Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

112. De Heilige Schrift biedt ons nergens een klaar geformuleerd dogma over de inspiratie, maar zij stelt ons voor het getuigenis van haar theopneustie en geeft ook voorts al de momenten, die er voor de constructie van het dogma nodig zijn. Zij bevat en leert de theopneustie van de Schrift in dezelfde zin en op dezelfde wijze, even beslist en duidelijk, maar ook even weinig in abstracte begrippen geformuleerd als het dogma over de triniteit, de menswording, de voldoening enz. Meermalen is dit ontkend. Elke sectanische en heretische richting begint haast met een beroep op de Schrift tegen de confessie, en tracht haar afwijking van de leer van de kerk te doen voorkomen als door de Schrift geboden. Maar in de meeste gevallen leidt dieper onderzoek tot de erkentenis, dat de belijdenis van de gemeente het getuigenis van de Schrift aan haar zijde heeft. De modernen geven thans over het algemeen toe, dat Jezus en de apostelen de Oude Testament Schrift als Gods Woord hebben aangenomen1. Anderen zoals Rothe2, erkennen dit wel ten opzichte van de apostelen, maar menen, dat de kerkelijke dogmatiek voor haar leer van de inspiratie zich toch niet op Jezus beroepen kan. Maar Jezus’ positieve uitspraken over het Oude Testament, Mt. 5:8, Luk. 16:17, Joh. 10:35, zijn aanhalingen uit en zijn herhaald gebruik van de Oudtestamentische Schrift verheffen het boven allen twijfel, dat Mozes en de profeten evengoed voor Hem als voor de apostelen de dragers waren van een goddelijk gezag. De tegenstelling, door Rothe tussen de leer van Jezus en die van de apostelen gemaakt, verheft niet maar ondermijnt feitelijk het gezag van Jezus zelf. Want van Jezus weten wij niets dan door het getuigenis van de apostelen; wie dus de apostelen in diskrediet brengt en als onbetrouwbare getuigen van de waarheid voorstelt, verspert zich de weg om te weten te komen, wat Jezus zelf geleerd heeft, en weerspreekt terstond ook Jezus zelf, die zijn apostelen tot volkomen betrouwbare getuigen aangesteld heeft en door zijn Geest hen in alle waarheid leiden zou. En daartoe behoort voorzeker ook de waarheid aangaande de Heilige Schrift. De leuze: naar Christus terug, is bij dit dogma evenals bij alle andere leerstukken bedrieglijk en vals, als zij een tegenstelling bedoelt met het getuigenis van de apostelen.

