Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

117. Maar voorts doet de organische opvatting van de inspiratie vele middelen aan de hand, om aan de bezwaren, tegen haar ingebracht, tegemoet te komen. Zij houdt toch in, dat de Heilige Geest bij het beschrijven van het woord van God niets menselijks heeft versmaad, om tot orgaan te dienen van het goddelijke. De openbaring van God is niet abstract-supranatureel, maar is ingegaan in het menselijke, in personen en toestanden, in vormen en gebruiken, in geschiedenis en leven. Zij blijft niet hoog boven ons zweven, maar is nedergedaald in onze toestand; zij is vlees en bloed en ons in alles gelijk geworden uitgenomen de zonde. Zij maakt thans een onuitroeibaar bestanddeel uit van deze kosmos waarin wij leven, en zet vernieuwend en herstellend daarin haar werking voort. Het menselijke is orgaan geworden van het goddelijke, het natuurlijke de openbaring van het bovennatuurlijke, het zienlijke teken en zegel van het onzienlijke. Bij de inspiratie is gebruik gemaakt van alle gaven en krachten, die er liggen in de menselijke natuur. Daardoor is ten eerste volkomen verklaarbaar het verschil in taal en stijl, in karakter en individualiteit, dat in de Bijbelboeken valt op te merken. Vroeger werd dit verschil verklaard uit de wil van de Heilige Geest, en een diepere beschouwing ontbrak. Maar bij de organische inspiratie is dit verschil volkomen natuurlijk. Ook het gebruik van bronnen, de bekendheid van de schrijvers met vroegere geschriften, eigen onderzoek, herinnering, nadenken en levenservaring is door de organische opvatting niet uitgesloten maar opgenomen. De Heilige Geest heeft zelf op die wijze zijn scriptores geprepareerd; Hij is niet in eens van boven op hen neergedaald, maar heeft zich van heel hun persoonlijkheid als van zijn instrument bediend. Ook hier geldt het woord, dat gratia non tollit sed perficit naturam. De persoonlijkheid van de schrijvers is niet uitgewist maar gehandhaafd en geheiligd. De inspiratie eist dus in geen dele, dat wij literair of esthetisch de stijl van Arnos gelijk stellen met die van Jesaja, of dat wij alle barbarismen en soloecismen in de taal van het Nieuwe Testament zouden loochenen. In de tweede plaats brengt de organische opvatting van openbaring en inspiratie mee, dat het gewoon menselijke en natuurlijke leven niet uitgesloten is maar mee dienstbaar is gemaakt aan de gedachten van God. De Schrift is het woord van God; zij bevat het niet alleen maar zij is het. Maar het formele en materiële element mag in deze uitdrukking niet vaneen gescheiden worden. Inspiratie alleen en op zichzelf zou een geschrift nog niet tot woord van God maken in schriftuurlijke zin. Al ware een boek over aardrijkskunde bijv. geheel en al ingegeven en in de meest letterlijke zin van woord tot woord gedicteerd, daardoor werd het nog niet theopneust in de zin van 2 Tim. 3:16. De Schrift is het woord van God, omdat de Heilige Geest in haar van Christus getuigt, omdat zij de Logov ensagkov tot stof en inhoud heeft. Vorm en inhoud doordringen elkaar, en zijn niet te scheiden. Maar om dit beeld van Christus ons ten voeten uit als voor de ogen te schilderen, daartoe is nodig, dat ook de menselijke zonde en de satanische leugen in al haar gruwel getekend wordt. Op het schilderij is de schaduw nodig, om het licht helderder te doen uitkomen. Zonde moet ook in Bijbel heilige zonde worden genoemd, en dwaling mag ook in hen niet worden vergoelijkt. En terwijl de openbaring van God in Christus zo de ongerechtigheid als antithese in zich opneemt, versmaadt zij ook het menselijk-zwakke en natuurlijke niet. Christus heeft niets menselijks zich vreemd gerekend, en de Schrift vergeet ook de kleinste zorgen van het dagelijks leven niet, 2 Tim. 4:13. Het Christelijke staat niet antithetisch tegenover het menselijke; het is er de herstelling en vernieuwing van.

