Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

108. Voor de inspiratie van het Nieuwe Testament vinden wij in de schriften van de apostelen de volgende gegevens:

a) Jezus’ getuigenis geldt in heel het Nieuwe Testament als goddelijk, waarachtig, onfeilbaar. Hij is de Logos, die de Vader verklaart, Joh. 1:18; 17:6, o martuv o pistov kai alhyinov, Op. 1:5; 3:14; cf. Jes. 55:4, de Amen, in wie alle beloften van Gods ja en amen zijn, Op. 3:14, 2 Cor. 1:20. Er is geen bedrog, dolov, in zijn mond geweest, 1 Petr. 2:22. Hij is de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis. Hebr. 3:1, 1 Tim. 6:13. Hij spreekt niet ek twn idiwn, gelijk Satan die een leugenaar is, Joh. 8:44. Maar God spreekt door Hem, Hebr. 5:1. Jezus is door God gezonden, Joh. 8:42 en spreekt niets dan wat Hij gezien en gehoord heeft, Joh. 3:32. Hij spreekt de woorden Gods, Joh. 3:34, 17:8, en geeft alleen aan de waarheid getuigenis, Joh. 5:33; 18:37. Daarom is zijn getuigenis waarachtig, Joh. 8:14; 14:6., door het getuigenis van God zelf bevestigd. Joh. 5:32,37; 8:18. Niet alleen is Jezus in ethische zin heilig en zonder zonde, Joh. 8:46, maar Hij is ook intellectueel zonder dwaling, leugen of bedrog. Het is volkomen waar, dat Jezus zich in engere zin niet bewogen heeft op het gebied van de wetenschap. Hij kwam op aarde, om ons de Vader te verklaren en zijn werk te volbrengen. Maar de inspiratie van de Schrift, waarover Jezus zich uitspreekt, is geen wetenschappelijk probleem maar een religieuze waarheid. Indien Hij hierin gedwaald heeft, heeft Hij zich vergist op een punt, dat ten nauwste samenhangt met het religieuze leven, en kan Hij ook in religie en theologie niet meer erkend worden als onze hoogste profeet. De leer van het goddelijk gezag van de Heilige Schrift vormt een gewichtig bestanddeel in de woorden van God, die Jezus verkondigd heeft. Deze onfeilbaarheid was bij Jezus echter geen buitengewone bovennatuurlijke gave; geen donum gratiae en geen actus transiens; maar habitus, natuur. Indien Jezus iets geschreven had, zou Hij daarbij geen bijzondere assistentie van de Heilige Geest hebben nodig gehad. Hij had de inspiratie als een buitengewone gave niet nodig, omdat Hij de Geest ontving niet met mate, Joh. 3:34, de Logos was, Joh. 1:1 en de volheid van God lichamelijk in Hem woonde, Col. 1:19; 2:9.