Zeer gewoon is ook een andere tegenstelling, die gemaakt wordt, om van het getuigenis van de Schrift over zichzelf bevrijd te worden. De Schrift, zo zegt men dan, mag dan hier en daar de inspiratie leren; maar om de leer van de Schrift aangaande de Schrift recht en ten volle te verstaan, moeten ook de feiten geraadpleegd worden, welke de Schrift bij het onderzoek naar haar wording en geschiedenis, naar haar inhoud en bestand ons kennen doet. Alleen zulk een inspiratieleer is dus waar en goed, welke met de fenomenen van de Schrift bestaanbaar is, en uit deze zelf is afgeleid. Zeer dikwijls doet men het hierbij dan voorkomen, dat de tegenpartij een eigen, apriorische opinie aan de Schrift opdringt, en haar perst in het keurslijf van de scholastiek. En men beroept er zich op, dat men tegenover al die theorieën en systemen juist de Schrift zelf wil laten spreken en alleen van zichzelf wil laten getuigen. Het schort de orthodoxie juist aan eerbied voor de Schrift. Zij doet de tekst, de feiten van de Heilige Schrift geweld aan3. Deze voorstelling klinkt op het eerste horen schoon en aannemelijk, maar blijkt toch bij nadere overweging onhoudbaar. Ten eerste is het onjuist, dat de leer van de inspiratie, zoals ze door de Christelijke kerk beleden wordt, een tegenstelling zou vormen met hetgeen de Schrift aangaande zichzelf zegt. Want de inspiratie is een feit, door de Heilige Schrift zelf geleerd. Jezus en de apostelen hebben een getuigenis gegeven aangaande de Schrift. De Schrift bevat een leer ook over zichzelf. Afgezien van alle dogmatische of scholastieke ontwikkeling van deze leer, is de vraag eenvoudig deze, of de Schrift in dit haar zelfgetuigenis geloof verdient, al dan niet. Er kan verschil bestaan over de vraag, of de Schrift zulk een theopneustie van zichzelf leert; maar indien ja, dan behoort ze ook daarin geloofd te worden, evengoed als in haar uitspraken over God, Christus, de zaligheid enz. De zogenaamde fenomenen van de Schrift kunnen dit zelfgetuigenis van de Schrift niet omverstoten en mogen tegen haar zelfs niet als partij worden opgeroepen. Want wie zijn leer van de Schrift afhankelijk maakt van het historisch onderzoek naar haar wording en structuur, begint reeds met het getuigenis van de Heilige Schrift te verwerpen en staat dus niet meer in het geloof aan die Schrift. Hij meent de leer van de Schrift beter te kunnen opbouwen uit eigen onderzoek, dan ze in geloof te ontlenen aan de Schrift; hij stelt zijn eigen gedachten in plaats van en boven die van de Schrift. Voorts, het getuigenis van de Schrift is klaar, duidelijk en zelfs door de tegenstanders als zodanig erkend, maar de beschouwing over de fenomenen van de Schrift is resultaat van langdurig historisch-kritisch onderzoek en wijzigt zich in allerlei vormen naar het verschillend standpunt van de critici: de theoloog, die uit zulke onderzoekingen tot een leer over de Schrift wil komen, stelt feitelijk zijn wetenschappelijk inzicht tegenover de leer van de Schrift aangaande zichzelf. Maar langs dien weg komt men ook nooit tot een leer over de Schrift; historisch-critisch onderzoek kan een helder inzicht geven in het ontstaan, de geschiedenis, de structuur van de Schrift maar leidt nooit tot een leer, tot een dogma de S. Scriptura. Dit kan uiteraard slechts gebouwd worden op een getuigenis van de Schrift aangaande zichzelf. Niemand denkt er aan, om een geschiedenis over de oorsprong en de bestanddelen van de Ilias een leer te noemen. Bij deze methode valt dus niet alleen een of andere theorie over de inspiratie, maar deze zelf als feit en getuigenis van de Schrift. Inspiratie, indien men dat woord nog behoudt, wordt dan niets dan de korte samenvatting van wat de Bijbel is4, of liever van wat men meent dat de Bijbel is, en kan dan lijnrecht in strijd zijn met wat de Bijbel zelf beweert te zijn, en waarvoor hij zichzelf uitgeeft en aandient. De methode, die men volgt, is in het wezen van de zaak geen andere, dan die, waarbij de leer van de schepping, van de mens, van de zonde enz. niet opgebouwd wordt uit het getuigenis van de Schrift dienaangaande, maar uit de zelfstandige studie van die facta. In beide gevallen is het een corrigeren van de leer van de Bijbel door eigen wetenschappelijk onderzoek, een afhankelijk maken van het getuigenis van de Schrift van menselijk oordeel. De feiten en verschijnselen van de Schrift, de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek mogen dienen ter verklaring, toelichting enz. van de leer van de Schrift aangaande zichzelf, maar kunnen nooit het feit van de inspiratie, waarvan zij getuigt, te niet doen. Terwijl generzijds dus beweerd wordt, dat alleen zulk een inspiratie aannemelijk is, die overeenstemt met de fenomenen van de Schrift, is het dezerzijds het beginsel, dat de fenomenen van de Schrift, niet gelijk de kritiek ze ziet, maar gelijk ze in zichzelf zijn, bestaanbaar zijn met haar zelfgetuigenis.

Gewoonlijk wordt in het woord theopneustie of inspiratie samengevat, wat de Schrift aangaande zichzelf leert. Het woord yeopneustov, dat in de Schrift alleen 2 Tim. 3:16 voorkomt, kan beide actief en passief worden opgevat en dus de betekenis hebben, zowel van: God ademend, als: door God geademd. Maar de laatste betekenis verdient, ofschoon Cremer in zijn Wörterbuch het tegendeel beweert, ongetwijfeld de voorkeur. Want

1. hebben de objectiva verbalia, met yeov samengesteld, wel niet altijd, maar toch voor het merendeel een passieve betekenis, zoals yeognwstov, yeodotov, yeodidaktov, yeokinhtov, yeopemptov enz.;

2. wordt de passieve betekenis gesteund door 2 Petr. 1:21, waar gezegd wordt, dat de heilige mannen, upo pneumatov agiou fefomenoi, gesproken hebben;

3. heeft het woord, waar het buiten het Nieuwe Testament voorkomt, altijd passieve betekenis, en

4. is het in deze zin eenparig door alle Griekse en ook door alle Latijnse kerkvaders en schrijvers verstaan5.