In de derde plaats hangt met de inhoud ook ten nauwste de bedoeling en de bestemming van de Schrift samen. Al wat te voren geschreven is, is tot onze lering geschreven. Het strekt tot lering, weerlegging, verbetering, onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is, opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust. Het dient om ons wijs te maken tot zaligheid. De Heilige Schrift heeft een door en door religieus-ethische bestemming. Zij wil geen handboek zijn voor de verschillende wetenschappen. Zij is principium alleen van de theologie en verlangt, dat wij haar theologisch lezen en onderzoeken zullen. Bij al de vakken, die om de Schrift zich groeperen, moet het ons te doen zijn om de zaligmakende kennis van God. Daarvoor biedt de Schrift ons alle gegevens. In die zin is zij volkomen genoegzaam en volmaakt. Wie echter uit de Schrift een geschiedenis van Israël, een biographie van Jezus, een geschiedenis van Israëls of van de oudchristelijke letterkunde enz. wil afleiden, vindt telkens zich teleurgesteld. Dan zijn er leemten, die niet dan door gissingen kunnen worden aangevuld. De historische kritiek heeft deze bestemming van de Schrift ten enenmale vergeten. Zij tracht een geschiedenis van Israëls volk en godsdienst en letterkunde te leveren, en komt a priori met eisen tot de Schrift, waaraan zij niet kan voldoen. Zij stuit op tegenstrijdigheden, die niet op te lossen zijn, schift bronnen en boeken eindeloos, rangschikt en ordent ze heel anders, alleen met het gevolg, dat er een hopeloze verwarring ontstaat. Uit de vier Evangeliën is geen leven van Jezus te construeren en uit het Oude Testament geen geschiedenis van Israël. De Heilige Geest heeft dat niet bedoeld. Notariële optekening is de inspiratie blijkbaar niet geweest. “Als toch in de vier Evangeliën aan Jezus bij eenzelfde gelegenheid woorden in de mond worden gelegd, die in vorm van uitdrukking ongelijk zijn, kan Jezus natuurlijk niet vier vormen tegelijk gebezigd hebben, maar beoogt de Heilige Geest slechts het doel, om op de kerk een indruk te weeg te brengen, die volkomen beantwoordt aan wat van Jezus uitging”1. Aan exacte kennis, zoals wij die in de mathesis, de astronomie, de chemie enz. eisen, voldoet de Schrift niet. Zulk een maatstaf mag aan haar niet worden aangelegd. Daarom zijn de autographa ook verloren; daarom is de tekst, in welke geringe mate dan ook, corrupt; daarom bezit de gemeente, en waarlijk de leek niet alleen, de Schrift slechts in een gebrekkige en feilbare vertaling. Dat zijn feiten, die niet te loochenen zijn. En zij leren ons, dat de Schrift een eigen maatstaf heeft, van een eigen uitlegging is en een eigen bestemming heeft. Die bestemming is geen andere, dan dat zij ons wijs zou maken tot zaligheid. Het Oude Testament is geen bron voor een geschiedenis van Israëls volk en godsdienst maar wel voor een historia revelationis. De Evangeliën zijn geen bron voor een leven van Jezus maar wel voor een dogmatische kennis van zijn persoon en werk. De Schrift is het boek voor de Christelijke religie en voor de Christelijke theologie. Daartoe is zij gegeven. Daarvoor is zij geschikt. En daarom is zij het woord van God, ons geschonken door de Heilige Geest.