b) Jezus heeft ons echter niets in geschriften nagelaten, en Hij zelf is heengegaan. Zo moest Hij dan zorg dragen, dat zijn waarachtig getuigenis onvervalst en zuiver aan de mensheid werd overgegeven. Daartoe kiest Hij de apostelen uit. Het apostolaat is een buitengewoon ambt en een heel bijzondere dienst in Jezus’ gemeente. De apostelen zijn Hem bepaald door de Vader gegeven, Joh. 17:6, door Hemzelf uitverkoren, Joh. 6:70; 13:18; 15:16,19, en op allerlei wijze door Hem voor hun toekomstige taak voorbereid en bekwaamd. Die taak bestond daarin, dat zij straks na Jezus’ heengaan, als getuigen moesten optreden, Luk. 24:48, Joh. 15:27. Zij waren oor- en ooggetuigen van Jezus’ woorden en werken geweest, zij hadden het woord des levens met de ogen aanschouwd en met de handen getast, 1 Joh. 1:1, en hadden nu dit getuigenis aangaande Jezus te brengen aan Israël en aan de gehele wereld, Matt. 28:19, Joh. 15:27; 17:20; Hand. 1:8. Maar alle mens is leugenachtig, God alleen is waarachtig, Rom. 3:4. Ook de apostelen waren tot deze taak van getuigen onbekwaam. Zij waren dan ook de eigenlijke getuigen niet. Van hen bedient Jezus zich slechts als van instrumenten. De eigenlijke getuige, die trouw en waarachtig is als Hij zelf, is de Heilige Geest. Hij is de Geest van de waarheid, en zal van Jezus getuigen, Joh. 15:26, en de apostelen kunnen eerst als getuigen optreden na en door Hem, Joh. 15:27. Die Geest wordt dan ook in bijzondere zin aan de apostelen beloofd en geschonken, Matt. 10:20, Joh. 14:26, 15:26, 16:7, 20:22 Vooral Joh. 14:26 leert dat duidelijk. De Heilige Geest upomnhsei umav panta u eipon umin. Hij zal de jongeren met hun personen en gaven, met hun herinnering en oordeel enz. in zijn dienst nemen. Hij zal aan de openbaring materiëel niets nieuws toevoegen, wat niet reeds in Christus’ persoon, woord en werk besloten ligt, want Hij neemt alles uit Christus en maakt de apostelen in zoverre alleen indachtig en leidt hen op die wijze in al de waarheid, Joh.14:26; 16:13-14. En dit getuigenis van de Heilige Geest door de mond van de apostelen is de verheerlijking van Jezus, Joh. 16:14, gelijk Jezus’ getuigenis een verheerlijking was van de Vader, Joh. 17:4.

c) Met die Geest in bijzondere zin toegerust, Joh. 20:22, Hand. 1:8, Ef. 3:5, treden de apostelen na de Pinksterdag ook openlijk als getuigen op, Hand. 1:8,21-22; 2:14,32; 3:15; 4:8,20,33; 5:32; 10:39; 13:31. In het getuigenis geven van wat zij gezien en gehoord hebben, ligt de betekenis van het apostolaat. Daartoe zijn zij geroepen en bekwaamd. Daaraan ontlenen zij hun autoriteit. Daarop beroepen zij zich tegenover bestrijding en tegenstand. En God hecht weer aan hun getuigenis zijn zegel door tekenen en wonderen, en geestelijken zegen, Matt. 10:1,9, Mark. 16:15 v., Hand. 2:43, 3:2, 5:12-16, 6:8, 8:6 v., Hand. 10:44; 11:21; 14:3; 15:8, enz. De apostelen zijn van stonde aan, jure suo, de leiders van de Jeruzalemse gemeente, zij hebben opzicht over de gelovigen in Samaria, Hand.8:14, bezoeken de gemeenten, Hand. 9:32; 11:22, nemen besluiten in de Heilige Geest, Hand. 15:22,28, en genieten een algemene erkende autoriteit. Zij spreken en handelen krachtens de volmacht van Christus. En ofschoon Jezus nergens een expres bevel gaf, om ook zijn woorden en daden op te tekenen— alleen in de Openb. is meermalen van een bevel tot schrijven sprake, Openb. 1:11,19 enz. —de apostelen spreken in hun schrijven met dezelfde autoriteit; het schrijven is een bijzondere vorm van getuigen. Ook schrijvende, zijn zij getuigen van Christus, Luk. 1:2, Joh. 1:14; 19:35; 20:31; 21:24; 1 Joh. 1:1-4, 1 Petr. 1:12; 5:1; 2 Petr. 1:16, Hebr. 2:3, Op. 1:3; 22:18-19. Hun getuigenis is getrouw en waarachtig, Joh. 19:35, 3 Joh. 12.