In de Vulgata is het daarom ook weergegeven door divinitus inspirata. Het woord inspiratie heeft oorspronkelijk veel ruimer zin. De Grieken en Romeinen schreven aan allen, die iets groots en goeds tot stand brachten, een afflatus of instinctus divinus toe. Nemo vir magnus sine aliquo afflatu divino unquam fuit, Est deus in nobis, agitante calescimus illo. De inspiratie van dichters, kunstenaars, vates enz. kan ook inderdaad tot opheldering dienen van de inspiratie, waar de Heilige Schrift van spreekt. Bijna alle grote mannen hebben het uitgesproken, dat hun schoonste gedachten plotseling en onbewust in hun ziel opstegen en voor henzelf een verrassing waren. Eén getuigenis mag volstaan. Goethe schreef eens aan Ekkermann: Jede Produktivität höchster Art, jedes bedeutendes Apercue, jede Erfindung, jeder grosse Gedanke, van de Früchte bringt und Folgen hat, steht in Niemandes Gewalt und ist über alle irdische Macht erhaben. Dergleichen hat van de mens als unverhoffte Geschenke von oben, als reine Kinder Gottes zu betrachten, die er mit freudigem Danke zu empfangen und zu verehren hat. In solchen Fällen ist der Mensch als das Werkzeug einer höhern Weltregierung zu betrachten, als ein würdig befundenes Gefass zur Aufnahme eines göttlichen Einflusses6. Carlyle heeft daarom op de helden of genieën gewezen als de kern van de geschiedenis van de mensheid. Op hun beurt hebben deze genieën, elk op zijn terrein, weer de massa geinspireerd. Luther, Baco, Napoleon, Hegel hebben de gedachten van millioenen omgezet en het bewustzijn veranderd. Dit feit reeds leert ons, dat er een inwerking van de ene geest op de ander mogelijk is. De wijze daarvan is verschillend, als de ene mens spreekt tot de ander, als de redenaar de schare bezielt door zijn woord, als de hypnotiseur zijn gedachten overplant in de gemagnetiseerde enz., maar altijd is er suggestie van gedachten, inspiratie in ruimer zin. Nu leert ons de Schrift, dat de wereld niet zelfstandig is en uit zichzelf bestaat en leeft, maar dat de Geest van God immanent is in al het geschapene. De immanentie van God is de basis voor alle inspiratie en theopneustie, Ps. 104:30; 139:7; Job 33:4. Het zijn en het leven wordt aan ieder schepsel van ogenblik tot ogenblik door de Geest geïnspireerd. Nog nader is die Geest des Heeren principe van alle verstand en wijsheid, Job 32:8, Jes. 11:2, zodat alle kennis en kunst, alle talent en genie uit Hem voortkomt. In de gemeente is Hij de Geest van de wedergeboorte en vernieuwing, Ps. 51:13 [Ps. 51:11], Ezech. 36:26,27, Joh. 3:3; de uitdeler van de gaven, 1 Cor. 12:4-6. In de profeten is Hij de Geest van de voorzegging, Num. 11:25; 24:2-3; Jes. 11:4; 42:1; Micha 3:8 enz. En zo ook is Hij bij de samenstelling van de Schrift de Geest van de inspiratie. Deze laatste werkzaamheid van de Heilige Geest staat dus niet op zichzelf; zij staat in verband met zijn hele immanente werkzaamheid in de wereld en in de gemeente. Zij is de kroon en de spits van alles. De inspiratie van de schrijvers bij de vervaardiging van de Bijbelboeken is op al die andere werkzaamheden van de Heilige Geest opgebouwd. Zij onderstelt een werk van de Vader, waardoor de openbaringsorganen lang te voren van de geboorte af aan, ja zelfs vóór de geboorte in hun geslacht, omgeving, opvoeding, ontwikkeling enz. voor die taak werden voorbereid, tot welke zij later speciaal zouden geroepen worden, Ex. 3-4, Jer. 1:5, Hd. 7:22, Gal. 1:15 enz. De inspiratie mag dus niet, gelijk de modernen doen, met de heroïsche, poëtische, religieuze bezieling worden vereenzelvigd; zij is niet een werk van de providentia Dei generalis, niet een inwerking van Gods Geest in gelijke mate en op dezelfde wijze als bij de helden en kunstenaars, al is het ook dat deze inwerking van Gods Geest bij de profeten en bijbelschrijvers meermalen ondersteld wordt. De Geest in de schepping gaat en werkt de Geest in de herschepping voor. Voorts wordt bij de eigenlijke inspiratie ook nog een voorafgaand werk van de Zoon ondersteld. De gave van de theopneustie wordt alleen geschonken binnen de kring van de openbaring. Theofanie, profetie en wonder gaan aan de eigenlijke inspiratie vooraf. Revelatie en inspiratie zijn onderscheiden; gene is meer een werk van de Zoon, van de Logos, deze van de Heilige Geest. Er ligt dus waarheid in de gedachte van Schleiermacher, dat de heilige schrijvers onder invloed stonden van de heilige kring, waarin zij leefden. Openbaring en ingeving moeten onderscheiden worden.