Daaruit wordt eindelijk de verhouding duidelijk, waarin de Schrift tot de andere wetenschappen staat. Er is veel misbruik gemaakt van het woord van Baronius: de Schrift zegt niet, hoe de hemel gaat, maar hoe wij naar de hemel gaan2. Juist als boek van de kennis van God heeft de Schrift veel te zeggen, ook tot de andere wetenschappen. Zij is een licht op het pad en een lamp voor de voet, ook van de wetenschap en de kunst. Zij maakt aanspraak op gezag op alle terrein van het leven. Christus heeft alle macht in hemel en op aarde. Objectief is de beperking van de inspiratie tot het religieus-ethische gedeelte van de Schrift onhoudbaar, en subjectief is de scheiding tussen het godsdienstige en het overige leven van de mens niet te handhaven. De inspiratie strekt zich uit tot alle delen van de Schrift, en de religie is een zaak van de hele mens. Zeer veel van wat in de Schrift vermeld wordt, is ook voor de andere wetenschappen van principiële betekenis. De schepping en val van de mensen, de eenheid van het menselijk geslacht, de zondvloed, het ontstaan van de volken en talen enz. zijn feiten, ook voor de andere wetenschappen van het hoogste belang. Ieder ogenblik komen wetenschap en kunst met de Schrift in aanraking, de principia voor heel het leven zijn gegeven in de Schrift. Hieraan mag niets te kort worden gedaan. Maar toch ligt er anderzijds ook een grote waarheid in het woord van de kardinaal Baronius. Ook al die feiten worden in de Schrift niet op en voor zichzelf meegedeeld, maar met een theologisch doel, opdat wij God zouden kennen tot zaligheid. De Schrift bemoeit zich nooit opzettelijk met de wetenschap als zodanig. Christus zelf, ofschoon vrij van alle dwaling en zonde, heeft zich toch nooit in engere zin bewogen op het gebied van wetenschap en kunst, van handel en nijverheid, van rechtspraak en politiek. Zijns was een andere grootheid; de heerlijkheid van de Eniggeborene van de Vader; vol van genade en waarheid. Maar juist daardoor is Hij ten zegen geweest ook voor wetenschap en kunst, voor maatschappij en staat. Jezus is Zaligmaker, dat alleen, maar dat ook geheel. Hij kwam niet alleen, om het religieus-ethische leven van de mens te herstellen en al het andere ongemoeid te laten, alsof dit niet door de zonde bedorven was en geen herstelling nodig had. Nee, zover als de zonde, strekt ook de genade van Christus zich uit. En ook is het met de Schrift. Ook zij is door en door religieus, het woord van God tot zaligheid. maar daarom ook juist een woord voor gezin en maatschappij, voor wetenschap en kunst. De Schrift is een boek voor de hele mensheid, in al haar rangen en standen, in al haar geslachten en volken. Maar daarom ook is zij geen wetenschappelijk boek in engere zin. Wijsheid, niet geleerdheid is in haar aan het woord. Zij spreekt niet de exacte taal van de wetenschap en van de school, maar die van de aanschouwing en van het dagelijkse levens. Zij beoordeelt en beschrijft de dingen niet naar de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, maar naar de intuïtie, naar de eerste, levendige indruk, die de verschijnselen maken op de mens. Daarom spreekt zij van het naderen van het land, van het opgaan en stilstaan van de zon, van het bloed als de ziel van het dier, van de nieren als zetel van de aandoeningen, van het hart als bron van de gedachten enz., en bekommert zich daarbij in het geheel niet om de wetenschappelijk-nauwkeurige taal van de astronomie, de fysiologie, de psychologie enz. Zij spreekt over de aarde als het centrum van Gods schepping en kiest geen partij tussen de Ptolemeïsche en de Copernicaanse wereldbeschouwing. Zij beslist niet tussen het Neptunisme en het Plutonisme, noch ook tussen de allopathie en de homoeopathie. De scriptores van de Heilige Schrift wisten waarschijnlijk in al deze wetenschappen, geologie, zoölogie, fysiologie, medicijnen enz. niets meer dan al hun tijdgenoten. Het behoefde ook niet. Want de Heilige Schrift bezigt de taal van de dagelijkse ervaring, die altijd waar is en blijft. Indien de Schrift in plaats daarvan de taal van de school had gebruikt en wetenschappelijk-exact had gesproken, zij zou haar eigen gezag in de weg hebben gestaan. Indien zij beslist had vóór de Ptolemeïsche wereldbeschouwing, zou zij ongeloofwaardig zijn in een eeuw, die het Copernicaanse stelsel huldigde. Zij zou ook geen boek voor het leven, voor de mensheid hebben kunnen zijn. Maar nu spreekt zij in algemeen-menschelijke taal, verstaanbaar voor de eenvoudigste, duidelijk voor geleerde en ongeleerde beide. Zij bezigt de taal van de aanschouwing, die altijd naast die van de wetenschap en van de school zal blijven bestaan.

