijze, dat het in het Nieuwe Testament vervuld moest worden en vervuld is; hetzij in letterlijke zin, Matt. 1:23; 3:3; 4:15-16; 8:17; 12:18; 13:14-15; 21:42; 27:46, Mark. 15:28, Luk. 4:17 v., Joh. 12:38, Hand. 2:17, 3:22, 7:37, 8:32 enz., hetzij in typische zin, Matt.11:14, 12:39 v, Matt. 17:11, Luk. 1:17, Joh. 3:14; 19:36; 1 Cor. 5:7; 10:4; 2 Cor. 6:16, Gal. 3:13; 4:21; Hebr. 2:6-8, 7:1-10 enz. Meermalen dienen de citaten uit het Oude Testament eenvoudig tot opheldering, toelichting, vermaning, vertroosting enz., bijv. Luk. 2:23, Joh. 7:38, Hand. 7:3,42, Rom. 8:36, 1 Cor. 2:16; 10:7; 2 Cor. 4:13; 8:15; 13:1; Hebr. 12:5; 13:15; 1 Petr. 1:16,24-25; 2:9. Bij dat gebruik worden wij door de zin, die de Nieuwtestamentische schrijvers in de tekst van het Oude Testament vinden, menigmaal verrast; zo vooral in Matt. 2:15,18,23; 21:5; 22:32; 26:31; 27:9; 10,35; Joh. 19:37, Hand. 1:20; 2:31; 1 Cor. 9:9, Gal. 3:16, 4:22 v., Ef. 4:8 v., Hebr. 2:6-8, 10:5. Deze exegese van het Oude in het Nieuwe Testament veronderstelt bij Jezus en de apostelen de gedachte, dat een woord of zin veel diepere betekenis en veel verdere strekking kan hebben, dan de schrijver er bij vermoed of er in neergelegd heeft. Dit is ook meermalen bij klassieke schrijvers het geval. Niemand zal menen, dat Goethe bij het neerschrijven van zijn klassieke poëzie dat alles voor de geest heeft gehad, wat er nu in gevonden wordt. Der hat es in der Poesie, fürwahr; nicht weit getrieben, In dessen Versen mehr nicht steht, als er hineingeschrieben1. Bij de Schrift is dit nog in veel sterkere mate het geval, omdat zij naar de overtuiging van Jezus en zijn apostelen de Heilige Geest tot auctor primarius heeft en een teleologisch karakter draagt. Niet in die enkele bovengenoemde plaatsen slechts, maar in heel de opvatting en uitlegging van het Oude Testament, wordt het Nieuwe Testament gedragen door de gedachte, dat de Israëlietische bedeling haar vervulling heeft in de Christelijke. De hele oeconomie van het Oude Verbond met al haar instellingen en rechten en in heel haar geschiedenis wijst heen naar de bedeling van het Nieuwe Verbond. Niet het Talmudisme, maar het Christendom is de rechtmatige erfgenaam van de schatten van het heil, aan Abraham en zijn zaad beloofd2.

1 Verg. Hamerling, Epilog an die Kritiker. Poet. Werke. Tiel Campagne I 142 v. En voor de zin van de Schrift, Valeton, Theol. Stud. 1887 aft. 6. Theremin, Die Beredsamkeit eine Tugend bl. 236.

2 Litt. over het Oude Testament in het Nieuwe Testament, Glassius, Philologia Sacra, ed. 6a 1691. Surenhusius, Biblov katallaghv, in quo sec. vet. theol. hebr. formulas allegandi et modos interpretandi conciliantur loca V.T. in N.T. allegata. Amst. 1713. J1. Hoffmann, Demonstr. evang. per ipsum scripturarum consensum in oraculis ex V. T. in N. allegatis. Tub. 1773-81. Th. Randolph, The prophecies and other texts cited in the New Test. compared with the Hebr. Original and with the Sept. version. Oxf. 1782. Dr. H. Owen, The modes of quotation used by the evangelical writers explained and vindicated. Lond. 1789. F. H. Horne, An introduction to the critical study and knowledge of the holy Script. 4 vol. Lond. 1821 II 356-463. C. Sepp, De leer van het Nieuwe Testament over de Heilige Schrift des Oude Verbonds 1849. Tholuck, Das A.T. im N. 6e Aufl. 1877. Rothe, Zur Dogm. 184 v. Hofmann, Weissagung und Erfüllung im alt. u. n. Test. 1841. E. Haupt, Die altt. Citate in de vier Evang. 1871. Kautzsch, De V.T. locis a Paulo allegatis. 1869. E. Böhl, Forschungen nach einer Volksbibel zur Zeit Jesu 1873. Id. Die altt. Citate im N.T. 1878. K. Walz, Die Lehre der Kirche von der Schrift nach der Schrift selbst geprüft. Leiden 1881. Kuenen, De Profeten II 199 v. Caven, Our Lords testimony to the Old Test. Presb. and Ref. Rev. July 1892. A. Clemen, Der Gebrauch des A.T. im N. 1893. Kuyper, Encycl. II 378 v. Hans Vollmer, Die altt. Citate bei Paulus usw. Freiburg 1895. Valeton, Christus en het Oude Test. Nijm. 1895. Meinhold, Jesus und das Alte Test. 1895. M. Kähler, Jezus und das Alte Test. 1895. W Volck, Christi und der Apostel Stellung zum Alt. Test. 1900. Th. Walker, Jezus und das Alte Test. in ihrer gegens. Bezeugung. Gutersloh 1899. W. Dittmar, Vetus Testamentum in Novo. Die altt Parallelen des N. T. im Wortlaut der Urtexte und der Sept. zusammengestellt. Göttingen 1899-1903. Klostermann, Jesu Stellung z. A. T. Kiel 1904.

x
This website is using cookies. Accept