d) Onder de apostelen staat Paulus weer op zichzelf. Hij ziet zich geroepen, om tegen de Judaïsten zijn apostolaat te verdedigen, Gal. 1; 2; 1 Cor. 1:10; 4:21; 2 Cor. 10:13. Hij handhaaft tegenover die bestrijding, dat hij van moeders lijf is afgezonderd, Gal. 1:1 door Jezus zelf tot apostel is geroepen, Gal. 1:1, Jezus zelf persoonlijk heeft gezien, 1 Cor. 9:1, 15:8, met openbaringen en gezichten verwaardigd werd, 2 Cor. 12, Hand. 26:16, van Jezus zelf zijn Evangelie ontvangen heeft, Gal. 1:12, 1 Tim. 1:12, Ef. 3:2-8, en dus evengoed als de andere apostelen een zelfstandig en betrouwbaar getuige is, vooral onder de Heidenen, Hand. 26:16; ook zijn apostolaat is bevestigd met wonderen en tekenen, 1 Cor. 12:10,28, Rom. 12:4-8; 15:18-19; 2 Cor. 11:23 v., Gal. 3:5, Hebr. 2:4, en met geestelijke zegen, 1 Cor. 15:10, 2 Cor. 11:5 enz. Hij is zich daarom bewust, dat er geen ander Evangelie is dan het zijn, Gal. 1:7, dat hij getrouw is, 1 Cor. 7:25, de Geest Gods heeft, 1 Cor. 7:40, dat Christus door hem spreekt, 2 Cor. 13:3, 1 Cor. 2:10,16, 2 Cor. 2:17; 5:21, dat hij Gods woord verkondigt, 2 Cor. 2:17, 1 Thess. 2:13, tot zelfs in de uitdrukkingen en woorden toe, 1 Cor. 2:4,10-13, en met niet alleen als hij spreekt, maar ook als hij schrijft, 1 Thess. 5:27, Col. 4:16, 2 Thess. 2:15, 3:14. Evenals de andere apostelen, treedt Paulus meermalen met apostolische volmacht op, 1 Cor. 5; 2 Cor. 2:9, en met geeft bindende bevelen, 1 Cor. 7:40, 1 Thess. 4:2,11, 2 Thess. 3:6-14. En wel beroept hij zich een enkele maal op het oordeel van de gemeente, 1 Cor. 10:15, doch niet om zijn uitspraak aan haar goed- of afkeuring te onderwerpen, maar integendeel om door het geweten en het oordeel van de gemeente, die immers ook de Geest Gods en de zalving van de Heilige heeft, 1 Joh. 2:20, gerechtvaardigd te worden. Zo weinig maakt Paulus zich daarmee van het oordeel van de gemeente afhankelijk, dat hij 1 Cor. 14:37 zegt, dat, indien iemand meent een profeet te zijn en de Geest te hebben, dit dan juist uitkomen zal in zijn erkentenis, dat hetgeen Paulus schrijft de geboden van de Heere zijn.