In de laatste tijd is soortgelijke gedachte door vele Roomse theologen ook ten aanzien van de geschiedbeschrijving in de Heilige Schrift uitgesproken. Om de leer van de theopneustie en de resultaten van de nieuwere Schriftkritiek met elkaar te kunnen verenigen, hebben zij onderscheid gemaakt tussen absolute en relatieve waarheid, tussen veritas rei citatae en veritas citationis, tussen een verhaal, dat naar zijn inhoud waar is en een verhaal, dat eenvoudig door de Bijbelschrijvers om een of andere reden uit andere bronnen of uit de volkstraditie is overgenomen, maar zonder dat zij voor de objectieve waarheid van de inhoud instaan of willen instaan. De auteurs van de Bijbelboeken zouden dan menigmaal, evenals bij het spreken over natuurverschijnselen, zo ook bij het verhalen van historie niet naar de objectieve werkelijkheid, maar naar de subjectieve schijn, secundum apparentiam, hebben geschreven. Maar deze voorstelling kan hier, bij de geschiedbeschrijving niet worden toegelaten. Want als profeten en apostelen op het gebied van de natuur spreken van het opgaan van de zon, het naderen van het land enz., dan kunnen zij geen verkeerde voorstelling bij ons wekken, omdat zij handelen over verschijnselen, die wij nog dagelijks gadeslaan en waarover wij op dezelfde wijze als zij ons uitdrukken. Maar als zij op historisch terrein secundum apparentiam schrijven, dat wil in dit geval toch zeker zeggen, niet naar hetgeen objectief gebeurd is maar naar hetgeen subjectief in hun tijd door velen geloofd werd, dan geven zij ons daarmee een valse voorstelling en worden zij dus in hun gezag en betrouwbaarheid aangetast. Wanneer dit beginsel consequent werd toegepast, dan zouden niet alleen de eerste hoofdstukken van Genesis, gelijk vele Roomse theologen tegenwoordig reeds doen, maar zou alle historie van Israël en van het oorspronkelijk Christendom in mythen en legenden kunnen worden opgelost. Als de Schrift kennelijk bedoelt, een verhaal als historie te geven, heeft de exegeet geen recht, ten believe van de historische kritiek daarvan een mythe te maken. Toch is het waar, dat de geschiedbeschrijving der Heilige Schrift een eigen karakter draagt. Het is er haar niet om te doen, dat wij precies alles zouden weten, wat er in de verleden tijden met het menselijk geslacht en met Israël gebeurd is, maar zij verhaalt ons de geschiedenis van Gods openbaring, vermeldt alleen, wat daarmee samenhangt, en bedoelt met haar historie, ons God te doen kennen in zijn zoeken van en in zijn komen tot de mensheid. De gewijde geschiedenis is een historia religiosa. Van het standpunt en naar de maatstaf van een profane geschiedenis beoordeeld, is zij daarom menigwerf incompleet, vol leemten, en volstrekt niet beschreven naar de regels van de tegenwoordige historische kritiek. Daaruit volgt volstrekt niet, dat de historiebeschrijving van de Schrift onwaar en onbetrouwbaar zou zijn, want evenals een mens met een gezond verstand zeer goed logisch redeneren kan, zonder ooit de logica te hebben bestudeerd, zo kan ook een berichtgever wel terdege een juist verhaal doen van wat gebeurd is, zonder vooraf van de regelen van de historische kritiek kennis te hebben genomen. Indien de historische kritiek deze realiteit van het leven miskent, ontaardt zij zelf in hyperkritiek en vernietigt het object, waarop zij zich te richten heeft. Maar toch draagt de hele geschiedbeschrijving van de Heilige Schrift het getuigenis, dat zij een eigen richting volgt en een eigen doel beoogt. Zij geeft ons in het bepalen van plaats en tijd, in de orde van gebeurtenissen, in de groepering van de omstandigheden volstrekt niet die nauwkeurigheid, welke wij dikwijls wensen zouden. De berichten over