Wanneer zij de zaken, die zij te schrijven hadden, uit eigen aanschouwing wisten of door persoonlijk onderzoek en het raadplegen van bronnen te weten konden komen, behoefden zij daaromtrent geen bijzondere openbaring te ontvangen. Jezus zegt zelf, dat zijn apostelen, die als zijn getuigen hebben op te treden in de wereld, door de Heilige Geest indachtig zullen gemaakt worden ten aanzien van wat zij zelf gezien en gehoord hebben, Joh. 14:26, en onderscheidt deze werkzaamheid van de Geest duidelijk van die, waardoor Hij hun dingen zou openbaren, die wel in de verschijning van Christus begrepen zijn, zodat de Heilige Geest ze ook alle uit Christus neemt, maar die de discipelen vóór de opstanding en de hemelvaart van Christus niet konden dragen, Joh. 16:12-14. Maar al is er duidelijk onderscheid tussen revelatie en inspiratie, dit onderscheid mag niet worden misbruikt, om de inspiratie geheel van de revelatie los te maken, buiten haar te plaatsen en dus feitelijk geheel en al te loochenen. Want ten eerste gaat de revelatie wel dikwijls, maar niet altijd aan de inspiratie vooraf. Als de Heilige Geest ook nog de taak had, om de toekomende dingen te verkondigen, kon Hij deze openbaring met de ingeving laten samenvallen; onder het schrijven vloeiden dan de apostelen de gedachten uit de Heilige Geest toe, en de inspiratie was in hetzelfde ogenblik ook revelatie. Voorts was ook bij die zaken, welke de apostelen door eigen aanschouwing en onderzoek konden weten, een bijzondere werkzaamheid van de Heilige Geest nodig, welke door Jezus zelf als een leren en indachtig maken van wat Hij gezegd heeft, omschreven wordt, Joh. 14:26. En ten derde dient men wel in het oog te houden, dat profeten en apostelen veel van de openbaring konden weten, doordat zij er oog- en oorgetuigen van waren, maar dat de hele openbaring voor ons alleen bekend wordt uit en door hun schriftelijk getuigenis. De Schrift is dus voor de gemeente van alle eeuwen de openbaring, dat is, het enig instrument, waardoor de openbaring van God in Christus gekend kan worden. In de inspiratie sluit zich dus de revelatie af, krijgt zij haar beslag en bereikt zij haar eindpunt. Enerzijds is het dus waar: inspiratio non est revelatio, maar aan de andere kant is het evenzeer waar: omnia inspirata sunt revelata7. Eindelijk, de inspiratie veronderstelt meestal, ofschoon niet altijd, ook nog een werk van de Heilige Geest in wedergeboorte, geloof en bekering. De profeten en apostelen waren meest heilige mannen, kinderen Gods. Ook deze gedachte van de ethische theologie bevat dus elementen van waarheid. Maar toch is inspiratie niet met wedergeboorte identiek. Wedergeboorte omvat de hele mens, inspiratie is een werking in het bewustzijn. Gene heiligt en vernieuwt, deze verlicht en onderwijst. Gene brengt niet vanzelf de inspiratie mee, en inspiratie is mogelijk zonder wedergeboorte, Num. 23:5, Joh. 11:51, cf. Num. 22:28, 1 Sam. 19:24, Hebr. 6:4. Wedergeboorte is een habitus permanens, inspiratie is een actus transiens. Met al deze genoemde werkzaamheden van God staat dus de inspiratie in ‘t nauwste verband. Zij mag er niet van geïsoleerd worden. Zij is opgenomen in al die inwerkingen van God in al het geschapene. Maar ook hier moet de evolutie-theorie bestreden worden, alsof het hogere alleen door immanente ontwikkeling uit het lagere voortkomen zou. De werking van Gods Geest in de natuur, in de mensheid, in de gemeente, in de profeten, in de bijbelschrijvers is verwant en analoog, maar niet identiek. Er is harmonie, geen eenzelvigheid.

1 Lipsius Dogm. par. 185. Strausz, Dogm. I 79. Pfleiderer, van de Paulinismus 2 1890 bl. 87 v.

2 Rothe, Zur Dogmatik 178 v.

3 Wildeboer, De Letterk. des O. V. bl. V.

4 Zo bijv. bij Horton, Inspiration and the Bible 1906 bl. 10.

5 Verg. het grondig betoog van Prof. Warfield, Presb. and. Ref. Review Jan. 1900.

6 Andere dergelijke getuigenissen van Schopenhauer, Grillparzer, Jean Paul, Haydn bij Wynaendts Francken, Psychologische Omtrekken. Amsterdam 1900. Verg. ook mijn: Bilderdijk als Denker en Dichter 1903. bl. 159.

7 Pesch, De Inspiratione S. Scr. bl. 414.

x
This website is using cookies. Accept