e) Deze geschriften van de apostelen hadden van stonde aan autoriteit in de gemeenten, waar ze bekend waren. Ze werden spoedig verbreid en kregen daardoor steeds uitgebreider gezag, Hand. 15:22 v., Col. 4:16. De Synoptische Evangeliën tonen een zo grote verwantschap, dat het een geheel of gedeeltelijk aan de andere bekend moet geweest zijn. Judas is aan Petrus bekend, en 2 Petr. 3:16 kent reeds vele brieven van Paulus en stelt ze met de andere Schriften op één lijn. Langzamerhand kwamen er vertalingen van Nieuwtestamentische geschriften ter voorlezing in de gemeente. In de eerste helft van de tweede eeuw moeten deze reeds hebben bestaan1. Een dogmatisch gebruik wordt er al van gemaakt door Athenagoras, die zijn redenering bewijst met 1 Cor. 15:33, 2 Cor.5:10, en Theophilus haalt teksten uit Paulus aan met de formule, didaskei keleuei o yeiov logov2. Irenaeus, Tertullianus en anderen, de Peschitto en het fragment van Muratori stellen het boven allen twijfel vast, dat in de 2e helft van de 2e eeuw de meeste geschriften van het Nieuwe Testament canonisch gezag hadden en met de boeken van het Oude Verbond een gelijke digniteit genoten. Over sommige boeken, Jak., Jud., 2 Petr. 2 en 3 Joh. bleef er verschil bestaan. Maar de bedenkingen tegen deze antilegomena werden in de 3e eeuw steeds minder. En de Synode van Laodicea in 360, van Hippo Regius in 393, en van Carthago in 397 konden ook deze antilegoma opnemen en de canon sluiten. Deze besluiten van de kerk waren geen eigenmachtige en autoritaire handeling, maar slechts codificatie en registratie van het recht, dat ten aanzien van deze geschriften reeds lang in de gemeenten had bestaan. De canon is niet gevormd door een besluit van concilies. Canon non uno quod dicunt actu ab hominibus, sed paulatim a Deo, animorum temporumque rectore, productus est3. In de belangrijke strijd van Harnack en Zahn over de geschiedenis van de Nieuwe Testament canon legde Harnack ongetwijfeld te eenzijdig nadruk op de begrippen Goddelijkheid, onfeilbaarheid, inspiratie, canon, op de formele vaststelling van het dogma van de Nieuwtestamentische Schrift. Lang voordat dit in de 2e helft van de 2e eeuw geschiedde, waren de Nieuwtestamentische geschriften door het gezag van de apostelen, de voorlezing in de gemeenten enz. tot algemeen erkende autoriteit gekomen. Op dit innerlijk proces vestigde Zahn zeer terecht de aandacht4.

f) Welke beginselen de gemeente, zo onder het Oude als Nieuwe Testament, bij deze erkenning van de canoniciteit van de Oud- en Nieuwtestamentische geschriften hebben geleid, is met zekerheid niet uit te maken. De apostolische oorsprong kan de doorslag niet hebben gegeven, want ook Markus, Lukas en Hebr. zijn opgenomen. Evenmin heeft de erkenning van de canoniciteit haar grond in het feit, dat er geen andere geschriften aangaande Christus bestonden, want Luk. 1:1 maakt van vele anderen gewag, en volgens Irenaeus5 was er amuyhton plhyov apokrufwn kai soywn grafwn. Het beginsel van de canonvorming kan ook niet liggen in de grootte en belangrijkheid, want 2 en 3 Joh. zijn zeer klein; evenmin in de bekendheid van de schrijvers, Markus, Lukas, met de apostelen, want brieven van Clemens en Barnabas werden niet opgenomen; en ook niet in de originaliteit, want Mattheus, Markus en Lukas, Efeze en Colosse, Judas en 2 Petr. zijn de een van de ander afhankelijk. Er kan niets anders van gezegd worden, dan dat de erkenning van deze geschriften zonder enige afspraak, vanzelf in alle gemeenten plaats had. Op enkele uitzonderingen na, werden de Oud- en de Nieuwtestamentische geschriften terstond, van hun ontstaan af, in hun geheel, zonder een woord van twijfel of protest als heilige, goddelijke schriften aangenomen. De plaats en de tijd, waar hun het eerst gezag werd toegekend, is niet aan te wijzen. De canoniciteit van de Bijbelboeken wortelt in hun existentie. Zij hebben gezag van zichzelf, juro suo, omdat ze er zijn. Het is de Geest des Heeren, die leidde bij het schrijven en die ze in de gemeente tot erkenning bracht6