de voornaamste gebeurtenissen, bijv. over de tijd van Jezus geboorte, over de duur van zijn openbare werkzaamheid, over de woorden, door Hem bij de instelling van het avondmaal gesproken, over zijn opstanding enz. zijn verre van eensluidend en laten voor verschillende opvattingen ruimte. Voorts is het ook volkomen juist, dat er onderscheid bestaat tussen de auctoritas historiae en de auctoritas normae; niet alles, wat in de Schrift opgenomen en aangehaald wordt, is daardoor zelf naar de inhoud waar; de veritas citationis is niet met de veritas rei citatae één. Er worden immers in de Schrift ook letterlijke woorden van satan, van valse profeten, van goddelozen geciteerd, die blijkens het citaat dan wel zo door deze personen gesproken zijn, maar daarom nog geen objectieve waarheid behelzen, Gen. 3:1, Ps. 14:2, Jer. 28:2 v. In sommige gevallen is het zelfs moeilijk uit te maken, of wij al dan niet met een citaat te doen hebben, of niet alleen de juistheid van het citaat als zodanig maar ook de inhoud van het citaat door het gezag van de Schrift wordt gedekt, of aan een bepaald gedeelte van de Schrift alleen een auctoritas historiae dan wel ook een auctoritas normae toekomt; het dogma van de Schrift is op deze punten nog lang niet afgewerkt en laat nog voor veel speciale onderzoekingen plaats. Daarbij komt dan eindelijk nog, dat de Schrift wel in alles waar is, maar deze waarheid is volstrekt niet in al haar bestanddelen van dezelfde aard. De theopneustie heeft, gelijk vroeger is opgemerkt, alle genre van literatuur aan haar doel dienstbaar gemaakt; ze nam proza en poëzie, historie en profetie, gelijkenis en fabel in zich op. Het spreekt vanzelf, dat in al deze Schriftgedeelten de waarheid telkens een ander karakter draagt. De waarheid van een gelijkenis en fabel is een andere dan die van een historisch verhaal, en deze laatste verschilt weer van die in chokma, profetie en psalmodie. Of de rijke man en de arme Lazarus gefingeerde dan wel historische personen zijn, is een open vraag. En ook kan er verschil van mening over bestaan, of wij en in hoeverre wij bij Job, Prediker, Hooglied aan historie of aan historische inkleding te denken hebben. Bij de profetie komt dit nog duidelijker uit; de Oudtestamentische profeten schilderen de toekomst in verven en kleuren, aan hun eigen omgeving ontleend en stellen ons daardoor telkens voor de vraag, of het door hen geschrevene realistisch of symbolisch is bedoeld. Zelfs in historische berichten is er soms onderscheid tussen het feit, dat heeft plaats gehad, en de vorm, waarin het voorgesteld wordt. Bij Gen. 1:3 tekent de Statenvertaling aan, dat Gods zeggen zijn wil, zijn bevel en daad is, en bij Gen. 11:5, dat dit menselijk van de oneindige en alwetende God gesproken is. Deze laatste opmerking geldt eigenlijk van geheel de Heilige Schrift. Op menselijke wijze spreekt zij altijd van de hoogste en heiligste, van de eeuwige en onzienlijke dingen. Zij acht, als Christus, niets menselijks zich vreemd. Maar daarom is zij ook een boek voor de mensheid en duurt zij tot het einde van de eeuwen. Zij is oud, zonder ooit te verouderen. Zij blijft altijd jong en fris, zij is de spraak van het leven. Verbum Dei manet in aeternum.

1 Kuyper, Encycl. II 499. Verg. ook Dieckhoff, Die Inspiration und Irrthumslosigkeit der H. Schrift. Leipzig 1891. Id. Noch einmal über die Insp. und Irrthumslos. der H.S. Rostock 1893. Zahn, art. Evangeliënharmonie, PRE3. V 653-661.

2 Reeds Augustinus zei: Non legitur in Evangelio Dominum dixisse: mitto vobis Paracletum, qui vos doceat de cursu solis et lunae. Christianos enim facere volebat, non mathematicos, De actis c. Felice Manich. I, 10.

x
This website is using cookies. Accept