Het resultaat van dit onderzoek naar de leer van de Schrift over zichzelf kan hierin worden samengevat, dat zij zichzelf houdt en uitgeeft voor het woord van God. De uitdrukking woord van God of woord des Heeren heeft in de Schrift verschillende betekenissen. Dikwijls wordt er door aangeduid de kracht van God, waardoor Hij alle dingen schept en onderhoudt, Gen. 1:3; Ps. 33:6; 147:17-18; Rom. 4:17, Hebr. 1:3, 11:3. Vervolgens wordt zo de bijzondere openbaring genoemd, waardoor God iets bekend maakt aan de profeten. In het Oude Testament komt de uitdrukking in deze zin bijna op iedere bladzijde voor; telkens heet het daar: het woord des Heeren geschiedde. In het Nieuwe Testament vinden wij het in deze zin alleen, Joh. 10:35; het woord geschiedt nu niet meer en komt niet een enkele maal van boven en van buiten tot de profeten, het is geschied in Christus en blijft. Verder betekent woord van God de inhoud van de openbaring; dan is er sprake van woord of woorden van God, naast rechten, wetten, geboden, inzettingen, welke aan Israël gegeven zijn, Ex. 9:20,21, Richt. 3:20, Ps. 30:4 [Ps. 30:3]; 119:9,16-17 enz. Jes. 40:8, Rom. 3:2 enz. In het Nieuwe Testament heet zo het Evangelie, dat door God in Christus is geopenbaard en door de apostelen verkondigd werd, Luk. 5:1; Joh. 3:34; 5:24; 6:63; 17:8,14,17, Hand. 8:25; 13:7; 1 Thess. 2:13 enz. Niet onwaarschijnlijk is het, dat de naam woord van God dan voorts in de Schrift een enkele maal wordt gebruikt, om er de geschreven wet, dus een gedeelte van de Schrift, mee aan te duiden, Ps. 119:105. In het Nieuwe Testament laat zich zulk een plaats niet aanwijzen. Ook Hebr. 4:12 is woord van God niet gelijk de Schrift. Maar toch ziet het Nieuwe Testament feitelijk in de boeken van het Oude Verbond niets anders dan het woord van God. God, of de Heilige Geest is de auctor primarius, die door, dia c. gen., de profeten sprak in de Schrift, Hand. 1:16, 28:25. De Schrift heet dan zo èn om haar oorsprong èn om haar inhoud. De formele en materiële betekenis van de uitdrukking is in de Schrift ten nauwste verbonden. En eindelijk wordt de naam woord van God gebezigd voor Christus zelf. Hij is de Logos in geheel enige zin, revelator en revelatio tegelijk. Alle openbaringen van God, alle woorden van God, in natuur en geschiedenis, in schepping en herschepping, onder Oude en Nieuwe Testament hebben in Hem hun grond, hun eenheid en middelpunt. Hij is de zon, de bijzondere woorden van God zijn zijn stralen. Het woord van God in de natuur, onder Israël, in het Nieuwe Testament, in de Schrift mag geen ogenblik van Hem worden losgemaakt en afgedacht. Er is alleen openbaring Gods, omdat Hij de Logos is. Hij is het principium cognoscendi, in algemene zin van alle wetenschap, in bijzondere zin, als Logov ensarkov, van alle kennis Gods, van religie en theologie, Matt. 11:27.

1 Papias bij Eusebius, Rist. eccl. III 39. Justinus, Apol. I 66. 67.

2 Athenagoras, de resurr. c. 16. Theophilus, ad Autol. III 4.

3 Loescher, aangehaald PRE2 VII 424.

4 Verg. over deze strijd Klippel, Stud. u. Krit. 1891, 1es Heft, en Barth, Neue Jahrb. f. d. Theol. 1893, les Heft.

5 Adv. haer. I 20.

6 Harnack, D. G. 1 304 v. 318 v. Wildeboer, Het ontstaan v. d. Kanon des Oude V. 107 v. Reuss, Gesch. des N. T. par. 298 v. W. Lee, The Inspiration of holy Scripture, 3e ed. Dublin 1864 bl. 43. Zahn, Art. Kanon des N. T. in PRE3. lX 768-796 en Grundriss der Geschichte des neut.Kanons. Leipzig 1901.

x
This website is using cookies. Accept